Monumentale villa mogelijk ontworpen door L.H. Verbrugge en gebouwd in de jaren 1890/91 op de hoek (verlengde) St. Jorisstraat Canisiussingel (rechts); in 1896 werd het adres mr. Franckenstraat 2. Op 9 november opent, na een omvangrijke verbouwing onder andere een aanbouw links van het pand, H.E Span de banketbakkerij “Keizer Karel” met lunchroom en terras in het ronde gedeelte. In 1933 vestigt zich in de aanbouw een filiaal van bloemensalon “Corona” in de Bisschop Hamerstraat. Tijdens de bevrijding van de stad wordt het pand en de naastliggende huizen verwoest, Mr. Franckenstraat 2 Hunnerberg, 1895-1900 (F5503 RAN)
Banketbakkerij annex Lunchroom Keizer Karel
Banketbakkerij “Keizer Karel”.
In het perceel Franckenstraat 2 opent morgen de heer H.E. Span zijn Banketbakkerij “Keizer Karel”, tot dusver gevestigd in de Molenstraat, waar de winkel als filiaal blijft. Het omvangrijk heerenhuis heeft een belangrijke verbouwing ondergaan. Door aanbouw van een vleugel is een keurig ingerichte winkel verkregen, waarachter een flink kantoor. De ruime suite met groote veranda en uitzicht op het Hunerpark wordt lunchroom; de bezoekers zullen hier een prettig zitje hebben. De banketbakkerij beantwoordt, evenals de genoemde onderdeelen van de zaak, aan alle eischen, welke de tegenwoordige tijd stelt; zij is royaal van afmetingen en van de nieuwste, door elektriciteit gedreven, werktuigen voorzien. De verbouwing is uitgevoerd door den heer G.H. Ditters, aannemer alhier. Het schilderwerk is verricht door de firma van der Wagt en voor de electrische installatie heeft de firma Reuser-van Alphen gezorgd.” (PGNC 9/11/1917)
De meeste mensen zullen Canisiussingel 1 kennen als de Mauritskliniek of de Slavenburg’s Bank/Credit Lyonnais Bank. Het pand is echter gebouwd als villa. Een van de eerste bewoners -zo niet de eerste- was A.J. Pluijm, een graanfactor uit Rotterdam. Hij noemde zijn woning “Villa Rust”.
De bouw van St. Canisiussingel 1
Op de bouwtekening van het huidige Canisiussingel 1 staan de handtekeningen van H.A. Thunnissen?, bouwkundige en P. Roovers. Op het 2e vel staat 1897.
Vooraan bevinden zich de serre met daar achter de salon en een terras met daar achter de huiskamer. De keuken bevindt zich achter de salon. Naast de keuken hal/gang met trap. In het verlengde van de hal is de vestibule, die naar buiten wat uitloopt en een eigen trap en ingang heeft. Achter de vestibule en een deel van de gang ligt een spreekkamer. (D12.377730 Datum bouwdossier 1-1-1897)
Roovers heeft de grond op 10 februari 1897 gekocht en de 15e overgeschreven. (Inventarisnummer 137, Archiefnummer 442, Aktenummer 3716)
Op 1 mei 1899 verkoopt Petrus Roovers, rentenier aan Adrianus Johannes Pluijm, rentenier, “Een villa te Nijmegen aan de Canisiussingel gelegen, bestaande uit huis en erf met tuin, op den perceelsgewijzen kadastralen legger van Nijmegen bekend in Sectie B nummero 2473 groot negen aren negen en tachtig centiaren.”
Petrus Roovers
Petrus Roovers
Peturs Roovers (Gorinchem, 7-9-1843) komt op 4 augustus 1896 vanuit Rotterdam naar Nijmegen. Zijn adres is dan Berg en Dalsche weg 56. Op een later tijdstip is dit adres doorgehaald en vervangen door Nassausingel 3. (Bevolkingsregister 1890)
Roovers is getrouwd met Johanna Antonia Smits (Rotterdam, 5-12-1845).
Op het adres komen dan de volgende kinderen voor, allen geboren te Rotterdam:
Huberdina Francina Maria (2-1-1873)
Maria Hendrika Antonia (15-7-1881)
Anna Maria Cornelia (18-2-1877)
Antonius Christianus Maria (10-7-1875), op een later tijdstip is hier “tabakshandelaar” als beroep toegevoegd; hij zal verhuizen naar het Bevolkingsregister “deel A4 folo 303 (oud)”
Petrus Antonius Maria (5-3-1880)
Johannus Maria Antonius (18-10-1870)
Adrianus Johannes Pluijm
Adrianus Johannes Pluijm (Bevolkingsregister 1890 NTB.679_33105_190)
Op 9 maart 1899 schrijft Adrianus Johannes Pluijm (Rotterdam, 11-2-1844) zich in bij de gemeente Nijmegen op Canisiussingel 1. Hij is dan afkomstig uit Rotterdam en heeft als beroep “graanfactor”. Hij is getrouwd met Elisabeth Anna Bakker (Rotterdam, 17-7-1845).
Hij is met Elisabeth Anna Bakker getrouwd op 13 juni 1872.
Ook bij zijn huwelijk was hij “graanfactor”. Ook zijn vader Johannes Jacobus Pluijm is dan graanfac. (Burgerlijke Stand Rotterdam, huwelijksakten, Rotterdam, archive 999-06, inventory number 1872C, 13-06-1872, Nadere toegang op het huwelijks- en echtscheidingsregister van de gemeente Rotterdam, record number 1872.518, folio c76v)
De eerstgevonden vermelding in een Adresboek is dat van 1899, dan is zijn beroep “graanhandelaar”. In het Adresboek 1901 wordt Canisiussingel 1 voor het eerst villa “rust” genoemd. En vervolgens in 1902, 1903, 1905, 1908, 1909 en 1910.
Villa Rust: Graanfactor of graanhandelaar; actief of niet?
Op het koopcontract staat Pluijm als “rentenier”.
In het Bevolkingsregister 1890 staat als beroep “graanfactor”, terwijl in het Adresboek graanhandelaar staat. Een factoor “in de graanhandel iemand die zich belast met de zorg en het verschieten van graan; dan spreekt men van graanfactor.” (http://www.beroepenvantoen.nl/Oude-beroepen-F.html). Een graanfactor is, hoewel het tegenwoordig nog bestaat, een “oud” beroep. In tegenstelling tot een graanhandelaar werkt een factor niet voor eigen rekening, maar als tussenpersoon. Ons Amsterdam noemt bijvoorbeeld over de factor Jan Philip Korthals Altes: “De graanfactors coördineerden als hun vertegenwoordigers de gang van zaken tijdens het lossen en wegen van het graan. Ze stonden borg voor een correcte weging en waren verantwoordelijk voor het nemen van monsters om de kwaliteit te controleren. Ook regelden ze een zo vlot mogelijke overslag van het graan van zeeschip naar binnenschepen. Het was een lucratieve functie, gezien de rijkdom die Jan Philip Korthals Altes ermee verwierf.” (https://onsamsterdam.nl/artikelen/stichter-van-graanburcht-aan-het-ij)
Hoewel nog niet uitputtend onderzocht, zijn er geen activiteiten van Pluijm gevonden, noch in Nijmegen, maar ook nog niet in Rotterdam of elders. Nadelig daarbij is, dat de naam Pluijm waarschijnlijk veel manieren kan worden geschreven (in ieder geval Pluym).
Maar ook: Pluijm is 55 jaar als hij naar Nijmegen komt. Willem Ruyters in een mail (6 september 2026): Pluijm verhuist om gezondheidsredenen op circa 50-jarige leeftijd naar Nijmegen (De Gelderlander, 12-6-1922), vandaar dat hij waarschijnlijk de villa de naam “Rust” geeft.
In 1912 en 1913-1914 staat dan als beroep “graanfactor”. Ook in 1914-1915, 1915-1916, 1916 komt hij voor, maar dan zonder beroep. Wel staat hij onder het kopje “graanhandelaren”. De laatst gevonden vermelding is in 1920.
In het Bevolkingsregister van 1910 staat aanvankelijk als beroep “graanhandelaar” en als adres “Canisiussingel 1”. Op 1-1-1921 zijn beide doorgestreept en vervangen door “zonder” en als adres Kerkstraat Hees 80.
Spijskokerij en Drager erekruis
Ter gelegenheid van zijn 50-jarige bruiloft krijgt Pluijm in juni 1922 het erekruis in goud “pro Eclesia et Pontifice”.
“De medaille wordt uitgereikt aan katholieke gelovigen die ten minste 45 jaar oud zijn en zich gedurende ten minste 25 jaar verdienstelijk hebben gemaakt voor het katholieke geloof of de Kerk, of die zich gedurende ten minste 25 jaar verdienstelijk hebben gemaakt. Het is het hoogste ereteken dat een leek kan ontvangen van de paus.” (wikipedia)
In Rotterdam had hij “trouwe hulp” als kerkmeester in Rotterdam geboden, vooral bij de bouw van de nieuwe bijkerk aan de Provenierssingel aldaar. In Nijmegen was hij meer dan 20 jaar lid geweest van de St. Vincentiusvereeniging, in het bijzonder als voorzitter van de afdeling spijskokerij. (De Gelderlander, 12-6-1922)
In ieder geval is Pluijm in 1905 en 1907 president van het onderdeel “spijskokerij” van de Sint-Vincentiusvereeniging in Nijmegen. (Onze Pius-Almanak voor het jaar des Heeren …, jrg 6, 1905)
Kerkstraat 80
In het Adresboek 1922 komt Pluijm voor op Kerkstraat 80. Evenals 1924, 1926 en 1928.
Pluym overlijdt op 91-jarige leeftijd op 4 juli 1935.
Uit de overlijdensadvertentie blijkt hij lid te zijn geweest van de 3e Orde van den H. Dominicus. Dit is -en tevens sinds 1999 de nieuwe naam- de Dominicaanse Lekengemeenschap. https://kro-ncrv.nl/katholiek/encyclopedie/d/dominicanen
Jacques Kneppers
De volgende gevonden gebruiker van Canisiussingel 1 is J.J.A. “Jacques” Kneppers. Hij komt voor in het Adresboek 1922. Waarschijnlijk heeft hij daar slechts enkele jaren gewoond:
Op 29 november 1922 overlijdt zijn vrouw Henriette Maria Stephane Kneppers – Van Aernsbergen (PGNC 30/11/1922)
In PGNC 17/1/1923 verschijnt het verzoek van Jacques Kneppers zich bij hem te melden, wanneer iemand nog iets te vorderen heeft, wat op zijn aanstaande vertrek duidt.
In 1926 is het pand volgens het Adresboek onbewoond.
Menalda van Schouwenburg
24 juli 1935: De heer H. Menalda van Schouwenburg uit Nijmegen, ook deelnemer in 1909, 1910 en 1911, passeert Wijchen op de tweede dag van de 25e Vierdaagse. (Fotobureau Gazandam, Arnhem via F40617 RAN Auteursrechthouder: KNBLO-NL)
In 1930 is nog een vermelding gevonden op Graadt van Roggenstraat 8. (PGNC 17/3/1930)
In de Adresboeken 1932, 1934, 1936, 1938, 1940 komt H. Menalda van Schouwenburg, directeur van de Ned. Verbandwattenfabriek voor op de St. Canisiussingel.
Bij een huwelijksaankondiging van de van de dochters blijkt de familie Menalda van Schouwenburg in ieder geval in juli 1946 nog op de Canisiussingel te wonen (Nijmeegsch dagblad, 29-7-1946)
Na de oorlog
Tussen 1940 en 1963 zijn tot nu toe slechts beperkte gegevens gevonden:
Het adres van Mevr. Brandsma-Berssenbrugge, penningmeesteresse bij de St. Elisabethsvereniging
N.V. Gruno en Adek Rijwielfabrieken vragen een steno-typiste (“kennis van moderne talen is gewenst”) (De Gelderlander 1/6/1951)
A. Lammers, arts
Advertentie verhuizing A. Lammers, arts (Nijmeegsch dagblad, 16-4-1960)
In de Adresboeken 1963, 1966, 1968, 1971 komt A. Lammers voor, arts. Hij komt tevens voor onder de kopjes van “uroloog” en “nier- en blaasziekten”
Slavenburg’s Bank N.V.
