Hoewel van Schevichaven haar beschrijft als een figuur met de “stijfheid van den stokvisch”, is het pand de Zeemeermin uit eind 18e eeuw een Rijksmonument. In ieder geval hebben er in de 20ste eeuw jarenlang smederijen in het pand gezeten. Na een grondige restauratie in de jaren 80 is het pand verbouwd tot appartementen.
De Zeemeermin is gebouwd eind 18e eeuw en is een Rijksmonument. De Rijksmonumentenlijst geeft als omschrijving: “Monumentaal rechthoekig pand van parterre met drie verdiepingen en schilddak. Bakstenen lijstgevel, derde kwart 18e eeuw, met rond het middenvenster van de eerste verdieping een rijke versiering in Lodewijk XV-vormen. Vensters met getoogde raamkozijnen en zesruitsschuiframen.”
Van Schevichaven schrijft over de Zeemeermin: “In een prot. Van 25 april 1617 wordt het huis de Mermyn opgegeven als staande “op de Legemerckt, op den hoeck naest St Stevensportgen”. Een ander huis dat dien naam droeg in 1774, is waarschijnlijk datzelfde gebouw dat thans nog een meermin in het snijwerk van den gevel vertoont, een figuur dat meer de stijfheid van den stokvisch, dan het slappe, buigzame op de rollende golven dartelende lichaam van de zeenimf voor den geest roept. De erfgenamen van den rijken brouwer Dirk van Brummelen verkochten dit huis 15 Jan. 1774 voor 4110 gld. aan Steven Scheers. Op 3 Nov. 1796 werd het met annex koetshuis, voor 3700 gl. Gekocht door den mr. bakker W. van Roggen.” (Oud-Nijmegen’s straten, markten, pleinen, open ruimten en wandelplaatsen, 1896)
Abonneren
Voer je e-mailadres hieronder in om updates te ontvangen.
Hoefsmederij Verplanke
Het pand de Zeemeermin met smederij Verplanke, 1920-1930 (GN5590 RAN)
In de 20ste eeuw heeft er jarenlang een smederij in het pand gezeten.
Rond 1918 is P.C. (of P.Ch.) Verplanke begonnen met zijn smederij aan de Lage Markt: hij doet dan een nieuwjaarsgroet met adres Lage Markt 24 (De Gelderlander 31/12/1918). In het Adresboek 1920 komt er een smederij Verplanken (dus met een “n”) voor op nummer 24, waarbij P.Ch. Verplanke en Wed. J. Verplanke woont op nummer 24a, samen met W.A.P.F.L. v. Hedel (Adresboek 1920). Dit geldt ook voor het Adresboek 1922, hoewel Wed. J. Verplanke er dan niet meer woont.
Rond 4-8-1922 verkrijgt hij een hinderwetvergunning tot het oprichten van eene smederij in het perceel Lage Markt 14, kad. bekend gemeente Nijmegen, sectie C, No. 3882” (PGNC 8/8/1922). Het is nog onbekend wat de relatie is tussen nummer 14 (of 12, wat zijn adres is, zie hieronder) en nummer 24.
Het was overigens niet de eerste smederij van Verplanke: in PGNC 19/11/1914 adverteert P.Ch. Verplanke, Hoefsmederij Hertogstr. 66 dat hij “Wegens militieverplichtingen van af 21 dezer tot nader aankondinging gesloten” is.
Rond 11-4-1924 krijgen A.J. Roes en P.Ch. Verplanke een vergunning tot “het uitbreiden van hunne smederij in het perceel Lagemarkt No. 24, kad. bekend gemeente Nijmegen, Sectie C. No. 5153 (PGNC 14/4/1924).
In het Adresboeken 1924, 1926 en 1928 komt P.C. Verplanke voor op nummer 12, terwijl de smederij huisnummer 24 heeft. Nu woont A.J. Roes op nummer 24a.
Idem voor 1932, dan komt A. J. Roes echter niet meer voor op nummer 24a.
Hoefsmid A.J. Roes
Wel komt A.J. Roes in de jaren 30 voor als smid: eind December 1931, 1932 en 1933 plaatst “A.J. Roes -Smederij” een nieuwjaarsadvertentie (De Gelderlander 31/12/1931, 31/12/1932 en 30/12/1933).
In 1934 adverteert hij naast “Rijks Gediplomeerd Hoefsmid” als “Autog. Metaalbewerking (speciaal Aluminium)” en “Constructiewerken” (onder andere De Gelderlander 25/5/1934).
In De Gelderlander 20/6/1940 wordt een smidsknecht gevraagd.
Hoefsmid Gebr. Valk
Het pand van hoefsmid gebroeders Valk gezien vanaf de Waalkade, voorheen de Hoefsmederij P. Chr. Verplanke (adres toentertijd Lage Markt 12-14), links de St. Stevenstoren, 1970 (Frans Kup via F314661 RAN CCBYSA)
Een mooie foto uit 1956 van de smid aan het werk is te vinden op ZN35263, gewoon op straat. Een andere mooie foto is F87838 uit begin jaren 60. De Gebroeders Valk waren Jan en Koos Valk, op de foto is waarschijnlijk een van de broers als smid aan het werk te zien: F94063 RAN.
Op het bord boven de ingang staat:
Op het bord is te lezen: Gebr. Valk Gedipl. Hoefsmid
Gezien vanaf de Waalkade in zuidelijke richting zien we uiterst links de achtergevel van de panden aan de Waalkade 3 en 4, in nummer 4 is tegenwoordig Galerie Marzee gevestigd; rechts daarnaast de nieuwbouw aan de Oude Haven 110-120; daar weer naast het monumentale patriciërshuis genaamd ‘De Zeemeermin’ aan de Oude Haven 104 – 108A vóór de restauratie/herbouw in 1983; Rechts daarnaast op nr. 102 een eveneens gerestaureerd pand met vroeg 19e eeuwse bakstenen halsgevel, het pand zelf is rond 1639 gebouwd, 1980-1981 (Gemeente Nijmegen via KN11514-60 RAN CC0)
In de jaren 80 is het pand gerenoveerd. Daarbij zijn de deuren van de werkplaats vervangen door 2 ramen en is de ingangspartij weer centraal in het midden. Tegenwoordig zijn er appartementen in het pand gevestigd.
In 1980/1981 werd aan de Waalkade, tussen de Grotestraat en Nieuwe Markt, een nieuwe waterkeringmuur gebouwd. Daarbij werd aan een aantal kunstenaars gevraagd een object te ontwerpen. Peter van de Locht maakte daarop “Architectuur der natuur”, een van de zuilen die hij in deze periode maakte.
Ravenberg Taveerne, van Hendrikus Merkus (Rechts op de foto), 1910 (P.A. Geurts Boek- en Kunstdrukkerij, Nijmegen via F72294 RAN)
Rond 1900 was Beek populair bij welgestelden, niet alleen als woonplek maar ook als bestemming om te wandelen en van het landschap te genieten. Op de Ravenberg werd vanaf 1901 het Villapark Van Heutzpark aangelegd, met onder meer de Ravenberg-Taveerne, beheerd door Hendrikus Merkus. Later groeide deze plek bovendien uit tot een van de eerste campings van Nederland.
“Rond een e-vormig stratenpatroon waren vijf vrijstaande villa’s en een uitspanning gepland. Het betreft de uitspanning met de naam Ravenberg-Taveerne en de villa’s Zonneheuvel (De Ravenberg 2), Welgelegen (De Ravenberg 7), Bijou (De Ravenberg 58) en Kastanjeoord (De Ravenberg 14), alsmede de villa aan De Ravenberg 8. Vanaf een centraal gelegen uitkijkpunt konden potentiële kopers de percelen overzien en het uitzicht bewonderen. De bouw van de panden vond plaats in enkele jaren vanaf 1901” (https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-41-febr-2011.pdf)
De Ravenberg-Taveerne was eigendom van baron Van Randwijck. Dit gebouw bestond uit een woongedeelte voor de landgoedbeheerder en zijn gezin, een verblijf voor de baron en zijn gasten en een café met terras.
