De gebombardeerde zaak van P. de Gruyter & Zn, gezien in de richting van de Grote Markt, 1944 (GN3819 RAN)
“P. de Gruijter & Zoon
Morgen wordt in de Broerstraat No. 62 de nieuwe winkel van de N.V.P. de Gruyter geopend.
Na verbouwing van het vroegere pand heeft men thans een modern winkelpand gekregen, dat de massa… En dat is toch allereerst de bedoeling van de moderne winkelbedrijven.
De architect der firma, de heer Wildschut, heeft voor het De Gruyter-bedrijf een voorname pui en nog attractioneeler interieur geschapen, dat tegelijk doelmatig en decoratief is.
De pui, in forsche lijn gehouden, is aantrekkelijk tegelijk en voert oogenblikkelijk den voorbijganger door de twee breede en schitterende vitrines welke tegelijk een schitterenden doorkijk geven op het interieur, dat er prachtig verzorgd uitziet.
Men kent de stijl der De Gruyter-winkels, waarvan men er tientallen door heel het land aantreft.
Maar iedere nieuwe winkel- mits deze op stand staat- is alweer sierlijker en fijner ingericcht dan de voorganger.
De bouwmeesters der De Gruyter-winkels verstaan de kunst met kleuren en lijnen te werken, en zoo noodig tegenstellingen te scheppen, welke aandacht vragen.
Zoo is de bovenrand van den winkel ingenomen door illustratieve voorstellingen van binnen- en buitenlandsche gebruiken in de gezinnen, waar de huiselijkheid den boventoon voert bij de thee of bij de koffie. Men bewondert oud-vaderlandsche winkelbedrijven en moderne bedrijven. Deze folkloristische beelden, veervaardigd op de plateelbakkerij Zuid-Holland vormen een rijke randversiering boven de zakelijkheid van den modernen winkel.
Boven de winkelvakken, waarin de verschillende artikelen worden bewaard, zijn sierlijke lichtbakken geplaatst, welke bij avond rood of wit aangeven de artikelen, welke in dat bepaalde vak geborgen zijn.
In tegenstelling met vroeger zijn de winkelbakken niet meer van hout maar van staal vervaardigd, welke geheel uitneembaar zijn.
De winkelinrichting, welke uit koper, staal, marmer en glazuursteen is opgetrokken is geheel ingesteld op de uiterste zindelijkheid en op behoud van de kwaliteiten der artikelen. Zoo wordt de bekende De Gruyter’s koffie in haar beste hoedanigheden en variëteiten uit luchtdichte silo’s verkocht, waardoor het heerlijke aroma volkomen behouden blijft.
De margarine wordt in ijskasten bewaard.
Vanuit eigen fabrieken in ’s Hertogenbosch worden dagelijks De Gruyter’s koffie, thee, cacao en grutterswaren naar de filialen verzonden, echter niet dan na een zorgvuldige controle in proeflokaal en laboratorium.
De winkel welke een aanwinst is voor de Broerstraat als bedrijfsstraat, is een der fraaiste winkels van het land, dat volgens een propagandistisch lichtbeeld in den winkel, bijna in iedere stad zijn De Gruyter’s winkels heeft.
Bij de opening van de nieuwe zaak bij de firma De Gruyter biedt zij haar cliëntѐle bijzondere attracties. Wij verwijzen daarvoor naar de advertentie in dit blad.
In het bijzonder moet nog vermeld worden de cassa, die in De Gruyter’s winkel zoo’n voorname rol speelt. Deze cassa immers geeft aan de huisvrouw de waardevolle 10% bons. Voor elke f10 van deze bons ontvangt de klant f1 terug.
De verbouwing van het nieuwe pand is uitgevoerd door de Nijmeegsche aannemersfirma Kloosterman & Detmers. De lichtinstallatie is aangebracht door het electronische bureau J. van Kleef.
De bovenverdieping van het kapitale pand in de Broerstraat No. 62 is niet veel veranderd. De groote kamers zijn ingericht tot berglokalen van de verpakte artikelen. Het sousterrain wordt deels ingenomen als opslagplaats van losse goederen in balen.
De firma De Gruyter heeft hier ter stede nog zaken op het Mariaplein en aan de St. Annastraat en een verzendkantoor in de Pontanusstraat.” (De Gelderlander 18/9/1935)
De gebombardeerde zaak van P. de Gruyter & Zn, gezien in de richting van de Grote Markt, 1944 (GN3819 RAN)
Noodwinkel
De Mariënburg in de richting van de Lange Koningstraat, links het Arsenaalgebouw, rechts de noodwinkel van de Gruyter, 1950 (F29844 RAN)
Herbouw De Gruyter in de Broerstraat, architect Wilschut
1950 Broerstraat 62
“Nieuwe glorie in de Broerstraat
P. de Gruyter en Zn. geopend
Weer een nieuwe winkel geopend. De uitwerking van dit bericht wordt steeds minder. Bijna iedere dag kunnen wij melding maken van een herrezen pand, van een stukje Nijmegen, dat in nieuwe luister is verschenen. Gisteren werd in de Broerstraat het nieuwe filiaal van de firma P. de Gruyter & Zn geopend op de plek waar het oude werd verwoest.
Ook deze firma verloor tijdens het bombardement van Februari 1944 haar winkel. Het werd geruïneerd door de brand die veroorzaakt werd door het bombardement. Na de oorlog richtte men een noodfiliaal op Mariënburg op. Toen echter in Februari van dit jaar de gemeentelijke goedkeuring kwam om te bouwen, ging men zo snel als maar enigszins mogelijk aan de gang. Met het gevolg dat- en ongeveer een half jaar later- het prachtige nieuwe pand staan aan wat straks ongetwijfeld de Kalverstraat van Nijmegen zal worden. De fa. Hiemstra ondervond tijdens het bouwen geen moeilijkheden zo verklaarde men ons. De materialen waren aanwezig en alleen de kelder veroorzaakte enige vertraging, doordat men drie meter dieper moest graven dan men aanvankelijk had gedacht. Dat De Gruyter er vaart achter zet blijkt uit het feit, dat Maandag reeds wordt begonnen met de bouw van een nieuw filiaal, het zevende, aan de Voorstadslaan hoek Biezenstr.
Het door architect T. Wilschut uit Den Bosch gemaakte ontwerp mag er zijn, zowel bezien uit zakelijke overwegingen als uit een oogpunt van interieur-verzorging. De winkel is uitgevoerd in notenhout, marmer en plateel. De marmeren toonbanken zijn van een nieuwe uitvoering, die haar doeltreffendheid in de praktijk wel zal bewijzen. Zij bestaan n.l. uit drie trappen, als wij dat zo mogen noemen. De koper vindt vooraan de toonbank een brede richel, waarop hij een boodschappentas kan plaatsen, dan volgt een verhoging met biskwie-bakken en daarachter de ruimte voor de verkoopsters, om de waar in te pakken. De wanden zijn versierd met Oud-Hollandse prenten, die op plateel zijn uitgevoerd. Beneden de winkel is een ruime droge en hygiënische opslagkelder met een losbak naar de achteruitgang, die uitkomt op de achterweg, bereikbaar door de grote achterpoort in het pand van Kloosterman. Boven de winkel zijn twee ruime flats, zodat ook weer de nodige woonruimte is gewonnen. Een nieuwe aanwinst voor de Broerstraat, voor Nijmegen, die zich langzaam maar zeker hersteld van oude wonden en krachtig de toekomst tegemoet treedt.” (Nijmeegsch dagblad, 29-9-1950)
Hoek St. Annastraat met Fransestraat, op St. Annastraat 53a Antiekzaak L’Antique Interieure en op de hoek St. Annastraat 55 café St. Anneke, 1989 ( Anton van Roekel via RAN CCBYSA)
Deze pagina verzamelt reeds verschenen artikelen over de St. Annastraat.
De St. Annastraat is vernoemd naar het gehucht St. Anna, dat op haar beurt vernoemd is naar een kapel, die in 1598 is afgebroken “en in de oude bescheiden niet vóór 1542 genoemd wordt, wat echter niet zegt, dat zij niet eeuwen ouder was.” (Teunissen 1933 zoals weergegeven in het Straatnamenregister)
Bij de stadsuitbreiding na de sloop van de vestingweken veranderde het uiterlijk van deze straat aanzienlijk: De St.Annastraat was een van de radiaalwegen vanuit het Keizer Karelplein, waarlangs statige herenhuizen verschenen.
Het westelijke gedeelte “tot aan de oude laan (d.i. tot aan de oude beplanting) werd 17 Juni 1882 St. Annastraat genoemd; het ander deel St. Annalaan. De verbinding Keizer Karelplein met St. Annastraat en Groesbeekschestraat bestond tot 1888 uit twee door een beplanting van elkaar gescheiden wegen. Sedert 12 November 1904 wordt de gehele straat genoemd St. Annastraat.“
Eerste rij woningen St. Annastraat
De St. Annastraat: De eerste rij woningen aan de even zijde van de St. Annastraat , tussen het Keizer Karelplein en de Van Trieststraat, 1900 (F16885 RAN)
St. Annastraat 16
St Annastraat 16 is onderdeel van een Gemeentelijk Monument. Met als tekst bij aanwijzing:
“Onderdeel van: Aaneengesloten rij woningen met links en rechts hoekpand, bestaande uit huizen van twee bouwlagen met souterrain, gedekt met platte daken die aan de straatzijde met leien of pannen gedekte dakschilden hebben waarin grote dakkapellen zijn aangebracht. De uit baksteen opgetrokken gevels zijn voorzien van geschilderde stucbanden en -blokken; het middengedeelte van de rij (de nummers 8-10) is in later tijd geheel geschilderd. De gevels zijn twee- of drie-assig; bij elk pand springt één der assen iets naar voren en bevat ofwel de voordeur ofwel een erker, en zet zich boven de kroonlijst voort in een dakkapel. Bouwjaar: ca. 1885-1890. Uitzonderlijk gaaf bewaard gebleven bouwblok, dat vrijwel als enige straatwand daterend uit de periode van de eerste stadsuitleg ongeschonden bewaard bleef.”
St. Annastraat 28 is onderdeel van een Gemeentelijk Monument. Met als tekst bij aanwijzing:
“Aaneengesloten straatwand waarvan helaas de hoekpanden niet meer in de oorspronkelijke staat aanwezig zijn, bestaande uit woonhuizen van twee bouwlagen met souterrain, gedekt met platte daken die aan de straatzijde hoge dakschilden hebben waarin dakkapellen zijn opgenomen. Bij drie panden (nrs. 20, 36, 42) is in het dakschild een steil smal tentdak opgenomen. Het materiaal is baksteen, verlevendigd met lichtgeschilderde stucbanden en blokken in de strekbogen boven deuren en ramen. De gevels bestaan meestal uit drie assen, waarbij de deur vrijwel steeds excentrisch is aangebracht. Deze toegangspartij wordt bereikt via een natuurstenen trap, die is verbonden met de geheel in imitatie-steenblokken gestucte souterrainpartij. Door beschildering is pand nr. 32 ernstig aangetast; van pand 42 is souterrain en bel-etage ingrijpend gewijzigd. Bouwjaar: ca. 1890-1900. In onderdelen aangetaste doch nog duidelijk één geheel vormende straatwand die samen met de tegenoverliggende panden het beeld van de belangrijkste nieuwe straat van na de ontmanteling bewaart.”
St. Annastraat 1 en verder
Hoek St. Annastraat/Groesbeekseweg vanaf het Keizer Karelplein, 1885 (Gerard Korfmacher via F11947 RAN)
Gemeentelijk Monument
St. Annastraat 1 is onderdeel van een Gemeentelijk Monument, met als tekst bij aanwijzing:
“Rij woonhuizen waarvan enkele gewijzigd in winkels. Straatwand, onderbroken door één zijstraat, bestaande uit woonhuizen van twee bouwlagen, vrijwel alle met souterrain. De uit baksteen opgetrokken panden hebben platte daken, met aan de straatzijde steile dakschilden met dakkapellen. De decoratie bestaat uit gestucte banden en geprofileerde lijsten tussen de etages; de souterrainzone is in stucwerk uitgevoerd of met natuurstenen platen bekleed. Alleen bij nr. 35 is op grote schaal van natuurstenen ornamenten gebruik gemaakt. Van de panden nr. 1 (hoek Groesbeekseweg), 3, 37, 45 en 53 is de begane grond-verdieping tot winkel verbouwd. Vrijwel zonder uitzondering zijn de panden drie-assig, waarbij de voordeur steeds excentrisch geplaatst is. Bij en groot deel van de panden is de middelste as als risaliet uitgewerkt. Deze is rijk gedecoreerde in stuc en heeft veelal een balkon op de etage. Architect(en) onbekend; nr. 35 mogelijk door D. Semmelink. Bouwjaar: ca. 1885-1895. In onderdelen aangetaste doch nog duidelijk als straatwand sprekende rij panden, die samen met de tegenover liggende rij het karakter van de na 1880 ontworpen straat zeer goed bewaard heeft.”
Begin Groesbeekseweg vanaf St. Annastraat, oktober 2024 (Google Streetview)
Estourgie
Een aantal bijzondere gebouwen op de St. Annastraat zijn gebouwd naar het ontwerp van Charles Estourgie, die de Amsterdamse School naar Nijmegen heeft gebracht. De verhalen van de gebouwen staan op de pagina van Estourgie.
