Dickmann’s Parapluiefabriek, van Oldenbarneveltstraat (Evert F. van der Grinten via F78502 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Een tekening van een terrein aan de Bottendaal, verkocht aan F.W. Dickmann, van Oldenbarneveltstraat, 1/1/1890-31/12/1890 (KPU-454 RAN)
Advertentie Parapluiefabriek “Bottendaal” (De Gelderlander 22/3/1898)
28-2-1889 vindt de aanbesteding plaats van “Het bouwen van een Woonhuis met afzonderlijke Parapluiefabriek op een terrein gelegen aan den Bottendaal aldaar. Een en ander voor rekening van den heer F.W. Dickmann. De architect is J.J. Weve. (De Gelderlander 10/2/1889). In november 1889 krijgt Dickmann telefoon (nummer 131, De Gelderlander 3/11/1889)
In de personeelsadvertentie van PGNC 27/9/1891 -voor een “Jongmensch van nette familie”, oftewel een leerling voor magazijn en kantoor- is het Dickmann-Schnitzler, Parapluiefabriek. Zij hebben een winkel op de Broerstraat No. 61.
In 1894 mogen zij zich Hofleverancier noemen (advertentie De Gelderlander 22/11/1894)
Parapluiefabriek Bottendaal van Dickmann-Schnitzler (PGNC 4/12/1892)
In maart 1909 vraagt Dickmann een hinderwetvergunning aan voor het plaatsen van electro-motoren in het perceel aan de Bottendaal No. 71, kadastraal bekend Nijmegen sectie B, No. 3774 (PGNC 20/3/1909), die ze op 20-4 verkrijgt (PGNC 25/4/1909).
Uitbreiding percelen Gerritzen
Koopacte van Oldenbarneveldtstraat Gerritzen door Dickmann, 1912 (Archiefnr 442, Inventarisnr 242, Actenr 6981)
“Parapluie-fabriek Dickmann-Schnitzler.
De parapluiefabriek der firma Dickmann-Schnitzler aan de van Oldenbarneveldtstraat heeft dezer dagen 40 jaren bestaan. Dit jubileum is gisteren herdacht door een uitstapje van het personeel onder geleide van den directeur, den heer F.W. Dickmann, met de electr. tram naar Kleef, waarbij zeer veel genoten is en het personeel een aangenamen dag heeft gehad.
De fabriek is opgericht door wijlen den heer F.W. Dickmann, den vader van den tegenwoordigen eigenaar, eveneens F.W. Schitzler genaamd. De parapluies worden niet alleen voor ons land gefabriceerd, doch de firma exporteert naar Oos- en West-Indië en andere vreemde gewesten. De zaak neem dan ook steeds in omvang toe en nadat in de laatste jaren de fabriek vergroot was, konden de vleugels niet verder worden uitgeslagen, omdat de fabriek ingebouwd was. Dit jaar evenwel werd de heer Dickmann, door aankoop, eigenaar van de rijwielfabriek, eveneens gelegen aan de van Oldenbarneveldtstraat en toebehoorende aan den heer M. Gerritzen. Dat pand grenst gedeeltelijk aan de fabriek der firma Dickmann-Schnitzler en door een der muren uit te breken heeft men reeds een paar lokalen in gebruik kunnen nemen. Dit alles is een bewijs, dat deze tak der nijverheid hier te Nijmegen steeds vooruitgaat. De verhouding tusschen het personeel en den patroon is van bijzonder goeden aard. Ook bovengenoemd feesttochtje heeft daarvan getuigenis afgelegd. Verschillende onder hen zijn reeds circa 25 jaar aldaar in betrekking.” (PGNC 22/8/1912)
In 1914:
“…Wat de productie onzer artikelen betreft, zoo deelt de firma Dickmann-Schnitzler mede, konden de eerste 7 maanden , “normaal” worden genoemd, ofschoon parasols hoe langer hoe minder worden verkocht.
Met het uitbreken van den oorlog kwam plotseling verandering: in de laatste 5 maanden stond de uitvoer naar overzeesche landen bijna geheel stil.
De verkoop in het binnenland had in de eerste maanden van den oorlog veel te lijden en verminderde belangrijk; mede ook tengevolge van het droge weder was er toen weinig behoefte aan parapluies.
Doordat er in het laatst van het jaar meer regen viel, kwam er wel verandering in voor het bedrijf gunstige richting, maar niet in die mate, dat de eenmaal geleden schade werd ingehaald.
Vermindering van personeel had niet plaats, dan tengevolge van de mobilisatie. Nieuw personeel werd niet aangenomen, wat andere jaren in den herfst, het regenseizoen, wel het geval was.
Ook de machines dezer fabriek worden door electrische kracht in beweging gebracht.” (Gemeenteverslag 1914)
Bij het 50-jarig jubileum
“Parapluiefabriek Dickmann-Schnitzler.
1872 – 16 mei – 1922.
Dinsdag 16 Mei a.s. herdenkt de firma Dickmann-Schnitzler, parapluiefabriek, van Oldenbarneveldtstraat 63a, alhier, haar 50-jarig bestaan. De firma werd in 1872 opgericht door den heer F.W. Dickmann Sr., die op 6 Mei 1907 overleed en in Nijmeegsche handelskringen zeer gezien was, hetgeen gebleken was uit zijne benoeming tot voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en van de Nijmeegsche Handelsvereeniging.
Na het overlijden van den oprichter ging de zaak over in handen van diens zoon, den heer F.W. Dickmann Jr., die thans de eenige firmant is.
De fabriek, welke oorspronkelijk gevestigd was in de Broerstraat, werd in 1889 overgebracht naar de van Oldenbarneveldtstraat, waarna in 1912 uitbreiding volgde door aankoop van een complex gebouwen onmiddellijk grenzende aan de bestaande fabriek, zoodat de gezamenlijke ruimten thans eene oppervlakte van circa 2000M2 beslaan.
Behalve dat de firma Dickmann-Schnitzler hier te lande met haar gerenommeerd fabricaat een belangrijk afzetgebied heeft, vinden haar producten hun weg over nagenoeg de geheele wereld.
De firma heeft zich van hare oprichting af steeds in een krachtigen bloei mogen verheugen, al zijn ook haar de gevolgen van den oorlog niet bespaard gebleven.
Aan tal van Nijmeegsche gezinnen heeft de firma Dickmann-Schnitzler in den loop der jaren een arbeidsveld opgeleverd en naar ons van de zijde van het personeel wordt medegedeeld, is de verhouding tusschen directie en personeel steeds van bijzonder goede aard geweest. De firma kan dan ook wijzen op een groot aantal employés dat reeds meer dan 25 jaar bij haar in betrekking is of is geweest.
Moge de firma Dickmann-Schnitzler hare belangrijke plaats in de rij der Nijmeegsche industrieele ondernemingen nog lange jaren met eere blijven innenmen.
Naar wij vernemen zal het gouden jubileum op Dinsdag 16 Mei a.s. feestelijk worden herdacht en zal derwegen de zaak op dien dag den geheelen dag gesloten zijn, in verband waarmede wij nog verwijzen naar de advertentie, welke elders in dit blad voorkomt.” (PGNC 13/5/1922)
Het voormalige St. Jozefklooster, Kerkstraat is oorspronkelijk gebouwd als Studiehuis voor de Priesters van het H. Hart. Het is In 1930 gebouwd naar ontwerp van architect Deur op het terrein van villa Andelshof. Rond 1970 is van het studiehuis een bejaardenoord voor kloosterlingen gemaakt, waarbij het de naam St. Jozefklooster kreeg.
Op 14-9-1929 vond de aanbesteding plaats. De laagste inschrijver, C.H.M. Arts te Nijmegen was de laagste inschrijver (f264.800). (PGNC 16/9/1929)
Priesters van het H. Hart
Leon Dehon
De oprichter van de Priesters van het H. Hart, oorspronkelijk Oblaten van het Hart van Jezus, was Leon Dehon (La Capelle, 14 maart 1843 — Brussel, 12 augustus 1925).
“De congregatie van de Priesters van het H. Hart werd in 1878 gesticht door kanunnik Leon Dehon, een man, die er een carrière en vermogen voor over had zijn roeping te volgen en die het klooster boven kerkelijke ereambten verkoos. “Jammer; hij had kardinaal kunnen worden”, aldus uitte er een Frans priester-socioloog zijn spijt over, dat Pater J.L. Dehon ooit zijn H. Geloften had afgelegd. Een geleerde, zo mag hij gerust heten om zijn verschillende doctoraten, en toch toont hij zich soms oppervlakkig; innige vroomheid kenmerkte zijn leven, maar het hield hem niet terug van vergaderlokalen en verstrooiende reizen. Hij reisde de hele wereld rond; publiceerde daarbij boeken en artikelen; was paedagoog. Een veelzijdig iemand met honderd interessen, maar tenslotte slechts een enkel levensbelang: de vestiging van het Rijk van het H. Hart. Daar ligt het eenheidgevende princiep van dit overvolle leven. Uit dit ideaal kwamen ook zijn stichtingsplannen voort.” (De Gelderlander 25/5/1950)
Nederlandse provincie
In 1911 werd de afzonderlijke Nederlandse provincie van de Priesters van het H. Hart opgericht. In 1912 vond de oprichting van het Groot-Seminarie in Liesbosch plaats. Deze locatie is al gauw te klein. In 1922 werd als noodoplossing nog een vleugel aangebouwd. Daarom besloot de orde tot de oprichting van een 2e Groot Seminarie.
Nijmegen had daarbij de voorkeur: een klooster daar zou tevens woongelegenheid geven aan paters die aan de universiteit hun opleiding kregen. De aanbiedingen die de orde kreeg, voldeden echter niet. Daarom betrok de “Hoogeerwaarde Pater Provinciaal toch met enige universiteits-studenten een huis aan de “Berg-en-Dalseweg, vlakbij de St. Stephanuskerk. Achteraf lijkt het, alsof hij niet langer heeft willen wachten, al was niet alles naar wens”
Villa Andelshof
Villa Andelshof. Vóór 1930: deze foto is nog zonder het studiehuis, maar met het mooie park (F21623 RAN)
De kans kwam toen In 1928 mevrouw Rijckevorsel-van Kessel-Bonnike de villa Andelshof met grond en bijbehorende gebouwen wilde verkopen. Aanvankelijk betrokken de paters, broeders en theologiestudenten de villa en het koetshuis. Deze villa was rond 1885 gebouwd, het koetshuis rond 1889. Vooral het park moet erg mooi zijn geweest: “Oudere bewoners van Hees, die het oorspronkelijke “Andelshof” gekend hebben roemen er nog over. Trouwens, de kopers zelf wisten het te waarderen: zo drong een van hen er bij zijn eerste bezoek in het pasgekochte huis op aan, dat de nieuwe bouw, die gezet moest worden, zover mogelijk van de straat af zou komen: het park moet intact blijven.” Op grond van technische bezwaren heeft men deze raad niet opgevolgd: in het park werd grondig gerooid en einde 1929 begon men met de bouw van het tegenwoordige huis, dat op de villa aansloot.” (De Gelderlander 25/5/1950)
Het nieuwe Studiehuis
Het Studiehuis St. Jozef, rechts Huize Andelshof (van 1927 tot 1944 het klooster van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus), 1935 (F18910 RAN)
“Priesters van het H. Hart.