Op de bovenstaande is rechts het opschrift “Ravenberg-Taveerne” te lezen. Boven een van de ingangen lijkt het wapenschild van Van Randwijck te hangen. In ieder geval komt het qua vorm overeen: “Wapen: in zilver een roode leeuw; en een uitgeschulpt rood schildomboordsel….” (https://www.genealogieonline.nl/west-europese-adel/I102684.php) Wat op de foto opvalt, is dat de vorm van het schild ondersteboven lijkt te zijn.
Daarnaast vallen de 3 ingangen op: Mogelijkde taveerne, het vertrek voor de baron en de woning van de opzichter?
In veel bronnen wordt genoemd dat de Taveerne rond 1901-1905 is gebouwd. Hoewel ik geen bouwkundige ben, heeft het voor mij een boerderij-achtig karakter met een uitsteeksel van de Taveerne. Dat roept bij mij de vraag op of het daadwerkelijk om nieuwbouw gaat, of een verbouwing. Op dit moment heb ik de bouwtekening nog niet gezien, of andere bron gevonden die dat bevestigt.
Op onderstaande foto noemt het RAN het jaartal 1898 – 1902, deze tijdsaanduiding zal vooral als indicatie zijn bedoeld.
Hendrikus/Hendricus Merkus
RAN: Hoogste punt van de Ravenberg met de gelijknamige uitspanning en theeschenkerij de ‘Ravenberg-Taverne’ van H. Merkus, 1898-1902 (J.B.L. Wildenbeest Uitgever, Nijmegen via F89517 RAN)
Vaak wordt de Ravenberg Taverne de Taverne van H. Merkus genoemd. Dit betreft Hendrikus/Hendricus Merkus.
Bij de geboorte van dochter Everdina Gerarda Josephina Merkus, geboren op 3 maart 1911 en dochter Adriana Johanna Merkus op 4 december 1914 is hij “waardsman” van beroep
aankondiging 25-jarig huwelijk Merkus en Lelieveld (PGNC, 10-5-1914)
Gevonden adressen
De eerste tot nut toe gevonden vermelding van Bierhuishouder Hendrikus Merkus is in het Adresboek van 1903 en 1905, op “Ravenberg taverne 25”.
De jaren daarvoor is er wel een H. Merkus op de Ravenberg gevonden, met regelmatig een ander huisnummer:
1899, arbeider, Ravenberg 18a (en Th.J. Merkus, arbeider op nummer 18b)
1901, arbeider, Ravenberg 25
Of dit dezelfde Merkus is en of het hernummeringen betreft, is nog niet bekend.
Advertentie waarin H. Merkus aanwijzer is (PGNC 10/9/1905)
In mei 1914 vieren H. Merkus en M. Merkus-Lelieveld hun 25-jarig huwelijksfeest, waarvoor ze een bedankadvertentie plaatsen. (PGNC 31/5/1914)
In 1907 is het bierhuishouder, dan op “Ravenberg taverne 30”
In de Adresboeken 1908, 1909, 1910-1911, 1912-1913 en 1920 is H. Merkus “bierhuishouder en polderopzichter, Beek ravenberg taverne 32”. Dus weer een nieuw nummer. In de jaren 1913-1914 is alleen het adres gevonden, zonder dat er op die plaats een beroep vermeld staat.
In 1914-1915 en 1916 is het bierhuishouder en polderopzichter op nummer 32. Dan staat ook E. Merkus, “arbeider, Beek, Ravenberg, “Taverne” 32” op dit adres.
In 1922 staan zowel H.Merkus eveneens bierhuishouder en polderopzichter als E. Merkus, arbeider vermeld, maar nu op nummer 33.
Op 11 juli 1923 overlijdt Hendrikus Merkus op 68-jarige leeftijd (De Gelderlander 12/7/1923).
In 1928 komt de Weduwe H. Merkus, geboren Lelieveld als bierhuishoudster voor op nummer 33.
Op https://www.wmg-groesbeek.nl/milieujournaal/Milieujournaal190.pdf wordt dit gebouw de boswachterswoning genoemd. Uit bovenstaande opsomming blijkt, dat bij Hendrikus in ieder geval nog niet expliciet het woord “boswachter” is gevonden. Dit kan natuurlijk naast bierhuishouder, polderopzichter en “aanwijzer” nóg een andere functie van hem zijn geweest.
In ieder geval was Theo Merkus met zijn vrouw Twanny de laatste beheerder van de camping in 1979 (zie hieronder). Dat artikel noemt, dat zowel zijn vader als grootvader boswachters waren geweest, toen nog in dienst van Van Randwijck. Dat kan tevens betekenen dat een of meedere functies van Hendrikus samenvielen met “boswachter” of dat deze term er “later” (abusievelijk) is toegevoegd.
Op Oudbeek.nl en staat een foto van boswachter “Jo Merkus kapte in 1946 een kastanjeboom die de oorlog niet heeft overleefd. Deze boom stond waarschijnlijk in de boomgaard op de Ravenberg. In de boom zit zoon Theo die zijn vader zou opvolgen als boswachter.” (www.oudbeek.nl en https://www.wmg-groesbeek.nl/milieujournaal/Milieujournaal190.pdf)
Oorlog, brand en Geldersch Landschap
In 1941 kocht Stichting Geldersch Landschap de Heerlijkheid Beek van Van Randwijck. De taveerne ging echter verloren in de winter van 1944-1945, toen het afbrandde. Mogelijk doordat geallieerde soldaten bij het eten klaar maken even niet zaten op te letten. (https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-58-juni-2015.pdf)
Boswachterswoning
1950, Ravenberg 20
Op de plaats kwam de “boswachterswoning”, De Ravenberg 20. “Architectenbureau G. Feenstra ontwierp het in 1950 in de stijl van de Delftse School. Volgens de architecten van de Delftse School lag schoonheid juist in eenvoud en was een goede harmonie tussen massa, ruimte en lichtval belangrijk. Architectuur moest “nederig” zijn en vooral niet opvallen en er werd veelal gebruik gemaakt van traditionele elementen, zonder dat in een gebouw letterlijk een historische situatie gekopieerd werd. De stijl is vlak voor de tweede wereldoorlog en in de wederopbouwperiode veel toegepast.” https://monumentenlandschap.nl/wp-content/uploads/2019/04/Nieuwsbrief-42-mei-2011.pdf
De vensters hebben luiken in de kleuren van de stichting Het Geldersch Landschap.
Dit artikel vertelt verder, dat de tenten aanvankelijk op de terrassen tussen de kastanjes stonden. Het waren vooral de meer welgestelde mensen uit het westen die kwamen. Met de trein, waarbij de uitrusting met van Gend & Loos werd verstuurd. De camping was voor de boswachter een welkome aanvulling op zijn inkomen.
De camping, dan met 40 plaatsen, is tot 1979 in gebruik geweest: Het Algemeen Dagblad van 27-4-1979 schrijft dat in september dan de poorten definitief dicht zullen gaan. Ook schrijft het artikel dat een andere camping “De Uilenburg” in Berg en Dal met 100 plaatsen zal gaan sluiten.
Beheervisie Heerlijkheid Beek 2018-2019 schrijft: “De voormalige camping op de Ravenberg werd vanaf de verwerving t/m 1984 door de boswachter en zijn vrouw geëxploiteerd en heeft daarom historische waarde voor GLK.” (Beheervisie Heerlijkheid Beek 2018-2019, Geldersch Landschap & Kastelen) Het is nog niet duidelijk waarom hier het jaartal 1984 wordt genoemd, terwijl het krantenartikel uit 1979 vermeldt dat de camping dat jaar zal sluiten.