Huize Heyendaal
Huize Heyendaal architect Estourgie
St. Annastraat 209-231
St. Annastraat (externe informatie) 209 – 211 – Heijendaal, 1989 (Anton van Roekel via F27607 RAN CCBYSA)
Bloemenmagazijn de Kluys
1935
Het voormalige pand (uit 1935) van Bloemisterij en Handelskwekerij De Kluijs , op het moment van de foto een Chiropractie-praktijk, 2019 (Henk van Gaal via DF888 RAN CC0)
De St. Anna-molen zonder wieken op de hoek van de Hatertseweg – St. Annastraat, 1920 (F67170 RAN)
St. Annastraat 175-183, het hoekhuis is nummer 175, 1989 (Anton van Roekel via F28340 RAN CCBYSA)
De hoofdingang van het St. Canisius-Ziekenhuis, gebouwd in 1922-1926 naar ontwerp van architect Eduard Henricus Gerardus Hubertus (Eduard) Cuypers (Roermond 18/04/4859 – 01/06/1927 Den Haag), met rechts het klassepaviljoen en geheel links het gemeentepaviljoen. Na fusering in 1977 met het protestantse Wilhelminaziekenhuis werd in 1992 het nieuwe huidige Canisius Wilhemina Ziekenhuis (CWZ) aan de Weg door Jonkerbosch betrokken, 192-1928 (A.A. v.d. Borg via F91388 RAN CCBYSA)
In 1926 zou het nieuwe R.-K. Canisius Ziekenhuis aan de (huidige) St. Annastraat en Groenestraat worden geopend. In 1920 plaatst de Gelderlander een uitvoerig artikel over de plannen daarvoor.
Uit drie woonhuizen bestaand pand (nummers 166, 168 en 170) dat in 1908 werd gebouwd naar een ontwerp van gebroeders Haspels (Henk van Gaal via DF4251 en bijschrift DF4250 RAN CC0)
De Gebroeders Haspels ontwierpen in 1908 3 woonhuizen aan de St. Annastraat. De woningen zijn gebouwd in de “Nieuwe stijl”, de Nederlandse vorm van Jugendstil/Art Nouveau.
Hoek St. Annastraat met Fransestraat, op St. Annastraat 53a Antiekzaak L’Antique Interieure en op de hoek St. Annastraat 55 café St. Anneke, 1989 ( Anton van Roekel via RAN CCBYSA)
In 2024 sloot het bekende Chinees-Indische afhaalrestaurant Iwan op de St. Annastraat. Vanaf 1970 had hier jarenlang een Chinees afhaalrestaurant gezeten. Daarvoor was hier tientallen jaren banketbakkerij Burki gevestigd: in 1914 verbouwde de aannemer/architect Tiemstra het herenhuis aan de St. Annastraat tot een bakkerij.
Hoek St. Annastraat met Fransestraat, op St. Annastraat 53a Antiekzaak L’Antique Interieure en op de hoek St. Annastraat 55 café St. Anneke, 1989 ( Anton van Roekel via RAN CCBYSA)
Veel Nijmegenaren kennen het hoekpand op de St. Annastraatstraat en de Fransestraat als café St. Anneke. Oorspronkelijk was het samen met het huidige nummer 53a 1 grote woning, die er in ieder geval in 1910 al stond. De architect Zoetmulder ontwierp de splitsing naar 2 winkels met bovenwoningen. Op 53a zaten hier jarenlang meubelzaken (Tilders…
Wilhelmina apotheek in 1936, na de verbouwing naar ontwerp Meerman en van der Pijll, RAN noemt het Apotheek “St. Anna”, 1936 (F15022 RAN)
Op deze pagina staat de bewoningsgeschiedenis weergegeven van Huize “Boschoord”, tegenwoordig St. Annastraat 294.
Splendor Gloeilampenfabriek
1928
De Splendor Gloeilampenfabriek, St. Annastraat 198, 1935-1945 (J.J. Maaskamp via L45433 RAN CC0)
“N.V. Splendor-Gloeilampenfabriek.
In onze stad heeft zich geleidelijk een gloeilampen-industrie ontwikkeld, welke wat beteekent in het moderne nijverheidsbedrijf.
Zij is uit het klein gegroeid, in 1913 heel bescheiden opgericht, eerst in de Schoolstraat, daarna overgebracht in 1917 naar de Van Gendtstraat waar de Gloeilampenfabriek Nijmegen, gesteund door Nijmeegsch kapitaal, meer uitbreiding kreeg en groeide tot een N.V.
In den oorlog had deze fabriek een goed afzetgebied gevonden bij de geallieerde legerleiding welke van haar loopgraaflampjes in groote hoeveelheden betok.
Zonder veel ophef maar onverdroten werd voortgewerkt aan den uitbouw van deze nijverheid, welke in Eindhoven culmineert en elders zoo moeilijk vasten voet kon krijgen.
Maar in Nijmegen zaten de laatste jaren de ware werkers, die het stoute stuk volvoerden een onafhankelijke gloeilampenfabriek tot blijvenden bloei te brengen.
De fabriek aan de Van Gendtstraat werd veel te klein, men moest naar uitbreiding uitzien en de oude werkplaatsen boden daarvoor te weinig doelmatige gelegenheid. Men moest naar buiten.
Tijdelijk had men nog een hulpfabriek in de Dr. Jan Berendsstraat.
Een nieuwe fabriek werd gebouwd op St. Anna. En nu staat de Splendor in het volle lichte en trekt van alle zijden de aandacht op de St. Annastraat, even voorbij de spoorbrug, nabij de Groenestraat. Het werd een model fabrieksgebouw, uitgevoerd naar het ontwerp van den architect den heer Pothoven uit Apeldoorn (in De Gelderlander 31/3/1928 staat de rectificatie dat hij uit Amersfoort komt) en gebouwd door de Nijmeegsche aannemersforma Tiemstra en Zonen.
De groote fabriekswerkplaats, waar thans een vierhonderd man sterk oud en jong personeel dagelijks werkt aan de vervaardiging der Splendorlampen, is geheel aan den weg gemaskeerd.
Een gewoon fabrieksgebouw naast de garage Moll aan de St. Annastaat, zou deze omgeving kunnen ontsieren.
Maar de architect Pothoven loste het vraagstuk op, om een bijna veertig meter breeden voorgevel voor de Splendorfabriek op meer dan bevredigende wijze op. Het werd een levendige gevel, strak van lijn en toch met een afwisseling in kleur en toon, welke het geheel tot een mooi gebouw maakt aan een ruim voorplein, dat wel past in het kader van de drukken verbreeden verkeersweg.
Het torentje midden op den voorbouw, wellicht bedoeld als Splendor-radio-toren, is een vriendelijke bekroning van den hoogen gevel.
Aan de voorzijde van het gebouw zijn boven en beneden de kantoren ondergebracht en tevens laboratoria voor de ingenieurs en technici ingericht- reeds nu zijn vier ingenieurs en verschillende chemikers aan den Splendor verbonden.
Binnen in het hoofdgebouw is alles sober, zonder eenige overdadige versiering, het trappenhuis krijgt het volle licht door kleurrijk glas-in-lood-raam
Onmiddellijk aan de kantoren grenst dan de groote fabriekshal, welke bijna honderd meter lang is en minstens derrtig meter breed.
Licht en lucht kunnen vrij in deze hall doordringen, waar ruim vierhonderd mannen, jongens en meisjes, dag in dag uit, soms bij afwisselende ploegen druk in de weer zijn aan de vervaardiging van lampen, voornamelijk autolampen, radiolampen en lampen voor treinverlichting. Dat zijn wel de specialiteiten van de Splendor, welke ingericht is voor de constructie van iedere lamp, welke besteld wordt in ieder kwantum.
De Splendor heeft momenteel met zijn 400 man personeel wel een jaar-productie van 300.000 lampen en is op het oogenblik zoo overladen met bestellingen, dat de productie over 1928 bijna geheel verhandeld is. Er wordt zelfs nu alweer nagedacht aan uitbreiding der zoo ruime fabriek, welke modern geouttileerd is. Om op de interne inrichting eens terug te komen, wordt nog wel gelegenheid gegeven, wanneer de fabriek officieel geopend is.
Het geheim van den voorspoed van den Splendor ligt niet slechts in de groote bekwaamheid der technische hoofdleiding maar zit ook in de energie en koopmanszin der directie.
Er is een voortdurende wisselwerking van ideeën tusschen de bedrijfs- en vakkundige leiders, wat vooral van groot nut blijkt te zijn op een modern-technisch bedrijf als de Splendor, dat juist door zijn zoo economische inrichting en degelijke lamp-constructie’s de concurrentie weet te doorstaan met andere bedrijven nog grooter dan zij.
De Splendor heeft haar vertakkingen over bijna geheel de wereld en haar eigen verkoopkantoren in Engeland, waar zelfs twintig man werkzaam zijn en verder in Australië enz.
Steeds wordt nog een uitbreiding van het handeldebiet gewerkt en blijft de Splendor zich toeleggen op technische verbeteringen van haar lamp-producten- ook bestemd voor lichtreclames.
Een bloeiende nijverheid als deze, voorzien van alle technische hulpmiddelen, is van beteekenis voor stad en omgeving.
Reeds nu vinder er ruim vier-honderd personen werk, de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat dit getal nog tot 700 stijgt, wanneer aan het bedrijf volle ontplooing wordt gegeven.
Op het oogenblik werken er 330 jonge en oudere personen uit Nijmegen, en ruim 80 uit Millingen, Pannerden, Beuningen, Malden, Heumen, Bergen enz., welke laatste per speciale autobus of tram naar de fabriek komen.
De verstandhouding tusschen directie, technische leiding en personeel is een goede, men begrijpt elkander en allen werken als één man aan grootmaking van het bedrijf.
De heer W.A. van Heijningen voert tegenwoordig op voorbeeldige wijze de directie tot voorspoedige vooruitgang van Splendor, welke zich handhaaft onder de grootsten, hoewel het opkwam uit klein-bedrijf.
Maar zich dan op zoo’n wijze opwerkte, dat het ook technische beteekenis kreeg als nu de Splendor, welke naam kreeg om haar radio-lampen en ook aandacht kon vragen voor haar fabricatie van de lamp zonder punt.
Spoedig hopen wij nog iets te kunnen melden over het technische bedrijf.
De terreinen van de Splendor op St. Anna zijn ruim een H.A. groot- er is alle gelegenheid tot uitbreiding, welke op den duur niet kan uitblijven.” (De Gelderlander 28/3/1928)
In 1954 opent het 25ste filiaal van Het Zuivelhuis op Broerstraat 48. Haar winkel, eveneens in de Broerstraat, was tijdens het bombardement van 1944 verwoest. Het ontwerp was van Architectenbureau van der Meijden en Klaver uit Elst.
Vooraf: opening 1938 in de Broerstraat
Advertentie opening Het Zuivelhuis op Broerstraat 48, PGNC 13/1/1938
De eerste winkel in Nijmegen wordt geopend in januari 1938 op Broerstraat 48.
Zij heeft dan al een filiaal aan de “Rijnstraat en Steenstr.” (De Gelderlander 19/1/1938). In haar bedank-advertentie voor de opening van de Nijmeegse winkel: “Evenals in Arnhem zullen wij steeds het beste van het beste op het gebied van Volvette Boerenkaas blijven verkoopen voor den laagst mogelijken prijs.” (De Gelderlander 19/1/1938)
“Het Zuivelhuis.
Speciaal-zaken voor de artikelen boter, kaas en eieren waren hier nog niet.
Het was door den eigenaar van het Vrijdag jl. geopende zuivelhuis, Broerstraat 48, Nijmegen, wel goed gezien in onze stad zoo’n speciaalhuis te stichten.
In slechts enkele dagen was dit winkelpand in een kaaspaleis herschapen, waarbij vooral het interieur in smetteloos wit het artikel zuivel in hygiënische behandeling aanmerkelijk doet stijgen.
Er is daar een enorme voorraad kaas aanwezig terwijl wat kwaliteit betreft de jarenlange ervaring van den ondernemer op dit gebied wel aan de koopers borg staat dat zij het beste ontvangen.
Dan zij de goed opgezette reclame was er terstond groote belangstelling, waar men zich in Arnhem ook altijd verheugen mag.
Wij twijfelen dan ook niet aan het succes van den ondernemer.
In Arnhem is het Zuivelhuis gevestigd Rijnstraat 70A en Steenstraat 85 B.“ (De Gelderlander 22/1/1938)
Tijdens het bombardement van 22 februari 1944 wordt ook dit pand in Broerstraat verwoest.
Noodwinkels?
Advertentie Het Zuivelhuis (De Gelderlander 16/2/1950)
In februari 1950 heeft Het Zuivelhuis haar (nood)winkels op de 2e Walstraat No. 165 en Kelfkensbos 23. (De Gelderlander 16/2/1950)
Mogelijk betreft “Het Zuivelhuis” in de advertentie voor de nieuwjaarsgroet in De Gelderlander 31/12/1949 een tijdelijke noodwinkel van Het Zuivelhuis.
1951: Opening winkels Burchtstraat en Lange Hezelstraat
De Gelderlander 28/2/1951
In februari volgt de aankondiging dat op 1 maart 1951 de winkels op Burchtstraat 8 en Lange Hezelstraat 86 zullen worden geopend. Daarbij wordt de heer v. Hezewijk bedankt “die zo bereidwillig was zijn nieuwe pand voorlopig aan ons af te staan.”
Men verwacht dan het pand in de Broerstraat in 1951 of 1952 te kunnen openen.
1954 Opening Het Zuivelhuis, Broerstraat 41
De etalage van een van de vestigingen van het Zuivelhuis, Broerstraat 41, 1955 (GN43579 RAN)
Het document “Bestek en Voorwaarden” (D12.413479) zijn de bladen met handgeschreven berekeningen gedateerd op Arnhem, februari 1953, Architectenbureau v.d. Meijden en Klaver. De opdrachtgever is de heer J. v.d. Bas te Oosterbeek. Op het voorblad staat daarbij A.J. v.d. Meijden, Architect B.N.A., Julianplein 64, Arnhem.
Plan voor herbouw Winkel en woning a.d. Broerstraat J.v.d Bas te Nijmegen, Architectenbureau vd Meijden/Klaver Elst (Gld), datum tekening december 1951 (D12.413484)
Vrijwel de gehele grond bestaat uit de winkel. Aan de voorkant is er een terugliggende entree, met in het midden een vierkante etalage. Op deze etalage staat het opschrift van de winkel.