… Dit missiehuis, dat gebouwd is naar de plannen van onzen stadgenoot den heer Ir. J.G. Deur, is reeds eenige maanden uitwendig voltooid, en is bestemd voor studiehuis (theologie) der E.E.P.P. priesters van het H. Hart (Liesbosch-Princenhage). De toekomstige missionarissen voltooien hier hun laatste studies voor het priesterschap. Deze missie congregatie heeft haar juvenaten te Bergen op Zoom en te Bakel bij Helmond- dat laatste studiehuis is toegewijd aan Christus-Koning.
Het nieuw missie-studiehuis te Hees is gebouwd op het vroegere goed Andelshof van de familie van Rijckevorsel van Kessel “ (De Gelderlander 24/2/1931)
“Na een jaar konden de theologie-studenten met hun paters professoren het nieuwe klooster betrekken, en liep dus het aantal bewoners van het Groot-Seminarie te Liesbosch naar wens in voldoende mate terug. De zes jaren hogere studie, die de toekomstige priester moet maken, waren voortaan zo gesplitst, dat de tweejarige philosophie-cursus en het eerste jaar theologie in Lieshout gevolgd werden en de resterende drie jaar in Nijmegen.
Hier ontleende het oude “Andelshof” voortaan zijn sfeer en karakter van regelmaat van het Scholasticaatsleven. Een leven, dat door de buitenstaander gewaardeerd mag worden naar wandelende fraters of een feestelijk klinkende bel, maar dat voor de insider is opgebouwd uit een harmonisch geheel van gebed, studie en ontspanning, totaal ingesteld op het feitelijk berieken van het bestreefde doel: het H. Priesterschap.” (De Gelderlander 25/5/1950)”
Oorlog
Het door wegtrekkende Duitsers in brand gestoken Huize Andelshof rechts, en links het Studiehuis St. Jozef, van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, 1944 (F19110 RAN)
Het door wegtrekkende Duitsers in brand gestoken Huize Andelshof rechts, en links het Studiehuis St. Jozef, van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, 1944 (F19110 RAN)
In 1942 vorderden de Duitsers het studiehuis, inclusief inventaris. De paters ging verder met haar opleiding in 5 “fililiaal-huizen”, meestal uitgewoonde villa’s. Toen de Duitsers zich in september 1944 terugtrokken, staken zij het hoofdgebouw en de villa in brand. Het hoofdgebouw kon behouden blijven, de villa niet. De inventaris was door de Duitsers meegenomen.
Na de bevrijding was het studiehuis gevorderderd door Engelse en Canadese militairen. “…Veel goeds is er niet van te zeggen. Het gebouw is sinds de bevrijding meer uitgewoond dan anders in een zeer groot aantal jaren.” (De Gelderlander 11/7/1945)
Herstel
Na de oorlog begon de congregatie met het herstel. Daarbij werd tevens besloten een nieuwe kapel te laten bouwen: er was behoefte aan een grotere kapel, zodat plechtige gelegenheden beter kon worden opgeluisterd. Daarnaast kon de oude kapel worden ingericht als woonruimte. Deze kapel uit 1950 is eveneens van de hand van architect Deur (Architectenbureau Ir. Deur- Ir. Pouderoyen).
St. Jozefklooster
Door ontkerkelijking daalde het aantal studenten en kloosterlingen. Daarop besloot de congregatie rond 1970 om van het studiehuis een bejaardenoord voor kloosterlingen te maken. Deze was bestemd voor de Priesters van het Heilig Hart en voor de Zusters van de H. Carolus Borromeus. De naam werd veranderd in St. Jozefklooster.
Verder
Het in renovatie zijnde Klooster van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, voorheen het Studiehuis St. Jozef. Hier een gedeelte van de achterzijde, rechts is zichtbaar de nieuwbouw van het Klooster, 1987 (foto Anton van Roekel, CC-BY-SA via F18913 RAN)
Het koetshuis is vanaf 1968 in gebruik als peuterspeelzaal. Aanvankelijk als de Kleuterhof, later als de Vlindertuin.
De renovatie eind jaren 80 werd uitgevoerd door Pouderoyen, de opvolger van architectenbureau Deur-Pouderoyen. Daarbij vond herindeling van het hoofdgebouw plaats en werd de interieurafwerking vernieuwd. De kapel uit de jaren 50 is in 1986 gesloopt . Hier staan nu een gebouw met kapelruimte en ontvangstzaal en daarnaast een aantal wooneenheden.
De kapel van Studiehuis St. Jozef, 1935 (F50619 RAN)
Duitse militair op wacht voor wachthuisje voor studiehuis St. Jozef, 1942 (F56079 RAN)
In 1915 nam de afdeling Nijmegen van de Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde het initiatief tot oprichting van een winterschool voor jonge tuinders. In 1920 werd deze Rijks Winter Tuinbouwschool in gebruik genomen. Het gebouw werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw afgebroken, Voorstadslaan 327, afgbroken, 1920-1930 (GN9490 RAN)
“Tuinbouw-Winterschool.
Men kan een inrichting van algemeen nut, b.v. een school, waaraan behoefte is gevoeld en waarvan het onderwijs velen den weg zal wijzen naar hun plaats in de maatschappijk, op verschillende wijzen openen. De nuchterste is, dat men in den besloten kring van leeraren, leerlingen en schooltoezicht letterlijk de deur opent en haar direct daarna weer potdicht sluit; dat men dan de wijsheidskraan opendraait en… dan is de zaak in orde. Het groote publiek zal wel bemerken, dat de machine draait.
Men kan ook anders doen en in zijn vreugde, dat er iets tot stand is gekomen, waarnaar al lang verlangend werd uitgezien en dat een zegen voor velen zal zijn, het publiek, welks belang hier behartigd zal worden deelgenoot maken van zijn voldoening over het bereikte.
De eerste weg is, meenen wij, gevolgd bij de opening der Handelsdagschool, maar de Commissie van Toezicht en de Directeur van de Rijks-Tuinbouwwinterschool aan de Voorstadslaan onder Heers, hebben aan de laatstbedoelde methode voorkeur gegeven.
Wij althans werden uitgenoodigd tot “bijwoning der officiëele overdracht van de Tuinbouw-Winterschool te Nijmegen door de Gemeente aan het Rijk”.
Met graagte hebben wij aan die uitnoodiging voldaan, omdat wij overtuigd zijn van het groote belang van deze nieuwe inrichting voor een streek, waarin de tuinbouw in al zijn onderdeelen telkens meer beoefenaars vindt en een welvaartsbron belooft te worden voor honderden in deze gemeente en haar wijden omtrek.
De plechtigheid, die gisteren plaats had, was in den grond der zaak niet de opening der school als inrichting van onderwijs. Immers de lessen zijn reeds in 1919 begonnen, maar werden, zoolang de school, het gebouw, niet gereed was, gegeven in een lokaal van de Kweekschool voor Onderwijzers.
Nu echter de nieuwe school aan de Voorstadslaan gereed is, moest de overdracht van het door de gemeente opgerichte gebouw met de daarbij behoordende 2 H.A. tuingrond aan het Rijk worden overgedragen en het was de wensch van den Minister van L., N. en H., dat dit met zekere plechtigheid gebeurde.
Een uitgezocht gezelschap kwam dan ook op het aangegeven uur in de school bijeen: de Directeur-Generaal van Landbouw, de heer v. Heek, als vertegenwoordiger van den Minister; de Commissaris der Koningin in Gelderland met leden van Gedeputeerde Staten; de Burgemeester en Wethouders van Nijmegen met den Secretaris en eenige raadsleden; de Inspecteur van het Landbouwonderwijs, Dr. v.d. Zande; Directeur en leeraren van de school; de Commissie van Toezicht, waarvan echter de voorzitter buitenlands was; vertegenwoordigers van de Vereeniging Proef- en Schooltuin en van de Verschillende takken van tuinbouw uit dezen omtrek; en een groot aantal genoodigden die geacht werden de nieuwe inrichting een goed hart toe te dragen.
Na een vriendelijk en hartelijk welkomstwoord van den heer J.A.H. Steinweg, secretaris van de Commissie van Toezicht, die bij afwezigheid van den voorzitter, den heer K. de Jong Mzn., de genoodigden ontving, voerde allereerst de Burgemeester van Nijmegen het woord. Spr. gaf in ’t kort een overzicht van de besprekingen en onderhandelingen, die aan de aanwijzing van Nijmegen als plaats van vestiging eener Rijkstuinbouwwinterschool en de oprichting van het nu voltooide gebouw zijn voorafgegaan en getuigde daarbij van de groote belangstelling van B. en W. en van den Gemeenteraad voor een inrichting als deze, die, naar spr. hoopte, veel zal kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van het tuinbouwbedrijf, dat in deze gemeente en haar omtrek reeds zulk een vlucht heeft genomen. Spr. verzekerde, dat al het mogelijke was gedaan om het gebouw aan het doel der oprichting te doen beantwoorden, waartoe de Wethouder v.d. Waarden en de Directeur van Gemeentewerken verschillende plaatsen hadden bezocht. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in tekening en bestek van den heer Weve en de uitvoering daarvan is opgedragen aan den heer Offermans als aannemer. Spr. verzocht den heer Directeur-Generaal van Landbouw als vertegenwoodiger der Regeering het gebouw over te nemen, dat de gemeente in bruikleen aanbiedt.
Gaarne voldoet de heer Van Hoek aan dit verzoek namens den Minister van L., N. en H. waar de wetenschappelijke grondslagen zullen worden gelegd voor een verbeterde beoefening dezen tak van nijverheid. In den oorlogstijd hebben land- en tuinbouw evenals vele andere takken van bestaan geleden en de toekomst is nog verre van helder. Om vergrooting en verbetering der productie te verkrijgen en oude afzetgebieden te herwinnen en nieuwe daarbij te verwerven, is groote inspanning noodig en moet er hard gewerkt worden. De reeds lang bestaande Wintertuinbouwcursussen hebben al veel goeds gedaan, maar wat de toekomstige bedrijfsleiders noodig hebben, konden deze niet geven. De Nijmeegsche afdeeling van de Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde heeft dat ingezien. Zij heeft aangeklopt bij de gemeente Nijmegen en daar een open oor gevonden, want ook zij besefte het belang van een Middelbare onderwijsinrichting op tuinbouwgebied, en de gemeente vond op haar beurt gehoor bij den Minister. Sedert de school te Tiel tot een Landbouwschool was veranderd hadden alleen de beide Hollanden tuinbouwwinterscholen en bij uitbreiding van dat aantal, was Nijmegen de aangewezen plaats. De kweekers hadden het bedrijf reeds door eigen kracht op een hoog peil gebracht en de ontwikkeling van den tuinbouw in dezen omtrek was heel sterk. Had de omtrek van Nijmegen in 1895 reeds 4500 H.A. voor fruitteelt in gebruik, in 1919 was dat gestegen tot 6900 H.A., terwijl zoo goed als overal onderplanting was ingevoerd. In 1895 werd voor de groenteteelt zoo goed als geen plat glas gebruikt; in 1906 besloeg het platte glas een oppervlakte van 45100 vierk. Meter en in 1912 (het laatste jaar waarvan officiciëele cijfers bekend zijn) besloeg het platte glas 95200 vierk. Meters; zeker is het na dien tijd nog toegenomen. Wat de bloemisterij aangaat kan deze streek met Aalsmeer en Boskoop wedijveren, al heeft ook elk van deze drie centra zijn bijzondere cultures. Uit alles blijkt, dat een middelbare tuinbouwschool hier op haar plaats is.