Het Patersbosje ligt in de wijk Hunnerberg, schuin achter het Canisiuscollege: tussen de Pater Blommaertlaan, Pater Leijdekkersstraat en het lindelaantje aan de Nicolaas Molenaarstraat. Rond 1910 werd in de voormalige kloostertuin van de paters Jezuïeten het Patersbos aangelegd.
Lange tijd was het terrein onderdeel van het afgesloten domein van de Jezuïeten. In 1991 kwam het Patersbos in bezit van de gemeente Nijmegen en werd het openbaar toegankelijk. Tegenwoordig is het een waardevolle groene plek voor de wijk, zowel vanuit het oogpunt van recreatie als natuur.
Het terrein bestond uit een tuin- en een bosgedeelte en was niet toegankelijk voor de leerlingen van het college. Het was met hoge hekken afgesloten, zo blijkt uit de Wijkkrant Nijmegen-Oost uit 1994.
Vogelvluchtopname van het Sint Canisiuscollege met rechts bovenin het Patersbosje; aan de Berg en Dalseweg zijn nog onbebouwde terreinen (rechtsonder) ; links in het midden Museum Kam aan de Eleonorastraat (later Museum Kamstraat) ; bovenin de sportvelden van het college aan de Ubbergseveldweg en de Praetoriumstraat, 1930-1931 (KLM Aerocarto via F12698 RAN)
Het Canisius College is gebouwd in 1898-1900 voor de Jezuïeten naar ontwerp van Nicolaas Molenaar.
In ieder geval zijn er in december 1979 al plannen voor het Canisius-terrein. Zowel het gebouw zelf als het terrein zijn onderwerp van discussie tussen gemeente en bewoners. Zo wil de gemeente mogelijk alleen de voorgevel van het college houden. Terwijl een initiatiefgroep van bewoners, die tevens een enquete houdt, een groter deel van het gebouw wil behouden. Ook wil de iniatiefgroep graag het sportveld behouden. Beide wensen komen ook met een zeer ruime meerderheid naar voren uit de enquete. Op 19 december zal de gemeenteraad beslissen. Over het Patersbosje is juist geen discussie: zowel de gemeente als de bewoners willen dat het bosje behouden blijft. (Wijkkrant Nijmegen-Oost 1/12/1979)
Op 2 februari 1987 is er een inspraakavond in Café Trianon: de gemeente heeft de grond van het Canisus College bestemd voor woningbouw. De Sint Willibrordstichting, een stichting van de Orde van de Jezuïeten, heeft een projectontwikkelaar en een aannemer in arm genomen. Op haar terrein moeten vanaf 1988 200 woningen gebouwd. Wel zal het Patersbosje blijven bestaan, welke door de gemeente zal worden beheerd. (Wijkkrant Nijmegen-Oost 1/2/1987)
Natuur
Patersbosje poeltje (augustus 2026)
Het bosje werd ontworpen in landschapsstijl en kent nog altijd een parkachtige sfeer, met oude bomen, bijzondere planten en veel voorjaarsbloeiers. “Passend bij het tijdsbeeld werd het groengebiedje ontworpen in de landschapsstijl. De vele exotische boom-, struik- en plantensoorten herinneren aan de tijd waarin paters die terugkwamen uit missie planten meenamen.” https://www.intonijmegen.com/locaties/3277099055/patersbos
Ook in 1996 “valt dat verschil nauwelijks meer op. Wat je wel direct opmerkt is de grote variatie in begroeiing.” In het Patersbos staan minstens 35 soorten bomen. Een groot deel daarvan is al meer dan honderd jaar oud. Vooral rond het grasveld in het lager gelegen deel is het tuingedeelte nog herkenbaar.
Er zijn veel verschillende soorten planten en vogels te zien. Vooral in het voorjaar bloeien er veel bloemen, onder andere is -in ieder geval in 1996- het wettelijk beschermde voorjaarshelmbloem te zien. Door de grote variatie aan boom- en struiksoorten is het bosje ook belangrijk vanwege de aanwezigheid van vogels, vlinders en eekhoorns.
Midden in het bosje ligt een kleine kunstmatige poel, die samen met het omliggende groen leefgebied vormt voor verschillende amfibieën, waaronder salamanders.
Opening voor publiek
Patersbosje (augustus 2026)
In 1991 kwam het Patersbos in gemeentelijk bezit en op de sportvelden kwam nieuwbouw. Een van de redenen om het bos te behouden was voor de groenvoorziening voor deze nieuwe wijkbewoners.
De feitelijke openstelling voor het publiek volgde enkele jaren later; volgens de Wijkkrant Nijmegen-Oost was het bosje vanaf april 1995 voor publiek toegankelijk.(Wijkkrant Nijmegen-Oost 1/4/1996) Waarschijnlijk in 1995 officieel, want het artikel uit 1994 noemt al dat het “ineens open is”.
In 1996 zijn er al “gebruikssporen” te zien: bordjes bij bomen zijn beschadigd, er zijn kuilen gegraven door de jeugd en het Mariakapelletje is beschadigd. (Wijkkrant Nijmegen-Oost 1/4/1996)
Vooral sinds de lockdowns tijdens de corona periode is het bosje ontdekt door wandelaars. Niet alleen met positieve gevolgen: mensen namen hele planten mee, waaronder de gele hondstand. Daarop besloot Jac. Splinter een prijsvraag voor een slagzin uit te schrijven waarmee mensen werden opgeroepen de planten met rust te laten. Zie voor een leuk artikel uit 2021: https://nijmegen-oost.nl/uitgelicht/slagzinwedstrijd-tegen-plantenroof-in-patersbosje
Beheer
Patersbosje vlechtwerk (augustus 2026)
Net als andere stadsbosjes wordt het onderhoud gepleegd door bewoners, die de Werkgroep Patersbos gevormd hebben. Daarbij krijgt ze een bijdrage van de gemeente. Door het intensieve beheer is het bos erg belangrijk voor de biodiversiteit van Nijmegen. “Het beheer richt zich op duurzame instandhouding van het bosje, de recreatieve en ecologische waarde voor de ruime omgeving en de historische waarde ervan.” (Beheervisie Stadsbosjes Gemeente Nijmegen, Buiting Advies.
Vanwege de historische aanleg en het grote aantal bijzondere uitheemse soorten geldt in het Patersbos niet de algemene richtlijn dat 80 procent van de beplanting uit inheemse soorten moet bestaan. Wel wordt bij het uitvallen van oude bomen gekeken naar de aanplant van nieuwe, inheemse bomen.
Patersbosje: Hier begint een nieuw leven (augustus 2026)
“Incipit Vita Nova” is Latijn voor ” Hier begint een nieuw leven”. Dit is het opschrift van het boek Vita Nuova van Dante Alighieri. https://nl.wikipedia.org/wiki/Vita_nuova: “In het begin van het boek van mijn herinnering, waar nog maar weinig te lezen valt, staat een opschrift: Incipit Vita Nova. Onder dat opschrift vind ik vele dingen opgetekend, en daaronder de woorden die ik in dit kleine boek wil overnemen — niet alles, maar tenminste hun wezen.” https://athenaeumscheltema.nl/BookApi/GetSample?guid=54c2663e-a8f1-4739-8c11-f5b77f66c825
Het boek begint met een ontmoeting, hoe Dante op 9-jarige leeftijd Beatrice ziet wanneer hij negen is. Achteraf kijkt Dante terug op zijn herinnering in de vorm van het boek, met het opschrift: “Hier begint een nieuw leven”. Achteraf begrijpt Dante, dat zijn leven een andere betekenis had gekregen vanaf het moment dat hij Beatrice zag. Voor Dante wordt Beatrice iemand die hem geestelijk verandert en verheft. Let wel: het gaat om een “hoofse liefde”. Zelfs na haar dood blijft deze ontwikkeling doorgaan en Dante belooft over haar te schrijven op een manier die hij nog nooit over een vrouw heeft geschreven (vaak wordt de Goddelijke Komedie als inlossing van die belofte gezien).
