Jan van Goyenstraat 17 Hunnerberg, 1930 (F18250 RAN)
Deze pagina verzamelt berichten over de Jan van Goyenstraat
Broodbakkerij Hunnerberg, architect W. Hoffmann
hoek der Van Rosendaelstraat en Jan van Goyenstraat, 1902
“Broodbakkerij ‘Hunnerberg’.
De gestadige uitbreiding der stad doet in de nieuwe wijken voortdurend behoefte ontstaan aan gelegenheden om zich van het noodige voor het dagelijksch levensonderhoud te voorzien.
Een flinke broodbakkerij is al een van de eerschte vereischten voor een volkrijke buurt en zoo kan het ons niet verwonderen, dat op den hoek der Van Rosendaelstraat en Jan van Goyenstraat zulk een inrichting is verrezen, die aan alle eischen voldoet.
Het is een kolossaal en fraai pand, dat hier, volgens de plannen van den architect den heer W. Hoffmann, door den aannemer den heer H.C. van Thienen is opgetrokken, terwijl de schilder, de heer P.J. Lamers aan het houtwerk een net en sierlijk aanzien heeft weten te geven.
De eigenlijk bakkerij, aan de achterzijde gelegen, is naar de laatste eischen des tijds ingericht en voorzien van een doelmatige heeteluchtoven, geleverd door den heer P.Th. Caners te Ravestein. Daarboven is de meelzolder gelegen, met cementen vloer, vanwaar het meel door middel van een koker in de bakkerij afdaalt. Ruime rijskamer, bergplaatsen enz. voltooien de inrichting der bakkerij.
Een ruime en fraaie winkel biedt gelegenheid, de producten der bakkerij uit te stallen en te koop te bieden.
Hedenavond wordt blijkens achterstaande advertentie die winkel, genaamd ‘Hunnerberg’, door den heer Alb. Verhoeven geopend.
Niet alleen is er allerhande brood en gebak, maar zijn er ook kruidenierswaren van allerlei aard te bekomen, hetgeen een groot gerief is voor deze ontwikkelende buurt. Aan toeloop zal het er dan ook zeker niet ontbreken.” (De Gelderlander 18/4/1902)
Winkel Melk en aanverwante artikelen Jacobs, architect van Eldik
1937 Jan van Goyenstraat 14 Hunnerberg
“Opening nieuwe zaak
Morgen, 1 April opent de heer Th. Jacobs zijn nieuwe zaak, in melk en aanverwante artikelen, aan de Jan van Goyenstraat No. 14.
Zooals men weet, was dit bedrijf eerst aan den overkant van de straat gevestigd.
Na verbouwing van het pand op No. 14, liet de heer Jacobs deze zaak op moderne en hoogst smaakvolle wijze inrichten. Aan de Verkade’s artikelen werd een speciale afdeeling gewijd.
Bij een bezoek aan deze zaak treft het interieur, waarin de orgineele toonbank van marmer, de fraai betegelde wanden en de verchroomde opstanden aan het geheel nog een bijzonder cachet verleenen. Een zaak waarop deze vooruitstrevende zakenman trotsch kan zijn.
De volgende firma’s werkten aan de voltooiing mede:
Architect was de heer Jos van Eldik; Aannemer was de bouwkundige v. Haren; Het schilderwerk werd uitgevoerd door den heer van Roesel; Het marmerwerk door den heer van Leeuwen; De verchroomde opstanden zijn geleverd door de firma Gebr. van Campen; De lichtinstallatie door den heer v.d. Zand.
Wij verwijzen naar de advertentie in dit blad.“ (De Gelderlander 31/3/1937)
Jan van Goyenstraat 16, zelfde als 14?
Sigarenzaak Th. Jacobs, Jan van Goyenstraat 16 Hunnerberg, 1957 (F92053 RAN CC0)
Herbouw Boven en Benedenhuis, architect Okhuysen
Jan van Goyenstraat 27 en 29, 1947
Tekening gedateerd 17-4-1947 (detail D12.407456)
Plan voor de bouw van 1 Boven- en Benedenwoning a/d Jan Goyenstraat v/rek v. J. de Waal
Huidig (september 2022, Google Streetview)
Hieronder staat een foto weergegeven uit 1933. Okhuysen heeft de erker met balkon laten terug komen. Daarnaast komen de bogen boven de ramen laten terugin de vorm van een gemetselde boog. Ook de boog met ramen boven de voordeur is in zijn ontwerp opgenomen, in de vorm van 2 ramen.
De oneven zijde van de Jan van Goyenstraat. Boven- en benedenwoningen vóór de verwoesting door de gevechten in september 1944. De huizen werden in de jaren 1954/55 herbouwd naar een ontwerp van de architect J.D.A. Okhuijsen; RAN noemt Jan van Goyenstraat 33: onduidelijk is of ze het oude of nieuwe huisnummer bedoelt. Het nieuwe huisnummer 33 is ontworpen door A, v.d. Kloot (F39264 RAN)
Herbouwen beneden en bovenwoning, architect Okhuysen
Jan van Goyenstraat 23 en 25, 1949
Plan voor de bouw van 1 boven en benedenwoning aan de Jan v. Goyenstraat v. rek. van de Weled. Heer G.J. Kuiperij
Detail D12.409286
Huidig (september 2022, Google Streetview). De eerste woning met twee deuren zijn de nummers 23 en 25. Daarnaast 27 en 29, zie hierboven
Woonhuizen, architect van der Kloot
Jan van Goyenstraat (31, 33, 39, 41), 1955
Plan voor de Bouw van 2 x 2 woningen aan de Jan van Goyenstraat te Nijmegen voor Fa. Gebr. Dekkers, Tooropstraat 21, Nijmegen, datum tekening: juli 1954, arch. A. van der Kloot b.n.a. (D12.422657)
Afgaande op de bouwtekening hierboven, laat Fa. Gebr. Dekkers, een aannemingsbedrijf, de woningen Jan van Goyen 31-33 en 39-41 herbouwen. Het ontwerp van de tekening is uit juli 1954. Opvalllend daarbij is, dat de woningen worden ingepast in reeds bestaande huizen.
Tijdens Market Garden in september 1944 waren deze woningen tijdens de gevechten verloren gegaan.
In 1947 werden de linker woningen nummers 27-29 herbouwd naar ontwerp van J.D.A. Okhuysen voor rekening van J. de Waal (evenenals 23-25 uit 1949 voor rekening van de heer Kuiperij).
Ook de nummers 35-37 waren inmiddels herbouwd. Ik (RE) heb nog niet de architect kunnen achterhalen. Wel lijken de woningen een grote overeenkomst te hebben met de nummers 27-29, waardoor J.D.A. Okhuysen de architect zou kunnen zijn.
Het hoekpand aan de Museum Kamstraat heeft de oorlog wel overleefd en dateert uit 1926.
De woningen rechts met openstaande ramen zijn nummers 39-41, de woningen in het midden 31-33, augustus 2023 (Google Streetview)
Hoek Pater Brugmanstraat Jan van Goyenstraat, september 2022 (Google Streetview)
1974/1975 Berg en Dalseweg 133-181 en Huygensweg 16-52 Hunnerberg
Berg en Dalseweg met Huygensflat, maart 1982 (Ber van Haren via KN13512-19 RAN CC0 Auteursrechthouder: Gemeente Nijmegen)
De Huygensflat in Nijmegen werd in 1974–1975 gerealiseerd op de plek van twee negentiende-eeuwse villa’s. Dit artikel onderzoekt de geschiedenis van de locatie, de sloop en nieuwbouw. En de manier waarop de flat in de verkoop werd gepresenteerd: niet als serviceflat of bejaardenhuis, maar als een riante, comfortabele en zelfstandige koopwoning, waarbij vitale ouderen wel nadrukkelijk als doelgroep werden aangesproken. Daarmee is de Huygensflat interessant als voorbeeld van veranderende ideeën over wonen en ouder worden in de jaren zeventig.
Residence Huygensflat was een project van de NV Mij. Stadhouderslaan en Bouwkundig Aannemersbedrijf J.M.H. Hendriks. De makelaar is Hestia b.v. (de heer F. Hendriks)
Vooraf: sloop 2 villa’s
Villa Anna, gebouwd in 1898, samen met Berg en Dalseweg 131, Berg en Dalseweg 129, 1970 (Nico Grijpink via F7536 RAN CCBYSA)
De Huygensflat staat op de locatie waar daarvoor 2 villa’s stonden. Berg en Dalseweg 129 en 131. Op de bovenstaande foto is nummer 129 te zien, op F12553 RAN staan beide villa’s afgebeeld.
Deze villa’s waren in 1898 gebouwd. “In 1916 gekocht door Ch.C.van Zijll de Jong voor de vestiging van de Stichting Thera Posa (opvanghuis voor gerepatrieerde Nederlanders).” (Reactie op foto F12553 RAN). Daarbij is 1916 hoogstwaarschijnlijk een schrijffout en moet dat 1961 zijn: juist in die tijd speelde de terugkeer uit Indonesië.
Berg en Dalseweg 129 Villa Anny
Wanneer Thera-Posa Berg en Dalseweg 129, Villa Anny heeft gekocht, is nog niet bekend. In 1939 wordt de “villa Anny, met erf en tuin aan den Berg en Dalscheweg No. 129, te Nijmegen, kad. groot 23.88 A., voor f11.200, aan den Heer C. Diepenbrock” verkocht. (De Gelderlander 8/12/1939)
In De Gelderlander 1/5/1940 wordt een “Flink Meisje” gevraagd voor het Pension “Villa Anny”. En in De Gelderlander 23/5/1940 heeft het nog “eenige Kamers disponibel in verschillende prijzen. Groote tuin, lighal” Opdrachtg. Is Mej. M. Jansen. In ieder geval in 1941 worden er kamers voor het pension aangeboden.
In De Gelderlander 23/7/1949 en De Gelderlander 5/11/1949 wordt het Hotel Villa Anny genoemd, in het kader van een receptie voor een huwelijksfeest. Ook in De Gelderlander 31/1/1951 wordt het hotel genoemd, bij de vermissing van een hond.
In De Gelderlander 1/2/1954 staat de aankondiging dat in maart 1954 de heropening van het pension plaatsvindt, ondertekend door H. v.d. Spek en A. Baars-Miltenburg.
Berg en Dalseweg 131
Personeelsadvertentie waarbij zowel Berg en Dalseweg 129 als 131 wordt genoemd (De Volkskrant, 19-3-1966)
In het Algemeen Dagblad 24-7-1965 zoekt Thera-Posa een ervaren kookster voor haar Kindertehuis Lunenberg te Herpen. Daarbij is het adres van de stichting de Berg en Dalseweg 131. Thera-Posa had het pand in Herpen in 1964 aangekocht om een “tehuis voor de jeugd, die aan de zelfkant van de maatschappij dreigt te geraken, openen. De stichting, die in Nijmegen reeds een op dezelfde leest geschoeid tehuis exploiteert,…” (De Volkskrant, 15-2-1964). Het is mij nog niet bekend of met dit tehuis in Nijmegen nummer 129, 131 of nog een andere locatie wordt bedoeld. In het artikel over de koop van Herpen schrijft het wierookwijwaterenworstenbrood.nl: “Het kloostergebouw werd in 1964 gekocht door C. van Zijll-de Jongh, die uit Indonesië was teruggekeerd en in Nijmegen drie huizen had voor gerepatrieerde gezinnen. Hij was voorzitter van de stichting Thera-Posa en wilde mede naar aanleiding van de spijtoptanten, die uit Indonesië waren teruggekeerd, een gezinsvervangend kindertehuis stichten.”