In 1919 is de school begonnen in de Kweekschool voor Onderwijzers. Aanvankelijk werd alleen aandacht geschonken aan fruitteelt, groenteteelt en bloemisterij, maar toen bij de Regeering gewezen werd op het belang van onderwijs in bloembinden en -schikken en tuinarchitectuur werd er besloten deze vakken aan het programma van deze school als proef toe te voegen en zoo is Nijmegen de eerste plaats, waar daarin onderwijs wordt gegeven. Van groot belang voor de school en voor de omgeving is de proef- en schooltuin, die onder toezicht staat van de Vereeniging “Proef- en Schooltuin voor Nijmegen en Omstreken”. Die tuin, waarvoor de gemeente 2 H.A. beschikbaar stelde, is allereerst schooltuin voor de leerlingen, verder het terrein voor practische werkzaamheid en zoo ook leerschool voor de kweekers, ten slotte is hij een gelegenheid voor het nemen van proeven met minder bekende gewassen, nieuwe behandelingswijzen en onderzoekingen of eenig gewas hier gedijt. Natuurlijk werkt zulk een tuin met verlies, het Rijk zal door subsidie het tekort helpen aanvullen en het is te verwachten, dat ook de Provincie, die reeds van haar belangstelling getuigde, ook hierin niet zal achterblijven: het geldt hier ook een provinciaal belang.
Achtereenvolgens brengt spr. aan de gemeente Nijmegen voor de offers, die zij bracht en de ruime opvatting van het belang der school; aan den bouwmeester voor de plannen voor het gebouw en de uitwerking daarvan; aan de Commissie van Toezicht, waarvan velen in andere functie reeds zooveel deden en van wie nog zooveel verwacht wordt; aan de Vereeniging Proef- en Schooltuin en vooral aan haar Voorzitter, den heer K. de Jong Mzn. Spr. richt nog een woord tot den Inspecteur van het Landbouwonderwijs, den heer van der Zande, tot Directeur en leeraren en tot de leerlingen. Met de beste wenschen voor den bloei der school en haar zegenrijke werking, aanvaardt spr. het nieuwe gebouw.
De Commissaris der Koningin in Gelderland, Jhr. Mr. v. Citters, verzekert de aanwezigen van de groote belangstelling van het provinciaal bestuur in deze school, getuige o.a. de aanwezigheid van heeren Gedeputeerde Staten. Spr. is overtuigd, dat dit en gelukkige dag moest zijn voor den heer Directeur-Generaal van Landbouw, voor de gemeente Nijmegen, maar vooral ook voor den Burgemeester van Nijmegen, onder wiens veeljarig bestuur al zóóveel goeds tot stand is gekomen, dat Nijmegen een bijzondere plaats inneemt onder de steden van ons vaderland. Wel doorleeft de tuinbouw een moeilijken tijd en er is wat optimisme noodig om aan de moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden, want de tuinbouw moet leven van export en de export vindt overal hinderpalen. Er is heel wat zorg noodig om den tuinbouw op de been te houden en dat kan naar sprekers meening geschieden, als land- en tuinbouw elkaar steunen en samenwerken. Spr. besluit met de hoop, dat de nieuwe onderwijsinrichting een goeden naam zal krijgen en houden, maar vooral, dat de leerlingen dien naam zullen steunen. Als het een eer wordt te zijn opgeleid aan deze school, dan zal dat een zegen zijn voor Nijmegen en voor het heele gewest.
De heer Valeton, secretaris van de Tuinbouwraad, getuigt van zijn belangstelling voor hetgeen hier bereikt is. Spr. weet, dat de geschiedenis van den tuinbouw, hier vooral, is een aaneenschakeling van pogen en proberen; ondanks tegenslagen heeft men ’t hier niet opgegeven; deze omtrek telt stoere werkers en mannen van volharding en spr. vertrouwt, dat de praktische tuinbouwers dankbaar zullen zijn, dat deze inrichting hier is verrezen en dat zij het hunne zullen doen om Directeur en leeraaren en daardoor de school te steunen, die ook voor hen een steun kan zijn.
Namens de afdeeling Nijmegen van de Maatschappij van Tuinbouw en Plantkunde spreekt de heer Lodder. Spr. gaat de voorgeschiedenis van de oprichting na en memoreert, dat reeds in 1915 door den heer Monhemius het denkbeeld van de oprichting eener school als deze werd opgeworpen; hoe een Commissie uit de afdeeling, bestaande uit de heer Monhemius, Leenders en spr., met den heer v.d. Veen (nu Directeur) en met het gemeentebestuur van Nijmegen overlegde en hoe van alle zijden het denkbeeeld met ingenomenheid werd begroet. Spr. brengt dank en hulde aan allen, die tot de oprichting hebben meegewerkt en uit de beste wenschen voor de school en haar personeel.
De heer R. v.d. Veen, Directeur der School en Rijkstuinbouwconsulent voor het zuidelijk gedeelte van ons land, wijst op de verschillende vormen van tuinbouwondewij: het hooger onderwijs van Wageningen, het lagere van de wintercursussen en het tusschenliggende middelbare, dat nu ook hier gegeven staat te worden. De wintercursussen zijn al een kleine 20 jaar oud en hebben veel nut gesticht, maar voor patroons, bedrijfsleiders en buitenlandsche handelaren is meer noodig dan zulk een cursus kan geven. De Middelbare School bepaalt zich niet tot avondlessen, maar geeft het onderwijs overdag en breidt de lijst van onderwijsvakken uit. Maar dat onderwijs regelt zich naar de streek, waar de school gevestigd is; zoo staat te Aalsmeer de bloemisterij, te Lisse de bloembollenteelt, te Boskoop de boomkweekerij voorop. Hier echter kan de zaak veelzijdiger worden opgevat, dank zij de veelvuldigheid der onderdeelen van het tuinbouwvak. Want den streek is een belangrijk centrum, waar fruitteelt en groenteteelt extensief en intensief worden beoefend ook naar de meest moderne methoden. Spr. brengt op zijn beurt hulde aan allen, die tot de totstandkoming der school hebben meegewerkt, vooral ook aan het gemeentebestuur van Nijmegen en geeft ook namen de leeraren de verzekering, dat allen, die aan de school verbonden zijn, het hunne zullen doen om haar tot bloei te brengen.
De plechtigheid was hiermee ten einde en namens den heer K. de Jong Mzn. Bood de heer Steinweg den genoodigden den eerewijn aan, waarna de Directeur de aanwezigen uitnoodigde tot een rondwandeling door de school en over de terreinen.
Het gebouw mag er zijn; de lokalen zien er keurig uit, de inrichting er van bewijst dat er advies is gegeven door mannen van de praktijk. Voorloopig is er zeker ruimte genoeg, maar mocht, zooals ook wij hopen, de toeloop van leerlingen sterker, zeer sterk zelfs, worden, dan zou het kunnen zijn, dat de behoefte werd gevoeld aan een ruimer lokaal dat- om een dik woord te gebruiken- als aula dienst zou kunnen doen. De ontvangst van gisterenmiddag had plaats in de met planten getooide hal.
In den tuin keur van planten en kruiden en bloemen en struiken en platte bakken en een ruime flinke kweekkas voor druiven, perziken en wat de tijd en de cultuur eischen.
Voor volledigheid vermelden wij ten slotte nog, dat de bouw plaats had onder leiding van den heer Offermans; dat voor de centrale verwarming en ventilatie werd gezorgd door P.H. Lamers te Hees; voor het schilderwerk door B. Fooy te Hees; voor de electrische installatie door P. Megens te Nijmegen; voor het stucadoorswerk door Otten te Nijmegen en dat de keurig afgewerkte schoolbanken werden geleverd door de fabriek van schoolbanken van den heer Kooymans te Wijchen.” (PGNC 6/10/1920)
Het Park Leeuwenstein was vroeger de tuin van Villa Leeuwenstein. Het lijkt wat verborgen te liggen door de bebouwing van de Marialaan en de Bosduifstraat. Dat het park mogelijk wat onbekend is, is onterecht: er staan veel verschillende bomen, waaronder bijzondere soorten.
1903-1919, Graafsche straat no 31-41 (Nu Graafseweg 31-35)
Het Grandhotel “Du Soleil”, geopend in 1903. Het RAN dateert deze foto tussen 1903-1919. Op basis van de onderstaande krantenartikelen moet deze foto van voor de verbouwing van Oscar Leeuw in het voorjaar van 1906 zijn, omdat er nog geen veranda te zien is (zie foto hieronder) (RAN F17404)
J.F. Steenmetzer maakt in 1903 van 6 herenhuizen aan de huidige Graafseweg een groots hotel, waarbij de inrichting is geïnspireerd op het “American Hôtel”. Hiervoor leverde architect Haspels Jr. het ontwerp. Een grote verbouwing volgde al in 1906 naar ontwerp van Oscar Leeuw. Vanaf 1923 is het in gebruik als belastingkantoor en na een verbouwing in 2013 zijn hier appartementen gevestigd.
Juni 1903 blijkt J.F. Steenmetzer 6 herenhuizen aan de Graafsche straat nummers 31-41 te hebben gekocht om er een groot, eerste rangshotel van te maken. Daarvoor worden de huizen doorgebroken. De nummers 31 en 33 voorlopig nog niet, aangezien deze nog zijn verhuurd. Het hotel zal 60 kamers bevatten. De inrichting zal geïnspireerd worden op dat van het “American Hôtel” te Amsterdam. Men hoopt in augustus te openen, wat ook daadwerkelijk lukt (De Gelderlander 26/6/1903). Hiervoor had architect Haspels Jr. het ontwerp geleverd.
Verbouwing Haspels Jr. tot hotel
In 1903 opent Hotel du Soleil:
“Grand Hôtel du Soleil.