Advertentie opening Het Zuivel Broerstraat (De Gelderlander 24/2/1954)
Bij de opening Het Zuivelhuis
Het Zuivelhuis bij de opening van het nieuwe pand aan de Broerstraat, Broerstraat 41, 1954 (GN3856 RAN)
Wanneer Het Zuivelhuis in 1954 opengaat, schrijft de Gelderlander:
“Het Zuivelhuis in Broerstraat heropend
In de Broerstraat, op no. 41 is hedenmiddag Het Zuivelhuis heropend, nadat het tien jaar geleden, bij de ramp van 22 Februari in dezelfde straat was vernield. Voor de eigenaar de heer J. van der Bas was dit een bijzonder prettige gebeurtenis, omdat in het prachtige nieuwe winkelpand in de Broerstraat thans zijn vijf en twintigste filiaal in ons land is gevestigd. In de zeer korte tijd van vijftien jaar heeft de heer van der Bas het verstaan om door grote energie en voortreffelijke zakenkennis een bedrijf op te bouwen in tal van plaatsen van ons land, maar vooral in het Zuiden, zijn vertakkingen heeft. In Nijmegen zijn u drie filialen van Het Zuivelhuis gevestigd. Dat in de Broerstraat, dat met een persoonlijk woord van de eigenaar-opzichter werd geopend, mag als een staal van eerste klas moderne winkelinrichting worden beschouwd. Van de nieuwste vindingen werd een dankbaar gebruik gemaakt om van de twintig meter diepe winkel een echte verkoopwinkel te maken. Opvallend is de verlichting, volgens een geheel nieuw systeem. Ze is rustig en vol sfeer. Ook de betimmering is volgens een geheel nieuw procedé; hierdoor komen vooral de speciale afdelingen tot haar recht. Merkwaardig is de optische weegschaal, waardoor het gewicht uiterst nauwkeurig valt af te lezen, terwijl de verkoopster zelf niet hoeft te rekenen om de prijs te bepalen. De toonbanken zijn op de verkoop en demonstratie van de artikelen ingericht en een koeltoonbank zorgt dat de etenswaren fris blijven.
Onder leiding van architect van der Meijden uit Arnhem kwam dit mooi winkelpand, een aanwinst voor de Broerstraat, tot stand. Het werd gebouwd door de aannemer van der Sluis te Nijmegen.
Tal van bloemstukken getuigden van veler sympathie bij de herbouw van Het Zuivelhuis dat bij de opening aan de heer M.C. Nieuwenhuizen, de exploitant van dit vijf en twintigste filiaal, werd overgedragen.” (De Gelderlander 25/2/1954)
Gezicht op de oostzijde van de Broerstraat, met o.a. de winkelpanden van (v.r.n.l.) Schoenhandel Van Haren, Juwelier Van Hout Ververgaard, Zaadhandel Lahey-Fliervoet, Het Zuivelhuis, kledingzaak Het Jaegerhuis, Stoffenhandel Hommen en Co, Juwelier Jac van Baal , Herenmodezaak J.S. Meuwsen en Warenhuis Firma A.A. van der Borg, 1955 (GN3872 RAN)
In het Adresboek 1955 komt Nieuwenhuizen, filiaalhouder, voor op nummer 4
Momenteel (maart 2026) zit Ramses in het pand.
Vervolg Het Zuivelhuis
Advertentie aankondiging opening Het Zuivelhuis Groenestraat (De Gelderlander 2/6/1954)
Er is nog niet uitgebreid onderzocht wat het vervolg van Het Zuivelhuis is geweest.
In 1954 zal de vierde vestiging volgen, op Groenestraat 178. Daarna wordt ergens in 1954/1955 wordt daarnaast de vestiging Kapiteelpad (Paul Krügerstraat) geopend (De Gelderlander 7/12/1955).
Van der Meijden en Klaver
Balkon Broerstraat 41 (maart 2026)
Het architectenbureau van de Meijden en Klaver komt voor in een essay over architect Campman: “De eerste ervaring met bouwen doet Campman op als hij in 1945 en 1946 meehelpt met de bouw van een watertoren in Tiel. Tijdens zijn opleiding in Tilburg werkt Campman bij verschillende architectenbureaus om praktijkervaring op te doen. Hij begint bij Van der Meijden en Klaver in Arnhem. Een bureau dat zich voornamelijk bezig houdt met woning- en landhuisbouw.” https://zoeken.nieuweinstituut.nl/nl/personen/detail/cde0e8b0-e36c-55e1-979f-e7e9f9501522
In 1951 komt het Architectenbureau v.d. Meijer & Klaver voor op de Aamstestraat 16a in Elst bij een personeelsadvertentie voor een “direct gevraagd: ervaren Bouwkundig Tekenaar vlot detailleren vereist.” (De Gelderlander 26/4/1951)
Gevonden aanbestedingen
Wanneer
Wat
Waar
Omschrijving
Bron
1952
Winkel-Woonhuis
Dorpsstraat, Elst
Het bouwen van een Winkel-Woonhuis aan de Dorpsstr. te Elst (G)
De Gelderlander 26/4/1952
1952
Woonhuis
Schoolstraat, Lent
Het bouwen van een Woonhuis aan de Schoolstraat te Lent
De Gelderlander 26/4/1952
Woningen
Lent
Het bouwen van 20 woningen te Lent, waarvan 11 stuks voor de Protestantse Woningbouwvereniging “Beter wonen zij ons doel” te Elst (Gld.) en 9 stuks voor de R.K. Woningbouwvereniging “St. Jozef” te Elst (Gld.)
De Gelderlander 17/9/1952
A.J. van der Meijden
Van architect A.J. van der Meijden zijn inmiddels een aantal andere werken gevonden. Hierbij dient een slag om de arm te worden gehouden, omdat het eventueel om meerdere architecten met dezelfde naam kan gaan:
1924, Villa Yamas, ‘s-Gravelandseweg 172, Hilversum
“De villa werd in 1924 gebouwd op een perceel dat behoorde tot de tuin van nummer 178. De opdrachtgever was Marius Spoon en de architect A.J. van der Meijden. Spoon was in 1873 in Oudenhoorn geboren en getrouwd met de drie jaar jongere Helena Catharina Kluit uit Den Briel.”https://www.dudokarchitectuurcentrum.nl/andere-werken/villa-yamas/ (met foto)
“Deze ansichtkaart heeft een verkeerd onderschrift, niet Aluminiumweg maar het is de Waltersingel. Het zijn drie portiekflats à 18 woningen. Ze zijn gebouwd in 1955-1956 in opdracht van Wabo BV uit Gouda. Architect was A.J. van der Meijden uit Arnhem. (Foto: Coll. B. Meester)” https://www.oud-apeldoorn.nl/straten-a-z/a/aluminiumweg.html (met foto)
“Deze stempel met woningen van architect Van der Meijden heeft een aantal kenmerken die exemplarisch zijn voor de zogeheten Delftse school-architectuur in de jaren vijftig: ruimtelijkheid en symboliek. De schuin uit de gevel komende balkons vormen een nadrukkelijk ruimtelijk element en bieden tegelijkertijd letterlijk ‘uitstekend’ zicht. De entrees zijn met een omlijsting en stoepjes vormgegeven om de overgang van de buitenwereld naar de ‘veilige’ binnenwereld aan te geven.
De opzet van deze stempel met de karakteristieke architectuur en de openbare ruimte met een groen verkeersplein en groene binnentuinen is opvallend gaaf gebleven. (Op de kunststofpuien na, maar die vormen geen bezwaar voor de selectie). Aanvullend op de stempel ontwerpt architect Van der Meijden ook twee identieke blokken met een kleine winkelstripje (nog in gebruik) aan de Ruygenhoeklaan, hier zijn originele bronzen winkelpuien uit de bouwtijd nog aanwezig.
Rond 1932 heeft W. Scholte-Derks de winkel van H. Brunninkhuis op de Molenstraat 23 overgenomen. Een van haar specialiteiten is het Jaeger ondergoed. Een verbouwing van ’t Jaegerhuis volgt in 1940, waarvan Okhuysen de architect was. Nadat de winkel tijdens het bombardement was verwoest, volgt uiteindelijk in 1952 de herbouw aan de Broerstraat. Ook hier leverde Okhuysen het ontwerp.
Vooraf
In PGNC 20/9/1929 is nog een advertentie van Bruninkhuis zelf gevonden, waarin ook met Jaeger ondergoed wordt geadverteerd. Jaeger is een soort gebreid, wollen ondergoed.
Brunninkhuis zat vanaf 1912 op dit adres. Lees hier hier artikel over de opening en de verbouwing door van den Boogaard:
In ieder geval komt de naam ’t Jaegerhuis voor in een advertentie in De Gelderlander 21/10/1933 voor (als afgiftepunt voor stomerij/ververij “Het Firmament”).
De Molenstraat , gezien in zuidelijke richting , met links ’t Jaegerhuis Damesmode en daarnaast de (oude) Petrus Canisiuskerk , de pastorie en het Oud Burger Gasthuis, 1934-1944 -afgaande op de verbouwing is de foto van na 1940 (GN5431 RAN)
“Het Jaegerhuis: Ingrijpende moderniseering
De firma W. Scholte-Derks, die bovengenoemde zaak in tricotages sinds jaren gevestigd heeft aan de Molenstraat 23, naast de kerk, heeft haar pand verbouwd en uitgebreid. De geheel gemoderniseerde winkel is hedennamiddag geopend. De verbouwing is geschied onder architectuur van bouwbureau Ockhuizen en is uitgevoerd door het aannemersbedrijf De Groot. Het moderne interieur vormt met de pui een mooi geheel. De eiken betimmering, die aan weerszijden de zaak verfraait, wordt afgewisseld door geslepen glazen kasten, waarin sjaals, fijne zakdoeken, corsages, handschoenen, enz. op smaakvolle wijze zijn geëtaleerd. Ook het glas in loodwerk, geleverd door de firma Ockhuizen is op kunstige manier aangebracht en in lichte kleuren gehouden; het brengt warmte aan het geheel. Het schilderwerk van de firma Tesser past zich goed bij deze moderne zaak aan en geeft haar cachet. Het Jaegerhuis is er zeer op vooruit gegaan.” (PGNC 18/12/1940)
‘t Jaegerhuis plaatst in 1941 de nodige kleine advertenties voor kousen reparatie, zoals in PGNC 25/8/1941. Ook in de jaren daarna, in de noodwinkel op de Bisschop Hamerstraat (onder ander De Gelderlander 28/1/1952) en de nieuwe winkel in de Broerstraat (onder andere De Gelderlander 8/11/1952), zal ze regelmatig met kousen-reparatie adverteren.
Tijdens het bombardement van februari 1944 werd ook dit pand verwoest.
Noodwinkel
De etalage van de noodwinkel van W. Scholte – Derks: “het Jaegerhuis”, Bisschop Hamerstraat 23, 1950 (GN3558 RAN)
Afgaande op het nieuwbouwartikel uit 1952, heeft ’t Jaegerhuis daarna haar winkel gehad op het Mariënburgplein. Hierover zijn nog geen verdere gegevens gevonden. Wél een aankondiging “Wij zijn weer geopend!” in De Gelderlander 15/11/1944. Dan is haar adres van 9.30-12.00 Oranjesingel 36 en na 12.00 Bisschop Hamerstraat 3 (De Gelderlander 15/11/1944).
Uiteindelijk zal de ’t Jaegerhuis een van de noodwinkels op de Bisschop Hamerstraat betrekken, zie de bovenstaande foto.
Let op de foto op het 4-Daagse doek. In 1953 heeft ’t Jaegerhuis ook de alleenverkoop van het St. Steven-doek: “In opdracht van “’Jaegerhuis”, vervaardigd op Neêrlands beste weefgetouwen, een bij uitstek geschikt aandenken voor u en uw kennissen. De St. Steven-doek zal evenals onze bekende 4-daagse doek bestemd zijn om de faam van Nijmegen vér uit te dragen.” (De Gelderlander 6/7/1953)
1952 Nieuwbouw Broerstraat
Broerstraat 37-39
Het Jaegerhuis, de etalages van het nieuw gebouwde pand aan de Broerstraat 37; 1952 (GN3835 RAN)
In het weekend van 1952 (“gisteren”, Nijmeegsch dagblad, 7-11-1952) gingen 3 winkels in de Broerstraat open. Een van de winkels was ’t Jaegerhuis, de andere 2 Bakkerij Strik en de Society Shop. Het Nijmeegsch Dagblad:
“In de morgenuren werd op de nummers 37-39 geopend “’t Jaegerhuis”, dat zich heeft gevestigd in een fraai pand, door de architect J.D.A. Okuijsen en de aannemer De Groot gebouwd. Er is een zeer fraaie winkelruimte geschapen, met daarachter paskamers en kantoor, waarin de meubelfabrikant Wageningen een smaakvolle betimmering aanbracht. In een der wanden trekt de bijzondere aandacht het prachtige gebrandschilderde raam dat door de kinderen van de heer en mevrouw Scholte-Derks gistermorgen ter gelegenheid van de opening van de zaak werd aangeboden. Het is vervaardigd door pater de Visser van de Van Eyck-academie uit Maastricht. Vanzelfsprekend werden bij de opening vele hartelijke woorden gesproken, onder meer door wethouder Beukema namens het gemeentebestuur. Deze roemde de spirit en de geestkracht welke nodig waren om deze herbouw tot stand te brengen nadat ’t Jaegerhuis tot tweemaal toe (eert op de Molenstraat, daarna op het Mariënburgplein) werd getroffen.”
Het Jaegerhuis aan de Broerstraat 37, in verband met de opening van het nieuwe pand; 1952 (GN3842 RAN)
In 1956 houdt zij 2 dagen een modeshow van bad- en strandmode (De Gelderlander 12/5/1956).
In ieder geval komt ’t Jaegerhuis nog voor in het Adresboek 1971.
Vervolg
Broerstraat 39 (maart 2026)
In ieder geval zit in maart 2026 het Italiaanse lingerie bedrijf Intimissimi in de winkel.
Daarvoor was het een Levi’s winkel, welke in februari 2024 te huur is (Oozo.nl). Levi’s zelf zat er vanaf ongeveer 2016/2017 (aanvraag omgevingsvergunning en Noviomagus.nl) en daarvoor Invito.
Zie voor foto’s en een verder artikel Noviomagus.nl.
Lindenholt is een zeer groen stadsdeel van Nijmegen. Een deel bestaat uit het voormalige dorp Neerbosch. Bij de aanleg van het Maas-Waal kanaal verdween een deel van dit dorp en het restant werd doormidden gesneden.