In 1966 worden in ieder geval beide adressen genoemd bij de stichting. Nummer 129 wordt dan “ons huis” genoemd. (De Volkskrant, 19-3-1966)
Maatschappij Stadhouderslaan
In 1973 koopt Maatschappij Stadhouderslaan te Den Haag deze villa’s van de Stichting Thera Posa en laat vervolgens de villa’s afbreken om de Huygensflat te bouwen.
Vóór de bouw vindt echter archeologisch onderzoek plaats, wat veel inzichten in de Romeinse tijd van deze plek oplevert. Zie hiervoor het rapport van het RMO.
“Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
De advertentie in De Telegraaf, 25-10-1975 toont een foto van een vitaal ouder echtpaar, aan de wandel met een hond. In 1975 was ”Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
Nijmegen wordt aangeprezen vanwege haar natuurlijke omgeving, het bruisende culturele leven en een streek om tot rust te kunnen en te ontspannen. De Residence ligt zowel gunstig ten opzichte van zowel de natuur als het centrum. Daarnaast zijn er uitstekende verbindingen met heel Nederland.
“Uw huidige woning daar bent u zeker aan gehecht. Dat is ook begrijpelijk na al die jaren.
Toch zou u onderhand best wat makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler willen wonen.
Hiervoor hebben wij een plezierig voorstel. En bovendien helpen wij u met raad en daad bij de verkoop van uw huis.”
De advertentie noemt de Residence een “fraai gebouw door de verspringende gevellijn met rode baksteen en het speelse hoogteverschil, variërend van 5 tot 7 hoog.” Er zijn 5 verschillende woningtypen, waarvan 3 met open haard. Alle woningen hebben ruime woonbalkons. De woonkamers zijn 42 tot 54 m². Daarbij zijn er 2 of 3 slaapkamers, royale keukens en ruime bergingsmogelijkheden. Er zijn 3 liften en mechanische ventilatie.“
“Voor zo’n riante behuizing, voor déze ligging zijn de koopsommen bepaald laag”: de woningen kosten tussen de 149.600 tot 174.500.
Makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler
Links de Huygensflat (op de hoek met de Berg en Dalseweg) en rechts de woning aan de Huygensweg 14, 1982 (Ber van Haren via KN13514-22 RAN CC0 Auteursrechthouder: gemeente Nijmegen)
De advertentie noemt als mogelijke verhuisreden dat mensen “makkelijker, overzichtelijker en comfortabeler” kunnen wonen. Wat daarbij lijkt op te vallen, is dat de flats vooral bedoeld zijn voor ouderen die nog geheel zelfstandig kunnen en willen blijven wonen: Zo is er een royale keuken. En -hoewel het niet in de advertentie wordt genoemd- zijn er achter de flat ruime parkeerplaatsen. De ligging wordt aangeprezen door juist allerlei mogelijkheden om er op uit te gaan. Een opmerking over “zorg dichtbij” of “gezellige, gezamenlijke activiteiten” ontbreken. Met een naam als Residence lijken de woningen vooral verkocht te worden als een “volgende stap” in plaats van “ouderenwoning”..
Wat de locatie ook bijzonder maakt, is dat het op een van de hoogste punten van de Berg en Dalseweg ligt, waarbij de bewoners op hoogste verdiepingen ook anno 2024 een fantastisch uitzicht hebben (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897).
De Huygensflat kwam tot stand in een periode waarin de Nederlandse ouderenzorg en ouderenhuisvesting ingrijpend veranderden. In de jaren 60 begonnen bejaardenhuizen er populair te worden. Vooral eind jaren ’60 werden alternatieven als de serviceflats en andere zelfstandige woonvormen steeds populairder. Wat daarbij meespeelde, was dat er groep van wat meer kapitaalkrachtige ouderen kwamen, die een dergelijke (al dan niet commerciële) flat kon betalen, groeter was geworden. Begin jaren ’70 is echter ook een omslagpunt waarbij het streven van de overheid gericht is op het zo lang mogelijk thuis wonen. In 1975 is er een bouwstop voor verzorgingstehuizen.
In hoeverre deze ontwikkelingen een rol hebben gespeeld bij de keuze van de Ontwikkelingsmaatschappij, is mij niet bekend. Wel kan deze ontwikkeling hebben meegespeeld bij de gedachteontwikkeling, waarbij er vervolgens een andere afslag is genomen. (Gebruikte bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_ouderenzorg_in_Nederland)
Hoogbouw
De flat lijkt goed te passen in de volgende omschrijving: “De hoogbouwflats uit de jaren zeventig werden op gestandaardiseerde wijze gebouwd en waren daardoor redelijk goedkoop. De flats zijn ruim opgezet en hebben verschillende hoogtes. Ze staan vaak in een groene omgeving en sluiten de wijk visueel af. De flats hebben een betonnen draagstructuur en gemetselde gevels. Door het bouwsysteem kunnen de binnenwanden makkelijk verplaatst of weggehaald worden. De afzonderlijke appartementen in de flat hebben grote ramen van enkel glas in houten of aluminium kozijnen. Balkons en galerij steunen op betonnen consoles. Op de begane grond zijn vaak bergingen en garages te vinden. De hoogbouwflats werden in de zeventiger jaren opgeleverd met een centraal verwarmingssysteem.” (http://langerthuisineigenhuis.com/woningtypes/hoogbouwflat-jaren-70/)
Koopprijs
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
Juist voor deze periode is het moeilijk de prijs van de woningen te vergelijken: tussen 1975 en 1978 verdubbelde de gemiddelde koopprijs in Nederland: van ongeveer 100.000 (€ 45.378) in 1975 naar 200.000 gulden (€ 90.756).
Echter: op basis van deze bedragen en bijvoorbeeld de grootte van de woonkamer, het noemen van het culturele leven, lijken deze appartementen vooral bedoeld te zijn voor de ouderen met in ieder geval een wat hoger inkomen (die vervolgens het appartement kunnen betalen vanuit de verkoop van hun huis of opgebouwd vermogen).
Bewoners anno nu
Op Nijmegen-oost vertelt een bewoner hoe het is om er in 2020 te wonen:
En een artikel uit 2024: “Wellicht herinneren zij dat alles binnen nog een bruine uitstraling had. En er alleen oudere mensen woonden. Dat is allang niet meer zo. Alle algemene ruimte hebben een facelift gekregen en door de lichte kleuren ziet het er stukken aantrekkelijker uit.” Naast ouderen wonen er ook bijvoorbeeld een jong gezin, studenten die een appartement delen. (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897)
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Voor een meer uitvoerige analyse over de ontwikkeling van ouderenhuisvesting:
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
“R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging.
Een eenvoudige maar echt Roomsche plechtigheid gisternamiddag alhier plaats.
De 25 nieuwe woningen n.l. door de R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging aan de Berganiusstraat alhier gebouwd, werden door den Z. Ew. pater N. van Hassel O.P., geestelijk adviseur der vereeniging, in tegenwoordigheid van heeren commissarissen, den architect en de leden, ingezegend.
In juli 1909 werd door de R.K. Coöperatieve Werkliedenbouwvereniging toestemming gevraagd voor de bouw van 23 volkswoningen tussen de Van ’t Santstraat en de Daalseweg en 2 woningen bovenaan de straat op de hoek aan de Daalseweg in Nijmegen-Oost; deze foto is waarschijnlijk gemaakt bij de ‘officiële’ opening van de Bergansiusstraat, 1910 (F66361 RAN)
Vooraf werd door den voorzitter, den heer W. de Vries, een woord van hulde en dank gebracht aan den adviseur, aan wiens voorlichting en aanmoediging het vooral te danken is dat deze reeks van doelmatige, geheel naar den eisch des tijds ingerichte werkmanswoningen in een betrekkelijk kort tijdsverloop tot stand kwam.
Daarna had de plechtige inzegening van iedere woning afzonderlijk plaats. Na afloop hiervan richtte de Z.eerw. pater van Hassel het woord tot de leden om hen vooral te wijzen op de groote betekenis, in geestelijken en stoffelijken zin, der heilige handeling, zooeven door hem verricht, en hen geluk te wenschen met het onschatbare voorrecht in ’t bezit te zijn van een gezonde, prettige huisvesting, die zoozeer het godsdienstig familieleven ten goede komt.
Spr. eindigde met den wensch, dat de bewoners, in onderlinge liefde en hulpvaardigheid een reeks van jaren van deze woningen mogen genieten.
Namens heeren commissarissen bracht de heer Jacques Kneppers een woord van lof aan den architect, den heer J.C. Hermans, en de aannemers, de heeren W.R. (?) Coenders en J. Hopman, voor de zaakkundige wijze, waarop zij hun taak hebben verricht.
Verdienen de leden een woord van lof voor hun eendrachtige samenwerking en doorzettingsvermogen, niet minder de bouwmeesters voor de, aan winstbejag vreemd zijnde uitvoering van hun werk, waarvan spr. hoopt dat allen nog lang de zegenrijkste vruchten moegen inoogsten. De straat, aan beide zijden waarvan de reeds betrokken woningen zijn gebouwd, was rijk met nationale en pauselijke vlaggen versierd.
Bergansiusstraat 11-13:Geveldetails van oorspronkelijke arbeiderswoningen. Fraai versierd metselwerk in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen, 2007 (Nico van Hoorn via DF2129 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De woningen, waarvan de eerste steen werd gelegd den 18en September van ’t vorig jaar, zijn allen aan den voorkant voorzien van een tuintje en aan de achterzijde van een flink stuk moesgrond, en voldoen aan de hoogste eischen die men aan gezonde en gemakkelijke werkmanswoningen stellen kan.
Zij zijn berekende naar eene huurwaarde van f2.50 per week, vrij van alle lasten, en worden binnen een niet al te lang tijdsverloop het eigendom der leden.
Zoo ooit, dan is door het tot stand komen van deze uitsluitend katholieke straat een degelijk stuk katholieke sociale actie uitgevoerd.” (De Gelderlander 10/5/1910)
Architect Hermans
Het ontwerp was afkomstig van architect J.C. Hermans:
J.C. Hermans lijkt vooral bekend te zijn vanwege zijn ontwerpen voor de Woningvereniging Nijmegen. Niet ten onterechte, daar alleen al vanwege de aantallen zijn ontwerpen een beeldbepalend karakter voor een aantal wijken in Nijmegen hebben. Daarnaast komen wij hem regelmatig tegen bij het bouwen van katholieke gebouwen als scholen.
Bij het 12,5 jarig bestaan
Bergansiusstraat 5-7-9: Straatbeeld met woningen, gebouwd in 1909 in opdracht van de R.K. Coöp. Werklieden Bouwvereeniging, 1944-1946 (F87405 RAN)
“R.K. Coöper. Werklieden Bouwvereeniging
De vaderlandsche driekleur wapperde zondag van de vier hoeken der Bergansiusstraat.
Op hoogst bescheiden, maar treffende wijze vierden de leden van bovengenoemde vereeniging het 12½-jarig bestaan hunner coöperatie.
Des morgens werd in de O.L.Vr. kerk aan den Berg-en-Dalschen weg ter intentie der vereeniging een H. Mis, waaronder H. Communie, opgedragen, die door alle leden en hunne huisgenooten werd bijgewoond.
Gisteravond had in St. Jozefshof een ledenvergadering plaats, die een eenigzins feestelijk karakter droeg en die werd bijgewoond door den geestelijken adviseur, den weleerw. pater Kock O.P., den commissaris, den heer H.H. de Haan en den oud-commissaris, den heer Jacq. Kneppers.