Het is een waarschijnlijk door de behoefte geboren verschijnsel, dat het aantal hôtels in onze stad zich steeds uitbreidt en- niettegenstaande de verschillende ruime, fraaie en geheel moderne inrichtingen op dit gebied in de oude en nieuwe stad- nog ondernemende mannen het durven bestaan, haar aantal weder met een nieuw hôtel te vermeerderen, dat gezien mag worden. Wij hebben hier het oog op het Grand Hôtel du Soleil aan de Graafsche straat no. 31-41 dat morgen geopend wordt.
Zij, die de uitbreiding van onze stad gevolgd hebben, zullen weten, dat het door wijlen den heer Haspels Sr. aan de Graafsche straat gebouwde blok heerenhuizen tot de eerste nieuwerwetsche woningen in de buitenwijken behooren. Dit geheele blok nu kwam in handen van één eigenaar, die op zeer ingenieuse wijze, door den heer Haspels Jr., bouwkundige alhier, uit een viertal daarvan één groot hôtel-pension deed worden, dat inwendig althans een prachtig geheel vormt. Het uiterlijk is weinig veranderd, hoewel een breede ingang, waarheen een flinke oprijweg leidt, toch doet zien, dat men hier niet meer dan gewone woonhuizen te doen heeft.
Door de breede deuren binnengekomen, ziet men allereerst een ruime entree van wit marmer, waarop links de ontvangkamer, met daarachter een kleine eetzaal, rechts de groote vroolijke eetzaal, waaraan weder een kleinere dito grenst, uitkomen. Een zeer breede, monumentale trap voert van hieruit naar de bovenverdiepingen. Maar eerst zien wij nog eenige, aan de groote eetzaal aansluitende vertrekken, die meer speciaal geschikt zijn voor pensiongasten, omdat zij, als het ware afgesloten van het geheel, verhuurd kunnen worden en gezellige appartementen vormen.
Boven op de eerste en tweede etage vindt men keurige salons en ruime slaapkamers, deels uitziende op de straat, deels op de achtertuinen, alle zeer modern gemeubeld en ingericht. Aan de andere zijde van de breede corridors leidt weder een trap naar beneden, wat ook zeer in het belang der veiligheid is. Op elke etage is een welingericht badkamer.
De meubileering van de hierboven genoemde zalen in het parterre-gedeelte is natuurlijk ook geheel aan de eischen van den tegenwoordigen tijd.
In het sousterrain bevinden zich de keuken, van grooten omvang en met een zeer practisch reuzen-fornuis, de provisiekamer, wijn- en likeurkelders, kortom alles wat tot een hôtel van den eersten rang behoort. Een lift onderhoudt de communicatie tusschen de onderwereld en het parterre. Fornuis en verdere keukeninrichting worden geleverd door de heeren Thijssen en van Haaren, firma Carel van Rosendael alhier.” (PGNC 23/8/1903)
Verbouwing Oscar Leeuw
1906, Graafsche straat
Hotel du Soleil Graafseweg 31-35 Nijmegen rond 1903
“Grand Hôtel du Soleil.
Nu verschillende feesten weer tal van bezoekers naar onze stad lokken- kegelwedstrijden in de “Vereeniging”, begroeting der automobilisten vandaag, het sportfeest morgen en de landbouwfeesten in het verschiet- ligt het voor de hand dat de Nijmeegsche hôtelhouders hun beste beentje vooruitzetten om de gasten naar behooren te kunnen ontvangen en herbergen.
Spraken wij gisteren van de omvangrijke toebereidselen in het hôtel “Keizer Karel” met hoet oog op de ontvangst der automobilisten, ook het “Grand Hôtel du Soleil” aan de Graafsche straat wacht een zestigtal gasten ter gelegenheid der verschillende feesten.
Dank aan de uitbreiding van het vreemdelingenverkeer in deze stad heeft dit nieuwe hôtel in den korten tijd van zijn bestaan een hooge vlucht genomen en is thans opnieuw aanmerkelijk uitgebreid.
Werd in het voorjaar de lange voorgevel, onder leiding van den architect den heer Oscar leeuw geheel gemoderniseerd, van een veertig meter lange sierlijke veranda voorzien en met de wapenschilden der onderscheiden landen versierd, thans is naar ontwerp van denzelfden bouwkundige, door den aannemer den heer Konings een groote feestzaal met tooneel aangebouwd.
Op verzoek van den ijverigen directeur-gérant den heer Jos. Jergen, de ons de omvangrijke inrichtig rondleidde, waarbij wij telkens de indruk kregen met een degelijk vakman te doen te hebben, namen wij er gisteren een kijkje.
De zaal van bijzonder gelukkige verhoudingen, op het oogenblik fijn afgestukadoord door den heer Is. Van Haaren, zal later beschilderd worden; maar biedt zooals ze nu is, in haar smettelooze blankheid, met haar keurigen parketvloer, de breede op den tuin uitziende ramen met draperieën, geleverd door de firma Bahlmann, de spiegels aan weerszijden van het tooneel, waarop met de driekleur getooid het beeld van H.M. de Koningin prijkt, de rijke koperen kroonluchters en niet het minst de feestelijk gedekte en met levend groen gesierde tafel een hoogst vriendelijken aanblik.
Wij vernemen dat in deze zaal het groote diner bij gelegenheid der Landbouwfeesten, van circa 250 couverts zal gehouden worden. De zaal biedt plaats voor 300 couverts en zal zich ook uitstekend leenen voor kamermuziek, lezingen, tooneeluitvoeringen enz.
Nog werd onze opmerkzaamheid gevestigd op de ruime gelegenheid tot garage van automobielen, die alweer is vergroot. De breede toegang, de practische reparatiekuil, de gladde tegelvloer en vooral de flinke ruimte maken ze bijzonder doelmatig.” (De Gelderlander 22/7/1906)
Overigens zat Oscar Leeuw in het organisatie van bovengenoemde Landbouwfeesten, in de Commissie voor de Gebouwen.
Op 24 juli 1906 vindt door deze Commissie aanbesteding plaats van: “het leveren der benoodigde Tenten, omheiningen, standen voor Paarden, Rundvee, Schapen en Varkens op terreinen aan de Gerard Noodtstraat , Hunnerpark en Kelfkensbosch.” (PGNC 21/7/1906)
Plan tot het aanbouwen van een Feestzaal en een Garage door Oscar Leeuw: de feestzaal , tekening 8 mei, bouwdossier gedateerd 12-6-1906 (D12.379267)Plan tot het aanbouwen van een Feestzaal en een Garage door Oscar Leeuw: de garage, bouwdossier gedateerd 12-6-1906 (D12.379266)
N.V. en (voorgenomen) verbouwing
In 1910 heeft eigenaar Steenmetzer plannen tot verdere uitbreiding.
Om de verbouwing en vergroting te kunnen financieren, heeft Steenmetzer de zaak omgevormd naar een N.V.. Men kan zich voor aandelen inschrijven bij Firma Lamar & Vos.
Het plan is om het gebouw met een verdieping te verhogen. Daarnaast zal op de hoek met de Stijn Buijsstraat een “bodega” en café-restaurant worden aangebouwd. En aan de achterzijde van het hotel is een grote schouwburg- concertzaal gepland, met de hoofdingang aan de rechterzijde.
“Zooals wij reeds, zeiden, zal een en ander en vooral de schouwburgzaal in een lang gevoelde behoefte voorzien, want een ieder zal het met ons eens zijn, dat de thans bestaande schouwburg niet thuis behoort in een stad als Nijmegen, die bezig is zich met haar nieuwe wijken te verjongen en in een fraai kleed te steken.” (PGNC 6/7/1910)
In hoeverre de uitgifte van aandelen succesvol is geweest en of de verbouwing is gerealiseerd, is nog niet bekend. In ieder geval wordt er in december 1910 begonnen met het afbreken van de huisjes van “Het Begin”. Deze liggen achter Hotel du Soleil en waren vlak na de ontmanteling van de wallen gebouwd. “Het vrijkomende terrein zal voorloopig voor een groot gedeelte als sport-terrein worden ingericht, terwijl een kleiner gedeelte daarvan dienen zal tot uitbreiding van de bestaande feestzaal met eene tooneel-inrichting, die zeer goed bij deze keurige zaal zal passen.” (PGNC 15/12/1910)
In PGNC 21/3/1912 blijkt dat dat de N.V. “Grand Hotel du Soleil” ontslag heeft verleend aan Steenmetzer als directeur. J. Fuchs is daarbij benoemd tot waarnemend directeur. Begin mei 1912 koopt Steenmetzer het pand van Societeit Burgerlust voor f34.900 (PGNC 3/5/1912 en PGNC 4/5/1912)
Hotel “Du Soleil”; een reproductie, Graafseweg 35-41, 1920 (F17387 RAN)
Het interieur in de eetzaal in het Hotel “Du Soleil”; een reproductie, , Graafseweg 35-41, 1920 (F17378 RAN)
Entree Hotel du Soleil Graafseweg 35-41 Bottendaal, 1920 (F17384 RAN)
Slaapkamer Hotel du Soleil, Graafseweg 35-41, 1920 (F17381 RAN)
In mei 1919 staat Hotel Du Soleil te koop (PGNC 10/5/1919)
Op 22-5-1919 houdt de N.V. Grand Hotel “Du Soleil” een aandeelhoudersvergadering in “Burgerlust” met als “punt van behandeling: Verkoop van het Hotel”. (PGNC 9/5/1919)s
Eind mei 1919 staat het Hotel Du Soleil vervolgens te koop (PGNC 10/5/1919)
Belastingkantoor
PGNC 21/4/1923
In 1922/1923 vindt de verbouwing tot Belastingkantoor plaats.
Plan tot inrichting van perceel Graafsche weg 31-35 te Nijmegen tot Belastingkantoren,
Bouwdossier D12.387126 gedateerd op 21-12-1922
“Het nieuwe gebouw van ’s Rijks Dir. Belastingen.
Gistermiddag hebben wij het nieuwe gebouw van ’s Rijks directe belastingen, invoerrechten en accijnzen aan den Graafsen weg, dat de vorige week gedeeltelijk in gebruik is genomen, bezichtigd. Ons verzoek daartoe was door den Inspecteur der Dir. Bel. 2e afd., den heer L.A. Alting Mees, met voorkomendheid ingewilligd niet alleen, maar hij had bovendien de vriendelijkheid, ons na een inleidend woord omtrent de voorgeschiedenis van de vestiging der belasting-administratie in dit pand, door het geheele gebouw rond te leiden.