Advertentie vestiging Slavenburg’s Bank in Nijmegen (De Telegraaf, 4-11-1969)
In het Adresboek 1971 komen zowel Lammers als de Slavenburg’s Bank N.V. voor. Mogelijk betreft dit nog een dubbeling.
In 1983 werd Slavenburg, met op dat moment 90 kantoren, Credit Lyonnais Bank (Algemeen Dagblad, 5-7-1983).
Rond 1972 komt op St. Canisiussingel 1 tegelijkertijd nog een aantal jaren Macom Systems N.V. voor, adviseurs management- en computersytemen. (De Telegraaf, 10-6-1972). Deze gaat echter in januari 1976 failliet (De Volkskrant, 17-1-1976)
Vervolg
Er is nog niet uitgebreid onderzocht wat het vervolg is geweest.
De laatste jaren was het een vestiging van de Mauritskliniek, een centrum voor dermatologie en spataderen. In ieder geval zat dit centrum er in juli 2014 al (Google Streetview). In november 2023 is deze kliniek verhuisd naar St. Canisiussingel 19e (https://www.instagram.com/reel/CzLl_FIvhdW/). Vanaf dat moment lijkt het pand te huur te staan (september 2026).
Hoewel van Schevichaven haar beschrijft als een figuur met de “stijfheid van den stokvisch”, is het pand de Zeemeermin uit eind 18e eeuw een Rijksmonument. In ieder geval hebben er in de 20ste eeuw jarenlang smederijen in het pand gezeten. Na een grondige restauratie in de jaren 80 is het pand verbouwd tot appartementen.
De Zeemeermin is gebouwd eind 18e eeuw en is een Rijksmonument. De Rijksmonumentenlijst geeft als omschrijving: “Monumentaal rechthoekig pand van parterre met drie verdiepingen en schilddak. Bakstenen lijstgevel, derde kwart 18e eeuw, met rond het middenvenster van de eerste verdieping een rijke versiering in Lodewijk XV-vormen. Vensters met getoogde raamkozijnen en zesruitsschuiframen.”
Van Schevichaven schrijft over de Zeemeermin: “In een prot. Van 25 april 1617 wordt het huis de Mermyn opgegeven als staande “op de Legemerckt, op den hoeck naest St Stevensportgen”. Een ander huis dat dien naam droeg in 1774, is waarschijnlijk datzelfde gebouw dat thans nog een meermin in het snijwerk van den gevel vertoont, een figuur dat meer de stijfheid van den stokvisch, dan het slappe, buigzame op de rollende golven dartelende lichaam van de zeenimf voor den geest roept. De erfgenamen van den rijken brouwer Dirk van Brummelen verkochten dit huis 15 Jan. 1774 voor 4110 gld. aan Steven Scheers. Op 3 Nov. 1796 werd het met annex koetshuis, voor 3700 gl. Gekocht door den mr. bakker W. van Roggen.” (Oud-Nijmegen’s straten, markten, pleinen, open ruimten en wandelplaatsen, 1896)
Abonneren
Voer je e-mailadres hieronder in om updates te ontvangen.
Hoefsmederij Verplanke
Het pand de Zeemeermin met smederij Verplanke, 1920-1930 (GN5590 RAN)
In de 20ste eeuw heeft er jarenlang een smederij in het pand gezeten.
Rond 1918 is P.C. (of P.Ch.) Verplanke begonnen met zijn smederij aan de Lage Markt: hij doet dan een nieuwjaarsgroet met adres Lage Markt 24 (De Gelderlander 31/12/1918). In het Adresboek 1920 komt er een smederij Verplanken (dus met een “n”) voor op nummer 24, waarbij P.Ch. Verplanke en Wed. J. Verplanke woont op nummer 24a, samen met W.A.P.F.L. v. Hedel (Adresboek 1920). Dit geldt ook voor het Adresboek 1922, hoewel Wed. J. Verplanke er dan niet meer woont.
Rond 4-8-1922 verkrijgt hij een hinderwetvergunning tot het oprichten van eene smederij in het perceel Lage Markt 14, kad. bekend gemeente Nijmegen, sectie C, No. 3882” (PGNC 8/8/1922). Het is nog onbekend wat de relatie is tussen nummer 14 (of 12, wat zijn adres is, zie hieronder) en nummer 24.
Het was overigens niet de eerste smederij van Verplanke: in PGNC 19/11/1914 adverteert P.Ch. Verplanke, Hoefsmederij Hertogstr. 66 dat hij “Wegens militieverplichtingen van af 21 dezer tot nader aankondinging gesloten” is.
Rond 11-4-1924 krijgen A.J. Roes en P.Ch. Verplanke een vergunning tot “het uitbreiden van hunne smederij in het perceel Lagemarkt No. 24, kad. bekend gemeente Nijmegen, Sectie C. No. 5153 (PGNC 14/4/1924).
In het Adresboeken 1924, 1926 en 1928 komt P.C. Verplanke voor op nummer 12, terwijl de smederij huisnummer 24 heeft. Nu woont A.J. Roes op nummer 24a.
Idem voor 1932, dan komt A. J. Roes echter niet meer voor op nummer 24a.
Hoefsmid A.J. Roes
Wel komt A.J. Roes in de jaren 30 voor als smid: eind December 1931, 1932 en 1933 plaatst “A.J. Roes -Smederij” een nieuwjaarsadvertentie (De Gelderlander 31/12/1931, 31/12/1932 en 30/12/1933).
In 1934 adverteert hij naast “Rijks Gediplomeerd Hoefsmid” als “Autog. Metaalbewerking (speciaal Aluminium)” en “Constructiewerken” (onder andere De Gelderlander 25/5/1934).
In De Gelderlander 20/6/1940 wordt een smidsknecht gevraagd.
Hoefsmid Gebr. Valk
Het pand van hoefsmid gebroeders Valk gezien vanaf de Waalkade, voorheen de Hoefsmederij P. Chr. Verplanke (adres toentertijd Lage Markt 12-14), links de St. Stevenstoren, 1970 (Frans Kup via F314661 RAN CCBYSA)
Een mooie foto uit 1956 van de smid aan het werk is te vinden op ZN35263, gewoon op straat. Een andere mooie foto is F87838 uit begin jaren 60. De Gebroeders Valk waren Jan en Koos Valk, op de foto is waarschijnlijk een van de broers als smid aan het werk te zien: F94063 RAN.
Op het bord boven de ingang staat:
Op het bord is te lezen: Gebr. Valk Gedipl. Hoefsmid
Gezien vanaf de Waalkade in zuidelijke richting zien we uiterst links de achtergevel van de panden aan de Waalkade 3 en 4, in nummer 4 is tegenwoordig Galerie Marzee gevestigd; rechts daarnaast de nieuwbouw aan de Oude Haven 110-120; daar weer naast het monumentale patriciërshuis genaamd ‘De Zeemeermin’ aan de Oude Haven 104 – 108A vóór de restauratie/herbouw in 1983; Rechts daarnaast op nr. 102 een eveneens gerestaureerd pand met vroeg 19e eeuwse bakstenen halsgevel, het pand zelf is rond 1639 gebouwd, 1980-1981 (Gemeente Nijmegen via KN11514-60 RAN CC0)
In de jaren 80 is het pand gerenoveerd. Daarbij zijn de deuren van de werkplaats vervangen door 2 ramen en is de ingangspartij weer centraal in het midden. Tegenwoordig zijn er appartementen in het pand gevestigd.
In 1980/1981 werd aan de Waalkade, tussen de Grotestraat en Nieuwe Markt, een nieuwe waterkeringmuur gebouwd. Daarbij werd aan een aantal kunstenaars gevraagd een object te ontwerpen. Peter van de Locht maakte daarop “Architectuur der natuur”, een van de zuilen die hij in deze periode maakte.
Ravenberg Taveerne, van Hendrikus Merkus (Rechts op de foto), 1910 (P.A. Geurts Boek- en Kunstdrukkerij, Nijmegen via F72294 RAN)
Rond 1900 was Beek populair bij welgestelden, niet alleen als woonplek maar ook als bestemming om te wandelen en van het landschap te genieten. Op de Ravenberg werd vanaf 1901 het Villapark Van Heutzpark aangelegd, met onder meer de Ravenberg-Taveerne, beheerd door Hendrikus Merkus. Later groeide deze plek bovendien uit tot een van de eerste campings van Nederland.
“Rond een e-vormig stratenpatroon waren vijf vrijstaande villa’s en een uitspanning gepland. Het betreft de uitspanning met de naam Ravenberg-Taveerne en de villa’s Zonneheuvel (De Ravenberg 2), Welgelegen (De Ravenberg 7), Bijou (De Ravenberg 58) en Kastanjeoord (De Ravenberg 14), alsmede de villa aan De Ravenberg 8. Vanaf een centraal gelegen uitkijkpunt konden potentiële kopers de percelen overzien en het uitzicht bewonderen. De bouw van de panden vond plaats in enkele jaren vanaf 1901” (https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-41-febr-2011.pdf)
De Ravenberg-Taveerne was eigendom van baron Van Randwijck. Dit gebouw bestond uit een woongedeelte voor de landgoedbeheerder en zijn gezin, een verblijf voor de baron en zijn gasten en een café met terras.
Op de bovenstaande is rechts het opschrift “Ravenberg-Taveerne” te lezen. Boven een van de ingangen lijkt het wapenschild van Van Randwijck te hangen. In ieder geval komt het qua vorm overeen: “Wapen: in zilver een roode leeuw; en een uitgeschulpt rood schildomboordsel….” (https://www.genealogieonline.nl/west-europese-adel/I102684.php) Wat op de foto opvalt, is dat de vorm van het schild ondersteboven lijkt te zijn.
Daarnaast vallen de 3 ingangen op: Mogelijkde taveerne, het vertrek voor de baron en de woning van de opzichter?
In veel bronnen wordt genoemd dat de Taveerne rond 1901-1905 is gebouwd. Hoewel ik geen bouwkundige ben, heeft het voor mij een boerderij-achtig karakter met een uitsteeksel van de Taveerne. Dat roept bij mij de vraag op of het daadwerkelijk om nieuwbouw gaat, of een verbouwing. Op dit moment heb ik de bouwtekening nog niet gezien, of andere bron gevonden die dat bevestigt.
Op onderstaande foto noemt het RAN het jaartal 1898 – 1902, deze tijdsaanduiding zal vooral als indicatie zijn bedoeld.
Hendrikus/Hendricus Merkus
RAN: Hoogste punt van de Ravenberg met de gelijknamige uitspanning en theeschenkerij de ‘Ravenberg-Taverne’ van H. Merkus, 1898-1902 (J.B.L. Wildenbeest Uitgever, Nijmegen via F89517 RAN)
Vaak wordt de Ravenberg Taverne de Taverne van H. Merkus genoemd. Dit betreft Hendrikus/Hendricus Merkus.
Bij de geboorte van dochter Everdina Gerarda Josephina Merkus, geboren op 3 maart 1911 en dochter Adriana Johanna Merkus op 4 december 1914 is hij “waardsman” van beroep
aankondiging 25-jarig huwelijk Merkus en Lelieveld (PGNC, 10-5-1914)
Gevonden adressen
De eerste tot nut toe gevonden vermelding van Bierhuishouder Hendrikus Merkus is in het Adresboek van 1903 en 1905, op “Ravenberg taverne 25”.
De jaren daarvoor is er wel een H. Merkus op de Ravenberg gevonden, met regelmatig een ander huisnummer:
1899, arbeider, Ravenberg 18a (en Th.J. Merkus, arbeider op nummer 18b)
1901, arbeider, Ravenberg 25
Of dit dezelfde Merkus is en of het hernummeringen betreft, is nog niet bekend.