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De voorzitter, de heer W. de Vries, opende de vergadering met den christengroet en een kort welkomstwoord en bracht- na de voorlezing der notulen van de vorige ledenvergadering door den heer C. Jansen- een uitvoerig verslag uit over de wordingsgeschiedenis der vereeniging en de gebeurtenissen, door haar in ‘t 12½-jarig tijdperk doorleefd. Wij ontleenen hieraan de volgende bijzonderheden:
Op initiatief van de heer W. de Vries en Th. Rutten, destijds resp. voorzitter en 2e voorzitter van den Nijm. R.-K. Volksbond, werd op 2 Febr. 1906 in de Gildekamer van ’t Bondsgebouw een vergadering gehouden, waaraan 20 mannen deelnamen. Nadat door den heer de Vries gewezen was op de Encycliek “Rerum Novarum”, waarin werd aangedrongen op een aan hygiënische en zedelijke eischen beantwoordende woning voor den werkman, die in hoofdzaak langs coöperatieven weg te verkrijgen was, werd de R.-K. Coöp. Werklieden-Bouwvereeniging opgericht onder het voorloopig bestuur van de heer M.D. Jansen, A. Derksen en W. Huting. Op 11 April d.a.v. werd een difinitief bestuur gekozen, n.l. de heer W. de Vries, voorzitter; W. Huting, secr. En A. Derksen, penningmeester, en de contributie vastgesteld op 10 ct. per week.
Op 10 Mei werden de eerste commissarissen gekozen, de heeren sweesaard, Th. Rutten en M.D. Jansen en het ledental gebracht op 40.
Veel financieele moeilijkheden, waarin zelfs het R.-K. karakter der vereeniging in gevaar kwam, moesten overwonnen worden, maar dank zij het doorzettingsvermogen, vooral van den voorzitter en zijn raadsman, den heer Van Term(?), destijds hoofdredacteur van “De Gelderlander”, werd rees op 10 Mei 1907 de Koninklijke goedkeuring op de statuten verkregen.
Op 6 Sept. d.a.v. werd de heer C. Jansen tot secretaris gekozen, die evenals de voorzitter tot op heden nog in functie is, terwijl in de vergadering van 9 Aug. de weleerw. pater Van Hassel O.P. als geestelijk adviseur werd geïnstalleerd.
Dank zij de tusschenkomst van deze verkreeg de vereeniging op 15 Dec. als commissarissen de heeren H.H. de Haan, Jacq. Kneppers en Aloy. Jansen.
Het verslag wijdt aan dit drietal, evanals aan den oud-adviseur een warm woord van dank voor den grooten daadwerkelijken steun aan de vereeniging betoond.
Ondanks het bedanken van vele leden- die den moed verloren- zette de wakkere voorzitter met zijn medebestuurders de actie voort, met het gevolg dat reeds in de vergadering van 22 Dec. 1907 een bestuursvoorstel tot aankoop van grond aan de Bergansiusstraat werd aangenomen.
Door den bouwkundigen, den heer Hermans, werden de plannen voor een complex van degelijke en aan alle eischen van comfort en hygiëne beantwoordende werkmanswoningen ontworpen en door de leden goedgekeurd.
Spoedig kwamen deze woningen door den aannemer, den heer Coenders, onder toezicht van den secretaris, den heer C. Jansen, tot stand en werden in het beging van September 1908 op eenigzins feestelijke wijze, in tegenwoordigheid van de heeren commissarissen Jacq. Kneppers, H.H. de Haan en eenige belangstellenden, de eerste steen gelegd.
Reeds in Januari 1909 werd de eerste blok bewoond en op 8 Mei d.a.v. al de woningen door den geestelijken adviseur plechtig ingewijd, waarbij alle commissarissen, ’t bestuur en de leden met hunne huisgenooten tegenwoordig waren.
Het verslag vermeld verder de verschillende gebeurtenissen in de vereeniging, o.m. het in 1916 uittreden uit de Vereeniging van de commissarissen, de heeren Jacq. Kneppers en Aloys Jansen, deze laatste door sterfgeval, het toetreden van twee nieuwe commissarissen, de heeren mr. Poort en Smits en de installatie van een nieuwen geestel. adviseur, den WelEerw. pater Kock O.P., als opvolger van pater Hassel O.P., die naar Utrecht was vertrokken.
Het verslag werd onder applaus vastgesteld.
Door den geestelijken adviseur werd vervolgens gewezen op de groote betekenis van dit vereenigingsfeest, en werd hulde gebracht aan de oprichters, die getoond hebben een vèrziende blik in de toekomst te hebben en den leden geluk gewenscht met het bezit van hun frissche, gezonde en doelmatige eigen woning, in dezen tijd van woningnood van onschatbare waarde.” Hierna volgt een verslag van enkele andere toespraken (De Gelderlander 11/11/1919)
In februari 1925 (“J.L. Zondag”) wordt de R.K. Koöp. Werklieden-Bouwvereeniging ontbonden. De heer de Vries is dan voorzitter. In zijn overzicht van de werkzaamheden van de vereeniging noemt hij speciaal de heer H.H. de Haan, op dat moment een der commissarissen van de vereniging. En de heer Leen, accountant, die de financiën verzorgde.
Voor de ontbindingsvergadering is er een Heilige Mis en daarna een gezellig samenzijn. “Hiermede heeft de vereeniging hare taak beeindigd en zijn deze arbeiders in het bezit gekomen eener gezonde woning in een fraai gedeelte der nieuwe stad.” (De Gelderlander 16/2/1925)
1922, Eleonorastraat (Nu: Museum Kamstraat 45) Hunnerberg
Museum Kam, Museum Kamstraat Hunnerberg (augustus 2026)
Gerard Marius Kam (1836-1922)
Gerard Marius Kam was oorspronkelijk een Rotterdamse ondernemer, medeoprichter van de staalhandel Gebroeders Kam. Kam verzette zich tegen annexatie van Delfshaven bij Rotterdam. Vanaf 1 januari 1886, het moment dat de annexatie plaats vond, werd hij gemeenteraadslid van Rotterdam tot 1897.
En ” in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden.” (PGNC 15/5/1922, het artikel hieronder)
Gerard Marius Kam ( 29 juni 1836 – 27 december 1922) amateur-archeoloog, datering 1915-1920 (Daniels, M 1782-2000 via RAN F84526)
Als amateur-archeoloog verzamelt hij veel materiaal, wat hij aanvankelijk in zijn koetshuis tentoonstelt. Overigens had het Gemeentemuseum ook een archeologische collectie, welke in 1938 naar het museum Kam is gegaan.
In 1905 (PGNC 15/5/1922) of 1908 (HvdNG) besluit hij bij zijn overlijden zijn archeologische collectie te schenken aan de staat. Hij wil dat zijn collectie in Nijmegen zal blijven: dus niet dat deze verplaatst zal worden naar het Museum voor Oudheden in Leiden. Het Gemeentemuseum van Nijmegen, dan in de Mariënnburgkapel, vindt hij ongeschikt.
Daarop besluit hij in 1919 om zelf een museum te bouwen aan de Eleonorastraat en om zijn collectie aan het Rijk te schenken. Op voorwaarde dat het Rijk zijn collecte beheert, welke daar zal blijven. De naam van het museum is Rijksmuseum Kam. Het museum gaat in mei 1922 open, iets meer dan een half jaar later overlijdt Kam.
Bij de opening van Museum Kam in 1922
De vlag in top ter gelegenheid van de opening van het Museum Kam, 17/5/1922 (RAN F87279)
“Museum-Kam.
Nijmegen is een belangrijke instelling rijker geworden, het Museum-Kam, dat aan de Eleonorastraat is gebouwd naar de plannen en onder leiding van onzen kunstzinnigen stadgenoot, den architect Oscar Leeuw. Het trekt betrekkelijk weinig de aandacht: het staat niet aan een hoofd- of druk bewandelden verkeersweg en velen zullen misschien weinig voelen voor de voorwerpen, die er in tentoongesteld worden, al vertegenwoordigen zij met het gebouw, waarin zij geborgen zijn, een enorm kapitaal; al hebben zij de belangstelling van geschied- en oudheidkundigen; al is die verzameling het product van benijdbaren levensherfst van den schenker; en al leggen zij een stilzwijgend getuigenis af van wat liefhebberij en toewijding kunnen voortbrengen.
Nu Woensdag 17 Mei door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, in tegenwoordigheid van vele autoriteiten, het Museum zal geopend worden en het een aantrekkelijkheid te meer zal zijn voor onze stad, vooral voor hen, die beseffen, hoeveel die schijnbaar haast waardelooze dingen ons vertellen kunnen van oudheid en middeleeuwen, willen wij onze stadgenooten er mee in kennis brengen. Groote bekendheid er mee en met de uitgebreide verzamelingen, die er in gehuisvest zullen worden, durven wij niet veronderstellen. Als de heer Detering zijn tonnen gouds beschikbaar stelt om “Het Straatje van Vermeer” te koopen en het meesterwerk aan den staat aan te bieden, dan wordt die vrijgevigheid- en zeer te recht- geroemd en alle bladen maken er melding van. Maar ongelijk minder ophef wordt er gemaakt van wat de heer Kam aan rijk en gemeente schonk, een geschenk, waarvan de waarde wel niet in een nauwkeurig opgegeven aantal guldens wordt opgegeven, maar dat toch ook verscheidende tonnen gouds vertegenwoordigt. Men ziet, wij spreken eers maar van de financieele zijde der zaak: tegenwoordig wordt daar meer dan ooit op gelet en veel wordt gewaardeerd naar het geld, dat er mee gemoeid was, met voorbijzien van de aesthetische of de ethische of de economische waarde.
De heer Kam is een bekend ingezetene van onze stad; ieder kent den pienteren ouden heer, vol belangstelling voor alles, wat er te Nijmegen te doen is op het gebied van kunst en wetenschap, ondanks zijn 86 jaren. De belangstelling kenmerkte hem al, toen hij in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden. Want bij de vele ondernomen grondwerken in en om onze gemeente, kwamen allerlei voorwerpen aan het licht, die daar eeuwen hadden gelegen en sitlle getuigen waren van het leven, dat eens in den Romeinschen tijd hier geleefd was. De aanleg van buizennetten voor gas- en waterleiding en rioleering, het bouwen van woningen in de zich uitbreidende stad, het planten van boomen, alles leverde merkwaardigheden op, en toen men eenmaal wist, welke schatten- zelfs potscherven hebben voor den oudheidkundige waarde- aan het licht kwamen. Toen werden er opzettelijke ontgravingen ondernomen en werd hetgeen uit de Waal werd opgebaggerd aan een nauwkeurige onderzoek onderworpen. En veel, heel veel van het gevondene verhuisde naar de tot hulpmuseum ingerichte stalling achter de villa “Erica”, die weldra te klein bleek om alles ten toon te stellen zóó als de belangstellenden dat wenschten, te meer, doordat ook door aankoop elders de verzamelingen aangroeiden.
Romeinse wolk boven ingang Museum Kam (augustus 2026)
In 1908 deed de heer Kam een beslissenden stap. Hij vermaakte in geval van overlijden aan het rijk zijn geheele uitgebreide verzameling om daardoor te bewerken, dat zij ongeschonden zou blijven voortbestaan, want de verzamelaar, de echte, die hetgeen hij verzamelt lief krijgt, beschouwt dat als een dierbaar familielid.