Men weet, dat het vroegere hotel “Du Soleil” na zijn mobiliasatie-bestmming was overgegaan aan de firma Jurgens, die het evenwel sinds eenigen tijd voor haar bedrijf niet meer noodig had. De belasting-autoritieiten alhier waren sinds lang zoekende naar een gebouw, geschikt voor huisvesting van de Directe Belastingen, Invoerrechten en Accijnzen. Verschillende aanbiedingen waren, als zijnde te duur, van de hand gewezen, terwijl in dezen tijd aan het bouwen van een nieuw pand niet kon worden gedacht, temeer omdat de dienst der Rijksgebouwen op waarlijk loffelijke wijze de grootst mogelijke zuinigheid nastreeft en daarbij zeer kaufännisch wordt beheerd. En zoo was de beruchte “Kamer no. 6” in de Ridderstraat nog steeds een bron van ergernis voor personeel en publiek, toen het Rijk- op het juiste tijdstip dienaangaande geadviseerd en ter zijde gestaaan door de heeren Van Eerde en Alting Mees, Inspecteurs der Dir.Bel. alhier (eerstgenoemde is sindsdien afgetreden)- er in slaagde op zeer gunstige verkoopsvoorwaarden het vroegere Hotel “Du Soleil” in handen te krijgen. Wanneer de bouwmeester indertijd had kunnen voorzien welke bestemming het hotel in later jaren zou krijgen, dan had hij zijn ontwerp niet beter kunnen maken. Want het gebouw bleek als geknipt voor de huisvesting van de belastingen en een rondwandeling heeft ons daarvan gistermiddag overtuigd. Gold het de beschrijving van een nieuw gebouw, dan zouden wij den architect de welverdiende hulde kunnen brengen voor de logische indeeling van het geheel; voor de voor de voortreffelijke wijze waarop hij het vraagstuk van “licht en lucht” had opgelost; voor de degelijkheid gepaard aan schoonheid, welke van beneden tot boven, van voor tot achter den bezoeker opvalt; voor het aanbrengen van centrale verwarming en electrisch licht, kortom van al datgene wat in een modern kantoorgebouw dient tot gerief van hen, die daar werken en hun den arbeid veraangenaamd, ergo beter doet zijn dan in een ouderwetsche en primitieve omgeving.
Van de drie ingengen van het gebouw is de linksche bestemd voor het publiek, dat belasting komt betalen en “Kamer no. 6” niet meer zal herkennen. Het is de voormalige danszaal van het hotel, waar op den parketvloer wel menig amoureus gesprek zal hebben plaats gehad. Hier vindt het publiek een zaal zoo mooi wat betreft ruimte, licht, lucht en inrichting der loketten, dat de tijd niet verre meer zal zijn dat de Nijmegenaars met plezier hun belastingen gaan betalen. Op het oogenblik zijn de aanslagen nog zóó hoog, dat zelfs de mooie zaal niet in staat is den pil te vergulden. Ook het personeel heeft alle reden om van eene verbetering te spreken. Het moet evenwel voor den mensch niet oged zijn in eene al zijn verlangens bevedigd te zien en zoo blijft er voor dat personeel nog wel wat te wenschen. Het Rijk toch heeft nu wel een mooi huis, maar moet nog bewijzen dit ook te kunnen bewonen. En bij veel lof mag de blaam niet achterwege blijven: wat wij in deze prachtige zaal “Kamer no. 6” aan meubileering zagen, grenst aan het ongelooflijke. Het was een rommeltje, misschien voor den uitdrager nog niet goed genoeg. Wat de firma Jurgens bij het gebouw heeft verkocht: linoleums, gordijnen, electrische lampen, huistelefoon is alles first class, maar wat het Rijk zelf heeft meegebracht, dient zoo spoedig mogelijk te worden vervangen.
Aan de hier genoemde groote zaal grenzen ter eene zijde het kantoor van den Ontvanger der Directe Belastingen, den heer F.E. Vreede, een archiefkamer en een vergaderzaaltje. Ter andere zijde bieden het voormalige tooneel en de vertrekken, die daarmede annex waren, gelegenheid tot inrichting van de kantoren van den Ontvanger der Invoerrechten en Accijnzen, Jhr. W.J. de Jonge, die momenteel aan de St. Anthoniusplaats ook verre van ideaal gehuisvest is.
Eveneens gelijkvloers, in de rechter helft van het gebouw, zijn de kantoren ondergebracht van den Inspecteur (den heer P. v.d. Mark) en den Ontvanger (den heer A. Bloemarts) der Registratie en Domeinen met klerken- en wachtkamers. (De kantoren van dezen dienst aan den Oranjesingel zullen worden betrokken door den Ingenieur van den Waterstraat, thans St. Annastraat; in het vroegere gebouw van de Inspectie der Dir. Belastingen aan de St. Annastraat is de Inspectie van het L.O. gevestigd.)
Een breede trap leidt naar de eerste étage, waar zich de kantoren bevinden van de Inspectie der Directe Belastingen; ter eene zijde van de gang de ruime klerken-zalen resp. van de 1e en de 2e adeeling met in het midden een wachtkamer; ter andere zijde de gezellige kamers van de inspecteurs in beid afdeelingen, t.w. 1e afd. de heer J. Andreas (benoemd met ingang van 1 Mei a.s. plaatsverv. Op het oogenblik de heer Meijerink) en 2e afd. de heer L.A. Alting Mees.
Op de tweede verdieping zijn 5 reserve-kamers voor personeel van de Inspectie en 5 archief-kamers.
Ter rechterzijde van het gebouw is de woning van den concierge gelegen. De daaraan grenzende vroegere garage is een prachtige bergplaats geworden voor de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen aangehaalde goederen; hier is ook de ingang voor de leden van het personeel, die een fiets bij zich hebben en voor wie de voormalige kegelbaan is ingericht voor 84 rijwielen; langs de diensttrap zijn zij dan in een oogwenk in het gebouw. Hier, in het sous-terrain, zijn voorts de kantoren van de kommiezen voor den stadsdienst, een leslokaal voor de kommiezen van den velddienst, archief-kamers en een inrichting voor het afstoken van gesistilleerd.
Uit het voorgaande blijkt wel, dat de dienst der Directe Belastingen, Invoerrechtne en Accijnzen thans gehuisvest is in een gebouw, dat als zoodanig aan alle eischen beantwoordt. Wanneer nu ook de inrichting van enkele lokalen zal zijn gemoderniseerd, zullen de inspecteurs en ontvangers, hiervoor genoemd, en hun ijverig personeel, alle reden hebben om de plaats gehad hebbende verandering een groote verbetering te noemen. Voor het publiek is dit nu reeds het geval.” (PGNC 17/4/1923)
Meubelzaak en woninginrichting Wals en links Garage Terwindt & Hekking Mestrom en op de achtergrond voormalig Hotel du Soleil, Graafseweg Bottendaal, 1958 (F86415 RAN CC0)
Hierna volgen een aantal andere verbouwingen. In 2013 vond de verbouwing naar appartementen plaats.
Graafseweg voormalig Hotel du Soleil en Belastingkantoor”(januari 2026)
Wedren, op de achtergrond rechts de Wilhelminasingel en links de Waldeck-Pyrmontsingel, 1895-1900 (B. de Graaf via RAN F1903)
De Wedren is oorspronkelijk aangelegd als renbaan voor paardenraces, waar het ook haar naam aan dankt. In 1881 was deze aanmerkelijk groter dan wat tegenwoordig de Wedren heet. Tegenwoordig is het een parkeerplaats. Bij de Vierdaagse is het in gebruik als start- en finishplaats.
In 1881 verkrijgt Bert Brouwer een deel van het oud vestingsterrein in erfpacht: “Aan den heer L. A. Brouwer werd ten zuiden der stad 13 H.A. grond ad f 4,- per cA. en 3 H.A. in erfpacht ad/ 100,- ’s jaars afgestaan mits hij op het gereserveerde militaire terrein eene renbaan en eene buiten-societeit met terrein van vermaak aan den weg naar Groesbeek daarstelle. Voorts dat de verschillende bebouwing met villa’s en woonhuizen volgens kleurteekening plaats hebbe.” (Gemeenteverslag 1881). Op 2 Juni 1892 werd door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem de erfpacht van een gedeelte der in 1881 aan wijlen L. A. Brouwer uitgegeven terreinen vestinggrond aan den Groesbeekschen weg (vroeger Wielrijdersbaan) weer ontbonden verklaard.
De Renbaan liep langs de Oranjesingel tot aan de Berg en Dalseweg (Berg en Dalsche straat), Detail plattegrond Nijmegen in 1888 (RAN KPD-16)
Op de bovenstaande kaart staat de Sociëteit de Vereeniging aan het Keizer Karelplein weergegeven. Daarboven ligt de wielerbaan en links daarvan de Renbaan. De Renbaan grenst aan de Oranjesingel en loopt door tot de Berg-en-Dalschestraat. Merk ook de grens van de militaire gronden bij de renbaan op.
Op 3 maart 1882 schrijft de Gelderlander dat “Door de ‘Nijmeegsche Bouwmaatschappij’, onder directie van den heer Bert Brouwer, is de aanleg aanbesteed van de groote internationale wedrenbaan; de aannemers, de heeren C. Eijkelen en W.J. Weijers alhier, zijn reeds met een groot aantal werklieden begonnen het terrein te slechten. De baan komt voor het grootste gedeelte te liggen op het door den Staat gereserveerde voormalige vestingterrein, ten zuiden en oosten der stad.
Zoo men zegt, zou de eerst groote wedren reeds in Junij a.s. gehouden worden.” (De Gelderlander 3/3/1882). Achteraan dit artikel staan de verslagen van de 3 paardenraces in 1882 en 1883 weergegeven.
Vervolg
Ruiters aan de Wedren, 1910 (F55882 RAN)
Eind 19e eeuw wordt het terrein gebruikt voor tentoonstellingen en feestelijkheden, zoals de Landbouwfeesten in 1893 (PGNC 6/7/1893). Op een later tijdstip werd het terrein ook gebruikt als exercitieterrein (PGNC 6/1/1939). In 1910 kreeg het de naam Julianaplein. In de Tweede Wereldoorlog werd het samen met het Julianapark hernoemd tot Centrumpark, wat op 19-9-1944 weer ongedaan werd gemaakt.
In 1955 werd de Prins Hendrikstraat door de Wedren aangelegd. In de loop der jaren werd het gebied steeds verkleind door bebouwing.
Overigens is de naam “Wedren” pas sinds 2011 officieel vastgesteld.
De Wedren als parkeerplaats; vanaf de Wedren staat rechts de voormalige meisjes Hogere Burgerschool (HBS) aan de Bijleveldsingel, 1978 (Gemeente Nijmegen via KN11197 RAN CC0)
Vierdaagse
Een burgergroep defileert tijdens de (eerste) vlaggenparade op de Wedren op de maandagavond voor de 28e Vierdaagse, 25/7/1938 (Fotobureau Gazendam via F40933 Publiek Domein Auteursrechthouder: KNBLO-NL)
De Wedren is bovendien de start- en finishplaats voor de wandelaars van de Nijmeegse Vierdaagse. Daarbij wordt ook een deel van het Julianaplein en het Julianapark gebruikt. Van 1938 tot 1950 werd hier tevens de Vlaggenparade, als opening van de Vierdaagse, gehouden.
Gladiolen bij het Vierdaagsemonument op het finishterrein op de vierde dag van de 91e Vierdaagse, 20/7/2007 (Kees Stunnenberg via DF1124 RAN tevens Auteursrechthouder)
Voordat de huidige schouwburg werd gebouwd, stond op dit terrein de concertzaal van Sociëteit de Vereeniging. In 1881 verkrijgt Lambertus Augustus (Bert) Brouwer een terrein om een renbaan en een sociëteit op te richten.