Historie
Groen Lindenholt (oktober 2024)
Prehistorie en oudheid
De eerste sporen van de aanwezigheid van mensen zijn de vondst van een kokerbijl en aardewerk. De kokerbol is gevonden op een akker bij voormalige weeshuis Kinderdorp Neerbosch en stamt uit de late bronstijd (1100-800 v, Chr). Bij boerderij Bijsterhuizen is aardewerk uit de vroege of midden-ijzertijd (vanaf circa 700 v. Chr) gevonden.
In de Romeinse tijd was het gebied bewoond. Aan de Bijsterhuizensestraat zijn scherven van potten en aardewerk gevonden. Bij het voormalig weeshuis Kinderdorp Neerbosch lag een grafveld, waar onder andere een beeldje van de god Mercurius is gevonden “dat blijk geeft van rijkdom en van romanisering van de doden in de 2de eeuw na Christus.” (wikipedia)
Middeleeuwen: Lyndenholt
De naam Lindenholt komt al voor in de 13 eeuw: “De naam Lindenholt komt als Lyndenholt al voor in de 13e eeuw.” En: “De naam Lindenholt of Lindenhout is zeker al zo’n 700 jaar in gebruik. In akten van rond 1300 is al sprake van Lindenhout, een bosrijke wildernis, die pas laat in cultuur is gebracht.” (Hendriks 1987, zoals weergegeven in het Straatnamenregister)
Wikipedia: ”Het was toen een wild bebost gebied. In een brief uit november 1300 geeft de graaf van Gelre toestemming het gebied te ontginnen. In die brief is ook sprake van het gebied Honicholt. De huidige Lindenholtse wijken liggen bijna allemaal in het voormalige Honicholt, terwijl in het historische Lyndenholt landbouwgebied, de snelweg A73 en een afvalverwerking gelegen zijn.”
Neerbosch
Een deel van Lindenholt bestaat uit het voormalige dorp Neerbosch. Bij de aanleg van het Maas-Waal kanaal verdween een deel van dit dorp en het restant werd doormidden gesneden. Een groot deel van dit gebied bestond uit het Kinderdorp Neerbosch.
Ook de belangrijkste straat, de Dorpsstraat, werd doormidden gesneden. Het stuk van deze Dorpsstraat heet vanaf 1924 in het Lindenholtse gedeelte “St. Agnetenweg”.
“Het door den aanleg van het Maas-Waalkanaal afgesneden Westelijk deel van de Dorpsstraat te Neerbosch, tusschen den Westkanaaldijk en den spoordijk, is genoemd naar het voormalig klooster Sint Agnes, dat aan dit weggedeelte bij de Schaapswetering was gelegen. Hier is nog een bouwhoeve genaamd: Het Klooster.” (Teunissen 1933, zoals weergegeven in het Straatnamenregister)
Aan deze weg liggen nog een aantal oorspronkelijke boerderijen.
1977 start bouw
In 1977 begon de bouw van de wijk De Kamp. ’t Acker is gebouwd tussen 1980 en 1984. Vanaf 1983 wordt met ’t Broek begonnen. Allereerst de Hegdambroek en Wedesteinbroek. Daarna het Leuvensbrok. Begin jaren 90 wordt het Hotgesbroek gebouwd. Lindenholt bestaat voor het grootste deel uit laagbouw, dit in tegenstelling tot Dukenburg.
Westkanaaldijk
Daarnaast werd het industrieterrein Westkanaaldijk gebouwd. Daarbij is opvallend dat de straten hier, in tegenstelling tot overig Lindenholt, namen hebben in plaats van nummers.
Aan het Maas-Waalkanaal ligt de loswal van 165 meter lengte en een diepte van 3,5 meter. De huidige loswal was een vervanging van de loswal Neerbosch, die in 1985 is gesloopt. Daarbij was op de plaats van het industrieterrein aanvankelijk een haventerrein -Westkanaalhaven- gepland, maar deze plannen zijn uiteindelijk niet doorgegaan.
Naast de Westkanaaldijk is bedrijvigheid van Lindenholt vooral te vinden in het Bedrijvenpark Lindenholt.
Water en Groen
Lindenholt (oktober 2024)
Het stadsdeel ligt in een poldergebied en er is dan ook veel oppervlaktewater. Vooral tussen de wijken is er veel water en groen. Zij volgen vaak oude watergangen, als de oude “strengen”, oftewel vertakkingen, van de Maas, “die hun sporen in de ondergrond hebben nagelaten.” (https://lindenholtleeft.nl/uitgelicht/water-leeft-gescheiden-in-lindenholt?utm_source=chatgpt.com). Daarnaast waren voor de ontwatering de sloten voor de polder erg belangrijk, onder andere vanwege kwelwater.
“Op de plekken waar we veel zand vinden, kwamen woningen en op de veenstroken zijn de waterpartijen te vinden. Op de natte gronden (met een slecht waterdoorlatende kleilaag) zijn de kantoren en bedrijven gebouwd, die later de basis van de Brabantse Poort vormden. (https://lindenholtleeft.nl/uitgelicht/water-leeft-gescheiden-in-lindenholt) Naast de watergangen zijn ook vijvers te vinden.
Naast een aantrekkelijke woonomgeving dienen deze watergangen en vijvers ook nog een ander doel: het opvangen van regenwater. Lindenholt heeft vanaf het begin 2 rioleringssystemen: 1 voor de opvang van het “vuilwater” van woningen en bedrijven. En 1 voor de opvang van regenwater en andere neerslag: deze komen via buizen uit op de waterpartijen. Doordat de vijvers met elkaar in verbinding staan, kan het grondwaterpeil worden gereguleerd.
Vonckstraat: Woningen, gebouwd door de Stichting Volksbelang van 1895, gezien vanuit de Prins Bernhardstraat in de richting van de Groesbeeksedwarsweg, 1983 (Frank Eliëns via F10030 RAN)
Oprichting Volksbelang
Op 9 januari 1895 richten een aantal (veelal gegoede) Nijmegenaren de Vereeniging Volksbelang op, met als doel “de verbetering der arbeidende klasse en verdere minvermogenden te Nijmegen”. De oprichters zijn:
Jonkheer Meester F.X.G.M. (Franciscus Xaverius Gerhardus Maria) van Nispen tot Sevenaer, zonder beroep
Jonkheer Meester C.C.G. (Carel Cijprioioen? Gerard) de Pesters, zonder beroep
Aeg. (Aëgidius) Timmerman, zonder beroep
Het PGNC vermeldt Geertsema pas de volgende dag. Aangezien hij de gemeente gaat verlaten, is hij geen bestuurslid (Acte, PGNC 29/1/1895 en PGNC 30/1/1895).
“Ter bereiking van het beoogde doel zullen ten
1e. goede en goedkope arbeiderswoningen worden gebouw en
2e woningen, die bij uitstek als ongezond bekend staan, bij voorkomende gelegenheden worden opgkocht om hetzij verbeterd, hetzij gesloopt te worden, dit laatste echter slechts uit de overwinsten der stichting.
Voor het bereiken van haar doel wil de stichting een geldlening van in totaal 125.000 gulden aangaan, waar intussen 53.000 gulden is geplaatst in de vorm van aandelen, waarover 3% rente zal worden uitgekeerd.
“Wij vertrouwen, dat niet ten onrechte de mannen, die dit inderdaad goed werk hebben aangevat, op den steun hunner stadgenooten rekenen. Zeer terecht merken zij op, dat men daardoor medewerkt tot het bereiken van een doel, dat van overwegend maatschappelijk belang moet worden geacht, niet alleen door de beoogde bevordering van de moreele en materieele welvaart der volksklasse, maar ook door de daarmede gepaard gaande verbetering van den algemeenen gezondheidstoestand in deze stad.” (PGNC 29/1/1895)
Aankoop grond
Op 1 februari 1895 koopt van de landbouwer Cornelis Derks “Een perceel bouwland nabij het gemeente Kerkhof te Nijmegen, kadastraal bekend Gemeente Hatert Sectie A Nummer 175 bouwland groot veertig aren tachtig centiaren” voor 2.800 gulden (Inventarisnr 112, archiefnr 450, Actennr 4501)
Geldlening
Singendonckstraat 12 – 18, september 1988 (Ber van Haren via KN12989-13 CC0)
Het verkrijgen van de benodigde leningen gaat mogelijk wat moeilijker dan verwacht. Het PGNC plaatst op 12 februari 1895 een herinnering, dat de inschrijvingstermijn op 15 februari zal verstrijken: “Naar hetgeen wij vernemen, wekt deze nieuwe stichting wel veel sympathie, doch schijnen velen de deelneming toch van uit een onzes inziens verkeerd standpunt te beschouwen; zij achten dit eenigzins eene gift, en dit is het volstrekt niet.” Het bestuur benadrukt dat het daadwerkelijk om een lening gaat, zij het niet vrij verhandelbaar. En ze onderbouwt de rente van “slechts” 3%: veel soliede beleggingen zouden sowieso niet meer dan 4% opleveren. Daarbij is “het ook eigenlijk de eenige opoffering, “die voor het goede doel wordt gevraagd”. Bovendien hebben de bestuursleden gezamenlijk al f50.000,- ingelegd.
Aanleg 3 straten?
Interessant daarbij is de Gemeenteraadsvergadering van 28-6-1895: Volksbelang heeft daarbij aan de gemeente gevraagd op haart terrein “gelegen tusschen de Groesbeekschn dwarsweg en de Algemeene Begraafplaats” 3 wegen aan te leggen met een breedte van 12 meter. B en W stelt voor afwijzend te reageren, maar dat de gemeente bereid is om de 3 wegen op kosten van Volksbelang aan te leggen, waarbij Volksbelang de grond afstaat.
De gehele gemeenteraad vindt dat Volksbelang belangrijk werk wil verrichten om voor betere woningen voor de arbeidende klasse zorg te dragen. Zij is echter bang dat zij niet weet welk “nieuw pad” de gemeente in zal gaan wanneer men dit voorstel mee gaat wanneer men het voorstel van Volksbelang ten volle zou steunen. Daarop wordt besloten om de vooralsnog eerst de aanleg van de middenweg aan te leggen en voorlopig de andere 2 niet. Uit de besprekiing blijkt bovendien dat Volksbelang daarvóór reeds een voorstel had ingediend welke was afgekeurd door de gemeente: daarbij ging het om 3 wegen waarbij alleen de middelste weg 12 meter breed zou zijn en de andere 2 10 meter. Daarbij zouden deze wegen doorlopen tot de begraafplaats. (PGNC 30/6/1895).
Volksbelang vraagt daarop de aanleg van een weg aan, zodat zij de eerste 55 woningen kan bouwen. Dit voorstel neemt de Gemeenteraad de volgende vergadering, op 13 juli 1895, aan (PGNC 14/7/1895 en Verslag der Gemeente 1895).
In 1897 verzoekt Volksbelang tot de verharding van de 3e straat. Deze wordt gehonoreerd (Gemeenteverslag 1897). Daarbij lijkt de 2e straat ook in 1895 te zijn gerealiseerd.
In 1898 neemt gemeente Nijmegen de 3 straten van Volksbelang over (Gemeenteverslag 1898)
18995/1896: Eerste 55 woningen: Volksbelang I
Singendonckstraat (maart 2026)
Het betreft de huidige Singendonckstraat en zuidzijde van Lyndenstraat
Op 20 augustus 1895 besteedt architect W.J. Maurits de bouw van 55 woningen “op een terrein, gelegen aan de Groesbeeksche Dwarsstraat te Nijmegen” aan. Hiervan was Verheij met f72.000 de laagste inschrijver (PGNC 8/8/1895 en PGNC 21/8/1895). Het werk werd die avond nog niet gegund en waarschijnlijk is deze gunning niet doorgegaan: het PGNC schrijft een aantal maanden later, op 22/12/1895 dat er “gisteren” een onderhandse aanbesteding is geweest. Daarbij is het werk gegund aan de laagste inschrijvers, Smit en Opsomer voor f72.685,-.
Het PGNC over de eerste 55 opgeleverde woningen:
“Sinde eenigen tijd zijn op het ruime en reeds door twee breede wegen doorsneden terrein ten oosten van de Gemeentelijke Begraafplaatsen een aantal eenvoudige woningen verrezen. Het zijn de arbeiderswoningen, vijf-en-vijftig in getal, van de stichting Volksbelang, welke voor eenigen tijd alhier werd opgericht door eenige gegoede stadgenooten, die tegen matige rentevergoeding hun geld voor dit van practisch philantropischen zin getuigend plan beschikbaar stelden.
Nauwelijks gereed, waren nagenoeg alle huisjes verhuurd, wel een bewijs, dat zij aan eene groote behoefte voldeden. En het loont waarlijk wel de moeite eens te gaan zien, hoe flink en degelijk Volksbelang haar taak heeft uitgevoerd. Ieder huurder heeft een afzonderlijk huisje- er zijn er in twee grootten- benevens een niet onaardig stukje tuin. De huisjes zijn geriefelijk ingericht, van verschillende gemakken voorzien en, behalve de benedenvertrekken, is op de zolders ook nog voor een ruime kamer gezorgd, wat gezinnen met meerdere kinderen zeker zeer welkom is. Ook laat de afwerking niets te wenschen over.
Waar aanvankelijk deze stichting reeds op een zóó groot succes mag bogen, vertrouwen wij, dat zij niet zal dralen verder op dezen weg voort te gaan, daarbij gesteund door velen, die op deze wijze hunne medewerking willen verleenen, om aan den arbeider een aangename, ruime en gezonde woning tegen een niet te hoogen prijs te bezorgen.” (PGNC 21/10/1896)
Bij de 2e jaarvergadering van Volksbelang worden 2 nieuwe bestuursleden gekozen:
Louis Terwindt
O.J.G. van Wageningen
Zij vervangen C.A. Steur die is overleden en Aeg. Timmerman, die gestopt is als bestuurslid.