Er is nog niet gevonden waarom juist deze tekst als Literair Baken is gevonden. Mogelijk omdat het bos een tweede, nieuw leven heeft gekregen zonder haar “eerste” leven te verliezen: ooit was het bos onderdeel van de besloten wereld van de Jezuïeten. Nu is het een openbare plek voor de bewoners van Nijmegen-Oost. Tegelijkertijd herinneren de oude bomen, de aanleg en de bijzondere beplanting nog altijd aan het verleden. Een plek die opnieuw is gaan leven, maar haar verleden met zich meedraagt.
1922, Eleonorastraat (Nu: Museum Kamstraat 45) Hunnerberg Gerard Marius Kam (1836-1922) Gerard Marius Kam was oorspronkelijk een Rotterdamse ondernemer, medeoprichter…
Berg en Dalseweg 54-56 Nijmegen architect mogelijk L.H. Verbrugge Bouwjaar circa1890 (augustus 2026)
Aan de Berg en Dalseweg 54-56 staat een statig gebouw van eind 19e eeuw, een Rijksmonument. Wie het ontwerp heeft gemaakt, is vooralsnog onbekend. Wel wordt soms architect L.H. Verbrugge genoemd als ontwerper. Maar was hij dat ook? Het begin van een zoektocht, zonder nog een eenduidig antwoord te krijgen.
“Dubbel HERENHUIS met eenvoudig TUINHEK gebouwd ca. 1890 met een decoratieve gevel in neoclassicistische stijl waarin invloeden van zeventiende-eeuwse Engelse architectuur in de trant van het palladianisme en Inigo Jones herkenbaar zijn (vgl. Lindsey House, Londen). In 1891 werd huis nr. 54 aangekocht door de Lutherse gemeente als pastorie.” (Rijksmonumenten). Bovendien is opvallend dat het gebouw 1 groot huis lijkt te zijn, terwijl het ook oorspronkelijk gebouwd is als 2 huizen.
Palladianisme en Inigo Jones?
Het “Palladianisme” is een van de stijlen binnen de bouwstijlen van het zogenaamde classicisme en vernoemt naar de Italiaanse architect Andrea Palladio (1508–1580), die in Venetië werkte. Deze architect greep terug op de oudheid. Deze stijl zou zich van de 17e eeuw tot eind 18e eeuw blijven ontwikkelen.
Inigo Jones was de architect die het classicisme in Engeland introduceerde. “Inigo Jones (Londen, 15 juli 1573 – aldaar, 21 juni 1652) wordt gezien als de eerste belangrijke architect in Engeland in de vroegmoderne tijd en de eerste die de Vitruviaanse regels van verhoudingen en symmetrie in zijn gebouwen toepaste. Hij was de eerste die de klassieke architectuur van Rome en de Italiaanse Renaissance in Engeland introduceerde.” (wikipedia). Hij was daarbij sterk door beïnvloed door Palladio.
Wijkkrant Nijmegen-Oost vergelijkt in 1990 het gebouw aan de Berg en Dalseweg vooral met het Banquet House in Whitehall (Londen) van Jones.
Hoewel ik geen expert, lijkt het Banquet House in ieder geval aanzienlijk meer op het gebouw aan de Berg en Dalseweg dan het Lindsey House. Daarnaast noemt Rijksmonumenten palladianisme en Jones “invloeden” bij een gevel in “neclassistische stijl”. Het is mij niet bekend of de architect zich rechtstreeks heeft laten inspireren op de “originele” bronnen, of Nederlandse (of zelfs Nijmeegse) voorbeelden, of een combinatie van beide.
Stucwerk
De ornamenten bestaan niet uit natuursteen, maar uit stucwerk: daaronder bevindt zich baksteen. Dit was aanmerkelijk goedkoper, maar gaf toch een mooi resultaat (Noviomagus.nl, met veel foto’s)
L.H. Verbrugge, de architect?
Wikimedia noemt als architect meester-timmerman L.H. Verbrugge. Andere bronnen, zoals Rijksmonumenten, noemen de architect “onbekend”. Ook de Nacht van Ommetjes noemt de architect onbekend. Daarnaast is de term “meester-timmerman” nog niet terug gevonden in bronnen als Adresboeken en het Bevolkingsregister: daar wordt Verbrugge over het algemeen “architect” genoemd.
Louis Henri Verbrugge is geboren op 12 mei 1864 in Amsterdam.
Detail Militieregister, hij blijkt een plaatsvervanger te hebben. (Archief Amsterdam, Militieregisters, archiefnummer 5182, inventarisnummer 4329)
Op 7 november 1886 vertrekt Verbrugge uit Amsterdam, Brouwerstraat binnen nr 7, alleen -althans, zijn moeder en zijn broers en zus blijven achter, naar Arnhem. (Bevolkingsregister Amsterdam BRB00074000166)
In het Bevolkingsregister 1880 van Nijmegen komt hij al tijdelijk voor als niet-verwante inwoner bij Simon Johannes Meijn (13-4-1851, Rotterdam), bouwkundig tekenaar op Hees E N.52. Louis Henri is dan op 11 mei 1887 afkomstig uit Amsterdam, waar hij op 12 maart 1888 weer naar toe vertrekt. Verbrugge is dan opzichter.
In het Bevolkingsregister van Amsterdam staat dat hij op 27 maart 1888 weer terugkomt naar Amsterdam. Hij heeft dan als beroep “opzichter”. Een goede maand later, 5 mei 1888 vertrekt hij met zijn moeder en zus Elisabeth Louisa (waarschijnlijk is hier de z vervangen) Therese Jeannette naar Nijmegen (Bevolkingsregister Amsterdam BRB00074000166)
Op 7 mei 1888 -dus een paar maanden nadat hij vertrokken was- komt Louis Henri weer in Nijmegen te wonen. Het hoofd van het gezin is zijn moeder, de weduwe van J. Verbrugge, Elisabeth Louise Therese Minnigh (8 mei 1839 Amsterdam). Ze zijn dan afkomstig uit Amsterdam en gaan op de Spaarbankstraat 16 wonen. Ook zus/dochter Elisabeth Louise Therese Jeannette (11-7-1870, Amsterdam) komt mee. Het gezin behoort tot de Waalse gemeente. Het “blauwe potlood” heeft het geboortejaar van Elisabeth veranderd van 1834 naar 1839 en als beroep van Louis Henri architect gezet.
In het Bevolkingsregister van 1890 wordt de Spaarbankstraat A23 doorgehaald en vervangen door Berg en D. weg 14.
Louis Henri staat vermeld als architect. Broer/zoon Henri Louis Leonard (20-8-1866, Amsterdam) zal de komende jaren steeds tijdelijk inwonen:
Van 15-5-1891 afkomstig van Valburg en op 22-5-1891 vertrekkend naar Anna-Paulowna
Van 22-2-1893 afkomstig uit Anna-Paulowna en op 6-12-1893 vertrekkend naar Bussum, hij is dan landbouwer
Van 4-3-1898 afkomstig uit Bussum en op 11 mei 1901 weer vertrekkend naar Bussum, geloof Nederlands Hervormd) (Bevolkingsregister 1890)
Overigens is in december 1890 is Verbrugge commissaris bij de Vereeniging tot gezellig ijsvermaak. In een bericht in PGNC 30/12/1890 is zijn adres Berg-en-Dalschen weg 105.
In het Bevolkingsregister 1900 komt Louis Henri als architect. Het gezin komt dan voor op de Berg en Dalseweg. Het is onduidelijk of er sprake is geweest van verhuizingen of nummerwijzigingen: aanvankelijk staat er 14, welke is doorgehaald en vervangen door 60. Op een later tijdstip is 60 vervangen door 62. Later is er met potlood A48.250 bijgeschreven.