Vanwege de 50e Vierdaagse werd een beeld geplaatst naar ontwerp van Vera Tummers-van Hasselt. Het stelt een jongen (de start)…
Bijlage: de paardenraces
De eerste race van 1882
En die wedstrijd kwam er inderdaad: op 15 juni 1882. In de tussentijd verschijnen nog een aantal aankondigingen:
De Nederlandse Harddraverij- en Renvereeniging looft een prijs van f2000 uit, mits de leden van deze vereniging vrije toegang hebben (PGNC 28/3/1882)
Verpachting de buffetten: Geïnteresseerden kunnen een prijsopgave doen voor 1 van de 3 buffetten, of voor alle 3 tezamen bij Bert Brouwer. Alle kosten zullen voor rekening van de pachter komen (PGNC 26/5/1882)
Aankondigingen van het programma. Daarbij vallen een aantal zaken op:
De Stad Nijmegen en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen stellen gezamenlijk een van de prijzen beschikbaar
Er zullen die dag extra treinen rijden (PGNC 9/5/1882)
Een voorbeschouwing: “Daar een wedren aan de toeschouwers meestal meer belang inboezemt als zij iets van de mededingende paarden weten, hoop ik tegelijkertijd dat het mij moge gelukken de algemeene belangstelling in de wedrennen te Nijmegen mogen verhoogen.” Hierna worden de deelnemende paarden besproken. (PGNC 7/6/1882)
Helaas regende het die dag. Dat weerhield duizenden bezoekers echter niet om de paarderennen te bezoeken:
“Nijmegen, 15. Juni.
De met zoveel verlangen te gemoet geziene, met zooveel zorg voorbereide Wedrennen en Harddraverijen, waaraan schatten ten koste waren gelegd om ze zoo luisterlijk mogelijk te maken, hebben heden alhier plaats gehad, ongelukkig echter onder geheel andere omstandigheden als door alle Nijmegen en door duizenden landgenooten en vreemdelingen gewenscht werd. Het weder dat in de laatste dagen steeds ongustig was en op alle toebereidselen, versieringen enz. nadeelig werkte, was in den afgeloopen nacht en den vroegen morgen weder zeer onstuimig, later iets minder, doch met bijna voortdurenden regen. Reeds vroeg stroomden desniettegenstaanden van alle kanten met de verschillende treinen en allerlei rijtuigen duizende bezoekers naar de stad, zoodat een ongekende drukte heerschte. Op de markt was rondom de groote gaslantaarn een rijke en smaakvolle versiering van groen en bloemen aangebracht. Ook de gaspyramide bij het Keizer-Karelplein was kwistig met bloemen getooid. Den heer J.J. Sormani, gediplomeerd bloemist alhier, komt hiervan de eer toe, en ware het weêr gunstiger geweest, zeker waren deze versieringen nog veel beter uitgekomen. Ook waren op den Stationsweg en den weg naar de renbaan en rondom het Keizer-Karelplein palen met vlaggen geplaatst, aan elkander verbonden door guirlanden van groen, wat echter veel minder van goeden smaak getuigde. Verder trekt de algemeene aandacht de versiering van de Plantenbeurs in het Hôtel der Wed. Bronkhorst en van het Café van den heer Hamerslag op de Markt.
De Wedrennen duurden van 12 tot 4 ure. Het weder was tamelijk goed, afgewisseld door enkele regenbuien. De verschillende wedloopen waren prachtig om te zien en alles liep zonder ongelukken af.” (PGNC 16/6/1882) Op 17 juni doet het PGNC vervolgens verslag van de festiviteiten.
Race september 1882
Op 30 september 1882 zal de 2e wedrennen plaatsvinden. 5 september verschijnt de weergave van circulaire in het PGNC: de rennen komen voor rekening van Bert Brouwer, die “de financieele uitkomst geheel voor zijne rekening neemt, waarlijk geen geringe risico, als men bedenkt dat behalve kosten van in orde making en afrastering van het terrein, renten van kapitaal, muziek enz. ad. p.m. f4000, aan prijzen wordt uitgeleefd de belangrijke som van f850, iets wat noodig is om de eigenaaren der beroemde renpaarden te bewegen zich weder op de Nijmeegsche renbaan te komen meten.” Brouwer heeft zich voorbehouden uiterlijk 21 september te beslissen of de rennen doorgaan en stelt zich “afhankelijk van de medewerking van Nijmeegs ingezetenen, in de eerste plaats van hen, die er direct belang bij hebben dat er door dit Volksfeest eenige duizende vreemdelingen binnen onze stad worden vereenigd.”
Daarop hebben enkele (rijke) Nijmegenaren een commissie opgericht om Brouwer prijzengeld aan te bieden. Nijmegenaren kunnen een vrijwillige bijdrage leveren. (PGNC 5/9/1882)
1883
De volgende races zijn op 19 mei 1883. Het PGNC geeft dan de berichtgeving van andere kranten door; het lijkt haar en/of de kranten zelf daarbij net zo veel om Nijmegen zelf als de paardenracen te gaan:
“Nijmegen, 21 Mei.
De verslaggever van het Handelsblad over de Wedloopen te Nijmegen schrijft o.a. dat de tribune geheel ledeig was en de vijftig rijtuigen, met een paar honderd menschen, niet in staat waren aan de middenterreinen een gezellig aanzien te geven. Ieder die bij de wedrennen tegenwoordig was, en zij waren bij duizenden te tellen, zal overtuigd zijn dat hier minstens genomen bij dien verslaggever aan eene vergissing moet gedacht worden. Ook zijne voorspelling dat men tot de ontdekking zal komen dat Nijmegen toch eigenlijk niet de plaats is voor dergelijke feesten, daar zijn uitmiddelpuntige ligging het voor de groote steeden te moeielijk bereikbaar maakt (wat geeszins het geval is) hopen wij dat niet moge uitkomen.
De Amsterdammer denkt er geheel anders over en eindigt zijn verslag als volgt:
“Indien de bewoners van ons vaderland eindelijk eens open oogen krijgen voor het natuurschoon dat het land hunner geboorte aanbiedt, laten zij eens bij gelegenheid een wedren komen bijwonen te Nijmegen; de paardenliefhebber zal aldaar zeker zijn hart kunnen ophalen, maar ook zij die gevoel hebben voor lieflijke natuurtooneelen, voor bosch, berg, heuvel en dal, zullen de herinnering met zich mededragen aan een rein en zuiver genot, dat men zoo zelden smaakt in de vlakke beemden van Holland.”
Ook uit het Utrechtsch Dagblad laten wij hier met genoegen een gedeelte van het verslag der wedrennen volgen: ‘Het fatum, dat op de Nijmeegsche wedrennen in 1882 drukte, heeft ze in het voorjaar van 1883 verlaten; het weder, dat in de laatste dagen vooral voor de renbaan uitnemend was, bleef ons heden getrouw. Het was prachtig, vooral voor paarden. Feestelingen waren van alle zijden toegestroomd langs de talrijke verkeerswegen, die op het aloude Noviomagum uitloopen, waar al die gasten welkom waren en hartelijk werden ontvangen, al was de stad niet versierd en waren slechts hier en daar vlaggen uitgestoken. Evenals ten vorige jaren schitterde de prachtige, nieuwe wijk rondom het vorstelijke Keizers-Karelsplein, dat sedert door een fraaien aanleg een geheel ander aanzien heeft gekregen, nu weder in al haar vroolijke schoonheid en wekte de bewondering van allen, die zich naar het nabijgelegen prachtige renperk begaven, hetwelk thans van lieverlede tot een der uitmuntendste renbanen is geworden. Met de oude stad uit een Neurenberger speeldoos op den achtergrond en omzoomd door de fraaie nieuw-modische villa’s en deftige huizen, welke door de heer Bert Brouwer in de plaats der oude vestingwallen deed verrijzen, was ten 1 ure de menschenmassa rondom de baan verzameld, luidde de klok voor den eersten wedstrijd en spitsten allen de aandacht op het bord, dat aanwees, wie ten strijde bereid waren en wie reeds vooraf den moed hadden verloren.” (PGNC 22/5/1883)
Op de hoek van de Kroonstraat en Parkweg staat een voormalige kruidenierswinkel. Daarbij is opvallend, dat de huidige opschriften noch voorkomen op de foto uit de jaren 1946-1947, noch de foto gedateerd 1980 (zie hieronder).
Parkweg 86 opschrift (juni 2025)
Inzoomend op de foto van 1946-1947 zien we wel een reclame voor Maggi (links), Esso (het kleine zwarte bordje rechts van de ingang) en Persil (rechts). Daarbij staat er een man in de deuropening, met een liggend hondje. Door het linker raam is nog een deel van de winkel te zien.
Links boven het Maggi bord hangt nog een straatnaambord: “Doddendaal”. In 1982 is dit gedeelte van de Doddendaal hernoemd tot Kroonstraat (Straatnamenregister)
Een kruidenierswinkel op de hoek Kroonstraat – Parkweg, gezien vanuit de Pijkestraat, 1947-1948 (GN2046 RAN)
Een kruidenierswinkel op de hoek Kroonstraat – Parkweg, gezien vanuit de Pijkestraat, 1947-1948 (Detail GN2046 RAN)Links de Kroonstraat. Op het pleintje het beeld De Gouden Engel, gemaakt in 1980 door Ed van Teeseling, 1980 (Ber van Haren via F2515 RAN CC0 Auteursrechthouder: Gemeente Nijmegen)
Overigens komt het balkon in 1980 nog niet voor, op een foto gedateerd 1985 F6062 RAN inmiddels wel.
Het ontwerp van deze in 1881 gebouwde herenhuizen worden vaak toegeschreven aan Bert Brouwer. Rob Essers maakt op Noviomagus aannemelijk dat Brouwer niet de architect zal zijn geweest. Zie voor een uitgebreid artikel de hierbovenstaande link.
Rijksmonument
Parkweg 120-124, (Evert F. van der Grinten via F78953 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Parkweg 120-124 is een Rijksmonument; op deze site staat tevens een uitgebreide beschrijving.
Met als waardering:
“HERENHUIZEN gebouwd in 1881 door architect, stedenbouwkundige en projectontwikkelaar Bert Brouwer.
– Van architectuurhistorisch belang als goed en gaaf voorbeeld van een bouwblok opgetrokken in een aan het neo-classicisme verwante stijl. Er is onder meer sprake van een evenwichtig gevelontwerp met bijzondere detaillering en materiaalgebruik. Van belang als onderdeel van het oeuvre van Bert Brouwer, de stedenbouwkundige die het uitbreidingsplan op de plaats van de gesloopte vestingwerken ontwierp en er vervolgens grond aankocht om er herenhuizen op te bouwen.