Advertentie waarin H. Merkus aanwijzer is (PGNC 10/9/1905)
In mei 1914 vieren H. Merkus en M. Merkus-Lelieveld hun 25-jarig huwelijksfeest, waarvoor ze een bedankadvertentie plaatsen. (PGNC 31/5/1914)
In 1907 is het bierhuishouder, dan op “Ravenberg taverne 30”
In de Adresboeken 1908, 1909, 1910-1911, 1912-1913 en 1920 is H. Merkus “bierhuishouder en polderopzichter, Beek ravenberg taverne 32”. Dus weer een nieuw nummer. In de jaren 1913-1914 is alleen het adres gevonden, zonder dat er op die plaats een beroep vermeld staat.
In 1914-1915 en 1916 is het bierhuishouder en polderopzichter op nummer 32. Dan staat ook E. Merkus, “arbeider, Beek, Ravenberg, “Taverne” 32” op dit adres.
In 1922 staan zowel H.Merkus eveneens bierhuishouder en polderopzichter als E. Merkus, arbeider vermeld, maar nu op nummer 33.
Op 11 juli 1923 overlijdt Hendrikus Merkus op 68-jarige leeftijd (De Gelderlander 12/7/1923).
In 1928 komt de Weduwe H. Merkus, geboren Lelieveld als bierhuishoudster voor op nummer 33.
Op https://www.wmg-groesbeek.nl/milieujournaal/Milieujournaal190.pdf wordt dit gebouw de boswachterswoning genoemd. Uit bovenstaande opsomming blijkt, dat bij Hendrikus in ieder geval nog niet expliciet het woord “boswachter” is gevonden. Dit kan natuurlijk naast bierhuishouder, polderopzichter en “aanwijzer” nóg een andere functie van hem zijn geweest.
In ieder geval was Theo Merkus met zijn vrouw Twanny de laatste beheerder van de camping in 1979 (zie hieronder). Dat artikel noemt, dat zowel zijn vader als grootvader boswachters waren geweest, toen nog in dienst van Van Randwijck. Dat kan tevens betekenen dat een of meedere functies van Hendrikus samenvielen met “boswachter” of dat deze term er “later” (abusievelijk) is toegevoegd.
Op Oudbeek.nl en staat een foto van boswachter “Jo Merkus kapte in 1946 een kastanjeboom die de oorlog niet heeft overleefd. Deze boom stond waarschijnlijk in de boomgaard op de Ravenberg. In de boom zit zoon Theo die zijn vader zou opvolgen als boswachter.” (www.oudbeek.nl en https://www.wmg-groesbeek.nl/milieujournaal/Milieujournaal190.pdf)
Oorlog, brand en Geldersch Landschap
In 1941 kocht Stichting Geldersch Landschap de Heerlijkheid Beek van Van Randwijck. De taveerne ging echter verloren in de winter van 1944-1945, toen het afbrandde. Mogelijk doordat geallieerde soldaten bij het eten klaar maken even niet zaten op te letten. (https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-58-juni-2015.pdf)
Boswachterswoning
1950, Ravenberg 20
Op de plaats kwam de “boswachterswoning”, De Ravenberg 20. “Architectenbureau G. Feenstra ontwierp het in 1950 in de stijl van de Delftse School. Volgens de architecten van de Delftse School lag schoonheid juist in eenvoud en was een goede harmonie tussen massa, ruimte en lichtval belangrijk. Architectuur moest “nederig” zijn en vooral niet opvallen en er werd veelal gebruik gemaakt van traditionele elementen, zonder dat in een gebouw letterlijk een historische situatie gekopieerd werd. De stijl is vlak voor de tweede wereldoorlog en in de wederopbouwperiode veel toegepast.” https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-42-mei-2011.pdf
De vensters hebben luiken in de kleuren van de stichting Het Geldersch Landschap.
Dit artikel vertelt verder, dat de tenten aanvankelijk op de terrassen tussen de kastanjes stonden. Het waren vooral de meer welgestelde mensen uit het westen die kwamen. Met de trein, waarbij de uitrusting met van Gend & Loos werd verstuurd. De camping was voor de boswachter een welkome aanvulling op zijn inkomen.
De camping, dan met 40 plaatsen, is tot 1979 in gebruik geweest: Het Algemeen Dagblad van 27-4-1979 schrijft dat in september dan de poorten definitief dicht zullen gaan. Ook schrijft het artikel dat een andere camping “De Uilenburg” in Berg en Dal met 100 plaatsen zal gaan sluiten.
Beheervisie Heerlijkheid Beek 2018-2019 schrijft: “De voormalige camping op de Ravenberg werd vanaf de verwerving t/m 1984 door de boswachter en zijn vrouw geëxploiteerd en heeft daarom historische waarde voor GLK.” (Beheervisie Heerlijkheid Beek 2018-2019, Geldersch Landschap & Kastelen) Het is nog niet duidelijk waarom hier het jaartal 1984 wordt genoemd, terwijl het krantenartikel uit 1979 vermeldt dat de camping dat jaar zal sluiten.
Berg en Dalseweg 54-56 Nijmegen architect mogelijk L.H. Verbrugge Bouwjaar circa1890 (augustus 2026)
Aan de Berg en Dalseweg 54-56 staat een statig gebouw van eind 19e eeuw, een Rijksmonument. Wie het ontwerp heeft gemaakt, is vooralsnog onbekend. Wel wordt soms architect L.H. Verbrugge genoemd als ontwerper. Maar was hij dat ook? Het begin van een zoektocht, zonder nog een eenduidig antwoord te krijgen.
“Dubbel HERENHUIS met eenvoudig TUINHEK gebouwd ca. 1890 met een decoratieve gevel in neoclassicistische stijl waarin invloeden van zeventiende-eeuwse Engelse architectuur in de trant van het palladianisme en Inigo Jones herkenbaar zijn (vgl. Lindsey House, Londen). In 1891 werd huis nr. 54 aangekocht door de Lutherse gemeente als pastorie.” (Rijksmonumenten). Bovendien is opvallend dat het gebouw 1 groot huis lijkt te zijn, terwijl het ook oorspronkelijk gebouwd is als 2 huizen.
Palladianisme en Inigo Jones?
Het “Palladianisme” is een van de stijlen binnen de bouwstijlen van het zogenaamde classicisme en vernoemt naar de Italiaanse architect Andrea Palladio (1508–1580), die in Venetië werkte. Deze architect greep terug op de oudheid. Deze stijl zou zich van de 17e eeuw tot eind 18e eeuw blijven ontwikkelen.
Inigo Jones was de architect die het classicisme in Engeland introduceerde. “Inigo Jones (Londen, 15 juli 1573 – aldaar, 21 juni 1652) wordt gezien als de eerste belangrijke architect in Engeland in de vroegmoderne tijd en de eerste die de Vitruviaanse regels van verhoudingen en symmetrie in zijn gebouwen toepaste. Hij was de eerste die de klassieke architectuur van Rome en de Italiaanse Renaissance in Engeland introduceerde.” (wikipedia). Hij was daarbij sterk door beïnvloed door Palladio.
Wijkkrant Nijmegen-Oost vergelijkt in 1990 het gebouw aan de Berg en Dalseweg vooral met het Banquet House in Whitehall (Londen) van Jones.
Hoewel ik geen expert, lijkt het Banquet House in ieder geval aanzienlijk meer op het gebouw aan de Berg en Dalseweg dan het Lindsey House. Daarnaast noemt Rijksmonumenten palladianisme en Jones “invloeden” bij een gevel in “neclassistische stijl”. Het is mij niet bekend of de architect zich rechtstreeks heeft laten inspireren op de “originele” bronnen, of Nederlandse (of zelfs Nijmeegse) voorbeelden, of een combinatie van beide.
Stucwerk
De ornamenten bestaan niet uit natuursteen, maar uit stucwerk: daaronder bevindt zich baksteen. Dit was aanmerkelijk goedkoper, maar gaf toch een mooi resultaat (Noviomagus.nl, met veel foto’s)
L.H. Verbrugge, de architect?
Wikimedia noemt als architect meester-timmerman L.H. Verbrugge. Andere bronnen, zoals Rijksmonumenten, noemen de architect “onbekend”. Ook de Nacht van Ommetjes noemt de architect onbekend. Daarnaast is de term “meester-timmerman” nog niet terug gevonden in bronnen als Adresboeken en het Bevolkingsregister: daar wordt Verbrugge over het algemeen “architect” genoemd.
Louis Henri Verbrugge is geboren op 12 mei 1864 in Amsterdam.
Detail Militieregister, hij blijkt een plaatsvervanger te hebben. (Archief Amsterdam, Militieregisters, archiefnummer 5182, inventarisnummer 4329)
Op 7 november 1886 vertrekt Verbrugge uit Amsterdam, Brouwerstraat binnen nr 7, alleen -althans, zijn moeder en zijn broers en zus blijven achter, naar Arnhem. (Bevolkingsregister Amsterdam BRB00074000166)
In het Bevolkingsregister 1880 van Nijmegen komt hij al tijdelijk voor als niet-verwante inwoner bij Simon Johannes Meijn (13-4-1851, Rotterdam), bouwkundig tekenaar op Hees E N.52. Louis Henri is dan op 11 mei 1887 afkomstig uit Amsterdam, waar hij op 12 maart 1888 weer naar toe vertrekt. Verbrugge is dan opzichter.
In het Bevolkingsregister van Amsterdam staat dat hij op 27 maart 1888 weer terugkomt naar Amsterdam. Hij heeft dan als beroep “opzichter”. Een goede maand later, 5 mei 1888 vertrekt hij met zijn moeder en zus Elisabeth Louisa (waarschijnlijk is hier de z vervangen) Therese Jeannette naar Nijmegen (Bevolkingsregister Amsterdam BRB00074000166)
Op 7 mei 1888 -dus een paar maanden nadat hij vertrokken was- komt Louis Henri weer in Nijmegen te wonen. Het hoofd van het gezin is zijn moeder, de weduwe van J. Verbrugge, Elisabeth Louise Therese Minnigh (8 mei 1839 Amsterdam). Ze zijn dan afkomstig uit Amsterdam en gaan op de Spaarbankstraat 16 wonen. Ook zus/dochter Elisabeth Louise Therese Jeannette (11-7-1870, Amsterdam) komt mee. Het gezin behoort tot de Waalse gemeente. Het “blauwe potlood” heeft het geboortejaar van Elisabeth veranderd van 1834 naar 1839 en als beroep van Louis Henri architect gezet.
In het Bevolkingsregister van 1890 wordt de Spaarbankstraat A23 doorgehaald en vervangen door Berg en D. weg 14.
Louis Henri staat vermeld als architect. Broer/zoon Henri Louis Leonard (20-8-1866, Amsterdam) zal de komende jaren steeds tijdelijk inwonen:
Van 15-5-1891 afkomstig van Valburg en op 22-5-1891 vertrekkend naar Anna-Paulowna
Van 22-2-1893 afkomstig uit Anna-Paulowna en op 6-12-1893 vertrekkend naar Bussum, hij is dan landbouwer
Van 4-3-1898 afkomstig uit Bussum en op 11 mei 1901 weer vertrekkend naar Bussum, geloof Nederlands Hervormd) (Bevolkingsregister 1890)
Overigens is in december 1890 is Verbrugge commissaris bij de Vereeniging tot gezellig ijsvermaak. In een bericht in PGNC 30/12/1890 is zijn adres Berg-en-Dalschen weg 105.
In het Bevolkingsregister 1900 komt Louis Henri als architect. Het gezin komt dan voor op de Berg en Dalseweg. Het is onduidelijk of er sprake is geweest van verhuizingen of nummerwijzigingen: aanvankelijk staat er 14, welke is doorgehaald en vervangen door 60. Op een later tijdstip is 60 vervangen door 62. Later is er met potlood A48.250 bijgeschreven.