In het Bevolkingsregister 1910 komen ze voor op Berg e Dalsche weg 62?: de 6 is duidelijk leesbaar, over het tweede cijfer is op een later tijdstip, 1/1 1921, een grote 0 gezet met een A erachter -dus 60A. Aanvankelijk staat er bij Louis Henri als beroep architect. Dit is later doorgestreept en vervangen door “zonder”. Ook is op een ander tijdstip bij Elisabeth de s vervangen door een z en haar geboortejaar 1839 gewijzigd in 1835. (En Jeanette krijgt dan een tweede “n”.)
Bouwvergunningen L.H. Verbrugge
Tot nu toe ben ik 3 bouwvergunningen tegengekomen waar Verbrugge wordt genoemd. Waarschijnlijk vreemd, wanneer Verbrugge de daadwerkelijke architect zou zijn, er tot nu slechts enkele werken gevonden zijn, waarbij Verbrugge genoemd wordt (dit betekent niet dat hij de architect is):
In 1888 wordt aan L.H. Verbrugge en S.J. Meijn vergunning verleend tot het bouwen van 3 huizen aan de Berg en Dalseweg
In 1889 wordt aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 2 huizen aan de Berg en Dalseweg
In 1891 wordt aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 1 villa aan de St. Canisiussingel
Opvallend daarbij is de vergunning uit 1888 voor de bouwvergunning van 3 huizen aan de Berg en Dalseweg: die staat op naam van L.H. Verbrugge én S.J. Meijn. Dat is waarschijnlijk dezelfde Simon Johannes Meijn bij wie Verbrugge kort daarvoor inwoonde en die in het bevolkingsregister als bouwkundig tekenaar wordt vermeld. Daarmee is er een concrete aanwijzing dat de twee al vóór 1890 samen bij bouwprojecten betrokken waren. Van Meijn worden overigens in die tijd wel krantenberichten over zijn ontwerpen gevonden.
Daarnaast is de onderstaande advertentie uit 1892 gevonden:
Advertentie L.H. Verbrugge voor een Villa met Tuin (Algemeen Handelsblad, 4-2-1892)
Villa Rust
Monumentale villa mogelijk ontworpen door L.H. Verbrugge en gebouwd in de jaren 1890/91 op de hoek (verlengde) St. Jorisstraat Canisiussingel (rechts); in 1896 werd het adres mr. Franckenstraat 2. Op 9 november opent, na een omvangrijke verbouwing onder andere een aanbouw links van het pand, H.E Span de banketbakkerij “Keizer Karel” met lunchroom en terras in het ronde gedeelte. In 1933 vestigt zich in de aanbouw een filiaal van bloemensalon “Corona” in de Bisschop Hamerstraat. Tijdens de bevrijding van de stad wordt het pand en de naastliggende huizen verwoest, Mr. Franckenstraat 2 Hunnerberg, 1895-1900 (F5503 RAN)
Het RAN noemt onder ander bij bovenstaande foto F5503 dat de architect “waarschijnlijk” L.H. Verbrugge is; hier vervangen door “mogelijk”. Ook hier is de originele bouwtekening nog niet gevonden/ingezien. De villa stond op de hoek van (verlengde) St. Jorisstraat Canisiussingel (rechts); in 1896 werd het adres mr. Franckenstraat 2 (foto GN1480 – B RAN)
Op sommige vermeldingen wordt deze villa ten onrechte “Villa Rust” genoemd: Villa Rust is de villa op het huidige adres St. Canisiussingel 1. Deze villa komt vanaf 1901 in de adresboeken voor: ““Pluym verhuist om gezondheidsredenen op circa 50-jarige leeftijd naar Nijmegen, vandaar “Rust”.” (Willem Ruyters in een mail 6 september 2026)
Op 18 augustus 1891 koopt Verbrugge een perceel bouwgrond van de gemeente, “op den hoek van den Canisiussingel en de Sint Jorisstraat, op den Kadastralen legger der gemeente Nijmegen, bekend in Sectie B Numero 1729, als erf, groot zeven aren.” Een van de voorwaarden daarbij is dat er voor mei 1892 een woonhuis is gebouwd, zonder blinde muren aan de kant van de Canisiussingel en de Sint Jorisstraat” (Inventarisnummer 75, Archiefnummer 450, Aktenummer 3184).
Vervolgens sluit Verbrugge een lening af bij Joseph Kirchner op 19 augustus 1891 met dit bouwterrein als onderpand. (Inventarisnummer 75, Archiefnummer 450, Aktenummer 3187).
Daarbij wordt in 1891 aan L.H. Verbrugge vergunning verleend tot het bouwen van 1 villa aan de St. Caniussingel.
Verbrugge lijkt betrokken te zijn bij de bouw, maar het is niet zeker of hij de architect is. En daarnaast: wordt met deze woning de “villa van Verbrugge” bedoeld in het volgende artikel: “Het voorstel van B. en W. om aan de heeren D. J. en C. C. Haspels alhier te verkoopen eene oppervlakte bouwterrein aan de St. Jorisstraat, gedeelte van het kadastraal perceel Nijmegen, Sectie B no. 1728, gelegen tusschen de villa van den heer Verbrugge en den Straalmansweg, voor f 6.50 per centiare, onder de volgende voorwaarden…”: oftewel aan de huidige mr. Franckenstraat” (Gemeenteverslag 1894). Echter: de villa van Verbrugge kan juist ook aan de andere kant staan: in het Bevolkingsregister en Adresboeken staan steeds adressen van de Berg en Dalseweg.
Gevonden adressen Verbrugge
Hieronder staan de adressen van Verbrugge en zijn familie weergegeven volgens de adresboeken. Daarbij is het steeds Berg en Dalseweg, maar met veel verschillende nummers. Het is nog niet bekend welke veranderingen daadwerkelijke verhuizingen en welke hernummeringen van het adres betreft.D
Dat maakt het vooralsnog ook lastig te bepalen welk gebouw bij welk adres hoort. In ieder geval is wél duidelijk dat er met meerdere panden aan de Berg en Dalseweg een relatie is met Verbrugge. Welke rol hij daarbij heeft gehad -architect, ontwikkelaar, eigenaar en/of bewoner-, is nog niet bekend.
Wed. J. Verbrugge, geb. Ee. La. The. Min(n)igh, zonder beroep, Berg en Dalsche weg 405 (1892, 1893, 1895)
Dan is er een inbraak bij de weduwe: “Dinsdag nacht is te Nijmegen tijdens de afwezigheid van de bewoners ingebroken in de villa op den hoek van den Canisiussingel en Sint-Jorisstraat en bewoond door de wede. Verbrugge. De dief had zich door het stuk slaan van een glasruit toegang tot die woning verschaft en aldaar ontvreemd: 1 koperen wekkerklok, 2 parasols, 1 parapluie, 3 japonnen, 8 mantels, 2 rokken, 2 blouses, 1 pantalon en 1 huissleutel. De politie werd met het gebeurde in kennis gesteld en ’s morgens om 9½ mocht het de rechercheurs Mensen en Heijnekamp gelukken, den dief in het bezit van de gestolen voorwerpen in eene slaapstede in de Zwanengas alhier aan te houden. Het was zekere J.S., oud 26 jaren en Duitscher.” (De Gelderlander 7/10/1894)
In 1896 is het Berg en Dalsche weg 15; in 1898 nummer 16.
In 1901 is het nummer 14. Vanaf 1901 komt ook L.H. Verbrugge, architect op dit adres voor. Idem in 1902.
In 1903 is het weer nummer 16.
En in 1905 en 1907 60a.
In 1908 is het nu nummer 62. Evenals in 1910-1911, 1912-1913
Vervolgens is in 1913-1914 nummer 58.
Maar in 1914-1915 weer 60a.
Evenals in 1915-1916 en in 1916.
In 1922 wordt voor dat jaar alleen de weduwe gevonden.
Echter: in 1924 staat ook L.H. weer op het adres, dan staat er geen beroep vermeldt. Ook komt Mej. E.L.Th.J. voor.