Het was echter hoogstwaarschijnlijk, dat de collectiën, wanneer eenmaal het rijk er de volle beschikking over zou hebben, naar Leiden zouden worden overgebracht. Gebeurde dat, dan was het te voorzien, dat men daar, bij gebrek aan ruimte, wel de belangrijkste stukken in het museum van oudheden zou plaatsen maar dat de minder belangwekkende en de duplicaten ergens in den meest letterlijken zin zouden worden opgeborgen. Er was dus onzekerheid omtrent het voortbestaan van de verzameling als zoodanig en bovendien alles zou vervoerd worden ver van Nijmegen, in welks omgeving de meeste stukken waren gevonden en met welks oude geschiedenis zij verband hielden.
Zoo rijpte bij den heer Kam een plan, dat zijn beslag kreeg op 25 Juni 1919, een notarieele acte gepasseerd werd, waarbij de heer Kam zich verbond een museum te doen bouwen op eigen kosten en dat kosteloos aan het rijk af te staan, dat verder het beheer zou doen voeren onder leiding van een door de regeering te benoemen directeur.
Dat dit besluit door de regeering gewaardeerd werd, is op de meest ondubbelzinnige wijze gebleken.
Tot directeur werd benoemd de heer Dr. M.A. Evelein, die ook op ons in de gelegenheid stelde het museum voor de officieel opening te bezichtigen.
Nu staat het nieuwe Museum daar aan de Eleonorastraat op een terrein, waaruit behalve dat allereerste potje nog menig stuk is opgedolven, een terrein, waar 20 eeuwen geleden Romeinsche legioenen de wacht hielden aan de uiterste grens van het wereldrijk en in welks onmiddelijke nabijheid het 10e legioen kampeerde, dat de opstandige Batavieren opnieuw tot onderwerping had gebracht.
Het is een monumentaal gebouw, een modelmuseum waarvoor, zooals wij reeds zeiden, de heer Oscar Leeuw de plannen ontwierp en waarvan hij den bouw leidde. Het uitwendige ziet er vrij modern uit, behoudens aanduidingen van de bestemming. Zoo dragen de beide afgeknotte torens ter weerzijde van den ingang een muurkroon naar Romeinsch motief en sterk vergroote reproducties van munten, met de revers, uit den tijd van Nero en Vespasianus. In het bovenlicht van de deur ziet men de wolvin, die Romulus en Remus volgens de mythe zoogde en daarboven de bekende initialen S.P.Q.R. (Senatua Populusque Romae). De ingang is verder geflankeerd door Romeinsche adelaars.
De centrale hal met de bordestrap naar de galerij met op de achtergrond de Buste van de oprichter Gerard Marius Kam, gemaakt door August Falise in 1922 en daar achter de wandschildering van het Forum Romanum, geschilderd door Huib Luns in 1922, 1925 (RAN F30435)
De deur, die toegang geeft tot het gebouw, is hoogst bescheiden. Zij geeft allereerst toegang tot een portaal, waarin de portiersloge en de vestiaire. Uit die voorportaal echter treedt men in de groote hal, het atrium, van 13 bij 15½ M., die opstijgt over de beide verdiepingen. Rondom die hal bevinden zich 5 ineenloopende zalen, waarin een groot gedeelte van de verzamelde voorwerpen in eenvoudige maar uiterst doelmatige vitrines en kasten wordt tentoongesteld. Tegenover den ingang naar ’t einde er hal leidt een monumentale trap naar de gaanderijen van de verdieping, waar weer vitrines en kasten met oudheden aandacht vragen. Kasten en vitrines zijn overal zoo geplaatst, dat zij de vrije rondwandeling niet belemmeren en steeds het noodige licht opvangen, dat door het bovenlicht van de hal en door de ruime vensters van de verdieping binnenstroomt.
Boven de zooeven bedoelde trap is een afbeelding geschilderd, van de hand van den heer Huib Luns, van het Forum van Rome en is een plaats uitgespaard voor iets, dat voor ’t oogenblik nog een verrassing moet blijven.
Rondom de hal zijn namen aangebracht van de Romeinsche heerschers, uit wier tijd de voorwerpen stammen: Julius Caesar, Octavinus Augustus, Tiberius Claudius Nero, Claudius I, Claudias Nero, Domitianus, Trajanus, Probus, Constantinus I, Flavius Claudis, Julianus II, Flavius Honrius.
Boven de deuren van verschillende zalen zijn ook de namen van de meest bekende pottenbakkers geplaatst.
Onder de trap heeft men toegang tot een achterzaal, die wel lager ligt door niveau-verschil, maar toch niet is wat men noemt een sousterrein. Daar hebben de grootere voorwerpen,, zooals sarcophagen e.d.g. een plaats. Ter eene zijde van deze zaal is de werkkamer van den Directeur gelegen met bijkamers o.a. voor fotografie; ter andere zijde liggen de kelders met de inrichting voor een brandvrije centrale verwarming.
De naast het gebouw gelegen portiersgebouw heeft geen toegang tot het gebouw; zij is er door een pergula aan verbonden.
Medaillon rechts, Museum Kam (augustus 2026)
De belichting is, zooals wij reeds opmerkten, uitstekend. Het meeste licht is bovenlicht; alleen de achterzaal heeft zijlicht omdat er gerekend is op mogelijke optrekking van dat gedeelte, die zóó kan plaats hebben, dat het bouwwerk als geheel daardoor geen schade lijdt.
Wat de plaatsing der vitrines aangaat, die staan beneden tusschen die pilaren, die den bouw schragen, en zijn dus van beide zijden toegankelijk. Vitrines zijn er ook boven op de balustrade en daar staan verder de kasten, die ook boven van glazen dakplaten zijn voorzien en niet door uitwendige versierselen ondoematig worden.
Het gebouw, zooals het daar staat is een monument in meer dan één opzicht; een gedenkteeken voor de oude geschiedenis van de omgeving onzer stad; een gedenkteeken voor den heer Kam en het werk, waaraan hij latere levensjaren wijdde; een gedenksteen ook voor den ontwerper, die er trouwens al twee had: in de Vereeniging en in de Synagoge.” (PGNC 15/5/1922)
Beeld roofvogel, Museum Kam (augustus 2026)
Architect Oscar Leeuw
De architect van Museum Kam was Oscar Leeuw. Lees hier over deze architect:
Oscar Leeuw is een van de belangrijkste architecten van Nijmegen. Bekende werken van hem zijn onder de synagoge, museum Kam en de Nijmeegse Bankvereeniging Van Engelenburg & Schippers.
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog raakte het gebouw beschadigd, zodat het pas in 1951 weer open kon gaan.
Het Valkhof en studiecentrum
In 1987 nam provincie Gelderland het beheer en werd het in plaats van Rijksmuseum G.M. Kam het Provinciaal Museum G.M. Kam.
In 1998 volgde een fusie met het gemeentelijk museum Commandarie van Sint-Jan tot Museum Het Valkhof. Het Valkhof kwam in de nieuwbouw van het Kelfkensbos. Daarbij werd Museum Kam een archeologisch studiecentrum. De statutaire naam van Museum het Valkhof werd overigens in 2008 gewijzigd in Stichting Museum Het Valkhof-Kam. Dit naar aanleiding van een jarenlange procedure van de erfgenamen van Kam. Sinds november 2008 heet het “Gelders Archeologisch Centrum Museum G.M. Kam”.
Verbouwing
Tussen 2020 en 2022 vond een grote verbouwing plaats, waarbij de heropening in december 2022 is. Tijdens de bebouwing is het gebouw zo veel mogelijk hersteld naar de oude staat, maar tevens voldoet het aan moderne eisen als toegankelijkheid.
Rijksmonument
Hek Museum Kam (augustus 2026)
Het gebouw is net als het hekwerk en conciërgewoning Museum Kamstraat 47 sinds 2002 een Rijksmonument met als waardering:
“Van stedenbouwkundige waarde vanwege de markante ligging in de Museum Kamstraat.
Van ensemblewaarde als functioneel onderdeel van het Museum Kamcomplex.
Van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een in de loop van de 19de eeuw ontstane culturele en typologische ontwikkeling nl. het voor publiek openstellen van privé-collecties en het onstaan van het museum als bouwopgave in het algemeen. Het museum is van cultuurhistorische belang als bijzondere uitdrukking van een cultureel-maatschappelijke ontwikkeling nl. de belangstelling van Nijmegen voor haar Romeinse verleden en de identiteit die de stad daaraan ontleent.”
-Hoofdingang van het Sint Dominicuscollege. Het klooster-, internaat- en scholencomplex van architect Eduard Henricus Gerardus Hubertus (Ed.) Cuypers (Roermond, 18/04/1859) – Den Haag, 01/06/1927), gebouwd 1925/1927 op landgoed ‘De Witte Poort’, werd in 1992, na het vertrek van de paters Dominicanen, afgebroken. De monumentale kapel uit 1926, eveneens van Cuypers, oorspronkelijk bedoeld om behouden te blijven binnen de nieuwe opzet van het klooster-/schoolterrein, werd uiteindelijk na de brand van 4 februari 1993 eveneens gesloopt voor de bouw van twee woningen, deel uitmakend van het door de brand aangepaste nieuwbouwplan voor vijftig eengezinswoningen en veertig appartementen in de eerste helft van de jaren negentig , Dennenstraat 135, 1926-1928 (F91480 RAN)
Eduard Cuypers ontwierp het St. Domincus-college aan de Dennenstraat, waar voorheen het landgoed De Witte Poort had gestaan. Het gebouw aan de Nieuwstraat was intussen te klein geworden.
“Het St. Dominicus-college te Neerbosch.
De bekende buitenplaats “de Witte Poort” te Neerbosch is sinds eenigen tijd afgebroken en op het uitgebreide terrein wordt volgens de plannen van den architect Ed. Cuypers een nieuw gebouw opgetrokken voor het St. Dominicus-college, ter vervanging van de gebouwen aan de Nieuwstraat, die op den duur geen voldoende ruimte bieden. Deze stichting, dienende voor de opleiding van priesters, werd ongeveer 70 jaren geleden te dezer stede op kleine schaal opgericht. Zij omvat thans een zesjarigen cursus, waarbij de eerste vier klassen parallel loopen met het Gymnasiaal onderwijs. Er zijn 13 leeraren aan verbonden en het aantal leerlingen bedraagt 1128.
Gisteren had op plechtige wijze de eerste steenlegging plaats, bestaande in het inmetselen van een gedenksteen met toepasselijke opschriften door den Provinciaal der Dominicanen, Pater B.D. van Breda, met het daarachter plaatsen van een oorkonde, in een verzegelde looden bus.
Hierna hield de Provinciaal een rede, waarop mgr. C.A. v. Son, Deken van Nijmegen, het woord voerde en de gelukwenschen uitsprak. Eveneens deed de heer W.J.H. v.d. Waarden, Wethouder van Nijmegen.
Een groot aantal geestelijke autoriteiten woonde deze plechtigheid bij, waarbij ook aanwezig waren de wethouders v.d. Waarden en Vracnken en de architect Ed. Cuypers en vele andere belangstellengden.
Aannemer van dit groote werk is de firma Berntsen en Braam, alhier.” (PGNC 21/8/1925)
Op 10 mei 1927 verhuist het college uit de binnenstad naar Neerbosch, de officiële opening vond echter pas op 16 februari 1928 plaats. (Bijschrift GN9740 RAN)
Bij de Inwijding in 1928
De officiële inwijding van de Kapel van het St. Dominicus College, Dennenstraat 135, 16-2-1928 (F14804 RAN)
“Inwijding van het St. Dominicus College te Neerbosch bij Nijmegen.