In het Bevolkingsregister 1910 komen ze voor op Berg e Dalsche weg 62?: de 6 is duidelijk leesbaar, over het tweede cijfer is op een later tijdstip, 1/1 1921, een grote 0 gezet met een A erachter -dus 60A. Aanvankelijk staat er bij Louis Henri als beroep architect. Dit is later doorgestreept en vervangen door “zonder”. Ook is op een ander tijdstip bij Elisabeth de s vervangen door een z en haar geboortejaar 1839 gewijzigd in 1835. (En Jeanette krijgt dan een tweede “n”.)
Bouwvergunningen L.H. Verbrugge
Tot nu toe ben ik 3 bouwvergunningen tegengekomen waar Verbrugge wordt genoemd. Waarschijnlijk vreemd, wanneer Verbrugge de daadwerkelijke architect zou zijn, er tot nu slechts enkele werken gevonden zijn, waarbij Verbrugge genoemd wordt (dit betekent niet dat hij de architect is):
In 1888 wordt aan L.H. Verbrugge en S.J. Meijn vergunning verleend tot het bouwen van 3 huizen aan de Berg en Dalseweg
In 1889 wordt aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 2 huizen aan de Berg en Dalseweg
In 1891 wordt aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 1 villa aan de St. Canisiussingel
Opvallend daarbij is de vergunning uit 1888 voor de bouwvergunning van 3 huizen aan de Berg en Dalseweg: die staat op naam van L.H. Verbrugge én S.J. Meijn. Dat is waarschijnlijk dezelfde Simon Johannes Meijn bij wie Verbrugge kort daarvoor inwoonde en die in het bevolkingsregister als bouwkundig tekenaar wordt vermeld. Daarmee is er een concrete aanwijzing dat de twee al vóór 1890 samen bij bouwprojecten betrokken waren. Van Meijn worden overigens in die tijd wel krantenberichten over zijn ontwerpen gevonden.
Daarnaast is de onderstaande advertentie uit 1892 gevonden:
Advertentie L.H. Verbrugge voor een Villa met Tuin (Algemeen Handelsblad, 4-2-1892)
Villa Rust
Monumentale villa mogelijk ontworpen door L.H. Verbrugge en gebouwd in de jaren 1890/91 op de hoek (verlengde) St. Jorisstraat Canisiussingel (rechts); in 1896 werd het adres mr. Franckenstraat 2. Op 9 november opent, na een omvangrijke verbouwing onder andere een aanbouw links van het pand, H.E Span de banketbakkerij “Keizer Karel” met lunchroom en terras in het ronde gedeelte. In 1933 vestigt zich in de aanbouw een filiaal van bloemensalon “Corona” in de Bisschop Hamerstraat. Tijdens de bevrijding van de stad wordt het pand en de naastliggende huizen verwoest, Mr. Franckenstraat 2 Hunnerberg, 1895-1900 (F5503 RAN)
Het RAN noemt onder ander bij bovenstaande foto F5503 dat de architect “waarschijnlijk” L.H. Verbrugge is; hier vervangen door “mogelijk”. Ook hier is de originele bouwtekening nog niet gevonden/ingezien. De villa stond op de hoek van (verlengde) St. Jorisstraat Canisiussingel (rechts); in 1896 werd het adres mr. Franckenstraat 2 (foto GN1480 – B RAN)
Op sommige vermeldingen wordt deze villa ten onrechte “Villa Rust” genoemd: Villa Rust is de villa op het huidige adres St. Canisiussingel 1. Deze villa komt vanaf 1901 in de adresboeken voor: ““Pluym verhuist om gezondheidsredenen op circa 50-jarige leeftijd naar Nijmegen, vandaar “Rust”.” (Willem Ruyters in een mail 6 september 2026)
Op 18 augustus 1891 koopt Verbrugge een perceel bouwgrond van de gemeente, “op den hoek van den Canisiussingel en de Sint Jorisstraat, op den Kadastralen legger der gemeente Nijmegen, bekend in Sectie B Numero 1729, als erf, groot zeven aren.” Een van de voorwaarden daarbij is dat er voor mei 1892 een woonhuis is gebouwd, zonder blinde muren aan de kant van de Canisiussingel en de Sint Jorisstraat” (Inventarisnummer 75, Archiefnummer 450, Aktenummer 3184).
Vervolgens sluit Verbrugge een lening af bij Joseph Kirchner op 19 augustus 1891 met dit bouwterrein als onderpand. (Inventarisnummer 75, Archiefnummer 450, Aktenummer 3187).
Daarbij wordt in 1891 aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 1 villa aan de St. Caniussingel.
Verbrugge lijkt betrokken te zijn bij de bouw, maar het is niet zeker of hij de architect is. En daarnaast: wordt met deze woning de “villa van Verbrugge” bedoeld in het volgende artikel: “Het voorstel van B. en W. om aan de heeren D. J. en C. C. Haspels alhier te verkoopen eene oppervlakte bouwterrein aan de St. Jorisstraat, gedeelte van het kadastraal perceel Nijmegen, Sectie B no. 1728, gelegen tusschen de villa van den heer Verbrugge en den Straalmansweg, voor f 6.50 per centiare, onder de volgende voorwaarden…”: oftewel aan de huidige mr. Franckenstraat” (Gemeenteverslag 1894). Echter: de villa van Verbrugge kan juist ook aan de andere kant staan: in het Bevolkingsregister en Adresboeken staan steeds adressen van de Berg en Dalseweg.
Gevonden adressen Verbrugge
Hieronder staan de adressen van Verbrugge en zijn familie weergegeven volgens de adresboeken. Daarbij is het steeds Berg en Dalseweg, maar met veel verschillende nummers. Het is nog niet bekend welke veranderingen daadwerkelijke verhuizingen en welke hernummeringen van het adres betreft.D
Dat maakt het vooralsnog ook lastig te bepalen welk gebouw bij welk adres hoort. In ieder geval is wél duidelijk dat er met meerdere panden aan de Berg en Dalseweg een relatie is met Verbrugge. Welke rol hij daarbij heeft gehad -architect, ontwikkelaar, eigenaar en/of bewoner-, is nog niet bekend.
Wed. J. Verbrugge, geb. Ee. La. The. Min(n)igh, zonder beroep, Berg en Dalsche weg 405 (1892, 1893, 1895)
Dan is er een inbraak bij de weduwe: “Dinsdag nacht is te Nijmegen tijdens de afwezigheid van de bewoners ingebroken in de villa op den hoek van den Canisiussingel en Sint-Jorisstraat en bewoond door de wede. Verbrugge. De dief had zich door het stuk slaan van een glasruit toegang tot die woning verschaft en aldaar ontvreemd: 1 koperen wekkerklok, 2 parasols, 1 parapluie, 3 japonnen, 8 mantels, 2 rokken, 2 blouses, 1 pantalon en 1 huissleutel. De politie werd met het gebeurde in kennis gesteld en ’s morgens om 9½ mocht het de rechercheurs Mensen en Heijnekamp gelukken, den dief in het bezit van de gestolen voorwerpen in eene slaapstede in de Zwanengas alhier aan te houden. Het was zekere J.S., oud 26 jaren en Duitscher.” (De Gelderlander 7/10/1894)
In 1896 is het Berg en Dalsche weg 15; in 1898 nummer 16.
In 1901 is het nummer 14. Vanaf 1901 komt ook L.H. Verbrugge, architect op dit adres voor. Idem in 1902.
In 1903 is het weer nummer 16.
En in 1905 en 1907 60a.
In 1908 is het nu nummer 62. Evenals in 1910-1911, 1912-1913
Vervolgens is in 1913-1914 nummer 58.
Maar in 1914-1915 weer 60a.
Evenals in 1915-1916 en in 1916.
In 1922 wordt voor dat jaar alleen de weduwe gevonden.
Echter: in 1924 staat ook L.H. weer op het adres, dan staat er geen beroep vermeldt. Ook komt Mej. E.L.Th.J. voor.
In 1926 is het nummer 60. Dan komt naast de 3 hierboven genoemden ook H.L.L. voor. Idem voor 1928.
In 1932, 1934 en 1936 komen de 3 “kinderen” voor op 60a; de weduwe niet meer. In 1948 en 1951 komen mej. E.L.T.J. en H.L.L. nog voor, dan op nummer 60. In 1955 komt geen van allen op de Berg en Dalseweg voor.
Verkoop nummer 62 en 62a
Augustus 1920 verkoopt Elisabeth Louisa Thérèse Minnigh, weduwe van Johannes Verbrugge “een beneden en bovenhuis aan den Berg en Dalschenweg 62 en 62a, Kadastraal bekend gemeente Hatert, sectie A, nummer 913, groot twee aren, twee en zeventig centiaren als huis en erf”. De grond is op 14 mei 1888 gekocht, het huis door stichting. De koper is Johan Wilhelm Hoffmann (Architect). (Inventarisnummer 89, Archiefnummer 560, Aktenummer 3624).
Warme deken
Een interview met de bewoonster van nummer 56, Janine Lenne uit 2019 is te lezen op https://www.gelderlander.nl/nijmegen/dit-huis-voelt-als-een-warme-deken~a88ee76e/ . Ze noemt het huis als een warme deken. “”,We hebben het huis in 1999 gekocht. De vorige eigenaar was een alleenstaande man die hier op kamers had gezeten tot zijn hospita overleed en hij het huis kocht.””.
Rijksmonument
Het gebouw Berg en Dalseweg 54-56 is een Rijksmonument. Met als waardering (tevens staat hier een uitgebreide beschrijving): “
Van architectuurhistorische waarde als een gaaf en zeldzaam voorbeeld in in- en exterieur van een stedelijk woonhuis uit het einde van de negentiende eeuw. De voorgevel valt op door een opmerkelijke combinatie van rijke ornamentiek in stucwerk en muurwerk in gele verblendsteen, die invloeden van het palladianisme, in het bijzonder Inigo Jones verraden.
Het pand is van stedebouwkundige waarde als markant onderdeel van de straatwand van een van de uitvalswegen van Nijmegen, waarvan de karakteristieke bebouwing van herenhuizen is ontstaan in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Het pand speelt een beeldbepalende rol vanwege de uitzonderlijke bewerking van de gevel. Het pand heeft ensemblewaarde in relatie met de belendende panden aan het Mariaplein, dat door de aanwezigheid van een grote verscheidenheid aan gevels, een staalkaart vormt van stijlen rond de eeuwwisseling.”
Inmiddels is duidelijk dat Louis Henri Verbrugge bij meerdere panden op de Berg en Dalseweg betrokken lijkt te zijn geweest. Welke rol hij daarbij precies had – architect, ontwikkelaar, eigenaar en/of bewoner – is nog niet duidelijk. Opvallend is dat er vooralsnog nauwelijks gegevens over zijn eventuele ontwerpen zijn gevonden, zoals contracten, aanbestedingen of originele ontwerpen. Dat roept de vraag op welke omvang zijn zelfstandige architectenpraktijk in Nijmegen daadwerkelijk heeft gehad. Hopelijk zal een vervolg daar wat meer uitsluitsel over geven.
1974/1975 Berg en Dalseweg 133-181 en Huygensweg 16-52 Hunnerberg
Berg en Dalseweg met Huygensflat, maart 1982 (Ber van Haren via KN13512-19 RAN CC0 Auteursrechthouder: Gemeente Nijmegen)
De Huygensflat in Nijmegen werd in 1974–1975 gerealiseerd op de plek van twee negentiende-eeuwse villa’s. Dit artikel onderzoekt de geschiedenis van de locatie, de sloop en nieuwbouw. En de manier waarop de flat in de verkoop werd gepresenteerd: niet als serviceflat of bejaardenhuis, maar als een riante, comfortabele en zelfstandige koopwoning, waarbij vitale ouderen wel nadrukkelijk als doelgroep werden aangesproken. Daarmee is de Huygensflat interessant als voorbeeld van veranderende ideeën over wonen en ouder worden in de jaren zeventig.