“De tot dusver gebouwde woningen, 55 in aantal, welke allen zijn verhuurd, voldoen uitstekend, en blijken in groote behoefte te voorzien. Voortdurend melden zich nieuwe huurders aan. Het bestuur heeft dan ook besloten tot den bouw van nieuwe woningen over te gaan, voorloopig tot een aantal van 24.” Daarna volgt een oproep om een obligatielening af te sluiten. (PGNC 11/3/1897)
1897 24 woningen Volksbelang II
Het betreft de noordzijde van huidige van Lyndenstraat en 6 woningen aan Groesbeeksedwarsweg (Behuisd in ’t Volksbelang)
1898: 37 woningen Volksbelang III
Het betreft de huidige Vonckstraat.
Qua nieuwbouw is Volksbelang III het laatste van dit bouwproject.
2008: Vernieuwbouw
Van Lyndenstraat: ‘Vernieuwbouw’ en renovatie van de Volksbelang buurt, 2008 (Jan Eichelsheim via DF124 RAN CCBYSA)Van Lyndenstraat: ‘Vernieuwbouw’ en renovatie van de Volksbelang buurt, 2008 (Jan Eichelsheim via DF123 RAN CCBYSA)
Het Quack-monument is vernoemd naar Quack was van 1902 tot 1919 wethouder van de gemeente. Bij zijn overlijden liet hij een legaat na aan de gemeente, op voorwaarde dat Nijmegen een fontein vernoemd naar hem en zijn zus zou oprichten. Het ontwerp was van Architect W. Bijlard.
Arnoldus Burchard Adolphus (“Adolf”) Quack
Adolf Quack als gemeenteraadslid 1910 (detail F65766 RAN)
De bovenstaande foto is een detail van F65766 RAN, een foto met de leden van Gemeenteraad Nijmegen.
Arnoldus Burchard Adolphus Quack (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 11 november 1920)
Maria (Marie) Christina (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 15 maart 1905)
Adolf Quack en Maria Christina waren tweelingen, geboren in een dan al welgestelde familie. Zij werden in 1842 geboren op Huis Hoogenhuizen te Sint Anna. Jij zal ongehuwd blijven en altijd met zijn zus samen blijven wonen. Aanvankelijk op Hoogenhuizen, later op Villa Hundisburg bij de Batavierenweg.
Quack was ondernemer en had onder andere een groot grindbaggerbedrijf.
Hij wordt in 1889 lid van de gemeenteraad; van 1902 tot 1919 was hij wethouder.
Zoals voorgangers ook voor hem hadden gedaan, wilde hij iets nalaten ter verfraaiing van Nijmegen.
Ontwerp
Het ontwerp was van architect Willem Bijlard; er werd gekozen voor “den meest rationeelen weg: ze gaven den Adj. Directeur van Gemeentewerken, tot wiens werkkring het behoud van het stedelijk schoon behoort, de opdracht een ontwerp te maken. (De Gelderlander 2/2/1925)
Het is de vorm van een obelisk in art-decostijl. Het heeft 4 fonteinen. Een daarbij aan elke zijde onderaan een klok en bovenaan een lantaarn. Wikipedia: “In de jaren 1920 en 1930 deden ontwerpers inspiratie op uit de meest uiteenlopende exotische culturen. Naast de ‘art nègre’ (Afrikaanse kunst), de Maya- en Azteken-cultuur, Polynesië en Sumatra was dat voornamelijk de Egyptische beschaving van de farao’s. De directe aanleiding voor de Egypte-rage was de spectaculairste archeologische vondst van de eeuw: de ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922”.
De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)
Krantenartikel 1926
“De Maria-Adolf Fontein
Ontwerp van Architect W. Bijlard.
De voorgeschiedenis zal onen lezers bekend zijn: De heer A.B.A. Quack, oud-wethouder der gemeente Nijmegen, liet bij zijn overlijden een legaat na tot stichting eener monumentale fontein op een der pleinen onzer stad. Na heel veel moeilijkheden over de opvatting der bedoelingen van den erflater hakte het gemeentebestuur den knoop logisch door met de besluiten: dat het een fontein moest worden en geen beeldhouwwerk, waaruit water spuit. Daarbij werd als plaats aangewezen het vijfvoudig wegenkruispunt aan het einde der Spoorstraat, én ontwerp én uitvoering opgedragen aan den heer W. Bijlard.
Zoo’n opdracht is gauw gegeven en zoo’n plaats is gauw aangewezen, maar voor ’t eerste moet men een kunstenaar hebben en voor ’t laatste moet men rekening houden met de moeilijkheden, die uit zoo’n keuze voor den ontwerper groeien, en die soms zijn fantasie in een ijzeren keurslijf wringen, altijd tot groote schade van het schoon dat in een totaal vrije uiting tot stand zou komen.
In een ander blad is destijds op heldere wijze aangetoond, waarom de obeliskvorm gekozen, waarom als materiaal Zweedsch graniet gebruikt zou worden. Wij hadden niet de gelegenheid toen de maquette te zien, die onbegrijpelijk genoeg eerst nu geëxposeerd wordt, ofschoon een dergelijk stuk werk waarachtig niet onder de korenmaat behoefte gezet te worden.
Wij behoeven hier dus niet verder op in tegaan, maar wel meenen we in verband met den eisch van den schenker: het stichten eener monumentale fontein; en de door het gemeentebestuur aangewezen plaats te moeten wijzen op de bijna onoverkomenlijke moeilijkheid, waaraan men den ontwerper ketende. Hier kan nooit een flink spuitende fontein geplaatst worden, om de eenvoudige reden, dat op dit drukke verkeersplein zonder omringend plantsoen, een bruischende waterstraal bij den minsten wind den voorbijgangers een nat pak zou bezorgen; afgezien nog van de ongelukken, die schrikkende paarden zouden veroorzaken bij het onverwacht neerkletteren van het verstuivende water.
De vorm der watergeving lag dus door de opdracht al geheel aan banden, en de uitweg, dien de heer Bylaard gevonden heeft is zóó geniaal, zoo oorspronkelijk, dat hij zich hierdoor alleen reeds stempelt tot een kunstenaar.
De lastgeving spreekt van een monumentale fontein en in ieder monument moet spreken het “hic sto”; het materiaal moest dus “iets” beter zijn dan het zoogenaamde moderne fonteinensemble op den Schaeck Mathonsingel, waar onlangs heele stukken verweerd en verbrokkeld bij lagen, en dat nu reeds de gammelheid zijner constructie vertoont als een melaatsche Molokayer. Gelukkig, want men moest wel euneuch van kunst zijn om deze karakterlooze uitspatting op monumentaal gebied een welgemeend lang leven toe te wenschen.’
Thans nu de steigers en schuttingen gaandeweg rond het werk van Bylard verdwijnen, pakt ons al dadelijk de geweldig sprekende eenheid in zen arbeid. Wie zijn oogen kan gebruiken en dit ook doen wil, ziet terstond de ééne hand, die het schiep; de indeeling van het grondplan, de natuurlijk daaruit groeiende opstand, de bronzen versieringen, de bekroning, alles ontspringt aan ééne eerlijke fantasie.
Die eenheid in onderdeelen maakt de middeleeuwsche monumenten van bouwkunst zoo waardig, zoo rustig, zoo sterk sprekend en karaktervol. De bouwmeesters beheerschten toen de geheele stof, ziedaar de oorzaak.
De bovengenomede moeilijkheid der watergeving is hier opgelost door een niet al te grooten waterstraal te laten ontspringen aan vier verlichte glazen zuilen, die op zich zelf in vorm en lijn zuiver ontwassen aan het geheel, en die met hun gegolfde transparante zijvlakken het afvloeiende water metamorphoseeren tot een respectabele hoeveelheid. Dat water vloeit terug in vier schelpvormige bekkens, wier grondvorm men terugvindt in de opalen lichtwerpers der bekroning. Deze bekken zijn een kunstwerk van handarbeid in granito, door den heer L.S. d’Agnolo, granietwerker alhier, ter plaatse gemaakt.
Daar, waar de ronde vorm van den voet overgaat in den vierkanten zuilvorm, zijn de wijzerplaten aangebracht, vastgehouden door een bronzen band. Dit bronswerk is zooe subtiel van ontwerp en schitterend van uitvoering, dat het een waar meesterstuk is.
De gedachte aan het eeuwig wentelend rad van den tijd is niet vreemd aan het ontwerp dezer wijzerplaat, die vastgehouden wordt door de schakels, van een breeden keten met oriëntatiemedaillions. De verlichting dezer wijzerplaten is zeer mystieken verhoogt zoo eigenaardig den glans van het meesterlijke bronswerk, dat wij geneigd zouden zijn, dit een gelukkig toeval te noemen: ware het niet, dat het geheele monument het aanzien draagt en een artistiek verantwoordelijkheidsgevoel. De heer P.G. Duchateau te Rotterdam en de gebrs. Arens, edelsmeden alhier, leverden dezen metaalarbeid en kunnen trotsch zijn op dit kunstwerk.
Merkwaardig is de behakking van het voetstuk onder de klokken; daar is onder den beitel van een eenvoudigen steenhouwer, den heer H. Litjes, werkzaam bij de firma Tournay en Zn., de rossige steen geworden tot een tapijt met inscripties en vlakversieringen zonder dat het materiaal verkracht is, en toch volkomen de kennelijke bedoeling van den ontwerper werd bereikt; een overgang te krijgen tusschen den druk bewerkten klokkenband en den onbewerkten steen.
De opstand van het geheel doet aan als een obelisk doordat de kantlijnen naar boven zich verbreeden; meteen is door dit architectonisch handigheidje vermeden, dat de zuil naar boven zwakker werd en over zijn diagonalen scheeve aspecten gaf, wat al weer door de plaatsing op een vijfsprong bijna niet te vermijden scheen.
De grondgedachte van alle versiering, die de heer Bylard aanbrengt, waar hij als kunstzinnig architect zijn stempel opdrukt is, zou ik zeggen, de zich rondende lijn in ontelbare variaties zonder ergens in passerkunst te vervallen. De soepel golvende lijnen vindt men terug in de geledingen, waaruit de zuil is opgetrokken, en spelend naderen ze elkaar in de bekroning der massale afdekking. Even edel als de klokkenband is de versiering en bouw der bronzen lichtdragers, die al hun licht gelukkig, door nauwkeurig berekenden reflectoren naar beneden werpen.
Wie maar een oogenblik de geweldige brokken steen bekijkt waaruit de zuil is opgetrokken (ik scat ze op 4 à 5 ton) zal moeten toegeven, dat de technische ambtenaar G. de Bruin en de heer L. Hirdes, die met de opstelling belast waren hun hoogste verantwoordelijken arbeid schitterend hebben volbracht, hierin terzijde gestaan door de practisch zeer ervaren vaklieden de heeren Moolenaar en v. Rosmalen.
Voor vele bouwkunstenaars schijnt er tegenwoordig maar één grondwet te bestaan: n.l. het naar voren brengen van andere lijnen, verhoudingen en kleuren, gepaard met het bruut negeeren van alle begrip van logische constructie. Deze richting demonstreert gaandeweg grooter armoede aan aesthetische beginselen en componeert luk-raak rhapsodieën zonder eenigen samenhang. De treurige gevolgen deezer architectuur, waarin ieder broekje, dat zijn eerste schootsvel nog niet versleet mag roepen “anch io sone pittore”! zullen op de komende tijden al heel spoedig drukken en ons eerste nageslacht zal deze werken bestempelen als producten van ongare geesten, voor wie architectuur en soliditeit heterogene zaken waren!
Bylard heeft zeker niet te kort gedaan aan den modernen geest der nieuwe lijn, hij is waar gebleven overal, waar iedere constructie is een weloverwogen onderwerp van studie en tegelijk een uiting van subtielen smaak. Nijmegen is straks een merkwaardige kunstvolle versiering rijker, die den ontwerper nog eeuwen zal loven, omdat waarachtige kunst is van alle tijden. En een waarachtig kunstenaar is Willem Bijlard, die duidelijk een kind van zijn tijd blijkt, maar wiens eigen weg rust op een ondergrond van diepgaande studie, rijpe en rijke ervaring en bovenal eerlijken kunstzin. A.Kr.” (PGNC 20/5/1926)
Afgebroken
Tijdens de oorlog waren de glazen gedeeltes en de klokken vernield. In 1958 werd de fontein afgebroken om ruimte te maken voor het verkeer. Wel werden veel onderdelen van de fontein opgeslagen. In 1994 vond het initiatief plaats om de fontein op dezelfde plaats weer op te bouwen en in 2000 vond de herbouw plaats. Sinds 2008 heet het plein het Quackplein.
Fallus
Veel mensen zien in het monument een fallus. Bij de Wereldaidsdag van 2004 werd er een “condoom” overheen getrokken.
Willem Bijlard
Willem Herman Petrus Bijlard (Utrecht, 6 april 1875 – Nijmegen, 10 augustus 1940) was een architect. Som wordt zijn naam als Bylard geschreven. In Nijmegen werd hij adjunct-directeur gemeentewerken en stadsarchitect. Het Quack-monument lijkt zijn enige monumentale werk te zijn.
Jeugd en opleiding
Bijlard was de zoon van banketbakker Hermanus Gerardus Bijlard (1843 – 1923) en Catharina Maria Pompe (1847 – 1914). Hij volgde een opleiding bij architect Willem Herman Petrus Bijlard (Utrecht, 6 april 1875 – Nijmegen, 10 augustus 1940) was een Nederlandse architect.
Benoeming Adjunct-directeur van Gemeenterwerken
Hij vertrok in 1910 naar Nijmegen: op 8 augustus 1910 stemt de gemeenteraad over de benoeming tot adjunct-directeur van Gemeentewerken (De Gelderlander 7/8/1910).