In 1926 is het nummer 60. Dan komt naast de 3 hierboven genoemden ook H.L.L. voor. Idem voor 1928.
In 1932, 1934 en 1936 komen de 3 “kinderen” voor op 60a; de weduwe niet meer. In 1948 en 1951 komen mej. E.L.T.J. en H.L.L. nog voor, dan op nummer 60. In 1955 komt geen van allen op de Berg en Dalseweg voor.
Verkoop nummer 62 en 62a
Augustus 1920 verkoopt Elisabeth Louisa Thérèse Minnigh, weduwe van Johannes Verbrugge “een beneden en bovenhuis aan den Berg en Dalschenweg 62 en 62a, Kadastraal bekend gemeente Hatert, sectie A, nummer 913, groot twee aren, twee en zeventig centiaren als huis en erf”. De grond is op 14 mei 1888 gekocht, het huis door stichting. De koper is Johan Wilhelm Hoffmann (Architect). (Inventarisnummer 89, Archiefnummer 560, Aktenummer 3624).
Warme deken
Een interview met de bewoonster van nummer 56, Janine Lenne uit 2019 is te lezen op https://www.gelderlander.nl/nijmegen/dit-huis-voelt-als-een-warme-deken~a88ee76e/ . Ze noemt het huis als een warme deken. “”,We hebben het huis in 1999 gekocht. De vorige eigenaar was een alleenstaande man die hier op kamers had gezeten tot zijn hospita overleed en hij het huis kocht.””.
Rijksmonument
Het gebouw Berg en Dalseweg 54-56 is een Rijksmonument. Met als waardering (tevens staat hier een uitgebreide beschrijving): “
Van architectuurhistorische waarde als een gaaf en zeldzaam voorbeeld in in- en exterieur van een stedelijk woonhuis uit het einde van de negentiende eeuw. De voorgevel valt op door een opmerkelijke combinatie van rijke ornamentiek in stucwerk en muurwerk in gele verblendsteen, die invloeden van het palladianisme, in het bijzonder Inigo Jones verraden.
Het pand is van stedebouwkundige waarde als markant onderdeel van de straatwand van een van de uitvalswegen van Nijmegen, waarvan de karakteristieke bebouwing van herenhuizen is ontstaan in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Het pand speelt een beeldbepalende rol vanwege de uitzonderlijke bewerking van de gevel. Het pand heeft ensemblewaarde in relatie met de belendende panden aan het Mariaplein, dat door de aanwezigheid van een grote verscheidenheid aan gevels, een staalkaart vormt van stijlen rond de eeuwwisseling.”
Inmiddels is duidelijk dat Louis Henri Verbrugge bij meerdere panden op de Berg en Dalseweg betrokken lijkt te zijn geweest. Welke rol hij daarbij precies had – architect, ontwikkelaar, eigenaar en/of bewoner – is nog niet duidelijk. Opvallend is dat er vooralsnog nauwelijks gegevens over zijn eventuele ontwerpen zijn gevonden, zoals contracten, aanbestedingen of originele ontwerpen. Dat roept de vraag op welke omvang zijn zelfstandige architectenpraktijk in Nijmegen daadwerkelijk heeft gehad. Hopelijk zal een vervolg daar wat meer uitsluitsel over geven.
Jan van Goyenstraat 17 Hunnerberg, 1930 (F18250 RAN)
Deze pagina verzamelt berichten over de Jan van Goyenstraat
Broodbakkerij Hunnerberg, architect W. Hoffmann
hoek der Van Rosendaelstraat en Jan van Goyenstraat, 1902
“Broodbakkerij ‘Hunnerberg’.
De gestadige uitbreiding der stad doet in de nieuwe wijken voortdurend behoefte ontstaan aan gelegenheden om zich van het noodige voor het dagelijksch levensonderhoud te voorzien.
Een flinke broodbakkerij is al een van de eerschte vereischten voor een volkrijke buurt en zoo kan het ons niet verwonderen, dat op den hoek der Van Rosendaelstraat en Jan van Goyenstraat zulk een inrichting is verrezen, die aan alle eischen voldoet.
Het is een kolossaal en fraai pand, dat hier, volgens de plannen van den architect den heer W. Hoffmann, door den aannemer den heer H.C. van Thienen is opgetrokken, terwijl de schilder, de heer P.J. Lamers aan het houtwerk een net en sierlijk aanzien heeft weten te geven.
De eigenlijk bakkerij, aan de achterzijde gelegen, is naar de laatste eischen des tijds ingericht en voorzien van een doelmatige heeteluchtoven, geleverd door den heer P.Th. Caners te Ravestein. Daarboven is de meelzolder gelegen, met cementen vloer, vanwaar het meel door middel van een koker in de bakkerij afdaalt. Ruime rijskamer, bergplaatsen enz. voltooien de inrichting der bakkerij.
Een ruime en fraaie winkel biedt gelegenheid, de producten der bakkerij uit te stallen en te koop te bieden.
Hedenavond wordt blijkens achterstaande advertentie die winkel, genaamd ‘Hunnerberg’, door den heer Alb. Verhoeven geopend.
Niet alleen is er allerhande brood en gebak, maar zijn er ook kruidenierswaren van allerlei aard te bekomen, hetgeen een groot gerief is voor deze ontwikkelende buurt. Aan toeloop zal het er dan ook zeker niet ontbreken.” (De Gelderlander 18/4/1902)
Winkel Melk en aanverwante artikelen Jacobs, architect van Eldik
1937 Jan van Goyenstraat 14 Hunnerberg
“Opening nieuwe zaak
Morgen, 1 April opent de heer Th. Jacobs zijn nieuwe zaak, in melk en aanverwante artikelen, aan de Jan van Goyenstraat No. 14.
Zooals men weet, was dit bedrijf eerst aan den overkant van de straat gevestigd.
Na verbouwing van het pand op No. 14, liet de heer Jacobs deze zaak op moderne en hoogst smaakvolle wijze inrichten. Aan de Verkade’s artikelen werd een speciale afdeeling gewijd.
Bij een bezoek aan deze zaak treft het interieur, waarin de orgineele toonbank van marmer, de fraai betegelde wanden en de verchroomde opstanden aan het geheel nog een bijzonder cachet verleenen. Een zaak waarop deze vooruitstrevende zakenman trotsch kan zijn.
De volgende firma’s werkten aan de voltooiing mede:
Architect was de heer Jos van Eldik; Aannemer was de bouwkundige v. Haren; Het schilderwerk werd uitgevoerd door den heer van Roesel; Het marmerwerk door den heer van Leeuwen; De verchroomde opstanden zijn geleverd door de firma Gebr. van Campen; De lichtinstallatie door den heer v.d. Zand.
Wij verwijzen naar de advertentie in dit blad.“ (De Gelderlander 31/3/1937)
Jan van Goyenstraat 16, zelfde als 14?
Sigarenzaak Th. Jacobs, Jan van Goyenstraat 16 Hunnerberg, 1957 (F92053 RAN CC0)
Herbouw Boven en Benedenhuis, architect Okhuysen
Jan van Goyenstraat 27 en 29, 1947
Tekening gedateerd 17-4-1947 (detail D12.407456)
Plan voor de bouw van 1 Boven- en Benedenwoning a/d Jan Goyenstraat v/rek v. J. de Waal
Huidig (september 2022, Google Streetview)
Hieronder staat een foto weergegeven uit 1933. Okhuysen heeft de erker met balkon laten terug komen. Daarnaast komen de bogen boven de ramen laten terugin de vorm van een gemetselde boog. Ook de boog met ramen boven de voordeur is in zijn ontwerp opgenomen, in de vorm van 2 ramen.