Residence Huygensflat was een project van de NV Mij. Stadhouderslaan en Bouwkundig Aannemersbedrijf J.M.H. Hendriks. De makelaar is Hestia b.v. (de heer F. Hendriks)
Vooraf: sloop 2 villa’s
Villa Anna, gebouwd in 1898, samen met Berg en Dalseweg 131, Berg en Dalseweg 129, 1970 (Nico Grijpink via F7536 RAN CCBYSA)
De Huygensflat staat op de locatie waar daarvoor 2 villa’s stonden. Berg en Dalseweg 129 en 131. Op de bovenstaande foto is nummer 129 te zien, op F12553 RAN staan beide villa’s afgebeeld.
Deze villa’s waren in 1898 gebouwd. “In 1916 gekocht door Ch.C.van Zijll de Jong voor de vestiging van de Stichting Thera Posa (opvanghuis voor gerepatrieerde Nederlanders).” (Reactie op foto F12553 RAN). Daarbij is 1916 hoogstwaarschijnlijk een schrijffout en moet dat 1961 zijn: juist in die tijd speelde de terugkeer uit Indonesië.
Berg en Dalseweg 129 Villa Anny
Wanneer Thera-Posa Berg en Dalseweg 129, Villa Anny heeft gekocht, is nog niet bekend. In 1939 wordt de “villa Anny, met erf en tuin aan den Berg en Dalscheweg No. 129, te Nijmegen, kad. groot 23.88 A., voor f11.200, aan den Heer C. Diepenbrock” verkocht. (De Gelderlander 8/12/1939)
In De Gelderlander 1/5/1940 wordt een “Flink Meisje” gevraagd voor het Pension “Villa Anny”. En in De Gelderlander 23/5/1940 heeft het nog “eenige Kamers disponibel in verschillende prijzen. Groote tuin, lighal” Opdrachtg. Is Mej. M. Jansen. In ieder geval in 1941 worden er kamers voor het pension aangeboden.
In De Gelderlander 23/7/1949 en De Gelderlander 5/11/1949 wordt het Hotel Villa Anny genoemd, in het kader van een receptie voor een huwelijksfeest. Ook in De Gelderlander 31/1/1951 wordt het hotel genoemd, bij de vermissing van een hond.
In De Gelderlander 1/2/1954 staat de aankondiging dat in maart 1954 de heropening van het pension plaatsvindt, ondertekend door H. v.d. Spek en A. Baars-Miltenburg.
Berg en Dalseweg 131
Personeelsadvertentie waarbij zowel Berg en Dalseweg 129 als 131 wordt genoemd (De Volkskrant, 19-3-1966)
In het Algemeen Dagblad 24-7-1965 zoekt Thera-Posa een ervaren kookster voor haar Kindertehuis Lunenberg te Herpen. Daarbij is het adres van de stichting de Berg en Dalseweg 131. Thera-Posa had het pand in Herpen in 1964 aangekocht om een “tehuis voor de jeugd, die aan de zelfkant van de maatschappij dreigt te geraken, openen. De stichting, die in Nijmegen reeds een op dezelfde leest geschoeid tehuis exploiteert,…” (De Volkskrant, 15-2-1964). Het is mij nog niet bekend of met dit tehuis in Nijmegen nummer 129, 131 of nog een andere locatie wordt bedoeld. In het artikel over de koop van Herpen schrijft het wierookwijwaterenworstenbrood.nl: “Het kloostergebouw werd in 1964 gekocht door C. van Zijll-de Jongh, die uit Indonesië was teruggekeerd en in Nijmegen drie huizen had voor gerepatrieerde gezinnen. Hij was voorzitter van de stichting Thera-Posa en wilde mede naar aanleiding van de spijtoptanten, die uit Indonesië waren teruggekeerd, een gezinsvervangend kindertehuis stichten.”
In 1966 worden in ieder geval beide adressen genoemd bij de stichting. Nummer 129 wordt dan “ons huis” genoemd. (De Volkskrant, 19-3-1966)
Maatschappij Stadhouderslaan
In 1973 koopt Maatschappij Stadhouderslaan te Den Haag deze villa’s van de Stichting Thera Posa en laat vervolgens de villa’s afbreken om de Huygensflat te bouwen.
Vóór de bouw vindt echter archeologisch onderzoek plaats, wat veel inzichten in de Romeinse tijd van deze plek oplevert. Zie hiervoor het rapport van het RMO.
“Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
De advertentie in De Telegraaf, 25-10-1975 toont een foto van een vitaal ouder echtpaar, aan de wandel met een hond. In 1975 was ”Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
Nijmegen wordt aangeprezen vanwege haar natuurlijke omgeving, het bruisende culturele leven en een streek om tot rust te kunnen en te ontspannen. De Residence ligt zowel gunstig ten opzichte van zowel de natuur als het centrum. Daarnaast zijn er uitstekende verbindingen met heel Nederland.
“Uw huidige woning daar bent u zeker aan gehecht. Dat is ook begrijpelijk na al die jaren.
Toch zou u onderhand best wat makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler willen wonen.
Hiervoor hebben wij een plezierig voorstel. En bovendien helpen wij u met raad en daad bij de verkoop van uw huis.”
De advertentie noemt de Residence een “fraai gebouw door de verspringende gevellijn met rode baksteen en het speelse hoogteverschil, variërend van 5 tot 7 hoog.” Er zijn 5 verschillende woningtypen, waarvan 3 met open haard. Alle woningen hebben ruime woonbalkons. De woonkamers zijn 42 tot 54 m². Daarbij zijn er 2 of 3 slaapkamers, royale keukens en ruime bergingsmogelijkheden. Er zijn 3 liften en mechanische ventilatie.“
“Voor zo’n riante behuizing, voor déze ligging zijn de koopsommen bepaald laag”: de woningen kosten tussen de 149.600 tot 174.500.
Makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler
Links de Huygensflat (op de hoek met de Berg en Dalseweg) en rechts de woning aan de Huygensweg 14, 1982 (Ber van Haren via KN13514-22 RAN CC0 Auteursrechthouder: gemeente Nijmegen)
De advertentie noemt als mogelijke verhuisreden dat mensen “makkelijker, overzichtelijker en comfortabeler” kunnen wonen. Wat daarbij lijkt op te vallen, is dat de flats vooral bedoeld zijn voor ouderen die nog geheel zelfstandig kunnen en willen blijven wonen: Zo is er een royale keuken. En -hoewel het niet in de advertentie wordt genoemd- zijn er achter de flat ruime parkeerplaatsen. De ligging wordt aangeprezen door juist allerlei mogelijkheden om er op uit te gaan. Een opmerking over “zorg dichtbij” of “gezellige, gezamenlijke activiteiten” ontbreken. Met een naam als Residence lijken de woningen vooral verkocht te worden als een “volgende stap” in plaats van “ouderenwoning”..
Wat de locatie ook bijzonder maakt, is dat het op een van de hoogste punten van de Berg en Dalseweg ligt, waarbij de bewoners op hoogste verdiepingen ook anno 2024 een fantastisch uitzicht hebben (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897).
De Huygensflat kwam tot stand in een periode waarin de Nederlandse ouderenzorg en ouderenhuisvesting ingrijpend veranderden. In de jaren 60 begonnen bejaardenhuizen er populair te worden. Vooral eind jaren ’60 werden alternatieven als de serviceflats en andere zelfstandige woonvormen steeds populairder. Wat daarbij meespeelde, was dat er groep van wat meer kapitaalkrachtige ouderen kwamen, die een dergelijke (al dan niet commerciële) flat kon betalen, groeter was geworden. Begin jaren ’70 is echter ook een omslagpunt waarbij het streven van de overheid gericht is op het zo lang mogelijk thuis wonen. In 1975 is er een bouwstop voor verzorgingstehuizen.
In hoeverre deze ontwikkelingen een rol hebben gespeeld bij de keuze van de Ontwikkelingsmaatschappij, is mij niet bekend. Wel kan deze ontwikkeling hebben meegespeeld bij de gedachteontwikkeling, waarbij er vervolgens een andere afslag is genomen. (Gebruikte bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_ouderenzorg_in_Nederland)
Hoogbouw
De flat lijkt goed te passen in de volgende omschrijving: “De hoogbouwflats uit de jaren zeventig werden op gestandaardiseerde wijze gebouwd en waren daardoor redelijk goedkoop. De flats zijn ruim opgezet en hebben verschillende hoogtes. Ze staan vaak in een groene omgeving en sluiten de wijk visueel af. De flats hebben een betonnen draagstructuur en gemetselde gevels. Door het bouwsysteem kunnen de binnenwanden makkelijk verplaatst of weggehaald worden. De afzonderlijke appartementen in de flat hebben grote ramen van enkel glas in houten of aluminium kozijnen. Balkons en galerij steunen op betonnen consoles. Op de begane grond zijn vaak bergingen en garages te vinden. De hoogbouwflats werden in de zeventiger jaren opgeleverd met een centraal verwarmingssysteem.” (http://langerthuisineigenhuis.com/woningtypes/hoogbouwflat-jaren-70/)
Koopprijs
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
Juist voor deze periode is het moeilijk de prijs van de woningen te vergelijken: tussen 1975 en 1978 verdubbelde de gemiddelde koopprijs in Nederland: van ongeveer 100.000 (€ 45.378) in 1975 naar 200.000 gulden (€ 90.756).
Echter: op basis van deze bedragen en bijvoorbeeld de grootte van de woonkamer, het noemen van het culturele leven, lijken deze appartementen vooral bedoeld te zijn voor de ouderen met in ieder geval een wat hoger inkomen (die vervolgens het appartement kunnen betalen vanuit de verkoop van hun huis of opgebouwd vermogen).
Bewoners anno nu
Op Nijmegen-oost vertelt een bewoner hoe het is om er in 2020 te wonen:
En een artikel uit 2024: “Wellicht herinneren zij dat alles binnen nog een bruine uitstraling had. En er alleen oudere mensen woonden. Dat is allang niet meer zo. Alle algemene ruimte hebben een facelift gekregen en door de lichte kleuren ziet het er stukken aantrekkelijker uit.” Naast ouderen wonen er ook bijvoorbeeld een jong gezin, studenten die een appartement delen. (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897)
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Voor een meer uitvoerige analyse over de ontwikkeling van ouderenhuisvesting:
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
“R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging.
Een eenvoudige maar echt Roomsche plechtigheid gisternamiddag alhier plaats.
De 25 nieuwe woningen n.l. door de R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging aan de Berganiusstraat alhier gebouwd, werden door den Z. Ew. pater N. van Hassel O.P., geestelijk adviseur der vereeniging, in tegenwoordigheid van heeren commissarissen, den architect en de leden, ingezegend.
In juli 1909 werd door de R.K. Coöperatieve Werkliedenbouwvereniging toestemming gevraagd voor de bouw van 23 volkswoningen tussen de Van ’t Santstraat en de Daalseweg en 2 woningen bovenaan de straat op de hoek aan de Daalseweg in Nijmegen-Oost; deze foto is waarschijnlijk gemaakt bij de ‘officiële’ opening van de Bergansiusstraat, 1910 (F66361 RAN)
Vooraf werd door den voorzitter, den heer W. de Vries, een woord van hulde en dank gebracht aan den adviseur, aan wiens voorlichting en aanmoediging het vooral te danken is dat deze reeks van doelmatige, geheel naar den eisch des tijds ingerichte werkmanswoningen in een betrekkelijk kort tijdsverloop tot stand kwam.
Daarna had de plechtige inzegening van iedere woning afzonderlijk plaats. Na afloop hiervan richtte de Z.eerw. pater van Hassel het woord tot de leden om hen vooral te wijzen op de groote betekenis, in geestelijken en stoffelijken zin, der heilige handeling, zooeven door hem verricht, en hen geluk te wenschen met het onschatbare voorrecht in ’t bezit te zijn van een gezonde, prettige huisvesting, die zoozeer het godsdienstig familieleven ten goede komt.
Spr. eindigde met den wensch, dat de bewoners, in onderlinge liefde en hulpvaardigheid een reeks van jaren van deze woningen mogen genieten.
Namens heeren commissarissen bracht de heer Jacques Kneppers een woord van lof aan den architect, den heer J.C. Hermans, en de aannemers, de heeren W.R. (?) Coenders en J. Hopman, voor de zaakkundige wijze, waarop zij hun taak hebben verricht.