Daarvóór had op verzoek van W. van der Waarden uitstel van de stemming plaatsgevonden: naast Bijlard staan -op basis van de initialen- niemand minder dan W.M. Dudok te Uithoorn en G. Diehl te ’s-Gravenhage op de lijst. (PGNC 14/7/1910). Hij zegt dat er “o.a. een bij uitstek theoretisch en practisch candidaat op de aanbeveling staat. Nu dient onderzocht, wat hier het best is, vooral in verband om de benoemde langer hier te kunnen houden”. (Deze personen worden niet bij naam genoemd). Dat laatste lijkt een belangrijke overweging te zijn; in de bepaling ook staat dat de nieuwe adjunct-directeur vijf jaar lang zal moeten blijven. Echter zijn er stemmen die vinden dat iemand die van “buiten” komt, sowieso 2 jaar nodig zal hebben om zich in te werken; een periode van 5 jaar is dan vrij kort. Aan de andere kant zijn er stemmen dat als ze een goed persoon willen hebben, verwacht mag worden dat deze carrière zal willen maken, zodat niet verwacht kan worden dat hij voor altijd zal blijven (PGNC 17/7/1910 en PGNC 19/7/1910).
Daarnaast is er de vraag of de nieuwe adjunct vervanger van de directeur zal zijn of dat hij een deel van het bureauwerk overneemt.
Op 8 augustus vindt dus de stemming plaats: Bijlard krijgt 13 stemmen ten opzichte van Dudok 9. In oktober 1910 vestigt hij zich in Nijmegen, hij is afkomstig uit Utrecht, Spaenstraat 15. (PGNC 22/11/1910)
Nevenactiviteiten
Naast het zijn werkzaamheden als adjunct-directeur, waarbij hij geregeld aanwezig is bij openingen van gebouwen, verschijnt Bijlard regelmatig in kranten als lid van een aantal comité’s. Zonder naar volledigheid te streven:
Nijmeegsche Kunstkring “In Consten Een”
In 1920 was Bijlard verkozen tot bestuurslid van de Nijmeegsche Kunstkring “In Consten Een” (De Gelderlander 24/2/1921 en PGNC 24/2/1921). In ieder geval is hij in 1922 secretaris. (PGNC 19/3/1923). Ook in 1928 is hij nog secretaris, wanneer I.C.E. zich beijvert voor een Toorop-tentoonstelling naar aanleiding van het overlijden van deze kunstenaar. (De Gelderlander 23/5/1928). En tevens in 1932 (1e) secretaris (De Gelderlander 8/12/1932).
Bestuurslid Door Eendracht Sterk (D.E.S.)
In 1930 is Bylard bestuurslid van “Door Eendracht Sterk” of kortweg D.E.S. Voor de Oranjefeesten verzorcht hij het ontwerp om van de vluchthaven aan de Lindenberg een zwemwedstrijdbaan te maken “welke zelfs op een Olympisch zwemfeest geen slechten indruk zou maken.” (De Gelderlander 20/8/1930). In 1936 wordt hij genoemd een van de “trouwe leiders” die “maar steeds de middelen weet te vinden om nog een vuurwerk te geven” op het Bijleveldterrein. (De Gelderlander 1/9/1936)
Overig?
In 1931 is Bijlard lid van het “Comité voor Huisvlijt”. Zijn adres is dan Berg en Dalscheweg 14 (De Gelderlander 9/11/1931).
In 1933 maakt hij het ontwerp voor het inrichten van de Grote Markt voor het opvoeren van de openluchtvoorstelling Marieken van Nieumeghen, waarbij hij Comité-lid is. (De Gelderlander 25/7/1933)
Ontwerp voor de Midwinter kermis in de Vereeniging (De Gelderlander 23/12/1937)
Ontwerp voor de Optocht Katholiekendag (De Gelderlander 12/7/1938); in dit artikel wordt tevens verwezen dat hij “destijds” de optocht voor het eeuwfeest tot het verkrijgen van stadsrechten had ontworpen.
25-jarig jubileum
De Gelderlander kondigt zijn 25-jarig jubileum op 1 september 1935 aan als: “De heer W.H.P. Bijlard is een der meest verdienstelijke ambtenaren der gemeente Nijmegen, die zich ook buiten zijn dagelijkschen werkkring, waaraan hij al zijn kunde en krachten gaf, ook nog wijdt aan verenigingen van algemeen belang.” (De Gelderlander 14/8/1935)
Voortzetting architectenbureau van Eduard Cuypers door broer
De broer van Bijlard, Henricus Joannes Antonius (1889 – 1947), heeft samen met Klazienis Van Geijn (1876 – 1956) het architectenbureau van Eduard Cuypers voortgezet. Toen kreeg het de naam ‘Eduard Cuypers Amsterdam’ en verhuisden van de Jan Luijkenstraat 2 naar de Beethovenstraat 59.
Het Kolpinghuis is gebouwd als verenigingsgebouw voor de Katholieke Gezellenvereeniging, ook wel St. Jozef Gezellenvereniging genoemd. De architect was Pierre…
Het Kolpinghuis (Katholieke Gezellen Vereeniging) gezien in de richting van de Bloemerstraat, 1930 (F32559 RAN)
Het Kolpinghuis is gebouwd als verenigingsgebouw voor de Katholieke Gezellenvereeniging, ook wel St. Jozef Gezellenvereniging genoemd. De architect was Pierre Cuypers. Doordat de vereniging hard groeide, was het gebouw al gauw te klein. In 1890 ontwierp architect A. van de Boogaard de verbouwing, waarbij het gebouw fors werd uitgebreid. Daarna volgden meerdere verbouwingen.
Het pand van de Katholieke Gezellenvereeniging (de St. Josephshof, later het Kolpinghuis) is in 1882 ontworpen door P.J.H.(Pierre) Cuypers ; gezien vanuit de Nassausingel ; links de Van Berchenstraat, Smetiusstraat, 1882 (F68520 RAN)
Het Kolpinghuis is gebouwd als verenigingsgebouw voor de Katholieke Gezellenvereeniging, ook wel St. Jozef Gezellenvereniging genoemd. De architect was Pierre Cuypers.
Mei 1881 inwijding
Jozef in de steigers (maart 2026)
In mei 1881 vond de inwijding plaats van de Jozefshof plaats., hoewel het gebouw nog niet volledig was afgewerkt.
Hieronder de tekst, die echter moeilijk leesbaar was. Tussen aanhalingstekens staat de vermoedelijke, ontbrekende tekst:
“Jozefshof
(…) is Jozefshof, het gebouw (van de Ge)zellen-Vereeniging ingewijd. Ofschoon (het niet) geheel afgewerkt, spreekt het reeds dui(delijk ee)n eenvoudig, ernstig woord in gevelvorm (…). Voor de geheele voltooiing zullen (wij on)ze lezers niet met den vinger wijzen (op d)e sierlijke lijnen, het natuurlijk kleuren(spel de)r oud hollandsche baksteenen, de opwek(kende) tinten en verven, het doelmatige van (het bou)wplan enz. Later zullen wij de gele(genheid) vinden, te beschrijven wat de stift van (…) aan Nijmegen geschonken heeft.
(…) het dak wapperde de vaderlandsche drie(kleur,…) de zaal, smaakvol met vlaggen, groen (… bloemen) getooid, had naast het beeld van (de be)schermheilige, de beeltenis van den Paus (en van) onzen Koning. Toepasselijke kernspreu(ken …) schilden met de stedelijke kleuren de (…) der steden van Nederland die de Ge(zellen-)Vereeniging bezitten, het geheel met met (den Paus)elijke en Oranjekleuren, dit alles drukte (…) feestelijkheid uit van het samenzijn.
(…)eerstelingen onder de gezellen die zich (uit deze?) stad naar de voorschriften der Gods(dienst to)t brave, kundige, werkzame ambachts(lieden en) tot nuttige burgers willen ontwikkelen, (… eer)waarde geestelijken zoo van elders als (van hie)r, tal van eereleden en belangstellenden (…)e ruime zaal.
(De opr)ichter van onzen Jozefshof, de Eerw. (Hoc)tin, sprak hij zijne openingsrede een har(telijk wel)komstwoord tot allen, stapte bescheiden over (…)legging van alles, zijn eigen werk, heen, om (…)ren voor te stellen, die uit den aard der (…)n het groote doel, verbeteren, vere(delen? va)n den werkmansstand, dien steun der (maatsch)appij, in den weg staan.
(…)dit groote doel aan aller belangstelling (kan worde)n aanbevolen, ging hij onder psalm(…)ot het naar kerkelijke ritus ingezegenen (van het) gebouw over. Hierna trad de centrale (…) der Vereeniging in Nederland, de Eerw. (heer van) Nispen op, die na gelukwenschen (van het t)ot stand brengen der edele stichting (… st)ad, oorsprong, doel en werking der (…)Vereeniging uiteenzette.
(…) iemand over eene zaak spreekt, die (vanuit?) het bloed, in de ziel gedrongen om (…) te leven en te sterven, zoo sprak hij (over de?) geliefde vereeniging.
… Kolping, den eenvoudigen, deugdzamen (…)ersgezel en priester, Gods leiding (…)vader der Gezellen-Vereening, hare (geschieden)is en bloei in Duitschland, in gansch (…) America, schetste hij in breeden (…)r toch zoo met feiten en (?…), om van het dagelijksch leven en streven van den ambachtsstand licht en schaduw te doen zien, en het hooge nut der vereeniging aan te toonen.
Zucht naar genieten, bandeloosheid onder den naam van vrij zijn, aanmatiging van oordeel over hetgeen men niet kent noch kan kennen- deze drie kankersoorten onzer hedendaagschen maatschappij, voortwoekerend onder alle klassen en niet het minst onder den ambachtsstand, waren zijn tweede doel.
Dat de Goddelijke openbaring tegen hoogmoed en genotzucht onderwerping en zelfbeheersching voorschrijft, en uit het opvolgen hiervan onder godsdienstzin, ijver en spaarzaamheid, het waarachtig geluk van den werkman en zijn gezin ontspruit- werd helder door den Eerw. spreker betoogd.
Als verslaggevers leggen wij onze pen neder, maar wij doen het niet voor onze medeburgers tot het helpen bereiken van het doel der Jozefsstichting te hebben aangespoord.
Jozefbeeld. Onder de plaquette van de Katholieke Gezellenvereeniging zijn nog de letters Jozefshof te lezen, Kolpinghuis (januari 2026)
De werkman vormt een zeer voornaam deel der maatschappij. Met zijne verbastering en verdierlijking, waarvan wij, helaas, vaak de bewijzen voor oogen zien, daalt zijn eervolle stand en bederft de maatschappij;met zijn verbeterin, zijne veredeling stijgt zijn welvaart en geluk, schenkt hij aan de maatschappij een machtige steun. Het geluk der samenleving en een harer voornaamste onderdeelen dient ieder die het kan ter harte te nemen.
Deze vereeniging in haar streven te helpen, hare werking niet alleen zedelijk maar ook met geldelijke offers te steunen, bevelen wij ernstig aan den goeden zin van onzen lezers.” (De Gelderlander 18/5/1881)
Plaquette Kolpinghuis 1882 (maart 2026)
Kolpingvereniging
De Nijmeegse afdeling van deze vereniging was op 25 maart 1880 opgericht. Aan de gevel kwam een groot beeld van Sint Jozef en het gebouw werd St-Josephshof genoemd.
Avondtekenschool
Vlak na de oprichting van de Gezellenvereeniging werd een avondtekenschool opgericht in de Sint Josephshof.
1890 Verbouwing en vergroting
Het pand van de Katholieke Gezellenvereeniging (de St. Josephshof, later het Kolpinghuis) is in 1882 ontworpen door P.J.H.(Pierre) Cuypers. De uitbreiding is in 1890 gerealiseerd door architect A.v.d. Boogaard. Gezien vanuit de Spoorstraat. Links de Van Berchenstraat, in het midden de Gezellen-Vereniging en rechts de Smetiusstraat. Links op de achtergrond de Augustinuskerk, 1890 (Collectie Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via RAN D429)
Doordat de vereniging hard groeide, was het gebouw al gauw te klein. In 1890 ontwierp architect A. van de Boogaard de verbouwing, waarbij het gebouw fors werd uitgebreid.
1925 Verbouwing Estourgie
Het Kolpinghuis (Katholieke Gezellen Vereeniging) gezien in de richting van de Bloemerstraat, 1930 (F32559 RAN)
“De verbouw van St. Jozefshof.
Zooals wij reeds meldden, is de verbouw gereed gekomen van het home der Nijmeegsche Kolpingszonen, het vanouds bekende St. Jozefshof aan de Smetiusstraat, dat Zondag a.s. in gebruik genomen en plechtig zal ingezegend worden.
En wij kunnen er dadelijk bijvoegen: de indruk dien wij van het hernieuwde Gezellenhuis gekregen hebben, is een zeer gunstige.
De aannemersfirma Hofman en Arts heeft onder deskundige leiding van den heer Charles Estourgie- die eveneens de plannen ontwierp- met dezen verbouw metterdaad getoond een vooraanstaande plaats in de rij der Nijmeegsche bouwwereld. Het geheel ziet er keurig uit en maakt een voornamen indruk.
Boven den ingang van het gebouw prijkt in forsche letters: R.K. Gezellenvereeniging, waarachter electrische verlichting is aangebracht. Nu kan tenminste de vreemdeling weten, die vroeger zich tevergeefs afvroeg wat dat toch voor een gebouw was, dat hier de Stichting van Vader Kolping haar tenten heeft opgeslagen.
Breede toegangsdeuren brengen den bezoeker in een ruime vestibule, waar tevens een loket is aangebracht ten dienste van uitvoeringen. Tevens kan men van hieruit de bestuurskamer bereiken.
Vanuit de vestibule treedt men eveneens door ferme deuren in de hal, die een grootschen indruk maakt. Hier vindt men een garderobe enz.
Links hiervan betreedt men de groote en ruime konversatiezaal, die een juweeltje mag genoemd worden op dat gebied. De Nijmeegsche kleuren, rood en zwart, die in de geheele zaal domineeren, maken een gezelligen indruk, die nog verhoogd wordt door de frisch-groen geschilderde stoelen en tafeltjes. Het buffet is in den rechterhoek der zaal aangebracht.
Breede ramen geven uitzicht naar alle kanten, waardoor tevens voor lucht en licht in ruime mate is zorg gedragen. De plaats onder de bibliotheek is op gelukkige wijze weggewerkt: twee kamers, één voor den Praeses en een bestuurskamer vullen dit deel van de vroegere konversatiezaal. De biljarts hebben hun plaats gevonden in het midden der zaal. De bibliotheek is op dezelfde plaats gebleven, doch de ingang is nu verlegd boven aan de eerste trap, die naar de toneelzaal voert.