De oneven zijde van de Jan van Goyenstraat. Boven- en benedenwoningen vóór de verwoesting door de gevechten in september 1944. De huizen werden in de jaren 1954/55 herbouwd naar een ontwerp van de architect J.D.A. Okhuijsen; RAN noemt Jan van Goyenstraat 33: onduidelijk is of ze het oude of nieuwe huisnummer bedoelt. Het nieuwe huisnummer 33 is ontworpen door A, v.d. Kloot (F39264 RAN)
Herbouwen beneden en bovenwoning, architect Okhuysen
Jan van Goyenstraat 23 en 25, 1949
Plan voor de bouw van 1 boven en benedenwoning aan de Jan v. Goyenstraat v. rek. van de Weled. Heer G.J. Kuiperij
Detail D12.409286
Huidig (september 2022, Google Streetview). De eerste woning met twee deuren zijn de nummers 23 en 25. Daarnaast 27 en 29, zie hierboven
Woonhuizen, architect van der Kloot
Jan van Goyenstraat (31, 33, 39, 41), 1955
Plan voor de Bouw van 2 x 2 woningen aan de Jan van Goyenstraat te Nijmegen voor Fa. Gebr. Dekkers, Tooropstraat 21, Nijmegen, datum tekening: juli 1954, arch. A. van der Kloot b.n.a. (D12.422657)
Afgaande op de bouwtekening hierboven, laat Fa. Gebr. Dekkers, een aannemingsbedrijf, de woningen Jan van Goyen 31-33 en 39-41 herbouwen. Het ontwerp van de tekening is uit juli 1954. Opvalllend daarbij is, dat de woningen worden ingepast in reeds bestaande huizen.
Tijdens Market Garden in september 1944 waren deze woningen tijdens de gevechten verloren gegaan.
In 1947 werden de linker woningen nummers 27-29 herbouwd naar ontwerp van J.D.A. Okhuysen voor rekening van J. de Waal (evenenals 23-25 uit 1949 voor rekening van de heer Kuiperij).
Ook de nummers 35-37 waren inmiddels herbouwd. Ik (RE) heb nog niet de architect kunnen achterhalen. Wel lijken de woningen een grote overeenkomst te hebben met de nummers 27-29, waardoor J.D.A. Okhuysen de architect zou kunnen zijn.
Het hoekpand aan de Museum Kamstraat heeft de oorlog wel overleefd en dateert uit 1926.
De woningen rechts met openstaande ramen zijn nummers 39-41, de woningen in het midden 31-33, augustus 2023 (Google Streetview)
Hoek Pater Brugmanstraat Jan van Goyenstraat, september 2022 (Google Streetview)
Op de hoek van de Parkweg en Pijkestraat staat het beeld van de Gouden Engel. Beeldhouwer Fred van Teeseling liet zich inspireren door de Nijmeegse legende van de Gouden Engel uit 1600: het verhaal over een tragische liefde en over een engel van puur goud die ergens in de binnenstad van Nijmegen begraven zou moeten liggen.
Echter: in hoeverre klopt het verhaal van deze legende?
Over het beeld
De opdracht werd verstrekt in verband met de bouw van de parkeergarage aan de Pijkestraat. Ed van Teeseling heeft het beeld dan ook specifiek voor deze plek ontworpen. Toen hij de opdracht in 1980 kreeg, was hij op dat moment bezig met engelen.
Kos: “Hij liet zich inspireren door de Nijmeegse legende van de Gouden Engel uit 1600: het verhaal over een tragische liefde en over een engel van puur goud die ergens in de binnenstad van Nijmegen begraven zou moeten liggen”. Doordat het beeld al op een natuurlijke verhoging staat, is deze niet op een sokkel geplaatst.
Eens in de zoveel tijd duikt ie op: de legende van de Gouden Engel. De oudste vermelding die ik heb gevonden is uit 1857, waaruit blijkt dat de legende van de Gouden Engel volksgeloof betreft, dat al lang bestaat:
De legende van verborgen schatten is algemeen. Bij ons heerscht immers ook het volksgeloof dat er in den Hunnenberg een gouden engel verborgen is, terwijl verzekerd wordt dat dit mede het geval is met den Duivelsberg. Aan het vinden dier schatten is, zoo als overal, als eerste stilzwijgendheid geboden. Zoo vindt men in verschillende streken hetzelfde volksgeloof verspreid
Europa. Verzameling van in- en Uitlandsche Lettervruchten, ter bevordering van wereldkennis en aangenaam onderhoud met platen, Dordrecht”, bij H. Lagerweij, 1857:
Bij opgravingen komt de gouden Engel regelmatig bovendrijven. De eerste door mij gevonden vermelding is bij de slechting der Vestingwerken ter hoogte van de Belvedère: “De legende wil, dat in den Hunnerberg een gouden Engel zou begraven zijn, dien men nu bij de ontgravingen van den berg denkt te vinden.”(Arnhemsche Courant, 21-10-1882)
Aanleg Waalbrug: “De gouden engel zal zeer waarschijnlijk tevoorschijn komen”.
P. Dobbelmann eist de Gouden Engel in de Eerste Kamer maar vast op, nu er plannen zijn om bij de Belvedère de brug aan te leggen: “Volgens een oude legende moet daar in de buurt een levensgroote engel, vervaardigd uit zuiver goud, begraven liggen. Bij het afgravingswerk en vooral bij het maken van den hollen weg, welke naar de nieuwe Waalbrug moet leiden, zal de gouden engel zeer waarschijnlijk tevoorschijn komen. Namens mijn geboortestad Nijmegen reclameer ik nu reeds van deze plaats alle rechten op deze kostbare vondst. -Din intusschen entre parenthèse. (De Gelderlander 27/4/1928). C.A.P. Ivens had in zijn voordracht over de Waalbrug voor het departement Nijmegen van de Ned. Maatschappij voor Nijverheid en Handel al eerder gerefereerd dat door de graafwerkzaamheden die nodig zouden zijn, de engel dan ook wel gevonden zou worden (PGNC 8/12/1927).
Burchtpoort: “we gaan de gouden engel vinden”
Ook in 1936 is het weer raak, nu bij de afgraving van de fundamenten van de Burchtpoort: “Dat is een mysterieuze geschiedenis, die telkens wordt opgehaald als er ergens op historische plaatsen graafwerk wordt verricht. Of eigenlijk is het heelemaal geen geschiedenis. Men heeft het hier louter te doen met een oud volksgeloof, dat er ergens in Nijmegen een schat, in den vorm van een gouden engel begraven moeten zijn. Eenigen grond voor het bestaan van zoo’n schat is er niet aan te voeren, maar er zijn te allen tijde menschen geweest, die er rotsvast in gelooven, ook nu nog. Daarvan zouden zelfs frappante staaltjes aan te voeren zijn. Nog onlangs heeft er zich een gegadigde opgedaan, die in allen ernst met de wichelroede naar den schat wilde gaan zoeken. Als hij zijn voornemen heeft uitgevoerd moet dat in elk geval in het diepste geheim gebeurd zijn, want er is althans niets van uitgelekt. En onder de grondwerkers, is de legende van den gouden engel steeds weer het onderwerp van gesprek. “We gaan den gouden engel vinden”- zeggen ze dikwijls spottend tot elkaar, maar misschien toch met de hoop in ’t hart, dat het waar mag zijn. Dat de legende heeft kunnen ontstaan behoeft overigens niet te verwonderen in een stad als Nijmegen, waar bij verschillende gelegenheden zooveel oudheden gevonden worden.” (PGNC 21/4/1936)
1954: de gouden engel gevonden?
Dan is er op 11 januari 1954 nieuws: er is een engel van goud gevonden op de Burchtstraat. De Gelderlander: “Vanzelfsprekend spoedden wij ons onmiddellijk naar de plek des heils.” En tot hun verbazing zag ze inderdaad een silhouet van een engel in het zand, evenals een rij van toeschouwers. Ondertussen is het nieuws met zo’n snelheid verspreid, dat de Gelderlander wordt gebeld door verschillende mensen uit geheel Nederland, vooral musea, voor meer informatie. De gemeentesecretaris verklaart, dat alles wat in de bodem zit aan de gemeente behoort en dat bovendien de grond nog niet aan de eigenaar van de Bijenkorf was overgedragen.