Verdienen de leden een woord van lof voor hun eendrachtige samenwerking en doorzettingsvermogen, niet minder de bouwmeesters voor de, aan winstbejag vreemd zijnde uitvoering van hun werk, waarvan spr. hoopt dat allen nog lang de zegenrijkste vruchten moegen inoogsten. De straat, aan beide zijden waarvan de reeds betrokken woningen zijn gebouwd, was rijk met nationale en pauselijke vlaggen versierd.
Bergansiusstraat 11-13:Geveldetails van oorspronkelijke arbeiderswoningen. Fraai versierd metselwerk in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen, 2007 (Nico van Hoorn via DF2129 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De woningen, waarvan de eerste steen werd gelegd den 18en September van ’t vorig jaar, zijn allen aan den voorkant voorzien van een tuintje en aan de achterzijde van een flink stuk moesgrond, en voldoen aan de hoogste eischen die men aan gezonde en gemakkelijke werkmanswoningen stellen kan.
Zij zijn berekende naar eene huurwaarde van f2.50 per week, vrij van alle lasten, en worden binnen een niet al te lang tijdsverloop het eigendom der leden.
Zoo ooit, dan is door het tot stand komen van deze uitsluitend katholieke straat een degelijk stuk katholieke sociale actie uitgevoerd.” (De Gelderlander 10/5/1910)
Architect Hermans
Het ontwerp was afkomstig van architect J.C. Hermans:
J.C. Hermans lijkt vooral bekend te zijn vanwege zijn ontwerpen voor de Woningvereniging Nijmegen. Niet ten onterechte, daar alleen al vanwege de aantallen zijn ontwerpen een beeldbepalend karakter voor een aantal wijken in Nijmegen hebben. Daarnaast komen wij hem regelmatig tegen bij het bouwen van katholieke gebouwen als scholen.
Bij het 12,5 jarig bestaan
Bergansiusstraat 5-7-9: Straatbeeld met woningen, gebouwd in 1909 in opdracht van de R.K. Coöp. Werklieden Bouwvereeniging, 1944-1946 (F87405 RAN)
“R.K. Coöper. Werklieden Bouwvereeniging
De vaderlandsche driekleur wapperde zondag van de vier hoeken der Bergansiusstraat.
Op hoogst bescheiden, maar treffende wijze vierden de leden van bovengenoemde vereeniging het 12½-jarig bestaan hunner coöperatie.
Des morgens werd in de O.L.Vr. kerk aan den Berg-en-Dalschen weg ter intentie der vereeniging een H. Mis, waaronder H. Communie, opgedragen, die door alle leden en hunne huisgenooten werd bijgewoond.
Gisteravond had in St. Jozefshof een ledenvergadering plaats, die een eenigzins feestelijk karakter droeg en die werd bijgewoond door den geestelijken adviseur, den weleerw. pater Kock O.P., den commissaris, den heer H.H. de Haan en den oud-commissaris, den heer Jacq. Kneppers.
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De voorzitter, de heer W. de Vries, opende de vergadering met den christengroet en een kort welkomstwoord en bracht- na de voorlezing der notulen van de vorige ledenvergadering door den heer C. Jansen- een uitvoerig verslag uit over de wordingsgeschiedenis der vereeniging en de gebeurtenissen, door haar in ‘t 12½-jarig tijdperk doorleefd. Wij ontleenen hieraan de volgende bijzonderheden:
Op initiatief van de heer W. de Vries en Th. Rutten, destijds resp. voorzitter en 2e voorzitter van den Nijm. R.-K. Volksbond, werd op 2 Febr. 1906 in de Gildekamer van ’t Bondsgebouw een vergadering gehouden, waaraan 20 mannen deelnamen. Nadat door den heer de Vries gewezen was op de Encycliek “Rerum Novarum”, waarin werd aangedrongen op een aan hygiënische en zedelijke eischen beantwoordende woning voor den werkman, die in hoofdzaak langs coöperatieven weg te verkrijgen was, werd de R.-K. Coöp. Werklieden-Bouwvereeniging opgericht onder het voorloopig bestuur van de heer M.D. Jansen, A. Derksen en W. Huting. Op 11 April d.a.v. werd een difinitief bestuur gekozen, n.l. de heer W. de Vries, voorzitter; W. Huting, secr. En A. Derksen, penningmeester, en de contributie vastgesteld op 10 ct. per week.
Op 10 Mei werden de eerste commissarissen gekozen, de heeren sweesaard, Th. Rutten en M.D. Jansen en het ledental gebracht op 40.
Veel financieele moeilijkheden, waarin zelfs het R.-K. karakter der vereeniging in gevaar kwam, moesten overwonnen worden, maar dank zij het doorzettingsvermogen, vooral van den voorzitter en zijn raadsman, den heer Van Term(?), destijds hoofdredacteur van “De Gelderlander”, werd rees op 10 Mei 1907 de Koninklijke goedkeuring op de statuten verkregen.
Op 6 Sept. d.a.v. werd de heer C. Jansen tot secretaris gekozen, die evenals de voorzitter tot op heden nog in functie is, terwijl in de vergadering van 9 Aug. de weleerw. pater Van Hassel O.P. als geestelijk adviseur werd geïnstalleerd.
Dank zij de tusschenkomst van deze verkreeg de vereeniging op 15 Dec. als commissarissen de heeren H.H. de Haan, Jacq. Kneppers en Aloy. Jansen.
Het verslag wijdt aan dit drietal, evanals aan den oud-adviseur een warm woord van dank voor den grooten daadwerkelijken steun aan de vereeniging betoond.
Ondanks het bedanken van vele leden- die den moed verloren- zette de wakkere voorzitter met zijn medebestuurders de actie voort, met het gevolg dat reeds in de vergadering van 22 Dec. 1907 een bestuursvoorstel tot aankoop van grond aan de Bergansiusstraat werd aangenomen.
Door den bouwkundigen, den heer Hermans, werden de plannen voor een complex van degelijke en aan alle eischen van comfort en hygiëne beantwoordende werkmanswoningen ontworpen en door de leden goedgekeurd.
Spoedig kwamen deze woningen door den aannemer, den heer Coenders, onder toezicht van den secretaris, den heer C. Jansen, tot stand en werden in het beging van September 1908 op eenigzins feestelijke wijze, in tegenwoordigheid van de heeren commissarissen Jacq. Kneppers, H.H. de Haan en eenige belangstellenden, de eerste steen gelegd.
Reeds in Januari 1909 werd de eerste blok bewoond en op 8 Mei d.a.v. al de woningen door den geestelijken adviseur plechtig ingewijd, waarbij alle commissarissen, ’t bestuur en de leden met hunne huisgenooten tegenwoordig waren.
Het verslag vermeld verder de verschillende gebeurtenissen in de vereeniging, o.m. het in 1916 uittreden uit de Vereeniging van de commissarissen, de heeren Jacq. Kneppers en Aloys Jansen, deze laatste door sterfgeval, het toetreden van twee nieuwe commissarissen, de heeren mr. Poort en Smits en de installatie van een nieuwen geestel. adviseur, den WelEerw. pater Kock O.P., als opvolger van pater Hassel O.P., die naar Utrecht was vertrokken.
Het verslag werd onder applaus vastgesteld.
Door den geestelijken adviseur werd vervolgens gewezen op de groote betekenis van dit vereenigingsfeest, en werd hulde gebracht aan de oprichters, die getoond hebben een vèrziende blik in de toekomst te hebben en den leden geluk gewenscht met het bezit van hun frissche, gezonde en doelmatige eigen woning, in dezen tijd van woningnood van onschatbare waarde.” Hierna volgt een verslag van enkele andere toespraken (De Gelderlander 11/11/1919)
In februari 1925 (“J.L. Zondag”) wordt de R.K. Koöp. Werklieden-Bouwvereeniging ontbonden. De heer de Vries is dan voorzitter. In zijn overzicht van de werkzaamheden van de vereeniging noemt hij speciaal de heer H.H. de Haan, op dat moment een der commissarissen van de vereniging. En de heer Leen, accountant, die de financiën verzorgde.
Voor de ontbindingsvergadering is er een Heilige Mis en daarna een gezellig samenzijn. “Hiermede heeft de vereeniging hare taak beeindigd en zijn deze arbeiders in het bezit gekomen eener gezonde woning in een fraai gedeelte der nieuwe stad.” (De Gelderlander 16/2/1925)
1922, Eleonorastraat (Nu: Museum Kamstraat 45) Hunnerberg
Museum Kam, Museum Kamstraat Hunnerberg (augustus 2026)
Gerard Marius Kam (1836-1922)
Gerard Marius Kam was oorspronkelijk een Rotterdamse ondernemer, medeoprichter van de staalhandel Gebroeders Kam. Kam verzette zich tegen annexatie van Delfshaven bij Rotterdam. Vanaf 1 januari 1886, het moment dat de annexatie plaats vond, werd hij gemeenteraadslid van Rotterdam tot 1897.
En ” in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden.” (PGNC 15/5/1922, het artikel hieronder)
Gerard Marius Kam ( 29 juni 1836 – 27 december 1922) amateur-archeoloog, datering 1915-1920 (Daniels, M 1782-2000 via RAN F84526)
Als amateur-archeoloog verzamelt hij veel materiaal, wat hij aanvankelijk in zijn koetshuis tentoonstelt. Overigens had het Gemeentemuseum ook een archeologische collectie, welke in 1938 naar het museum Kam is gegaan.
In 1905 (PGNC 15/5/1922) of 1908 (HvdNG) besluit hij bij zijn overlijden zijn archeologische collectie te schenken aan de staat. Hij wil dat zijn collectie in Nijmegen zal blijven: dus niet dat deze verplaatst zal worden naar het Museum voor Oudheden in Leiden. Het Gemeentemuseum van Nijmegen, dan in de Mariënnburgkapel, vindt hij ongeschikt.
Daarop besluit hij in 1919 om zelf een museum te bouwen aan de Eleonorastraat en om zijn collectie aan het Rijk te schenken. Op voorwaarde dat het Rijk zijn collecte beheert, welke daar zal blijven. De naam van het museum is Rijksmuseum Kam. Het museum gaat in mei 1922 open, iets meer dan een half jaar later overlijdt Kam.
Bij de opening van Museum Kam in 1922
De vlag in top ter gelegenheid van de opening van het Museum Kam, 17/5/1922 (RAN F87279)
“Museum-Kam.
Nijmegen is een belangrijke instelling rijker geworden, het Museum-Kam, dat aan de Eleonorastraat is gebouwd naar de plannen en onder leiding van onzen kunstzinnigen stadgenoot, den architect Oscar Leeuw. Het trekt betrekkelijk weinig de aandacht: het staat niet aan een hoofd- of druk bewandelden verkeersweg en velen zullen misschien weinig voelen voor de voorwerpen, die er in tentoongesteld worden, al vertegenwoordigen zij met het gebouw, waarin zij geborgen zijn, een enorm kapitaal; al hebben zij de belangstelling van geschied- en oudheidkundigen; al is die verzameling het product van benijdbaren levensherfst van den schenker; en al leggen zij een stilzwijgend getuigenis af van wat liefhebberij en toewijding kunnen voortbrengen.
Nu Woensdag 17 Mei door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, in tegenwoordigheid van vele autoriteiten, het Museum zal geopend worden en het een aantrekkelijkheid te meer zal zijn voor onze stad, vooral voor hen, die beseffen, hoeveel die schijnbaar haast waardelooze dingen ons vertellen kunnen van oudheid en middeleeuwen, willen wij onze stadgenooten er mee in kennis brengen. Groote bekendheid er mee en met de uitgebreide verzamelingen, die er in gehuisvest zullen worden, durven wij niet veronderstellen. Als de heer Detering zijn tonnen gouds beschikbaar stelt om “Het Straatje van Vermeer” te koopen en het meesterwerk aan den staat aan te bieden, dan wordt die vrijgevigheid- en zeer te recht- geroemd en alle bladen maken er melding van. Maar ongelijk minder ophef wordt er gemaakt van wat de heer Kam aan rijk en gemeente schonk, een geschenk, waarvan de waarde wel niet in een nauwkeurig opgegeven aantal guldens wordt opgegeven, maar dat toch ook verscheidende tonnen gouds vertegenwoordigt. Men ziet, wij spreken eers maar van de financieele zijde der zaak: tegenwoordig wordt daar meer dan ooit op gelet en veel wordt gewaardeerd naar het geld, dat er mee gemoeid was, met voorbijzien van de aesthetische of de ethische of de economische waarde.