Heden werd het nieuwe St. Dominicus-College plechtig ingewijd.
Klooster en Kapel werden ingewijd door den HoogEerw. pater Provinciaal van Breda O.P., uit Huissen.
Na de kloosterwijding, werd het Allerheiligste uit de kleine hulpkapel overgebracht naar de hedenochtend op stichtend-plechtige wijze ingewijde hoofdkapel, waar om elf uur een plechtige H. Mis werd opgedragen door den HoogEerw. pater-provinciaal van Breda O.P., geassisteerd door den ZeerEerw pater P. Tummers O.P., prefect van het College als diaken van den ZeerEerw. pater A. Kramer O.P., leeraar aan het College als sub-diaken, terwijl de ZeerEerw. pater Cl(?) Kühne, directeur van het St Dominicus-College als presbyter-assistent fungeerde.
Vele belangstellengden, zoo geestelijke als wereldlijke autoriteiten, woonden de plechtigheid bij.
Na de kerkelijke plechtigheid was er om één uur officieeele receptie.
Onder de aanwezigen merkten wij dop den H.E. heek Deken van Nijmegen Mgr. C.A. van Son, de pastoor der St. Franciskusparochie Dr. Siegfried, de Rektor van het Canisius-Kollege pater V. Esser en vertegenwoordigers der Dominikaner Orde uit heel het land, uit de studiehuizen en de pastorieën, ook de Overste der duitsche paters te Venlo. Verder de twee katholieke Wethouders, de heeren Krootjes en Verheij, vele autoriteiten en belangstellenden.
De kapel maakt een grootschen indruk. Op den dag der inzegening is er een brochure verschenen van de hand des Superiors, den Z.Eerw. pater C. Kühne O.P., de ontwerper van het verluchtigingsplan dezer kapel. Wij veroorloven ons de uiterlijke beschrijving der kapel aan dit werkje te ontleenen, zich de uitvoerige en deskundige brochure zelf aan te schaffen.
Architect der kapel evenals van geheel het St. Dominicus-kollege was de heer Ed. Cuijpers.
Kunstschilder en leider der kerkverluchting de heer Walter Vits, lid der firma Dortmann und Vits te Düsseldorf.
Aangenomen en uitgevoerd werd ook de kapel door “Berntsen en Braam’s Aannemersbedrijf” te Nijmegen.
Aan de Zuid-Oostzijde van den royalen, vriendelijken binnenhof, waaromheen zich meerdere voorname deelen groepeeren van het gebouwen-complex, dat het tegenwoordige St. Dominicus-kollege te Neerbosch uitmaakt, en door verbindingsgangen daarmee en goed geheel vormend, staat de kapel.
Goed geproportionneerd in haar buiten-architectuur maakt de kapel met haar bevallig Angelustorentje boven den hoofdgevel, haar warme roode pannenbedaking niet de pretentie een zelfstandige kerk te willen zijn. Omlijst door ’t zelfde hoog opgaand geboomte van eiken en beuken, die ook de rest van ’t eigenlijk Kollege zoo schilderachtig landelijk insluiten, doet deze buiten-architektuur haar kennen als een werkelijk, hoewel zeer voornaam, onderdeel van ’t geheele gebouwencomplex, als een huiskapel, -laat het dan ook zijn een flinke- die bij den reuzenbouw van ’t St. Dominicuskollege behoort, er zich organisch bij aansluit. Haar nagenoeg eenige versiering bestaat in een hier en daar uitspringende baksteenlijst, baksteenornament of muurvlak met andere dan gewone zetting van ’t baksteenmateriaal, een enkele beeldnis, geheel in den trant der sobere versiering van ’t Kollege zelf.
De binnen-architectuur der kapel werd door den helaas te vroeg ontslapen heer E. Cuypers, architect van ’t geheele St. Dominikuscollege, vrijer behandeld. Natuurlijk waren hier andere idealen te verwezenlijken dan voor de eigenlijke onderwijsafdeeling en woningruimten. Hij zocht daarom, tenminste voor de hoofdvormen, aansluiting met den vroeg-romaanschen bouwstijl, doch met moderne opvatting van vensterstelling, pijlerbouw en gewelfkonstruktie. Verdeelde hij ’t schip der kapel over zijn breedte in drie ruimten, n.l. in een wijden middenbeuk en twee zijbeukjes; ook over haar lengte werd de kapel door hem in drieën verdeeld, zooals trouwens de buiten-architektuur met haar bedaking reeds duidelijk maakte. Aan de Zuid-Oostzijde van het schip der kapel bouwde hij een wat smaller, hoewel nog altijd royaal breed presbyterium. Het zal ons in staat stellen het heerlijke ceremonieel der Dominicaansche liturgische plechtigheden ongehinderd in volle schoonheid te laten aanschouwen. Een halfronde apsis of koorruimte, weer iets minder groot dan diameter, vormt de afsluiting der kapel naar ’t Zuid-Oosten. Over ’t middenschip waar de studenten hun kniel- en zitplaats hebben, buigt zich met stoute spanning een tongewelf, een ander van wat minder wijdte overhuift de altaarruimte, een fraaie concha of schelp de koorafdeeling der paters. De zijbeukjes, door de breede archivolten, die pijlers en pilasters verbinden, weer in drieën verdeeld, werden overspannen met romaansche kruisgewelven.
Na de inzegening van kapel en huis door den HoogEerw. pater Provinciaal B.P.(?) van Breda, werd de plechtige Hoogmis met assistentie als boven vermeld, met al den rijkdom der Dominicaansche liturgie opgdragen. Een plechtig Te Deum besloot de plechtigheid, waarna voor het eerst den zegen met het Allerheiligste door den H.E. pater Provinciaal in deze kapel gegeven werd.” (De Gelderlander 16/2/1928)
Uitbreiding 1953
In ieder geval vindt in 1953 uitbreiding plaats van het Sint Dominicuscollege. De architecten waren De Groot en Van Geijn van het architectenbureau Ed. Cuypers. De inrichting van de nieuwbouw vond plaats na advies van de heer Slee van de kunstacademie. De 26 glas-in-loodramen waren gemaakt door Lambert Simon (bijschrift foto GN9758 RAN)
Vervolg
Tot in de jaren 70 was het College een kostschool voor jongens die opgeleid werden tot een geestelijk ambt. Meisjes werden in 1967 voor het eerst toegelaten.
In 1992 werd het gebouw gesloopt. (Bijschrift F16097 RAN)
Vroeger Kofa , in augustus 2023 Nelson en Rituals Architect van Veen 1952 1954
Kofa-Miltenburg herbouwde ongeveer op dezelfde plaats in de Broerstraat, waar het oude bedrijf had gezeten welke tijdens het bombardement van 1944 was verwoest. Architect van Veen ontwierp het pand met een sobere voorgevel en diepe en lichte etalages.
Vooraf: verhuizing Broerstraat en verwoesting in 1944
Het getroffen pand van Miltenburg (Kofa) de nrs. 50 tot 54, aan de Broerstraat, maart 1944 (GN3820 RAN)
In 1933 had Kofa de 2 zaken samengetrokken op de Broerstraat.
“DE KOFA-MAGAZIJNEN.
In aansluiting op ons bericht van gisteren kunnen wij nog melden, dat de Kofa-magazijnen volledig geconcentreerd zullen worden in het groote pand, waarin thans de zaak in de Broerstraat gevestigd is. 15 Maart a.s. heeft de volledige samenvoeging van de Kofa-zaken der firma Miltenburg In het perceel Broerstraat plaats. In het nummer van hedenavond kondigt Kofa de groote balans-uitverkoop aan, waarnaar wij onze lezers extra verwijzen.” (PGNC, 14-1-1933) In haar oude pand van Molenstraat 70 komt het dames-modemagazijn van J.A. Hattink. (PGNC, 13-01-1933)
De andere winkel van Miltenburg zat op de Houtstraat 15. In ieder geval heeft het heerenmodemagazijn “Kofa”, van den heer H.C.A. Miltenburg in februari 1931 grote waterschade vanwege een brand op de 2e etage bij de familie van Aalten. (PGNC 28/2/1931) Of deze winkel vrijwel meteen naar de Broerstraat is verhuisd, of dat de twee winkels min of meer tegelijkertijd zijn verhuisd, is nog niet bekend.
Advertentie overplaatsing Kofa Miltenburg naar de Broerstraat (PGNC, 24-3-1933)
De winkel van Kofa Miltenburg werd op Broersstraat 50 -54 werd tijdens het bombardement van februari 1944 verwoest.
In de Betouwstraat 52 werd een tijdelijke winkel geopend.
Bij de opening
De Gelderlanders schrijft bij de opening in november 1952:
“Bijna gouden Miltenburg terug in de Broerstraat
Toen Herman Miltenburg in 1903 de zaak van Altstadt in de Houtstraat kocht, heeft hij niet kunnen dromen, dat het door hem gestichte bedrijf een vlucht zou nemen als desondanks het geval is geweest. Morgen- bijna vijftig jaar later- openen zijn zonen, die intussen een familie-N.V. gesticht hebben, in de Broerstraat een winkelpand, dat een belangrijke aanwinst voor de stad genoemd mag worden. Kofa-Miltenburg herbouwde ongeveer op dezelfde plaats, waar het bedrijf op die zwarte 22e Februari 1944 des middags in een ruïne herschapen werd. Acht en half jaar nadien staat er de nieuwbouw, fors, modern, maar net niet té streng zakelijk.
N.V. Manufacturenhandel v/h H. Miltenburg Dir. H.H.S. Miltenburg, Borneostraat 22… Herbouw van een bedrijfsruimte aan de Broerstraat, project 444, April 1951, Achitectenbureau G. van Veen en W. Braam (D12.413512)
Architect van Veen ontwierp het pand, een sobere voorgevel, diepe en lichte etalages, een prachtige serie verkoopruimtes, kantoren en magazijnen en… expansiemogelijkheden. Berntsen en Braam realiseerden die plannen, en, voor zover ons lekenoog daarover oordelen kan, op de bedende degelijke manier. Voor de indeling van de verkoopruimtes werd advies gevraagd aan architect Vermolen en de Haagse firma Ratté droeg er zorg voor dat die adviezen werkelijkheid werden. Door al deze samenwerking werd Nijmegen een grootbedrijf rijker, dat er in alle opzichten zijn mag. In het royale souterrain werd de afdeling tapijten en zeilen ondergebracht, benevens de aanverwante artikelen. Alles is even overzichtelijk en dat vergemakkelijkt het kopen.
Kunstmatig daglicht zorgt er voor dat de koper zich niet in de kleur vergissen kan en datzelfde is ook het geval op de parterre, waar de manufacturen zijn ondergebracht. Toonbanken kent Miltenburg niet meer, slechts toontafels. Alle vakken zijn zo ingericht, dat de klant in een oogopslag zien kan wat er voor keus is en zij (of hij) het slechts voor het aanwijzen heeft. Heel de winkelinventaris is mobiel en kan dus geranschikt worden naar behoefte. Een speciale afdeling echter is ingericht voor corsetten en wat dies meer zij en voor het babygoed.
De heren-afdeling is (de praktijk ried dat aan) vlak bij de deur. Op de 1e etage zijn aan de achterzijde de kantoren- glazen wanden- en aan de straatkant is de zeer licht en ruime afdeling voor bedden en kleinmeubelen. Daarboven is dan nog een behoorlijke portie bedrijfsruimte.