Op zij van de konversatiezaal is een kleine zaal aangebracht, die heel keurig en gezellig is ingericht. Deze is waarschijnlijk ten dienste van kleine vergaderingen e.d.
Beide zalen zijn bedekt met een kostbaar zeil. Naar gemompeld werd is dit een gift van een der hoofdbestuursleden, waarvan meerderen een gift voor dezen verbouw moeten hebben geschonken.
Naar wij zeiden, ziet het geheel er keurig uit. Het borstbeeld van den eersten Praeses en stichter der Nijmeegsche K.G.V., den WelEerw. heer L.E. Hoetin, heeft een eereplaats gevonden op den schoorsteen, waarboven in gulden letteren is aangebracht de gezellengroet: “God Zegene het Eerzame Handwerk”.
Verschillende beelden en emblemen vinden rondom, zoowel in hal als zaal, een plaats. Het H. Hartbeeld troont natuurlijk op de mooiste plaats.
De aannemersfirma Hofman en Arts werd kranig terzijde gestaan door den heer van Roessel, die het schilderwerk verzorgde, de firma Vroom en Dreesmann, de firma Beukering en Co., elektriciens, de heer Friebel, die het lood- en zinkwerk, de firma Daniëls, de Bruijn en v.d. Waarden, die het stukadoorswerk verrichtte en den heer J. Krijnen, die het behangerswerk op zich nam.
Met trots mogen de diverse besturen getuigen, dat hun werken niet tevergeefs is geweest en met blijdschap moge er wel eens aan herinnerd worden dat de ongehuwde en gehuwde gezellen hun kontributie vrijwillig belangrijk verhoogden om den verbouw mogelijk te maken. Vooral voor den volijverigen Praese zal het een genoegdoening zijn: om dezen verbouw door te voeren heeft hij hard gewerkt; dit was steeds zijn hartewensch. Doch ook het hoofdbestuur, dat de algemeene leiding in de K.G.V. met den Praeses heeft, mag dankbaar opzien naar hetgeen door hen met veel moeite en opoffering bereikt is.
Met waardeering mogen dan ook naast den naam van den Praeses, den ZeerEerw. Pater H.M. v.d. Hulst S.J. genoemd worden de namen der hoofdbestuursleden de heeren Kloppenburg, W. v.d. Waarden, Dreesmann, dr. Slotboom, St. Arntz en Prof. v.d. Heijden.
In de konversatiezaal bleef ons oog hangen aan een teekening: de nieuwe hoofdingang van St. Jozefhof aan de Spoorstraat. Zoo gauw als er geldmiddelen zijn, kan hier pas aan gedacht worden. Moge zulk een gift spoedig inkomen!
Het kan, dunkt ons, geen kwaad, van deze gelegenheid gebruik te maken om onze stadgenooten aan te sporen, die nog geen eerelid van de K.G.V. zijn, dit nu te worden. Men doet daarmee een zeer goed werk: men steunt daarmede het pogen om onze arbeiders op te voeden naar den wensch van Dr. Schaepman tot mannen met een rotsvast geloof en kennis, twee zaken, die onontbeerlijk zijn om den arbeidersstand steeds hooger op te voeren tot heil van de arbeiders zelve en tot zegen van Kerk en Maatschappij.
Op de moderniseering van de toneelzaal hopen wij nog nader terug te komen.
Morgen vermelden we het officieel programma voor a.s. Zondag.” (De Gelderlander 17/2/1925)
1949 Dr. Poels
Vanaf de jaren dertig probeerde de vereniging een katholieke ambachtsschool op te richten. In 1938 wilde de gemeenteraad hiervoor subsidie verstrekken. Uiteindelijk zou het tot 15 september 1949 duren voordat de school Dr. Poels opende in de Sint Josephshof, “waar een leerling kon worden opgeleid tot een ‘zedelijk-godsdienstig hoogstaand werkman met verantwoordelijkheidsgevoel…’ (Gedenkboek Kolpingvereniging; Tromp 37-39; Stamkot 37-38).” (Huis van de Nijmeegse Geschiedenis)
In 1957 zal zij verhuizen naar de Goffertweg 20. Tegenwoordig, na een aantal fusies, heet de school Het Rijks.
Ontmoetingshuis
Het Kolpinghuis bleef in de jaren 50 en 60 ontmoetingshuis voor buitenschoolse activiteiten voor kinderen, zoals balletles. In de twintigste eeuw zijn er nog enkele kleinschalige verbouwingen en uitbreidingen doorgevoerd.
Afname ledentaantal Kolpingvereniging en opheffing
Het Kolpinghuis, Smetiusstraat 1 (gezien vanaf de Nassausingel), 1968 (Evert F. van der Grinten via F78750 RAN CCBYSA RAN, tevens Auteursrechthouder)
Na de Tweede Wereldoorlog neemt landelijk het ledenaantal van de Kolpingvereniging sterk af, waarbij ze zich uiteindeindelijk opheft. Alleen in Nijmegen blijft de Kolpingvereniging bestaan. Het Kolpinghuis wordt een zalencentrum, welke ook de vereniging nog gebruikte.
2015 Verkoop
In 2015 wordt het Kolpinghuis verkocht aan projectontwikkelaar Ton Hendriks???. Eind september 2020 sloot het centrum. De vereniging verplaatste haar activiteiten naar de Ontmoetingskerk in Dukenburg. Daarna staat het gebouw leeg. Midden 2023 kondigt Hendriks aan om hier een gezondheidscentrum en appartementen te willen realiseren, waarvoor een procedure is gestart.
Aandachtspand
Kolpinghuis oude gedeelte tijdens verbouwing (januari 2026)
Kolpinghuis, januari 2026 is een grote verbouwing aan de gang. Ter ere van het 125-jarig bestaan van NEC is er een spandoek opgehangen (januari 2026)Wapen op Kolpinghuis (januari 2026)
Matutina school Galgenveld, J. de Jongh Th. Taen en Th. Nix; tegenwoordig Klein Heyendaal (maart 2026)
De Stella Matutina school is gebouwd in 1953-1954 in opdracht van de Stichting St. Josephscholen, naar een ontwerp van J. de Jongh, Th. Taen en Th. Nix. Het is een zogenaamde halschool, gebouwd in de shake handsarchitectuur.
Centraal in het gebouw is de hal, met een podium en omloop op de verdieping. De entree bevindt zich aan de noordkant. Aan de andere zijden zijn er 8 klaslokalen, met grote ramen op het zuiden. Opvallend is de voorgevel met haar ramen en grote vensters. En daarbij de dakrand, met bovenop het dak het beeld Spelende kinderen van beeldhouwer Albert Meertens.
De school maakt deel uit van een katholiek complex, waaronder de Dominicuskerk en de aangrenzende, oorspronkelijke meisjesschool. Tegenwoordig is het onderdeel van de basisschool “Klein Heyendaal“.
Bij de inzegening in 1955
“22 October inzegening van Stella Matutina-school het Galgenveld
Op het Galgenveld, dicht bij de kerk van de Paters Dominicanen ontstaat een complex van gebouwen, die bestemd zijn voor de opvoeding van de kinderen der bewoners van deze Universiteitswijk. Het wordt een fraai complex van gebouwen en aan de beplanting van de omgeving daarvan met groen en bloelitmen, wordt de grootste zorg besteed. Op 22 October vindt de inzegening plaats van de Stella Matutina-school, de “Morgensterre-school”, een L.O.-school voor jongens, welke de Stichting St. Jozefscholen aan de Prof. Huybersstraat heeft laten bouwen. Aansluitend aan de naamgeving van dit nieuwe gebouw, welke aan de Litanie van de Rozenkrans is ontleend, zullen de andere onderwijsgebouwen, welke hier nog zullen komen, dergelijke namen krijgen. In het bouwplan zijn namelijk nog opgenomen: een kleuterschool, een meisjesschool voor L.O., met gymnastiek- en toneelzaal, een werklokaal, een klooster voor de zusters. Zowel de Stella Matutina-school als de andere gebouwen komen tot stand volgens plannen van het Ingen. en Architectenbureau de Jong-Taen-Nix te Utrecht met als medewerkend architect J.H.A. Giesbers te Nijmegen. De bouw van genoemde school werd uitgevoerd door het Aann.bedrijf W. de Graaf te Berg en Dal.
Het thans tot stand gekomen schoolgebouw bevat- buiten de kelderruimeten- zes leslokalen elk 7.50 x 7.50 m, één open-lucht klasse groot 7.50 x 15m, drie garderobes met aangrenzende toiletten, een Directiekamer en een leermiddelenberging.
Deze ruimten worden bereikt via de centrale hall, waarin een brede trap leidt naar de galerij op de eerste verdieping.
De leslokalen en de open-lucht klasse zijn allen op het Zuiden gelegen, waardoor de Noordzijde van het gebouw aan de Prof. Huybersstraat een gesloten karakter kreeg.
voorkant Matutina school Galgenveld, J. de Jongh Th. Taen en Th. Nix; tegenwoordig Klein Heyendaal (maart 2026)
Er is weerstand geboden aan de verleiding om de Noordzijde van de hall als een monumentale glaswand in de architectuur op te nemen; in plaats daarvan werd getracht een raamverdeling toe te passen beantwoordend aan de dimensie van het kind.
De vormgeving was aanleiding over te gaan tot een combinatie van skelet- en traditionele bouw.
De verfraaiing van het gebouw met beeldhouwwerk werd niet verontachtzaamd. De beeldhouwer A. Meertens uit Berg en Dal maakte het ornament op de daklijst en vervaardigde de Mariabeelden, het H. Hartbeeld en de kruisbeelden welke in het schoolgebouw een plaats zullen krijgen.
Deze school is een belangrijke bijdrage in de fraaie nieuwe Universiteitswijk, welke thans op het Galgenveld is ontstaan en waar binnenkort een vierduizend mensen komen te wonen.” (De Gelderlander 8/10/1955)
Een mooie foto van de inzegening is te zien op GN9511 RAN.
In de Quickscan krijgt de school de volgende waardering: “
Van groot cultuurhistorisch belang vanwege de belevings- en herinneringswaarde voor grote groepen kinderen (jongens) die hier zijn gevormd en onderwijs hebben genoten; als herinnering aan de verzuilde vroeg-naoorlogse samenleving, de daaruit voortvloeiende indeling van de stad in parochies en het werk van de Stichting St. Josephscholen; als toonbeeld van de verzorgingsstaat in opbouw waarin voorzieningen voor basisonderwijs gelijke tred moesten houden met de ongekende groei van de bevolking en sterke uitbreiding van de stad.
Van groot architectuurhistorisch belang als voorbeeld van het minder gangbare type halschool, uitgevoerd in shake handsarchitectuur met decoratieve raamverdeling en een groot aantal gebonden kunstuitingen, net als de overige complexonderdelen naar ontwerp van De Jongh, Taen & Nix; afgezien van de kunststof ramen gaaf behouden.
Van groot stedenbouwkundig belang als onderdeel van een RK parochiecomplex met kerk, pastorie, parochiehuis en scholen van hetzelfde architectenbureau; tevens vanwege de markante situering op de kop van een langgerekt plantsoen.
Stella Matutina
Zoals het krantenartikel aangeeft, is de school vernoemd naar de Stella Matutina, oftewel de Morgenster. Dit is een van de aanroepingen van Maria in de Litanie van Loreto, die vaak na de rozenkrans wordt gebeden. In het katholicisme is de Morgenster daarbij traditioneel een van de titels van Maria. Daarmee wordt bedoeld dat Maria er vóór Jezus was en het licht dat Hij zal brengen aankondigt.
Behalve de religieuze naamgeving zijn er natuurlijk de associaties met onderwijs geven/opvoeden/groeien en ster/”licht” brengen, dat kinderen opgroeien tot volwaardige, gelovige burgers. Bij de inzegening wijst Heer Deken C. van Dijck, de voorzitter van de Stichting St. Jozefscholen, dan ook op het belang van de school, niet alleen voor onderwijs, maar ook voor zielzorg in de parochie. De betekenis van de naam van de school wijst op Maria, “die als morgenster tussen Christus en de wereld schittert. Ze past geheel in de doelstelling van het onderwijs dat hier wordt gegeven”. Dan is ook bekend dat de namen van de andere gebouwen die nog voor het complex moeten worden opgericht, naar een van de aanroeping uit de Litanie van O.L. Vrouw vernoemd zullen worden. (De Gelderlander 24/10/1955)
In de Bijbel slaat de titel Morgenster (alleen) op Jezus zelf (Openbaring 22:16). Ook onder protestantse scholen zijn dan ook scholen met deze naam te vinden, bijvoorbeeld in Sleeuwijk en Kerkwerve.
De Jongh, Taen en Nix
De St. Dominicuskerk, gezien vanaf het kruispunt Heyendaalseweg (rechts) – Groenewoudseweg (links), 1952 (Commissariaat van Politie afd. Fotografie via F30307 RAN CC0)
Het ingenieurs- en architectenbureau werd oorspronkelijk gevormd door J.I. de Jongh, Theo Taen en Thomas Nix. In 1955 zou het vervolgens Taen en Nix worden. In de Architectuurgids staan 3 gebouwen vermeld: het Raadhuis van Cuijk, Sint Isodoruskerk in Nagele en de Grieks-Orthodoxe kerk in Rotterdam
Gemeente Nijmegen: Schoolgebouwen 1945-1968, Waardestellende Quickscan, Leon van Meijel, van Meijel – adviseurs in cultuurhistorie in opdracht van gemeente Nijmegen, Nijmegen, 12 juli 2019
Berchmanianum van de paters Jezuïeten. Ontworpen in 1928 door Jos Cuypers (1861-1949) en Pierre Cuypers Jr. (1891-1982), Houtlaan 4, 1930 (Uitg. Brinio Rotterdam via F18053 RAN)
In 1929 opende het Collegium Berchmanianum oftewel het Berchmanianum aan de Houtlaan in Brakkenstein. Het ontwerp was afkomstig van Jos. en Pierre Cuypers Jr. in opdracht van de Sociëteit van Jezus (de Jezuïten). De bouw daarvan was in 1927 begonnen.