De heer Kam is een bekend ingezetene van onze stad; ieder kent den pienteren ouden heer, vol belangstelling voor alles, wat er te Nijmegen te doen is op het gebied van kunst en wetenschap, ondanks zijn 86 jaren. De belangstelling kenmerkte hem al, toen hij in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden. Want bij de vele ondernomen grondwerken in en om onze gemeente, kwamen allerlei voorwerpen aan het licht, die daar eeuwen hadden gelegen en sitlle getuigen waren van het leven, dat eens in den Romeinschen tijd hier geleefd was. De aanleg van buizennetten voor gas- en waterleiding en rioleering, het bouwen van woningen in de zich uitbreidende stad, het planten van boomen, alles leverde merkwaardigheden op, en toen men eenmaal wist, welke schatten- zelfs potscherven hebben voor den oudheidkundige waarde- aan het licht kwamen. Toen werden er opzettelijke ontgravingen ondernomen en werd hetgeen uit de Waal werd opgebaggerd aan een nauwkeurige onderzoek onderworpen. En veel, heel veel van het gevondene verhuisde naar de tot hulpmuseum ingerichte stalling achter de villa “Erica”, die weldra te klein bleek om alles ten toon te stellen zóó als de belangstellenden dat wenschten, te meer, doordat ook door aankoop elders de verzamelingen aangroeiden.
Romeinse wolk boven ingang Museum Kam (augustus 2026)
In 1908 deed de heer Kam een beslissenden stap. Hij vermaakte in geval van overlijden aan het rijk zijn geheele uitgebreide verzameling om daardoor te bewerken, dat zij ongeschonden zou blijven voortbestaan, want de verzamelaar, de echte, die hetgeen hij verzamelt lief krijgt, beschouwt dat als een dierbaar familielid.
Het was echter hoogstwaarschijnlijk, dat de collectiën, wanneer eenmaal het rijk er de volle beschikking over zou hebben, naar Leiden zouden worden overgebracht. Gebeurde dat, dan was het te voorzien, dat men daar, bij gebrek aan ruimte, wel de belangrijkste stukken in het museum van oudheden zou plaatsen maar dat de minder belangwekkende en de duplicaten ergens in den meest letterlijken zin zouden worden opgeborgen. Er was dus onzekerheid omtrent het voortbestaan van de verzameling als zoodanig en bovendien alles zou vervoerd worden ver van Nijmegen, in welks omgeving de meeste stukken waren gevonden en met welks oude geschiedenis zij verband hielden.
Zoo rijpte bij den heer Kam een plan, dat zijn beslag kreeg op 25 Juni 1919, een notarieele acte gepasseerd werd, waarbij de heer Kam zich verbond een museum te doen bouwen op eigen kosten en dat kosteloos aan het rijk af te staan, dat verder het beheer zou doen voeren onder leiding van een door de regeering te benoemen directeur.
Dat dit besluit door de regeering gewaardeerd werd, is op de meest ondubbelzinnige wijze gebleken.
Tot directeur werd benoemd de heer Dr. M.A. Evelein, die ook op ons in de gelegenheid stelde het museum voor de officieel opening te bezichtigen.
Nu staat het nieuwe Museum daar aan de Eleonorastraat op een terrein, waaruit behalve dat allereerste potje nog menig stuk is opgedolven, een terrein, waar 20 eeuwen geleden Romeinsche legioenen de wacht hielden aan de uiterste grens van het wereldrijk en in welks onmiddelijke nabijheid het 10e legioen kampeerde, dat de opstandige Batavieren opnieuw tot onderwerping had gebracht.
Het is een monumentaal gebouw, een modelmuseum waarvoor, zooals wij reeds zeiden, de heer Oscar Leeuw de plannen ontwierp en waarvan hij den bouw leidde. Het uitwendige ziet er vrij modern uit, behoudens aanduidingen van de bestemming. Zoo dragen de beide afgeknotte torens ter weerzijde van den ingang een muurkroon naar Romeinsch motief en sterk vergroote reproducties van munten, met de revers, uit den tijd van Nero en Vespasianus. In het bovenlicht van de deur ziet men de wolvin, die Romulus en Remus volgens de mythe zoogde en daarboven de bekende initialen S.P.Q.R. (Senatua Populusque Romae). De ingang is verder geflankeerd door Romeinsche adelaars.
De centrale hal met de bordestrap naar de galerij met op de achtergrond de Buste van de oprichter Gerard Marius Kam, gemaakt door August Falise in 1922 en daar achter de wandschildering van het Forum Romanum, geschilderd door Huib Luns in 1922, 1925 (RAN F30435)
De deur, die toegang geeft tot het gebouw, is hoogst bescheiden. Zij geeft allereerst toegang tot een portaal, waarin de portiersloge en de vestiaire. Uit die voorportaal echter treedt men in de groote hal, het atrium, van 13 bij 15½ M., die opstijgt over de beide verdiepingen. Rondom die hal bevinden zich 5 ineenloopende zalen, waarin een groot gedeelte van de verzamelde voorwerpen in eenvoudige maar uiterst doelmatige vitrines en kasten wordt tentoongesteld. Tegenover den ingang naar ’t einde er hal leidt een monumentale trap naar de gaanderijen van de verdieping, waar weer vitrines en kasten met oudheden aandacht vragen. Kasten en vitrines zijn overal zoo geplaatst, dat zij de vrije rondwandeling niet belemmeren en steeds het noodige licht opvangen, dat door het bovenlicht van de hal en door de ruime vensters van de verdieping binnenstroomt.
Boven de zooeven bedoelde trap is een afbeelding geschilderd, van de hand van den heer Huib Luns, van het Forum van Rome en is een plaats uitgespaard voor iets, dat voor ’t oogenblik nog een verrassing moet blijven.
Rondom de hal zijn namen aangebracht van de Romeinsche heerschers, uit wier tijd de voorwerpen stammen: Julius Caesar, Octavinus Augustus, Tiberius Claudius Nero, Claudius I, Claudias Nero, Domitianus, Trajanus, Probus, Constantinus I, Flavius Claudis, Julianus II, Flavius Honrius.
Boven de deuren van verschillende zalen zijn ook de namen van de meest bekende pottenbakkers geplaatst.
Onder de trap heeft men toegang tot een achterzaal, die wel lager ligt door niveau-verschil, maar toch niet is wat men noemt een sousterrein. Daar hebben de grootere voorwerpen,, zooals sarcophagen e.d.g. een plaats. Ter eene zijde van deze zaal is de werkkamer van den Directeur gelegen met bijkamers o.a. voor fotografie; ter andere zijde liggen de kelders met de inrichting voor een brandvrije centrale verwarming.
De naast het gebouw gelegen portiersgebouw heeft geen toegang tot het gebouw; zij is er door een pergula aan verbonden.
Medaillon rechts, Museum Kam (augustus 2026)
De belichting is, zooals wij reeds opmerkten, uitstekend. Het meeste licht is bovenlicht; alleen de achterzaal heeft zijlicht omdat er gerekend is op mogelijke optrekking van dat gedeelte, die zóó kan plaats hebben, dat het bouwwerk als geheel daardoor geen schade lijdt.
Wat de plaatsing der vitrines aangaat, die staan beneden tusschen die pilaren, die den bouw schragen, en zijn dus van beide zijden toegankelijk. Vitrines zijn er ook boven op de balustrade en daar staan verder de kasten, die ook boven van glazen dakplaten zijn voorzien en niet door uitwendige versierselen ondoematig worden.
Het gebouw, zooals het daar staat is een monument in meer dan één opzicht; een gedenkteeken voor de oude geschiedenis van de omgeving onzer stad; een gedenkteeken voor den heer Kam en het werk, waaraan hij latere levensjaren wijdde; een gedenksteen ook voor den ontwerper, die er trouwens al twee had: in de Vereeniging en in de Synagoge.” (PGNC 15/5/1922)
Beeld roofvogel, Museum Kam (augustus 2026)
Architect Oscar Leeuw
De architect van Museum Kam was Oscar Leeuw. Lees hier over deze architect:
Oscar Leeuw is een van de belangrijkste architecten van Nijmegen. Bekende werken van hem zijn onder de synagoge, museum Kam en de Nijmeegse Bankvereeniging Van Engelenburg & Schippers.
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog raakte het gebouw beschadigd, zodat het pas in 1951 weer open kon gaan.
Het Valkhof en studiecentrum
In 1987 nam provincie Gelderland het beheer en werd het in plaats van Rijksmuseum G.M. Kam het Provinciaal Museum G.M. Kam.
In 1998 volgde een fusie met het gemeentelijk museum Commandarie van Sint-Jan tot Museum Het Valkhof. Het Valkhof kwam in de nieuwbouw van het Kelfkensbos. Daarbij werd Museum Kam een archeologisch studiecentrum. De statutaire naam van Museum het Valkhof werd overigens in 2008 gewijzigd in Stichting Museum Het Valkhof-Kam. Dit naar aanleiding van een jarenlange procedure van de erfgenamen van Kam. Sinds november 2008 heet het “Gelders Archeologisch Centrum Museum G.M. Kam”.
Verbouwing
Tussen 2020 en 2022 vond een grote verbouwing plaats, waarbij de heropening in december 2022 is. Tijdens de bebouwing is het gebouw zo veel mogelijk hersteld naar de oude staat, maar tevens voldoet het aan moderne eisen als toegankelijkheid.
Rijksmonument
Hek Museum Kam (augustus 2026)
Het gebouw is net als het hekwerk en conciërgewoning Museum Kamstraat 47 sinds 2002 een Rijksmonument met als waardering:
“Van stedenbouwkundige waarde vanwege de markante ligging in de Museum Kamstraat.
Van ensemblewaarde als functioneel onderdeel van het Museum Kamcomplex.
Van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een in de loop van de 19de eeuw ontstane culturele en typologische ontwikkeling nl. het voor publiek openstellen van privé-collecties en het onstaan van het museum als bouwopgave in het algemeen. Het museum is van cultuurhistorische belang als bijzondere uitdrukking van een cultureel-maatschappelijke ontwikkeling nl. de belangstelling van Nijmegen voor haar Romeinse verleden en de identiteit die de stad daaraan ontleent.”
In de jaren 90 ontwierp Architectenbureau Snelder BV uit Maastricht dit poortgebouw. Het ging daarbij om16 koopappartementen.
Deze poort ligt aan het Jan Brinkhoffplantsoen. Waar de “voorkant” van een gevel meestal gericht is op weg (De Blécourtstraat/Dennenstraat/Kerkstraat in dit geval), is de voorgevel van dit poortgebouw juist gericht op het plantsoen.
Historie
Straatbeeld, met buitenplaats ‘De Witte Poort’ aan de Dennenstraat, gesloopt in 1925 ten behoeve van de bouw van het nieuwe St. Dominicus-College. Links, koffiehuis/café ‘van Gemert aan de Brouwerij’, 1902-1904 (Vivat via F16100 RAN)
Het poortgebouw staat (vrijwel?) op de plaats van het landhuis “De Witte Poort”. Het Jan Brinkhoffplantsoen ligt op de plaats waar vroeger het landgoed lag. De oudste vermelding van het landgoed is uit 1620. Net als het huidige poortgebouw stond de woning precies in het verlengde van de Kerkstraat. Op de foto is het hoofdgebouw, dat in neoclassicistische stijl verbouwd was, te zien.