Op de dag precies acht jaar na de ramp werd de eerste steen gemetseld in de funderingen. Aan de vooravond van het gouden feest begint Kofa-Miltenburg opnieuw. Opnieuw? Neen, het bedrijf bouwt voort op een traditie en een goodwill, waarvan wijlen Herman Miltenburg de grondlegger is geweest, een goodwill, die een halve eeuw gehandhaafd bleef. Het moge nog lang zo zijn.” (De Gelderlander 20/11/1952)
Het tot nu toe gevonden werk van architect G. van Veen bestaat vooral uit winkels uit de wederopbouwperiode en daarnaast uit kerkelijke instelingen (kerken, scholen) uit vooral de jaren 50.
Vervolg
Een pagina grote advertentie kondigt de opening van de Gruyter aan, Nijmeegsch dagblad 13-11-1958
In 1958 “vermoedelijk in de zomer” wordt Kofa Miltenburg opgeheven. In mei is bekend dat de Gruyter, die op dat moment op nummer 62 haar winkel heeft, naar dit pand zal verhuizen (Nijmeegsch Dagblad, 3-5-1958). Op 14 november opent ze haar winkel.
De Gruyter verlaat op 29-3-1975 dit pand (zie het plakkaat op foto F15255 RAN)
In 1903 laten de eigenaressen Delgijer en van Swelm hun café-restaurant “Buitenlust” herbouwen tot Hotel-pension met café “Buitenlust”. Architect Hoffmann ontwerpt een gebouw, dat “met zijn overhangende daken, balkons op alle verdiepingen en ruime veranda enigzins denken aan een groot Zwitsers chalet”.
De tot nu eerstgevonden advertentie, van voor de verbouwing, is uit juni 1901, waarbij de Fanfare “Ons Genoegen” Hees en Neerborsch een concert zal geven. De ondertekening is met Delgijer van Swelm. Ook in juli zal de fanfare optreden. (PGNC 23/6/1901 en PGNC 17/7/1901)
Ook in 1902 vinden er concerten plaats, nu zijn er 2 aankondigingen gevonden van de Muziekvereniging uit Kleef, onder leiding van de heer L. Haase/Haaze (De Gelderlander 14/6/1902, PGNC 16/8/1902)
PGNC 18/5/1902
In januari 1903 is begonnen met de afbraak: “Afbraak te koop van het Café “Buitenlust” te Hees”. Dan zijn er roode pannen, ramen, deuren, enz. te koop (De Gelderlander 11/1/1903)
Bij de opening in 1903
Advertentie Buitenlust (PGNC 19/5/1907)
De Gelderlander bij de opening in juni 1903:
“Hotel-Pension “Buitenlust”.
Verheugt onze stad zich in toenemende uitbreiding, ook de omliggende dorpen deelen in de vooruitgang. Inzonderheid het vreemdelingenbezoek komt aan Nijmegens omgeving ten goede. Telkens ziet men dan ook nieuwe hotels en pensions verrijzen tot herberging dergenen, die in den zomertijd eenige weeken of maanden in deze mooie en gezonde streek willen doorbrengen.
Zoo is thans te Hees het van ouds bekende café “Buitenluist” herschapen in een kapitaal hotel-pension met café, dat door zijn sierlijk uiterlijk een wezenlijk sieraad vormt voor het fraaie dorp.
De bouwkundige W. Hoffmann alhier, die het ontwerp leverde en de aannemer, de heer A. Hendriks, die het uitvoerde, hebben beiden eer van hun werk. Het levendig, opgewekt, in modernen bouwtrant opgetrokken gebouw doet met zijn overhangende daken, balkons op alle verdiepingen en ruime veranda eenigszins denken aan een groot Zwitsersch chalet en ziet er aan alle zuiden even uitlokkend uit.
De inwendige inrichting is nog niet volkomen gereed, maar de ondernemende eigenaressen, de dames Delgijer en Van Swelms, stellen zich voor de zalen en kamers keurig te meubelen. Wat er gereed is, toont dat zij voor geen moeite of opofferingen terugschrikken om haar inrichting volkomen aan de strengste eischen te doen beantwoorden. De ruime koffiekamer, die met drie openschuivende deuren toegang geeft tot den grooten speeltuin, is reeds geheel in orde. Een mooi groot buffet, biljart, spiegels, gekleurde vensters enz. geven ze een heel vrolijk aanzien.
Wij twijfelen niet of hedenavond, als wanneer het vernieuwde “Buitenlust” voor de bezoekers geopend wordt, zullen velen daar eens een kijkje willen nemen of er anders morgen eens heen wandelen. Te meer daar de consumptie van ouds een goeden naam heeft.
Voor gezinnen met kinderen is de speeltuin, voorzien van schommel, wip, draaimolen, turnwerktuigen enz., een hoogst aangename ontspanningsplaats. Het moet op zomersche achtermiddagen heelijk zijn daar ‘en famille’ thee te drinken.
Maar niet alleen voor bewoners van Hees en Nijmegen zal “Buitenlust” voortaan een groote aantrekkelijkheid vormen, ook aan vreemde bezoekers zal het er niet ontbreken. Veertien ruime kamers, meest op balkons uitkomende, geven gelegenheid een respectabel aantal logé’s te bergen; de groote zaal beneden is hoogst gezellig voor de gezamenlijke maaltijden; van uit de breede hooge ramen heeft men er van alle zijden een verrukkelijk gezicht.
Verder is het hotel voorzien van alle gemakken, als badkamer, nieuwe closetinrichtingen, telephoon enz., zoodat men er de genoegens van het buitenleven vereenigd vindt met het gerief van de stad.
Bij de toeneming van het vreemdelingenbezoek in onze omstreken twijfelen wij niet of het nieuwe hotel-pension “Buitenlust” zal steeds logé’s in overvloed hebben.” (De Gelderlander 7/6/1903)
Architect Hoffmann is vooral bekend vanwege zijn villa’s. Zijn grootste werk is mogelijk ’t Slotje van de Baron. Ook de…
Kermis
Kermis in hotel Buitenlust met Bal champêtre (PGNC 19/8/1906)
In september 1903 is er nog een Soirée Literaire. (PGNC 10/9/1903)
Naast locatie voor aanbestedingen en veilingen, -maar vooralsnog niet van concerten- wordt er in ieder geval jaarlijks een bericht gevonden over de kermis van Hees. Buitenlust lijkt daarbij samen met Hotel Heeslust de voornaamste plaatsen zijn, vooral vanwege haar tuin: Buitenlust houdt die jaren een “bal champêtre” op de maandagen en dinsdagen, oftewel een dansfeest in de openlucht.
In ieder geval zijn de jaren 1907, 1908, 1911 en 1912 gevonden, maar waarschijnlijk betreft het alle jaren (PGNC 19/8/1907, PGNC 16/8/1908, PGNC 20/8/1911, PGNC 18/8/1912).
Waarbij er ’s zondags er een concert is (PGNC 16/8/1908, PGNC 20/8/1911, PGNC 18/8/1912
Ook vinden we in die jaren “de bekende firma Koppen” met haar poffertjestent. (PGNC 16/8/1908, PGNC 20/8/1909, PGNC 20/8/1911)
Helaas vindt in 1919 tijdens de kermis een dodelijke steekpartij plaats (PGNC 20/8/1919)
Gevonden Adressen
In 1903, 1905 (dan nog geen adres gevonden), 1907 (dat jaar alleen “Hotel en Pension “Buitenlust” gevonden), 1908, 1909 als Hotel en Pension Buitenlust van H.E. Delgijer op Dorpstraat 181. Opvallend daarbij is, dat de advertenties worden ondertekend met Delgijer van Swelm en in het Adresboek H.E. Delgijer staat vermeld.
In het Adresboek 1910-1911 is het Dorpstraat 71 geworden.
In de Adresboeken 1912-1913, 1913-1914, 1914-1915 is het Hotel “Buitenlust”, Delgijer v. Swelm.
In 1915-1916, 1916 Hotel “Buitenlust”, Brouwer.
Verbouwing 1920
Hotel “Buitenlust”, foto gedateerd 1920 (RAN F33232)
In 1920 vindt een verbouwing plaats “van een woning voor den Heer P.A. Offerman”, zie D12.386283. Het lijkt daarbij vooral een interne verbouwing te betreffen, waarbij de zaal is omgebouwd tot woning.
De bovenstaande foto is waarschijnlijk vóór deze verbouwing genomen: op de foto staat de serre nog doorgetrokken, terwijl bij de verbouwing een nieuwe ingang is gemaakt.
Verkoop 1929
Aankondiging veiling Villa Buitenlust (PGNC 15/6/1929 geknipt, deel 1)
Aankondiging veiling Villa Buitenlust (PGNC 15/6/1929 geknipt, deel 2)
Aankondiging veiling Villa Buitenlust (PGNC 15/6/1929 geknipt, deel 3)
in juni 1929 staat de veiling van de Villa Buitenlust aangekondigd. Dan heeft het de adressen Dorpstraat 73 en 75. (PGNC 15/6/1929) De koper is L.J.F. v. Sambeek uit St. Anthonis voor een bedrag van f15.100. (PGNC 12/7/1929)
Mogelijk is het toeval, maar rond dezelfde tijd vindt ook de veiling van 3 middenstandwoningen nummers 67, 69 en 71 plaats. (PGNC 29/6/1929)
Oorlog
In de oorlog zaten 4 mannen ondergedoken om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz: Henk en Albert Peters, Toon Engelaar en Jan Abbing. Daarvoor hadden ze een afgescheiden gedeelte gemaakt (Hees bij Nijmegen, met foto’s en verhaal).
Op 19 april 1945 wordt de dochter van H. Peters en J. Peters-van Sambeek geboren (De Gelderlander 21/4/1945).
Deze pagina verzamelt reeds verschenen artikelen over de Prinsenlaan.
De naam Prinsenlaan
Op 5 maart 1904 stelt de Gemeenteraad een aantal straatnamen vast, waaronder de Prinsenlaan.
Het voorstel van B. en W. was om de laan Prinselaan te noemen. “De heer Pierson vraagt of bij de benoeming van Prinselaan aan een bepaalden prins gedacht is, of dat het de bedoeling is in het algemeen de laan te noemen Prinsenlaan, gelijk elders de Prinsengracht, maar dan zal er een n ingevoegde moeten worden.
De Voorzitter zegt, dat dit laatste de bedoeling is, dus zal gelezen moeten worden Prinsenlaan.” (PGNC 8/3/1904) In deze vergadering worden meerdere namen vastgesteld, waaronder de Emmalaan, Willemsweg en Marialaan. Emma is vernoemd naar regentes Emma; maar tot nu toe is niet duidelijk om welke Willem en in mindere mate om welke Maria het gaat.
In Nijmegen is Jan Dullaart waarschijnlijk het meest bekend door het ontwerp van de Spoorbuurt. Hij lijkt echter vooral regionale bekendheid te hebben in Hilversum/’t Gooi vanwege zijn ontwerp van landhuizen en villa’s aldaar. Ook in Nijmegen ontwierp hij in ieder geval 1 villa: die aan Prinsenlaan 26.
Prinsenlaan 1 en Tweede Oude Heselaan 482 en 484 Bouw van 3 woningen Architect van der Kloot De architect van deze woningen is Arie van der Kloot. Lees hier meer over deze architect: Prinsenlaan 1 De volgende gebruikers zijn gevonden: Naam Omschrijving Adresboek Opmerking Wed. T. Lenting Geb. Schikkema 1938, 1940 In februari 1937 vanuit…
Pascal koopt van Verdonck in 1904 twee stukken grond aan de Voorstadslaan. Hij laat daarop een villa ontwerpen door de architect Hoffmann: Villa Rica. het gebouw stamt uit 1904.