– Van stedenbouwkundig belang vanwege zijn ligging aan de Parkweg tegenover het Kronenburger park in het beschermde stadsgezicht. Het volumineuze bouwblok is prominent aanwezig in de gesloten gevelwand van de straat.
– Van cultuurhistorisch belang als een vroeg en goed voorbeeld van een rij herenhuizen die zijn gebouwd op door de ontmanteling van de vesting vrijgekomen percelen. Van belang als herkenbaar element uit een maatschappelijke ontwikkeling. De panden zijn gebouwd als huisvesting voor de nieuwe en kapitaalkrachtige stedelijke elite.”
Het Kronenburgerpark is vooral mooi vanwege een van de weinige restanten van de vestingmuur die heel Nijmegen ooit omsloot. Vooral de Kruittoren torent hoog boven de omgeving uit. Daarnaast maakt onder de hoogteverschillen het pand erg aantrekkelijk. Het is een van de plekken waar Nijmegenaren tijdens mooi weer op het gras gaan zitten.
Het gebouw staat bekend als het Belgisch Consulaat. Oorspronkelijk is het in 1887 gebouwd als huis en magazijn van zoutzieder J. van Roggen. Ook zullen veel mensen het herkennen vanwege de (vele) horeca-gelegenheden die in dit pand hebben gezeten. Het gebouw is ontworpen door J.W. Michielsen, die ook de Arksteestraat 2 en Kweekschool de Klokkenberg (op de Klokkenberg) ontworpen heeft.
Kruittoren
De Kronenburgertoren met links op de achtergrond de Spoorbrug, en rechts het voormalig Belgisch Consulaat (Parkweg 100) (uit 1887, architect J.W. Michielsen), 1890 (F22088 RAN)
Het enorme pand werd gebouwd als woonhuis met magazijn voor de zoutzieder J. van Roggen. Het gebouw is groot en opvallend door de bijzonder rijke detaillering, de dakvorm en het forse bouwvolume. Maar het heeft ook te maken met de rest van de omgeving: bij de restauratie van de Kruittoren had P.J.H. Cuypers de wens geuit ‘geen gebouwen in de nabijheid van de Kronenburgertoren op te richten’. Dat had tot dan toe geresulteerd in de bouw van een aantal kleinere woningen. J.W. Michielsen ging met zijn ontwerp echter aanmerkelijk tegen deze wens van Cuypers in.
Johannes van Roggen
(29-9-1860 Nijmegen – 24-7-1934 Calgary, Canada)
Zijn ouders waren Matthijs Adolph van Roggen (1826-1886), advocaat en later kantonrechter en Catharina Noorduijn (1832-1919).
In 1884 neemt hij de zoutziederij van Salomon Blom (1837-1890) over. Een oom van hem en de echtgenoot van Johanna Elisabeth Noorduijn (1841-1928). Hij trouwt op 2-9-1885 met Helena Catharina Blomhert (14-7-1866 Nijmegen – 6-3-1940 Wassenaar). Wanneer het gezien de woning aan de Parkweg betrekt, zijn ze afkomstig van de Verlengde Hezelstraat No 71 (Waarschijnlijk is er binnen de jaren 1880 nog een verhuizing daarvoor geweest: van Roggen heeft bij “vorige woonplaats Hezelstraat B no 59; Blomhert Grootestraat 70). Bevolkingsregister 1880) Opvallend in hetzelfde Bevolkingsregister 1880 is dat bij “Opmerkingen” 74 staat vermeld, later is door “het blauwe potlood” Parkweg N 76 erbij gezet).
In mei 1884 vraagt J. van Roggen “om vergunning in het centrum van zijne Zoutziederij, grenzende aan de Pikkegas en Parkstraat, een Stoommachine van 12 paardenkracht te plaatsen om met behulp van die beweegkracht ruw zout te maken.” (PGNC 11/5/1884)
Johannes is van Roggen is van 1890-1898 “Heer van Duckenburg”, Rond 1907 vertrekt hij naar Canada (Noviomagus). Daar is hij in ieder geval “koopman” in 1908 en na 1920 “landontginner” (Geneologieonline en Nederland’s Patriciaat, 1945).
Blomhert en hun dochter blijven achter in Nederland. Zijn dochter trouwt in 1908. Daarna zal Blomhert verhuizen naar de Staringstraat. Zij heeft tot juli 1911 nog bij haar dochter op de Oude Stadsgracht ingewoond. In juli 1911 vertrekt Blomhert naar Utrecht. (Noviomagus). Op 24-6-1920 vindt de scheiding tussen van Roggen en Blomhert plaats (Genealogieonline).
Het gebouw als Franciscus Patronaat (uit 1887) van architect J.W. Michielsen, 1930 (F31589 RAN)
Het gebouw als Franciscus Patronaat (uit 1887), 1930 (F31589 RAN)
Daarna had het een groot aantal bestemmingen waaronder:
de huisvesting voor de Wereldlijke Derde Orde van de Heilige Fransiscus van Assisi (ca. 1914)
het kantoor en toonzaal van de Nijmeegse baksteenfabrikant N.V. Metselsteen (vh. Antoon Geldens, 1932), zie hiervoor het artikel op Noviomagus
het Belgisch consulaat
Noodkerk voor parochie van de heilige Franciscus van einde oorlog tot begin jaren 50
De Nijmeegse Muziekschool koopt het pand eind jaren 60. In 1972 verhuist ze naar de Lindenberg
Ook heeft er de nodige horeca in gezeten en heeft het tijden van leegstand gekend.
Belgisch Consulaat
De eigenaar van de firma NV Metselsteen, de heer Geldens, was tevens ereconsul van België. Daarom zat waarschijnlijk tot in 1965 ook het Belgisch Consulaat in dit pand. Het pand dankt hieraan zijn naam.
Lord Nelson en de vele horeca zaken
J. van Deutekom koopt in 1972 het pand van de Nijmeegse Muziekschool. Hij laat de benedenverpieding grondig verbouwen: Zo liet hij een ruimte voor de dansvloer maken en vensters afsluiten. De eerste bar schijnt de Pasja bar te zijn geweest (Facebook je bent een echte Nijmegenaar als en Facebook Nijmegen Toen); het is mij niet bekend of de verbouwing als discotheek op de de Pasja bar betrekking heeft op zijn opvolger: de bekende Lord Nelson.
Bij het ophalen van herinneringen aan dit pand noemen veel Facebookgebruikers, onder andere bij bovenstaande pagina’s, juist Lord Nelson als uitgaansgelegenheid. Na Lord Nelson kwamen de nodige opvolgers. Met wisselend succes, waarbij de meeste zaken slechts een tijdelijk bestaan hadden: Keizerstad, Labyrint, De Drang (zie de foto uit 1991 F38684 RAN), Discotheek België, Danserij de Revolutie, De Revo en Trendies.
Zeldzaam voorbeeld van het internationaal eclecticisme
De Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed ziet in dit gebouw een zeldzaam voorbeeld van het internationaal eclecticisme in Nederland. Met name de voorgevel is bijzonder met een combinatie van hardsteen, pleisterwerk en baksteen. Daarbij zijn er invloeden uit de Neo-renaissance.
Studio’s
Belgisch Consulaat in verbouwing juni 2025
Verbouwing Belgisch Consulaat (juni 2025)
In juni 2025 is er een verbouwing gaande, waarbij het pand wordt omgebouwd tot studio’s. Zie voor het project HermonHeritage en
Bronnen
Nu (weer) in de verbouwing, het vroegere Belgisch Consulaat (Augustus 2023)
Het gezicht in de richting van de Priemstraat, en naar de panden van C.A.P. Ivens, fotograaf en H.A. Tesser, drogist, links de Lange Brouwerstraat, 1895 (GN2708 – A RAN)
Priemstraat 1
Advertentie: G.H. van der Wedde een verkooppunt van thee is van P. Mackenzie uit Rotterdam
De eerstgevonden advertentie is in januari 1894 (PGNC 14/1/1894), waarin G.H. van der Wedde een verkooppunt van thee is van P. Mackenzie uit Rotterdam.
Afgaande op de advertentie voor de verkoop van het pand in 1903 is de Priemstraat 1 in 1898 “geheel nieuw…” gebouwd.
1897/1898 Verbouwing of nieuwbouw
Ontwerp voor het verbouwen van perceel ? hoek Ganzenheuvel en Priemstraat, datum dossier 1-1-1897 (D12.377702)
In 1897/1898 vindt een verbouwing/nieuwbouw van het perceel plaats.
Een aantal winkels
Opening Koek- en Banketbakkerij L.M.J. van Os, Priemstraat 1 (De Gelderlander 9/4/1898)
Rond 1900 volgen een aantal winkels elkaar snel op:
“Mijn ongekende room-tompoucen. Fijne Haagsche Beschuitjes. De van ouds gerenommeerd Nijmeegsche moppen. Ook voorhanden The Windsor Fruits Bisquits” (PGNC 1/4/1899)
Gas-gloeikousjes en -branders bij S.M. Roosknek, Priemstraat 1 (De Gelderlander 18/11/1900)
Theod. Hogenboom Magazijn “De Concurrent” – “Het goedkoopst magazijn in fronts, boorden, manchetten, dassen, zeepen, eau de cologne, etc. etc. Depôt van Mey’s stoffwäsche of papieren boorden” PGNC 22/6/1902
Te koop
In 1903 staan de huizen te koop, welke op 19 augustus en 2 september 1903 geveild zullen worden:
“Twee naar de eischen des tijds in 1898 geheel nieuw, zeer solied gebouwde en gerieflijk ingerichte Winkelhuizen onder één dak met Erf, op den hoek Ganzenheuvel-Priemstraat, gemerkt Nos. 73 en 1, samen groot 86 centiaren, met gevelbreedten van 8.80M. en 9.55M., bevattende elk keurigen, ook nog voor werkplaats geschikten Kelder, ruimen Winkel, Kantoorkamer, Keuken, 4 Kamers, Zolder, Gas- en Waterleiding enz. Verhuurd het Winkelhuis Priemstraat 1 aan den heer Th.W. Hoogenboom tot 1 mei 1905 voor f625 ’s jaars en het Winkelhuis Ganzenheuvel 73 aan den heer P.J. Tromp to 1 Mei 1909 voor f550 ’s jaars. Te veilen in massa en in 2 perceelen als: Perceel een: Het Winkelhuis met Erf Priemstraat 1 groot 44 centiaren; Perceel twee: het Winkelhuis met Erf Ganzenheuvel 73 groot 42 centiaren.” (PGNC 9/8/1903)
Deze huizen zijn in 1906 weer te koop. Het huis aan de Priemstraat heeft daarbij een Heeteluchtoven. Ganzenheuvel no. 73 is nog aan P.J. Tromp verhuurd, over Priemstraat 1 wordt geen melding van verhuur gemaakt. (PGNC 24/6/1906).