De laatste eigenaar was jonkheer van Rijckevorssel. Zijn weduwe schonk het landgoed aan de Dominicanen. In 1925 werd vervolgens het landhuis gesloopt ten behoeve van de bouw van het Dominicuscollege. Deze werd in de jaren 90 afgebroken om plaats te maken voor de huidige bebouwing van het Jan Brinkhoffplantsoen.
Eduard Cuypers ontwierp het St. Domincus-college aan de Dennenstraat, waar voorheen het landgoed De Witte Poort had gestaan. Het gebouw aan de Nieuwstraat was intussen te klein geworden.
Herinnering aan de Witte Poort
Jarenlang herinnerde de naam van café de “De Witte Poort” aan het landgoed. Deze zat in het café van Gemert, het pand links op de foto.
Hoewel ik geen expert ben, lijkt het landhuis “De Witte Poort” op een aantal manieren in het poortgebouw terug te komen:
Allereerst is het gebouw een poort, waarbij het geen toeval zal zijn dat het een witte omranding heeft
De Witte Poort was gebouwd in neo-classistische stijl, met fronton (het “driehoekje” in de top van de gevel). Ook dit fronton en de symetrische vorm lijkt terug te komen in het huidige poortgebouw.
Architectenbureau Snelder
Het gebouw is ontworpen door het architectenbureau Snelder uit Maastricht.
Dit bureau werd opgericht door Gerhardus Johannus Wilhelmus (Gerard) Snelder (Utrecht, 21 april 1913 – Maastricht, 18 april 2001). Hij volgde de middelbare opleiding bouwkunde. Rond 1934 en 1934 werkte hij voor Gerrit Rietveld. In 1937 vestigde hij zich in Maastricht. Aanvankelijk was hij werkzaam bij het bureau van Alphons Boosten. Vanaf 1945 ging hij verder als zelfstandig architect.
Wikipedia: “Tot eind jaren 1960 werkte hij voornamelijk in de stijl van het functionalisme. Latere ontwerpen, met name in oude binnensteden, tonen een meer aan de omgeving aangepaste stijl. Deze stijl, ook wel pseudo-Maaslandse stijl genoemd, kenmerkt zich door deels zichtbare betonconstructies, bekleed met baksteen, grote volumes die in kleinere eenheden zijn opgedeeld, en in hoogte verspringende daken.”.
Helaas staat op de bouwtekening voor het Brinkhoffplantsoen alleen de naam van Architectenbureau Snelder en kon niet nagegaan worden of het ontwerp expliciet kan worden toegewezen.
-Hoofdingang van het Sint Dominicuscollege. Het klooster-, internaat- en scholencomplex van architect Eduard Henricus Gerardus Hubertus (Ed.) Cuypers (Roermond, 18/04/1859) – Den Haag, 01/06/1927), gebouwd 1925/1927 op landgoed ‘De Witte Poort’, werd in 1992, na het vertrek van de paters Dominicanen, afgebroken. De monumentale kapel uit 1926, eveneens van Cuypers, oorspronkelijk bedoeld om behouden te blijven binnen de nieuwe opzet van het klooster-/schoolterrein, werd uiteindelijk na de brand van 4 februari 1993 eveneens gesloopt voor de bouw van twee woningen, deel uitmakend van het door de brand aangepaste nieuwbouwplan voor vijftig eengezinswoningen en veertig appartementen in de eerste helft van de jaren negentig , Dennenstraat 135, 1926-1928 (F91480 RAN)
Eduard Cuypers ontwierp het St. Domincus-college aan de Dennenstraat, waar voorheen het landgoed De Witte Poort had gestaan. Het gebouw aan de Nieuwstraat was intussen te klein geworden.
“Het St. Dominicus-college te Neerbosch.
De bekende buitenplaats “de Witte Poort” te Neerbosch is sinds eenigen tijd afgebroken en op het uitgebreide terrein wordt volgens de plannen van den architect Ed. Cuypers een nieuw gebouw opgetrokken voor het St. Dominicus-college, ter vervanging van de gebouwen aan de Nieuwstraat, die op den duur geen voldoende ruimte bieden. Deze stichting, dienende voor de opleiding van priesters, werd ongeveer 70 jaren geleden te dezer stede op kleine schaal opgericht. Zij omvat thans een zesjarigen cursus, waarbij de eerste vier klassen parallel loopen met het Gymnasiaal onderwijs. Er zijn 13 leeraren aan verbonden en het aantal leerlingen bedraagt 1128.
Gisteren had op plechtige wijze de eerste steenlegging plaats, bestaande in het inmetselen van een gedenksteen met toepasselijke opschriften door den Provinciaal der Dominicanen, Pater B.D. van Breda, met het daarachter plaatsen van een oorkonde, in een verzegelde looden bus.
Hierna hield de Provinciaal een rede, waarop mgr. C.A. v. Son, Deken van Nijmegen, het woord voerde en de gelukwenschen uitsprak. Eveneens deed de heer W.J.H. v.d. Waarden, Wethouder van Nijmegen.
Een groot aantal geestelijke autoriteiten woonde deze plechtigheid bij, waarbij ook aanwezig waren de wethouders v.d. Waarden en Vracnken en de architect Ed. Cuypers en vele andere belangstellengden.
Aannemer van dit groote werk is de firma Berntsen en Braam, alhier.” (PGNC 21/8/1925)
Op 10 mei 1927 verhuist het college uit de binnenstad naar Neerbosch, de officiële opening vond echter pas op 16 februari 1928 plaats. (Bijschrift GN9740 RAN)
Bij de Inwijding in 1928
De officiële inwijding van de Kapel van het St. Dominicus College, Dennenstraat 135, 16-2-1928 (F14804 RAN)
“Inwijding van het St. Dominicus College te Neerbosch bij Nijmegen.
Heden werd het nieuwe St. Dominicus-College plechtig ingewijd.
Klooster en Kapel werden ingewijd door den HoogEerw. pater Provinciaal van Breda O.P., uit Huissen.
Na de kloosterwijding, werd het Allerheiligste uit de kleine hulpkapel overgebracht naar de hedenochtend op stichtend-plechtige wijze ingewijde hoofdkapel, waar om elf uur een plechtige H. Mis werd opgedragen door den HoogEerw. pater-provinciaal van Breda O.P., geassisteerd door den ZeerEerw pater P. Tummers O.P., prefect van het College als diaken van den ZeerEerw. pater A. Kramer O.P., leeraar aan het College als sub-diaken, terwijl de ZeerEerw. pater Cl(?) Kühne, directeur van het St Dominicus-College als presbyter-assistent fungeerde.
Vele belangstellengden, zoo geestelijke als wereldlijke autoriteiten, woonden de plechtigheid bij.
Na de kerkelijke plechtigheid was er om één uur officieeele receptie.
Onder de aanwezigen merkten wij dop den H.E. heek Deken van Nijmegen Mgr. C.A. van Son, de pastoor der St. Franciskusparochie Dr. Siegfried, de Rektor van het Canisius-Kollege pater V. Esser en vertegenwoordigers der Dominikaner Orde uit heel het land, uit de studiehuizen en de pastorieën, ook de Overste der duitsche paters te Venlo. Verder de twee katholieke Wethouders, de heeren Krootjes en Verheij, vele autoriteiten en belangstellenden.
De kapel maakt een grootschen indruk. Op den dag der inzegening is er een brochure verschenen van de hand des Superiors, den Z.Eerw. pater C. Kühne O.P., de ontwerper van het verluchtigingsplan dezer kapel. Wij veroorloven ons de uiterlijke beschrijving der kapel aan dit werkje te ontleenen, zich de uitvoerige en deskundige brochure zelf aan te schaffen.
Architect der kapel evenals van geheel het St. Dominicus-kollege was de heer Ed. Cuijpers.
Kunstschilder en leider der kerkverluchting de heer Walter Vits, lid der firma Dortmann und Vits te Düsseldorf.
Aangenomen en uitgevoerd werd ook de kapel door “Berntsen en Braam’s Aannemersbedrijf” te Nijmegen.
Aan de Zuid-Oostzijde van den royalen, vriendelijken binnenhof, waaromheen zich meerdere voorname deelen groepeeren van het gebouwen-complex, dat het tegenwoordige St. Dominicus-kollege te Neerbosch uitmaakt, en door verbindingsgangen daarmee en goed geheel vormend, staat de kapel.
Goed geproportionneerd in haar buiten-architectuur maakt de kapel met haar bevallig Angelustorentje boven den hoofdgevel, haar warme roode pannenbedaking niet de pretentie een zelfstandige kerk te willen zijn. Omlijst door ’t zelfde hoog opgaand geboomte van eiken en beuken, die ook de rest van ’t eigenlijk Kollege zoo schilderachtig landelijk insluiten, doet deze buiten-architektuur haar kennen als een werkelijk, hoewel zeer voornaam, onderdeel van ’t geheele gebouwencomplex, als een huiskapel, -laat het dan ook zijn een flinke- die bij den reuzenbouw van ’t St. Dominicuskollege behoort, er zich organisch bij aansluit. Haar nagenoeg eenige versiering bestaat in een hier en daar uitspringende baksteenlijst, baksteenornament of muurvlak met andere dan gewone zetting van ’t baksteenmateriaal, een enkele beeldnis, geheel in den trant der sobere versiering van ’t Kollege zelf.
De binnen-architectuur der kapel werd door den helaas te vroeg ontslapen heer E. Cuypers, architect van ’t geheele St. Dominikuscollege, vrijer behandeld. Natuurlijk waren hier andere idealen te verwezenlijken dan voor de eigenlijke onderwijsafdeeling en woningruimten. Hij zocht daarom, tenminste voor de hoofdvormen, aansluiting met den vroeg-romaanschen bouwstijl, doch met moderne opvatting van vensterstelling, pijlerbouw en gewelfkonstruktie. Verdeelde hij ’t schip der kapel over zijn breedte in drie ruimten, n.l. in een wijden middenbeuk en twee zijbeukjes; ook over haar lengte werd de kapel door hem in drieën verdeeld, zooals trouwens de buiten-architektuur met haar bedaking reeds duidelijk maakte. Aan de Zuid-Oostzijde van het schip der kapel bouwde hij een wat smaller, hoewel nog altijd royaal breed presbyterium. Het zal ons in staat stellen het heerlijke ceremonieel der Dominicaansche liturgische plechtigheden ongehinderd in volle schoonheid te laten aanschouwen. Een halfronde apsis of koorruimte, weer iets minder groot dan diameter, vormt de afsluiting der kapel naar ’t Zuid-Oosten. Over ’t middenschip waar de studenten hun kniel- en zitplaats hebben, buigt zich met stoute spanning een tongewelf, een ander van wat minder wijdte overhuift de altaarruimte, een fraaie concha of schelp de koorafdeeling der paters. De zijbeukjes, door de breede archivolten, die pijlers en pilasters verbinden, weer in drieën verdeeld, werden overspannen met romaansche kruisgewelven.
Na de inzegening van kapel en huis door den HoogEerw. pater Provinciaal B.P.(?) van Breda, werd de plechtige Hoogmis met assistentie als boven vermeld, met al den rijkdom der Dominicaansche liturgie opgdragen. Een plechtig Te Deum besloot de plechtigheid, waarna voor het eerst den zegen met het Allerheiligste door den H.E. pater Provinciaal in deze kapel gegeven werd.” (De Gelderlander 16/2/1928)
Uitbreiding 1953
In ieder geval vindt in 1953 uitbreiding plaats van het Sint Dominicuscollege. De architecten waren De Groot en Van Geijn van het architectenbureau Ed. Cuypers. De inrichting van de nieuwbouw vond plaats na advies van de heer Slee van de kunstacademie. De 26 glas-in-loodramen waren gemaakt door Lambert Simon (bijschrift foto GN9758 RAN)
Vervolg
Tot in de jaren 70 was het College een kostschool voor jongens die opgeleid werden tot een geestelijk ambt. Meisjes werden in 1967 voor het eerst toegelaten.
In 1992 werd het gebouw gesloopt. (Bijschrift F16097 RAN)