Prinsenlaan 3-5: Ontwerp voor een dubbel klein Landhuis aan de Prinselaan te Nijmegen voor rekening van de Firma A. v. Berkel N.Nonnendaalsche Weg 161, A. v.d. Kloot Architect, behoort bij bouwaanvraag 2-8-1928 (D12.393295)
Het dubbel klein Landhuis is ontworpen door architect A. van der Kloot. Lees hier meer over deze architect:
Arie van der Kloot was een architect die vooral in Nijmegen actief is geweest, van 1925 tot 1964. Waarschijnlijk is zijn grootste project de Sterflat op de Hatertse Hei, in 1958 het hoogste woongebouw van Nijmegen. Hij lijkt de eerste jaren van zijn carrière -jaren 20 en 30- vooral actief te zijn geweest als ontwerper…
Prinsenlaan 20 – 22
Ontwerp voor een Dubbele Woning te Nijmegen, Afoort, October 1927. De handtekening van de architect is moeilijk leesbaar, mogelijk betreft het H.A. Pothoven (D12.392013)
C.N. Sipman en M.G. Visser staan als aanvrager op de bouwtekening. Bovendien ze als aanvrager voor de bouwvergunning (Gemeenteverslag 1927)
C.N. Sipman woont in ieder geval in 1968 nog op nummer 20. Op Prinsenlaan 26 woont H. Sipman: of en zo ja, welke familieband er is, is nog niet bekend.
In de Adresboeken 1928, 1932, 1934 is hij boekhouder. In 1936, 1938, 1940 procuratiehouder.
Ook komt J.F. Sieben voor in 1938 en in 1940 zijn weduwe, geboren Zwart.h
In 1955 is C.N. Sipman adj. Directeur. Dat jaar komt ook mej. D.W. Sipman, ass. Dokter en J.F. Sipman, monteur voor.
In 1963, 1966 en 1968 komt C.N. Sipman voor, die in 1968 nog adj. directeur is.
In Nijmegen is Jan Dullaart waarschijnlijk het meest bekend door het ontwerp van de Spoorbuurt. Hij lijkt echter vooral regionale bekendheid te hebben in Hilversum/’t Gooi vanwege zijn ontwerp van landhuizen en villa’s aldaar. Ook in Nijmegen ontwierp hij in ieder geval 1 villa: die aan Prinsenlaan 26.
Dullaart was tevens aanwezig bij de oprichtingsvergadering van de Gemeenschap (Zie ook het boek De Gemeenschap 1920-2019. Gezichtsbepalende woningbouw in Nijmegen, van Spoorbuurt naar Nijmegen-Noord van D. Jacobs uit 2020.
Omdat de Gemeenschap een woningbouwvereniging voor en door het spoorpersoneel was, zal het geen toeval zijn dat de bewoner H. Sipman ambtenaar bij de N.S. is. Ik heb overigens tot nu toe echter nog niet gevonden of Sipman zelf een rol had bij deze vereniging.
Stijl
Wikipedia schrijft over de stijl van de landuizen: “Deze huizen zijn meestal een combinatie van Amsterdamse School en Engelse landschapsstijl met vakkundig vormgegeven detaillering en materiaalgebruik en vaak het gebruik van rietgekapte daken. Hun daken zijn vaak grillig van vorm en glooiend vormgegeven.”
Gevonden bewoners: H. Sipman
Prinsenlaan 26: Klein Landhuis te Nijmegen, architect Jan Dullaart, Hilversum, juli 1923 (D12.388097)
Als eerste bewoner is H. Sipman gevonden. Het is nog niet bekend of hij ook de daadwerkelijke opdrachtgever is. Wat de relatie precies is geweest, maar het zal niet toevallig zijn geweest, dat Sipman werkzaam is bij de N.S..
H. Sipman, ambtenaar N.S. komt op Prinsenlaan 26 voor in de Adresboeken 1924, 1926, 1928
In de Adresboeken 1932, 1934, 1936, 1938, 1940 is hij “chef-commies N. Sp.”
Ook in 1948, 1951, 1955, 1959 woont H. Sipman er nog, dan is er echter geen beroep vermeld.
In 1951 staat ook P. Stol, onderwijzer vermeld.
In 1963 staat mw. M. van den Berg, onderwijzeres op dit adres en in de Adresboeken 1966, 1968, 1971 arts H. Wernik.
Jan Dullaart
Jan Dullaart (Linschoten, 26 november 1891 – Hilversum 7 juni 1957)
Er is al veel geschreven over het werk van Dullaart in Hilversum, waar al een aantal mooie sites over bestaan. Zie daarvoor vooral de gebruikte bronnen.
Dullaart volgde van 1906-1909 tekenlessen aan de vaktekenschool in Woerden. “Aanvankelijk werkte hij samen met deze broer en later als opzichter tekenaar bij verschillende architecten en aannemers, waaronder de oude Brinkman in Rotterdam. “ (https://items.amsterdamse-school.nl/details/persons/976) Het is nog niet bekend met welke jaren het “aanvankelijk” is bedoeld.
Op 13 januari 1912 gaat hij in Amsterdam wonen. Hij is dan afkomstig uit Linschoten en zijn beroep is “timmerman”. Aanvankelijk woont hij in bij Baas, A.F. Rustenburgstraat 266 en vanaf 10 mei bij Weduwe Welckey (?), Ger. Doustraat 3 c II. Op 26 mei 1914 vertrekt hij naar Nijmegen. (Stadsarchief Amsterdam te Amsterdam, Deel: 156, Periode: 1930, Amsterdam, archief 5416, inventarisnummer 156 https://www.openarchieven.nl/saa:b0846c0d-6eaf-4ad8-9967-63bbc46badbc)
Nijmeegse jaren
Ook voor de Gemeenschap blijkt hij al bekend te zijn met Nijmegen: hij heeft er zelfs een aantal jaren daarvoor gewoond. Helaas is nog niet bekend waar hij zijn functie als “bouwkundige” heeft uitgevoerd. In ieder geval heb ik nog geen vermeldingen in kranten van hem gevonden; mogelijk/waarschijnlijk werkte hij op dat moment nog niet zelfstandig.
Van 26 mei 1914 tot en met 9 maart 1916 woont hij in Nijmegen, op Parkweg 76. Van beroep is hij bouwkundige. Hij is dan afkomstig uit Amsterdam en bij “waarheen vertrokken” staat slechts “ambtshalve”. Met onder aanmerkingen: “16 feb. 17 duplicaat afgegeven op Hilversum, Asterstr. 44”. (Bevolkingsregister 1910). https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?id=2311704956&nav_id=1-1&index=0. In het Adresboek 1914-1915 komt P. en J. Dullaart voor op 76, evenals B. v. der Mee. Ook komt J. Dullaart op nummer 76 in een ander Adresboek 1914-1915 en tevens 1915-1916.
In 1914 slaagt hij voor het examen Boekhouden en Handelscorrespondentie voor de praktijk. Dan is hij “van Nijmegen”. (De courant, 7-12-1914)
Architectura et Amicitia
In 1916 werd hij lid van het architectengenootschap Architectura et Amicitia waar hij in contact kwam met de jonge generatie architecten van de Amsterdamse School. (https://items.amsterdamse-school.nl/details/persons/976)
In november 1917 wordt Dullaart, bouwkundig tekenaar te Hilversum, voorgesteld als een van de “Gewone Leden voorgesteld de navolgende Buitenleden” (Architectura; orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia, jrg 25, 1917, no. 47, 24-11-1917)
Raadhuis Linschoten
In 1917 krijgt hij opdracht tot het ontwerpen van een nieuw gemeentehuis in zijn geboorteplaats, waar hij ook de regie voerde over de bouw. “ Enige jaren daarna vestigde hij zich in Hilversum, waar hij een kantoor opende aan de Javalaan.” (wikipedia)
Heerlen
Advertentie Jan Dullaart in Heerlen (Limburgsch dagblad, 23-8-1919)
In ieder geval is Dullaart eind december 1918 gevestigd in Heerlen, waarbij hij een nieuwsjaarsgroet doet. Zijn adres is dan Oranje Nassaustraat 20 (Limburgsch dagblad, 31-12-1918). Rond 1919 verschillende advertenties van de architect Jan Dullaart.
Het is nog onbekend of de vestiging in Heerlen op dat moment zijn enige vestiging was of dat hij besloten had in Limburg alleen te adverteren met zijn kantoor in Heerlen. In mei 1920 is er wel een advertentie gevonden, waarbij “Architect en Ingenieursbureau Jan Dullaart” zowel een adres in Hilversum als Heerlen heeft. (Limburgsch dagblad, 22-5-1920)
In 1919 is hij lid van de commissie voor de étalageversiering ter ere van het “groote Nationale Feest”: Koninginnedag 1919, welke op 31 augustus zal plaatsvinden, het eerste sinds 1913. (Limburger koerier, 23-8-1919)
“In Heerlen wordt overigens nog steeds een door hem ontworpen huis door familie bewoond. Ondanks dat hij zo veel en zo hard werkt, heeft hij altijd tijd voor zijn kinderen, hij is een uiterst aardige en aimabele man, gedreven en eigenwijs, maar ook lief en zorgzaam.” (steengoedhilversum).
Advertentie Jan Dullaart in Hilversum en Heerlen (Limburgsch dagblad, 22-5-1920)
Woningcomplexen
Zoals gezegd lijkt Dullaart vooral bekendheid te genieten als ontwerper van villa’s en landhuizen. Een van de vragen waarom dit artikel is geschreven, was waarom juist een Hilversumse architect voor de bouw van de Spoorbuurt werd gekozen.
Dé reden is nog niet gevonden. Wel is opvallend dat Dullaart al aanwezig is bij de oprichtingsvergadering van de Gemeenschap. Het is niet vreemd dat een architect betrokken is bij de oprichting (al was het alleen maar dat er immers woningen gebouwd moeten worden). Wel lijkt het dat door de aanwezigheid bij de oprichtingsvergadering er al een connectie bestond van vóór de oprichting. We hebben al gezien dat Dullaart een aantal in Nijmegen actief was geweest als “bouwkundige”, dus mogelijk kenden mensen hem nog.