Sigarenmagazijn van A. v. Dormolen
Sigarenmagazijn van A. v. Dormolen, Priemstraat 1 (PGNC 6/12/1910)
In ieder geval is het in december 1910 een Sigarenmagazijn van A. v. Dormolen. Een aantal advertenties:
“Nog steeds verkrijgbaar tot 31 Dec. aangebroken 10-Rittenboekjes 1e, 2e en 3e Klasse Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Zij die nog Boekjes hebben, worden beleefd verzocht ze spoedig in te wisselen…” (PGNC 6/12/1910)
Loten te koop van de ‘Vereeniging “Vreemdelingen-Verkeer” Leeuwarden’; hoofdprijs is een motorsloep (PGNC 28/9/1916)
G. Jonker
In 1922 is een advertentie gevonden waarbij G. Jonker aansluiting van de telefoon heeft gekregen: “G. Jonker, Groothandel in Tabak, Sigaretten en Sigaren”. (PGNC 14/1/1922) In ieder geval heeft hij eind 1931 dit sigarenmagazijn nog. (Nieuwjaarsgroet PGNC 31/12/1931)
In PGNC 20/6/1922 staat een geboorte-advertentie voor Aris, zoon van G.Jonker en M. Jonker-Veerman.
Eind 1931 wenst G. Jonker zijn vrienden en begunstigers nog een gelukkig nieuwjaar (PGNC 31/12/1931).
H.B. de Kok
H.B. de Kok plaatst In februari 1934 een advertentie dat hij zijn zaak heeft verplaatst naar Priemstraat 1: “Onze zaak is verplaatst maar wij blijven U hooge prijzen betalen voor overtollig Huisraad en net gedragen Kleeding”. (De Gelderlander 6/2/1934)
In de loop der jaren verschijnen meerdere advertenties voor de “2de Hands Goederenhandel”, onder andere nog in PGNC 7/3/1942.
In de volgende gevonden advertentie is H.B. de Kok “Taxateur en Afslager”: “Antiek. In- en Verkoop. Tevens het beste adres voor het opruimen van geheele of gedeeltelijke Inboedels” (De Gelderlander 17/1/1946). Daarbij zijn bovendien een aantal aankondigingen voor veilingen gevonden, in ieder geval: Inboedelveiling (De Gelderlander 10/7/1948, De Gelderlander 16/4/1949) en erfhuis (De Gelderlander 17/10/1953)
De laatste door mij (RE) gevonden advertentie is op dit moment: “Wij kopen tegen hoge prijzen al uw overtollige meubelen, antiquiteiten, schilderijen, kristal, enz.” in De Gelderlander 31/10/1956.
Vanuit de Smidstraat naar het hoekpand aan de Priemstraat – Lange Brouwerstraat. In het hoekpand bevond zich het benedenstadhuis, 2/1982 (Ber van Haren via KN13493-3 RAN CC0)
In de jaren 80 is hier het Benedenstadshuis gevestigd. Dan zit hier ook de wetswinkel van de Bond van kamerhuurders: “… En als je moeilijkheden hebt met je huisbaas, of andere problemen of vragen over je huurcontract, huurverlaging, etc….” (Wijkkrant Nijmegen-Oost 1/8/1980)
Zie voor meer informatie en herinneringen aan de Priemstraat 1 ook Noviomagus.
In 1910-1911: Winkelbediende; in 1932: grossier en winkel in tabak en sigaren
1910-1911, 1920, 1922, 1926, 1932
H.B.
De Kok
Koopman; in 1948: koopman 2e hands goed.; in 1955: erkend veilinghouder, beëdigd taxateur
1934, 1936, 1938, 1940, 1948
J.
Quis
Rang. NS
1959
J.
Heida
1959, 1963, 1971
K.
Louter
Koopman
1959, 1963, 1968
A.
Fagel
Los werkman
1963
Ganzenheuvel 73
C.A.P. Ivens
Advertentie C.A.P. Ivens (PGNC 22/3/1894)
In maart 1894 kondigt C.A.P. Ivens aan dat hij zijn Fototechnisch Bureau per 1 mei zal verhuizen naar 73 Ganzenheuvel. Daarna volgen nog meerdere advertenties.
In PGNC 27/2/1896 is er nog een advertentie gevonden van “Het Nederlandsch Fototechnisch Bureau”, C.A.P. Ivens.
advertentie Capi (PGNC 15/5/1924)
Meubelmagazijn P.J. Tromp
Bij haar 30-jarig bestaan vermeldt Capi (C.A.P. Ivens & Co) in haar advertentie dat ze 30 jaar geleden op Ganzenheuvel 73 waren begonnen. “25 jaar geleden” -dus rond 1899- verhuisde Ivens naar de Van Berchenstraat ( PGNC 15/5/1924)
In december 1899 is de nieuwjaarsgroet afkomstig van P.J. Tromp, Meubelmagazijn (De Gelderlander 31/12/1899). Tromp zal hier jarenlang zijn meubelzaak hebben: in ieder geval is er een advertentie gevonden in De Gelderlander 29/11/1928, bijna 30 jaar later.
Advertentie P.J. Tromp voor 2e vestiging (De Gelderlander 25/9/1922)
In 1922 heeft hij een 2e adres: Augustijnenstraat 6 (De Gelderlander 25/9/1922)
Gez. Koenders
Advertentie Gez. Koenders (De Gelderlander 25/1/1930)
De Gezusters Koenders blijken in januari 1930 hun winkel te hebben op Ganzenheuvel 73 met een advertentie voor schorten. Ook verkopen ze “hemden broeken onderjurken, kousen, sokken, enz.” (De Gelderlander 25/1/1930)
In 1934 is ze een depot voor de ververij en chemisch wasserij (oftewel stomerij) “de Pauw” (PGNC 26/2/1934)
A. v. Kol
Advertentie A. v. Kol (De Gelderlander 27/12/1947)
Eind december 1947 is Groenten-, Fruit- en Aardappelhandel A. van Kol weer aangesloten op het oude telefoonnummer. (De Gelderlander 27/12/1947)
In ieder geval komt hij nog voor in 1953: Een gevonden advertentie is in De Gelderlander 22/5/1953 van de gezamenlijke winkeliers in Aardappelen, Groente en Fruit.
De eerste Nijmeegse Ambachtsschool, opgericht door de Vereeniging Ambachtsonderwijs voor Nijmegen in 1901 en (aansluitend) gebouwd in opdracht van het gemeentebestuur naar ontwerp van gemeentearchitect ir. Jan Jacob Weve. Op de voorgrond de rails van de kolentram voor het vervoer van de steenkool van het station naar de Centrale aan de Waalkade, Nieuwe Marktstraat 12, 1919 (Born via F38489 RAN)
De ambachtsschool was de eerste technische school van Nijmegen, door de gemeente opgericht. Door de opkomst van de industrie was er in Nijmegen een grote behoefte aan technisch personeel ontstaan.
Ambachtsschool, stedelijk gymnasium vanaf Snelbinder (oktober 2022)
In de loop der tijd waren er de nodige verbouwingen. In 1928 is de watercentrale bij deze school getrokken, waarbij het gebouw in 1938 met een verdieping werd verhoogd. Als verbinding is een trappenhuis gebouwd, ontworpen door de bekende Nijmeegse architect Estourgie.
Waarom een ambachtsschool?
De Gelderlander 6/10/1901
Vooraf
Voordat er een ambachtsschool werd opgericht, werden er vanaf 1850 tekenlessen gegeven. Aanvankelijk hadden B en W al eerder in de 19e eeuw besloten tot de oprichting van een tekenschool, maar in 1824 werd besloten om de oprichting uit te stellen tot een financieel gunstiger tijd. In 1850 komt er uiteindelijk een ambachtsschool. Deze heeft 3 onbezoldigde docenten, waarvan er 2 sowieso al in dienst zijn van de gemeente.
Ontstaan van de Ambachtsschool in Amsterdam
In de 19e eeuw ontstaat, door nieuwe vormen van bedrijvigheid, behoefte aan goed opgeleide werklieden. Naast de tekenschool, die meestal avondonderwijs geeft, ontstaat in 1844 in Amsterdam de ambachtsdagschool. Van daaruit verspreid dit schooltype zich vanaf 1870 over heel Nederland, echter wel vooral in de steden. Arnhem had in 1874 haar eerste Ambachtsschool. In 1894 waren er nog 15 scholen met 2295 leerlingen; 10 jaar later -in 1904- zijn beide aantallen verdubbeld: 32 scholen met 4567 leerlingen.
1901 Opening Ambachtsschool in Nijmegen
De ambachtsschool was de eerste technische school van Nijmegen, door de gemeente opgericht vanwege de grote behoefte aan technisch personeel op het moment dat in Nijmegen steeds meer industrie ontstond. In de beginjaren kon je er leren voor timmerman, smid/bankwerker, schilder of meubelmaker. Later werden het aantal beroepen uitgebreid.
De oorspronkelijke school bestond uit de twee puntdaken met aan weerszijden nog een uitbouw van 2 ramen. Dit gebouw is in 1901 ontworpen door J.J. Weve. Let daarop op de gevel, waarin op twee blokken Ambachts en Onderwijs staat weergegeven en daarbinnen nog een blok met het jaartal van de oprichting.
Aanvankelijk werden hier alleen de praktijklessen gegeven, terwijl de theorielessen nog in de gemeentelijke burgeravondschool werd gegeven.
1930 Vergroting
Ambachtsschool; rechts de gashouder, ca. 1930, Nieuwe Marktstraat 12 (GN9675 RAN)
De school begon al gauw te klein te worden. Er kwamen steeds nieuwe vakken bij, zoals electrotechniek, die een eigen praktijklokaal nodig hadden. Zowel links als rechts (noord- en zuidkant) kwamen er nieuwe lokalen, waarmee de gevel bijna 2 keer zo lang werd. Daarbij was de aanbouw in dezelfde stijl als het oorspronkelijke gebouw gemetseld, zodat het lijkt alsof het in 1 keer is gebouwd.
1938 Trappenhuis
In 1938 komt er aan de rechterkant een nieuw trappenhuis, dat ontworpen is door architect Charles Estourgie.
Vanaf 1953 ging het schooltype ambachtsschool over in de LTS.
1967: Uitbreiding
Ambachtsschool, stedelijk gymnasium vanaf Snelbinder (oktober 2022)
In de jaren zestig vond een grote uitbreiding plaats: dit is het lichte gebouw. Dit gedeelte is ontworpen door de zoon van Estourgie: Charles Estourgie Jr. Daarbij kwam de ingang aan de andere kant, de Kronenburgersingel, te liggen. Dan heeft het de naam Technische School “De Kronenburg”.
1999 Stedelijk Gymnasium
Sinds 1999 is in dit gebouw het Stedelijk Gymnasium gevestigd.
Ambachtsschool met op de achtergrond de gashouder van de gasfabriek 1929 1931 (RAN)
Het kantoor en pompstation van het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf en links daarvan de Ambachtsschool 1930 (RAN)
Ambachtsschool Nieuwe Marktstraat (oktober 2022)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Scholentocht, Open Monumentendag 2020 Gemeente Nijmegen (PDF)