Hun Collegium Berchmanianum in Oudenbosch voldeed intussen niet meer. Daarbij was in 1923 in Nijmegen de Katholieke Universiteit geopend: veel kloosterordes openden daarop een studiehuis, zodat religieuzen konden lesgeven of studeren aan de universtaat.
Philosophicum
Het Berchmanianum was een zogenaamde “philosophicum”, de wijsgerig-theologische vooropleiding voor aspirant-geestelijken. De Jezuïten hadden geen grootsemanarie. Na het kleinseminarie was er een driejarige opleiding aan het Theologicum in het Canisainum te Maastricht en een driejarige filosofiestudie aan het Filosoficum aan het Berchmanianum: “Zoo voor paaters als studenten, welke laatste hier hun philosofische studiën afmaken en tevens lessen ontvangen in natuur- en scheikunde en biologie. Sommige volgen nog lessen aan de R.-K. Universiteit. Deze studie duurt drie jaar. Van het Berchmanianum te Nijmegen gaan de studenten meestal eenige jaren naar een college als leeraar of surveillant, om dan nog vier jaar theologie te volgen in Maastricht.“ (De Gelderlander)
De glas-in-lood ramen waren ontworpen door Joep Nicolas.
De naam Berchmanianum
Het Berchmanianum is vernoemd naar de patroonheilige van de studerende jeugd Jan Berchmans (1599, Diest, België).
Jos. en Pierre Cuypers Jr.
De ontwerpen waren Joseph (Jos.) en Pierre Cuypers Jr. Zij waren zoon en kleinzoon van Pierre Cuypers, die onder andere het Centraal Station in Amsterdam ontwierp en in Nijmegen onder andere de Augustinuskerk.
Krantenartikel 1929
“Berchmanianum, Studiehuis der E.E.P.P. Jezuiten aan de Houtlaan te Nijmegen.
Brakkenstein ontwikkelt zich tot een buitenplaats van beteekenis voor Nijmegen, als oud kleine gemeente op zich zelf, verscholen achter het geboomte en grenzend aan de uitgestrekte heide.
Het karakter van Brakkenstein bleef landelijk, als dat van een ruistoord. En in deze streek verrees nu het nieuwe studiehuis, het Berchmanianum der E.E.P.P. Jezuiten, die een halve eeuw hun philosofisch college hadden bestuurd in Oudenbosch.
De architecten, de heeren Joseph en Pierre Cuypers kregen opdracht tot het ontwerpen van een kloek, ruim gebouw, dat langs den weg, aan de Houtlaan een gevelbreedte zou hebben van bijna honderd meter.
Zou zoo’n bouw passen in dit milieu van mooie natuur?
Wie nu de Houtlaan opwandelt, wordt getroffen door de rust, welke er uitgaat van dit stemmige huis van studie en gebed, dat hoort in het landschap, waarin de bouwmeesters het geplaatst hebben.
De toren steekt statig op uit den breeden, vlakken gevel van zachtgelen baksteen- de spits, welke van verre in het vlakke land te zien is, met zijn uurwerk en klok, en als een wachter, welke wijst op den tijd, welke iedere mensch goed te besteden heeft, in navolging van de ijverige studerenden, die hier de philosophie volgen.
***
Het is een aan zijn doel volkomen beanwoordend studiehuis eenvoudig afgewerkt.
De architecten, de heeren Joseph en Pierre Cuypers hadden de taak een nuttig studiehuis met kapel en studiekamers als hoofdcentra te ontwerpen- alle overtolligen franje, iedere onnoodige fraaiigheid moest achterwege blijven.
De inwendige bouw werd mede ontworpen naar inzichten der professoren, die jarenlang Oudenbosch bewoond hadden.
Oudenbosch bleef dan ook voor een deel vormbeeld, maar werd moderner, geriefelijkere, ruimer uitgebouwd.
Sober zou de voorgevel zijn- en deze werd in strakke lijn opgetrokken van gele baksteen, welk door kunstig voegwerk nog levendiger werkt. Geen groote ramen breken de lijn, maar uiterlijk laat de bouwmeester zien hoe inwendig de constructie en de inrichting is.
Ongeveer in het midden van den bouw aan de Houtlaan is het hoofdgangportaal met portiersloge. Hier binnen nadert men spoedig de hardsteenen hoofdtrap, rechts welke leidt naar de verschillende verdiepingen en middellijk verbinding heeft met de verschillende hardsteenen trappen, over den helen bouw verdeeld, en wel zoodanige, dat zij telkens op de vier verbindingspunten van de vier vleugels waaruit de bouw bestaat, als verbindende gewrichten vormen.
Aan den linkerkant van den ingang bereikt men langs een gewelfden kloostergang, waarin het licht vriendelijk valt door lage vensters vijf ruime spreekkamers. Over die verdiepingen zijn in dezen linkervleugel verdeeld de kamers van de professoren bijeengebracht, westelijk afgesloten door de recreatiezaal en leeszaal voor de paters, benevens een eigen bibliotheek en tijdschriftenleeskamer, welke ook openstaat voor professoren en heeren studenten der R.K. Universiteit.
Hier sluit zich aan de Westzijde aan een korte vleugelbouw, waarin over vier verdiepingen de rijke bibliotheek met haar 30.000 boeken, waaronder belangrijke wiegedrukken zijn, is ondergebracht.
De geheele bibliotheek-inrichting is practisch en degelijk- overal worden de ijzeren Lips-boekenrekken gezet, welke makkelijk verplaatsbaar zijn. Langs een wenteltrap komt men van de eene bibliotheek-verdieping op de andere. Overal valt ruim licht binnen. Hier klopt wel het hart van het philosophicum.
Aan de andere zijde van het gebouw in den Zuid-oosthoek, ligt de keuken, het middenpunt der huishoudelijke afdeeling. Doelmatig zonder overdreven lux is deze economie-afdeeling ingericht.
Hier achter, in Noordelijke richting is de onderwijsvleugel geprojecteerd, welke zich uitstrekt over tachtig meter lengte.
Hier liggen op den beganen grond langs een drie meter breeden wandelgang, waarin de morgenzon haar stralen kan werpen, de vier klassen-lokalen.
Deze gang, in warme kleur gehouden een met gewelf van geel-zacht-getinte steen, biedt een geschikte gelegenheid tot wandelen en mediteeren, wanneer het weder niet noodt naar buiten, in den tuin of het bosch.
Tusschen de klasselokalen ligt hier de ontspanningszaal der studenten, welke uitziet op den in Engelsche stijl gehouden binnentuin.
Dezelfde vleugel bevat drie verdiepingen, hier zijn de kamers voor de ongeveer zestig scholastieken die hier hun studie- en slaapkamers hebben. Heel sober en zeer zindelijk is hier alles ingericht. Licht, lucht en zon kunnen overvloedig binnenkomen- zoo goed als alle studiekamers worden bijna den halven dag door de zon beschenen.
Het noord-oostelijk paviljoen bevat over de drie verdiepingen verdeeld, de speciaal ingerichte klasselokalen voor natuurkunde, scheikunde en natuurlijke historie als ook de daarbij behoorende laboratoria en het amanuensis-vertrek. Zalen zijn hier breed en hoog en verlicht ingericht voor de goede opstelling van de natuurkundige instrumenten en de tentoonstelling van natuurlijke historie, waaronder een kostbare vlindercollectie en collecties van geologischen en eufomologischen aard.
De groote zolder gaf nog gelegenheid tot inrichting van eenige slaapvertrekken en verder tot bergplaats voor meubels en koffers en zoovele andere voorwerpen, welke in een groote stichting nodig kunnen zijn.
***
Het lag niet in ’t karakter der stichting om een monumentale, decoratieve hoofdtrap te maken, met dubbele vleugels. Wel is de belangrijkste trap, die de hoofdvleugel, waarin de kapel, flankeert, en dan ook een eenvoudige dienstlift heeft, als toren uitwendig doorgebouwd.
De traptoren ontwikkelt zich naast den verwamingskelder zes meter onder de hoofdverdieping, voert dan langs den refter naar de kapel, naar de zangerstribune, naar den zolder van ’t Patershuis, waarnaast aansluit een reeks slaapkamers van de Broeders; hooger op worden de granieten treden door houten vervangen voor de bediening van de ruimten voor liftmechaniek, uurwerkkamer en de luiklokken. Deze hoofdvleugel bevat in den oostelijken buitenhoek van onder naar boven: de provisiekelders, de keuken. Hooger op volgt de tusschenverdieping met woning voor de Broeders een daarboven voor enkele knechts.
In den hoofdvleugel, rechts van den ingang, aan de hoofdtrap is de kapel- in sobere stijl en vromen toon gehouden. Ook hier is iedere overdadige decoratie vermeden. Het is een devoot-stemmende bidkapel, waarin het zonlicht speelt door fijn-kleurige vensters van Joep Nicolas. Het altaar, middenpunt der kapel, past in den fijnen toon van dit bedehuis, al is het ook opgebouwd van edel marmer-materiaal en met mozaiek verlevendigd.
Voor de kapel ligt de sacristie, waarop vier kleine kapelletjes uitkomen, waarin de in het huis verblijvende priesters de H. Mis kunnen lezen.
Beneden in dezen hoofdvleugel is de groote refter- een zaal van voornamen en toch eenvoudigen bouw.
Degelijkheid en eenvoud en smaak kenmerken dezen kloosterbouw. Soberheid lag immers in den opzet en de uitvoering der plannen. Ook in materiaalkeuze en bewerking daarvan werd luxe vermeden. De baksteen bleef evenwel geen dood materiaal aan dezen bouw. Door kleurkeuze en vermenging van verschillende fabrikaten werd uit- en inwendig één harmonische kleuren-combinatie verkregen.
Vestibulen en gangen met elkaar naar de verschillende verdiepingen door de breede hardsteenen trappen verbonden, kregen een kleurige lambrizeering van verglaasde Waalsteen.
De gewelfde wanden spreken naar buitne, door daar aansluitende lange reeksen van halfcirkelvormige vensters, waarin stalen ramen en glas in lood in strakke geometrische verdeeling.
De bovenste patersgang, niet met steen overwelf, maar afgesloten met een licht gebogen plafond, heeft drieledige vensters geheel rechtlijnig als fries boven al die spannende bogen.
Zoowel de motieven als de kleuren van ’t glas werden op verschillende verdiepingen afgewisseld, teneinde aan de verschillende deelen van ’t groote huis een eigen karakter te geven in verband met plaatselijke bestemming.
Als natuursteen voor trappen en drempels werd gestokt grijs graniet toegepast.
De dakbedekking is van verbeterde Hollandsche pannen.
In stichtingen van dit karakter worden aan de houten vloeren zeer zware eischen gesteld in lokalen van allerhande karakter. Toegepast werd hier het systeem der lift-vloeren, die vooraf machinaal zijn gedroogd, zoodat zij ook bij de centrale verwarming in de wintermaanden geen open naden vertoonen.
De muren en plafonds zijn in hoofdzaak wit gehouden.
In zalen en kamers is een lint met keimsche mineraalverf op de wanden aangebracht. In de groote zalen werd meer rust verkregen door zeer eenvoudige vlakke houten lambrizeering tegen de wanden, wat vooral b.v. in sacristie en refter opvalt.
De entourage van het Studiehuis is landelijk en blijft in stijl met Brakkenstein door nog meer boomen-aanplant.
Tusschen de drie uiterlijke vleugels, waarin de vijf blokken van den bouw liggen, wordt een eenvoudige tuin aangelegd met een vijver tusschen verlaagde wandelpaden als midden-motief. Deze tuinaanleg sluit dadelijk aan bij de frissche dennenbosschen, welke het geheel omgeven. Zoo kreeg men een rustgevend geheel.
Zoo voor paaters als studenten, welke laatste hier hun philosofische studiën afmaken en tevens lessen ontvangen in natuur- en scheikunde en biologie.
Sommige volgen nog lessen aan de R.-K. Universiteit.
Deze studie duurt drie jaar. Van het Berchmanianum te Nijmegen gaan de studenten meestal eenige jaren naar een college als leeraar of surveillant, om dan nog vier jaar theologie te volgen in Maastricht.
Rector van het Berchmanianum is de bekende pater G. Lamers S.J., leider van het tijdschrift “Dux” en minister is de Zeereerw. Pater Spijker S.J.
***
Architecten van dezen studiehuisbouw zijn, gelijk wij reeds schreven, de heeren Jos. en Pierre Cuijpers; aannemer was de heer H. van Kessel, uit Nijmegen, die de bouwwerken flink en vlot uitvoerde.
De verschillende technische installaties werden uitgevoerd naar de plannen en onder leiding van ir. J.W. Engelengen, te Amsterdam.
De verwarmingsinstallatie werd aangelegd door de Firma Hunek (of Hunec?) te Amsterdam; de electrische installatie door de Firma Paassens, te Amsterdam. Als hoofd-opzichter fungeerde de heer Van Berkel, bijgestaan door den heer Bottelier, die beiden hun taak met toewijding vervulden.” (De Gelderlander 9/2/1929 met veel foto’s)
Rijksmonument
Het pand is een Rijksmonument sinds 2002 met als waardering (hier is tevens een uitgebreide beschrijving te vinden): “
Van architectuurhistorische waarde als een goed, vrij gaaf en zeldzaam voorbeeld in ex- en interieur van een studiehuis voor jezuïeten in een stijl die invloeden vertoont van de Amsterdamse school en de Art Deco. Het studie huis heeft esthetische kwaliteiten in het ontwerp zoals een markante hoofdvorm, goede verhoudingen en een bijzondere detaillering, ornamentering en materiaalgebruik.
Van stedenbouwkundige waarde vanwege de afmetingen en de markante ligging aan de Houtlaan.
Van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming, welke verbonden is met een culturele ontwikkeling namelijk de stichting van de Katholieke Universiteit en vanwege de verschijningsvorm, welke verbonden is met de bouwtypologie van de orde der jezuïeten die geen kloosters bouwt, maar “huizen”.”