Dullaart zou sowieso nog een aantal andere woningbouwcomplexen ontwerpen. Waaronder de Middenstandsbouwvereeniging van Heerlen en van Woerden: beiden in 1920. Daarbij speelde Dullaart in beide gevallen een rol in de oprichting; in ieder geval daarna realiseerde hij ook nog een aantal woningbouwcomplexen:
In februari 1920 is hij een van de oprichters van de “Middenstandsbouwvereeniging te Heerlen”: Dullaart wordt secretaris van het voorlopig bestuur. Het doel van de vereniging is het “met behulp van Rijk en Gemeente, het doen bouwen van goed inrichte Midddenstandswoningen, op nader door B. en W. aan te wijzen bouwplaatsen.” (Limburgsch dagblad, 23-2-1920)
In juni 1920 wordt de “Middenstandsbouwvereeniging Woerden” opgericht. Het doel is te komen tot de bouw van een 25-tal woningen. “Verschillende tecchnische punten werden uitgevoerig toegelicht door den architect Jan Dullaart, uit Hilversum. (Utrechtsche courant, 15-6-1920)
Rond 16 september (“vanmorgen” 1925 vindt de eerstesteenlegging plaats van de “Eendracht”: een complex van 253 woningen aan de Van Duylstraat in Rotterdam van 253 woningen. De Eendracht is een bouwvereniging van spoorwegpersoneel. (Rotterdamsch nieuwsblad, 16-9-1925)
Het 6e complex van de Utrechtsche Woningstichting: blok van 67 woningen aan de Noordzeestraat, Grevelingestraat, Dongestraat en Walstraat. Het stichting heeft dan al 5 complexen in de omgeving van de Rijnstraat. Op 27 januari 1931 zal de aanbesteding plaats vinden. (De standaard,23-1-1931) De aanbesteding wordt gegund aan de aannemers H.D. Slagmolen en A. van Rossum te Utrecht voor f189.950. (Het bouwbedrijf; maandblad voor bouwkunde, techniek en handel, jrg 8, 1931, no. 8, 3-4-1931)
Gooisch Grondbezit
In 1928 richt hij samen met E.G. van der Smit, een makelaar uit Hilversum, het “Gooisch Grondbezit” te Hilversum. (Algemeen Handelsblad, 30-3-1928) https://items.amsterdamse-school.nl/details/persons/976: “Samen met zijn zwager, E.G. van der Smit ontwikkelde Dullaart verschillende huizenprojecten, onder meer in Hilversum. Ook richtten zij de nv Gooisch Grondbezit op. Van der Smit trad op als assuradeur, makelaar en geldschieter; Dullaart als architect. Zo verzekerde hij zich op een handige manier van werk.”
Oorlog
In de Tweede Wereldoorlog wordt de woning aan de Trompenbergerweg gevorderd door Generaal Blaskowitz van de Wehrmacht. Het gezin vertrekt dan naar Javalaan 13, waar hij eerder kantoor hield in de tuin. Ze zullen daar tot einde van de oorlog blijven wonen.
Witte Kruis
Een andere organisatie waarvoor Dullaart actief is geweest, is het Witte Kruis. Een aantal werken staan hieronder weergegeven.
In november 1941 wordt Dullaart tot hoofdbestuurslid van de Noordhollandsche Vereeniging “Het Witte Kruis” (Haarlem’s Dagblad , 8-11-1941)
Na de Tweede Wereldoorlog
Ook werkte Dullaart aan de wederopbouw. Hij ontwierp onder andere gezinswoningen aan de Moerbeilaan in Hilversum in 1950 en 1951, het Witte-Kruisgebouw te Amstelveen in 1955. En in 1957 flatgebouw Corversbos te Hilversum voor alleenstaande werkende vrouwen, in de volksmond “de hunkerbunker” genoemd.
Gevonden werken
“Gedeeltelijk amoveeren en het ter plaatse weder opbouwen en verbouwen van een Mode Magazijn aan de Voorstraat te Woerden” voor rekening van N.V. Nederland v.h. D. Engel Jr., aanbesteding 15 augustus 1919; architect Jan Dullaart, Hilversum (De standaard, 6-8-1919)
Winkel-woonhuis, Kerkstraat 98, Hilversum, 1924, Drogist De Vries (Opdrachtgever) (Wikipedia en Wendingen)
Villa, Albertus Perkstraat 68, Hilversum, 1925 (tgooi)
Villa de Kameel, Celebeslaan 47, Hilversum, 1926, rijksmonument, Jac. van den Bergen (Opdrachtgever) (Wikipedia en Wendingen; tgooi noemt Insulindelaan 19)
Villa de Bult/ Benvenuta, Bussumergrintweg 40, Hilversum, 1928, rijksmonument (wikipedia en tgooi)
Brug over Nagtglassloot, Paulus Potterlaan, Naarden, 1928, gemeentemonument (wikipedia en tgooi)
Villa, ‘s-Gravelandseweg 91, Hilversum, 1929
Dubbele villa Rembrandtlaan 16, Naarden, 1931
Villa Butterfly, ‘s-Gravelandseweg 91, Hilversum, 1931
Julianakerk, rond 1931 (De standaard,23-1-1931)
7 herenhuizen, “achter de nieuwe Ned. Herv. Julianakerk aan de Rijnlaan, hoek Hunzestraat…. alle met het front aan de Merwedekade, de beide Hoekpanden aan de Hunzestraat en de Zijldiepstraat”, opdrachtgever aannemer P. v.d. Poll Utrecht (De standaard, 23-1-1931)
Dubbele Villa, ‘s-Gravelandseweg 89a en 89b, Hilversum, 1934
Dubbele Villa, ‘s-Gravelandseweg 89c, Hilversum, bekend geworden als woonhuis van Pieter Menten, Laan van Vogelenzang 1, Hilversum, 1939 (wikipedia en tgooi)
Plan voor Witte Kruis gebouw (onduidelijk of het doorgang heeft gevonden en welk gebouw dit betreft: mogelijk die van Egmond aan Zee, maar mogelijk een ander binnen Noord-Holland) (Noord-Hollandsch Dagblad : ons blad | 1-11-1936)
In 1931 is Dullaart een van de oprichters van de vereniging Werkmeesters-Teekenplank binnen de Vrijmetselarij. Hij is dan “Bouwmeester” en behoort bij de “Gooische Broederschap” (Maçonniek tijdschrift, jrg 22, 1931-1932, 01-01-1931)
Pand uit 1912 in Art Deco stijl (Wikipedia). Vooral de blauwe tegels zijn prachtig. Het pand staat op de “Aandachtslijst Cultureel erfgoed”.
Oorspronkelijk was het linkergedeelte met serre de benedenwoning. Daarnaast lag links de opgang naar een bovenwoning. De eerste deur rechts van de serre was de opgang naar het bovenhuis van het pakhuis, de tweede deur de ingang tot het kantoor.
Plan tot het bouwen van een beneden, drie bovenhuizen en een pakhuis Op een perceel a.d. Voorstadslaan en Biezenstraat Kad. bek. gem. Neerbosch Sectie a No 592, datum bouwdossier 2-8-1912 (D12.382859)
Rechts was de ingang tot het pakhuis. Deze liep helemaal door tot aan de Biezenstraat, waar het haar achteruitgangen uit. Tevens liep het pakhuis door achter de hierboven genoemde opgang en het kantoor.
De derde bovenwoning lag boven het pakhuisgedeelte aan de Biezenstraat.
Gevel Biezenlaan: Plan tot het bouwen van een beneden, drie bovenhuizen en een pakhuis Op een perceel a.d. Voorstadslaan en Biezenstraat Kad. bek. gem. Neerbosch Sectie a No 592, datum bouwdossier 2-8-1912 (D12.382859)
De ondertekenaars lijken “De eigenaar” “J. Puijn” te zijn en daarnaast H.F.(?) de Reus. Of de Reus hier optrad als aannemer en/of architect, is nog niet bekend.
Brandstoffen-Handel J. Puijn
Opening Brandstoffen-Handel Joh. Puijn & Zn. (De Gelderlander 3/9/1921)
In september 1921 kondigt Joh. Puijn & Zn. haar nieuwe Brandstoffen-Handel aan. Het adres van dit pand is dan nog Voorstadslaan 12-14-16. Zij zal hier jarenlang haar brandstoffenbedrijf hebben.
Overlijdensadvertentie Johannes Puijn (De Gelderlander 7/1/1933)
Johannes Peter Matthijs Puijn overlijdt 6 januari 1933 (op De Gelderlander 7/1/1933; op dezelfde pagina van de overlijdensadvertentie staat nog een kleinere, dat het brandstoffenbedrijf de gehele gesloten zal zijn).
In De Gelderlander 22/8/1933 staat de huwelijksaankondiging van Antoon Puijn met Dina van Druten. Het adres van Antoon is Voorstadslaan 20 en van Dina Gorisstraat 20. Ook het toekomstig adres is Voorstadslaan 20.
Advertentie Joh. Puijn & Zn.: “Zomerprijzen” (De Gelderlander 9/5/1933)
Er is nog niet nagegaan wanneer de naam van het bedrijf precies veranderd is: in PGNC 28/1/1935 is het nog Joh. Puijn & Zn. In PGNC 21/11/1935 is het echter A. Puijn.
Antonius Puijn overlijdt op 21 november 1954 op 49-jarige leeftijd. A.M. Puijn – van Druten laat de rouwadvertentie plaatsen “mijn inniggeliefde Echtgenoot”. Dan is het adres nog steeds Voorstadslaan 20. (De Gelderlander 22/11/1954)
In De Gelderlander 23/10/1956 wordt nog een personeelsadvertentie gevonden voor een “flinke kracht” bij A. Puijn. In het Adresboek 1971 komt het nog steeds voor als brandstoffenbedrijf van de weduwe A.M. Puijn van Druten.
Voorstadslaan 18 en 20, maart 2025 (Google Streetview)
Aannemer Hendrik Franciscus de Reus
Hendrik Franciscus de Reus werd op 27 februari 1882 geboren te Huissen. Zijn ouders waren Johannes de Reus (Didam 1-9-1858), “arbeider” en Christina Witjes (Huissen, 1-10-1854). In het Bevolkingsregister van 1880 wonen zij op de Bloemerstraat 47. Het gezin was daarbij op 13 april 1886 afkomstig uit Ubbergen. Het “blauwe potlood” heeft achter Johannes de Reus bij aanmerkingen “Steenstraat 14” geschreven.
In oktober 1907 trouwt hij met Theodora Arnolda van Berkel (PGNC 27-10-1907)
Bij de geboorte op 1 januari 1913 van Christina Alberdina wonen ze in “Hees”.
De Reus wordt regelmatig gevonden als inschrijver op aanbestedingen, waarbij hij in Nijmegen blijkt te wonen. Een aantal voorbeelden:
Verbouwen school (De Gelderlander 17-9-1908)
Post- en telegraafkantoor met directeurswoning in Grave. Hier was de Reus met f14.280 de laagste inschrijver (2-8-1910)
Een winkel- met bovenhuis (PGNC 7-3-1913)
Pastorie te Huissen (PGNC 9-6-1912)
In de Adresboeken 1912-1913, 1913-1914, 1914-1915, 1915-1916, 1916 komt van Berkel & de Reus voor onder “Aannemers” op de Nieuwe Nonnendaaldsche weg. In 1912-1913 op nummer 131, daarna op nummers 161/165. Er is nog niet uitgezocht wat de relatie is tussen deze van Berkel en de vrouw van de Reus. In de tot nu toe gevonden krantenberichten wordt overigens steeds gesproken over “H.F. de Reus”.
Op of rond 1918 vetrekt het gezin naar Oss. “Henk de Reus op zei op 28 juli 2018 om 01:06
Ik kom dit verhaal tegen, een jaar na de uitwisseling van e-mails. Een beetje vreemd vind ik de relatie van Mark de Reus met mijn vader Jan de Reus. Zijn opa was een broer van mijn vader. Ik heb vernomen dat hij onderzoek doet naar zijn overgroot vader, H.F. De Reus die in 1918 een aannemersbedrijf startte in Oss”.
In hetzelfde artikel lijken in ieder geval 2 van zijn kinderen dezelfde weg te zijn ingegaan:
“Quirin de Veer zei op 20 december 2021… “Sinds 2007 op Burgemeester van den Elzenlaan 11 in Oss. Ik heb begrepen dat dit huis in 1939 is getekend en daarna ook bewoond door J.A. de Reus ( architect) en later door H.F. de Reus (aannemer).”
De Reus overlijdt op 9 november 1940 te Oss (De Gelderlander 11/11/1940)