Al gauw blijkt het niet om dé Gouden Engel te gaan: de directeur van het Gemeentemuseum beoordeelt dat het beeld ongeveer honderd jaar oud zou kunnen zijn in plaats van vele eeuwen. En bovendien is het beeld verguld, in plaats van geheel goud te zijn. (De Gelderlander 11/1/1954)
Bij de opening van de Bijenkorf blijkt definitief dat het beeld een PR-stunt in verband met de bouw van de nieuwe Bijenkorf was, waarbij de Bijenkorf zelf het beeld in de grond heeft laten stoppen. (De Gelderlander 7/10/1954). Een foto van de “opgraving” is te zien op GN4016 RAN).
Legende van de Gouden Engel: historisch?
Enkele dagen na de ‘vondst van de engel schrijft A. Delahaye: “Bestaat er kans dat de echte gouden engel nog ooit zal gevonden worden?” (De Gelderlander 13/1/1954) Daarin betoogt hij dat er is geen historisch aanknopingspunt te vinden. Áls de gouden engel zou bestaan, zou dit beeld pas na de komst van het Christendom gemaakt kunnen zijn. Als de stad Nijmegen of de St. Stevenskerk ooit een dergelijk beeld in het bezit hadden gehad, zou dit vanwege de grote waarde wel historisch bekend zijn geweest. (Ook geeft hij aan dat de Gouden Engel mogelijk een verbastering van een perceelnaam Gouden Eng is. Delahaye heeft echter vanuit verschillende kanten kritiek gekregen over zijn plaatsnaam/gebeurtenis verklaringen).
Hoewel ik het nog niet in handen heb gehad, is er het boekje “De Legende van de Gouden Engel”, waarbij de legende rond 1600 zou stammen. Deze blijkt echter geschreven te zijn door de Bijenkorf. Hoofdpersoon is de Geertrude, de beeldschone dochter van Antonius Keijser, waarbij geheel toevallig de eigenaar van de winkel ook Keijser heet. Zie ook het verhaal op Levendweb.
Elders
Overigens kent ook de Mookerheide een legende dat dáár een gouden engel begraven zou liggen: “Deze legende is van veel oudere oorsprong: vergelijk de gelijksoortige legende in Nijmegen.” (Rond de Grenssteen, een uitgave van de Stichting Heemkundekring de Grenssteen Mook-Middelaar-Molenhoek, nummer 95, herfst 2010)
Daarnaast heb ik gevonden dat er in/rond ‘s-Heerenberg er een sage van een gouden engel is: “Soldaten nemen in hun vlucht uit een dorp, een gouden beeld van een engel, uit de kerk, mee. Onderweg worden ze achterna gezeten en moeten ze het beeld begraven. Het beeld is nooit teruggevonden.” (https://www.verhalenbank.nl/items/show/22448)
1974/1975 Berg en Dalseweg 133-181 en Huygensweg 16-52 Hunnerberg
Berg en Dalseweg met Huygensflat, maart 1982 (Ber van Haren via KN13512-19 RAN CC0 Auteursrechthouder: Gemeente Nijmegen)
De Huygensflat in Nijmegen werd in 1974–1975 gerealiseerd op de plek van twee negentiende-eeuwse villa’s. Dit artikel onderzoekt de geschiedenis van de locatie, de sloop en nieuwbouw. En de manier waarop de flat in de verkoop werd gepresenteerd: niet als serviceflat of bejaardenhuis, maar als een riante, comfortabele en zelfstandige koopwoning, waarbij vitale ouderen wel nadrukkelijk als doelgroep werden aangesproken. Daarmee is de Huygensflat interessant als voorbeeld van veranderende ideeën over wonen en ouder worden in de jaren zeventig.
Residence Huygensflat was een project van de NV Mij. Stadhouderslaan en Bouwkundig Aannemersbedrijf J.M.H. Hendriks. De makelaar is Hestia b.v. (de heer F. Hendriks)
Vooraf: sloop 2 villa’s
Villa Anna, gebouwd in 1898, samen met Berg en Dalseweg 131, Berg en Dalseweg 129, 1970 (Nico Grijpink via F7536 RAN CCBYSA)
De Huygensflat staat op de locatie waar daarvoor 2 villa’s stonden. Berg en Dalseweg 129 en 131. Op de bovenstaande foto is nummer 129 te zien, op F12553 RAN staan beide villa’s afgebeeld.
Deze villa’s waren in 1898 gebouwd. “In 1916 gekocht door Ch.C.van Zijll de Jong voor de vestiging van de Stichting Thera Posa (opvanghuis voor gerepatrieerde Nederlanders).” (Reactie op foto F12553 RAN). Daarbij is 1916 hoogstwaarschijnlijk een schrijffout en moet dat 1961 zijn: juist in die tijd speelde de terugkeer uit Indonesië.
Berg en Dalseweg 129 Villa Anny
Wanneer Thera-Posa Berg en Dalseweg 129, Villa Anny heeft gekocht, is nog niet bekend. In 1939 wordt de “villa Anny, met erf en tuin aan den Berg en Dalscheweg No. 129, te Nijmegen, kad. groot 23.88 A., voor f11.200, aan den Heer C. Diepenbrock” verkocht. (De Gelderlander 8/12/1939)
In De Gelderlander 1/5/1940 wordt een “Flink Meisje” gevraagd voor het Pension “Villa Anny”. En in De Gelderlander 23/5/1940 heeft het nog “eenige Kamers disponibel in verschillende prijzen. Groote tuin, lighal” Opdrachtg. Is Mej. M. Jansen. In ieder geval in 1941 worden er kamers voor het pension aangeboden.
In De Gelderlander 23/7/1949 en De Gelderlander 5/11/1949 wordt het Hotel Villa Anny genoemd, in het kader van een receptie voor een huwelijksfeest. Ook in De Gelderlander 31/1/1951 wordt het hotel genoemd, bij de vermissing van een hond.
In De Gelderlander 1/2/1954 staat de aankondiging dat in maart 1954 de heropening van het pension plaatsvindt, ondertekend door H. v.d. Spek en A. Baars-Miltenburg.
Berg en Dalseweg 131
Personeelsadvertentie waarbij zowel Berg en Dalseweg 129 als 131 wordt genoemd (De Volkskrant, 19-3-1966)
In het Algemeen Dagblad 24-7-1965 zoekt Thera-Posa een ervaren kookster voor haar Kindertehuis Lunenberg te Herpen. Daarbij is het adres van de stichting de Berg en Dalseweg 131. Thera-Posa had het pand in Herpen in 1964 aangekocht om een “tehuis voor de jeugd, die aan de zelfkant van de maatschappij dreigt te geraken, openen. De stichting, die in Nijmegen reeds een op dezelfde leest geschoeid tehuis exploiteert,…” (De Volkskrant, 15-2-1964). Het is mij nog niet bekend of met dit tehuis in Nijmegen nummer 129, 131 of nog een andere locatie wordt bedoeld. In het artikel over de koop van Herpen schrijft het wierookwijwaterenworstenbrood.nl: “Het kloostergebouw werd in 1964 gekocht door C. van Zijll-de Jongh, die uit Indonesië was teruggekeerd en in Nijmegen drie huizen had voor gerepatrieerde gezinnen. Hij was voorzitter van de stichting Thera-Posa en wilde mede naar aanleiding van de spijtoptanten, die uit Indonesië waren teruggekeerd, een gezinsvervangend kindertehuis stichten.”
In 1966 worden in ieder geval beide adressen genoemd bij de stichting. Nummer 129 wordt dan “ons huis” genoemd. (De Volkskrant, 19-3-1966)
Maatschappij Stadhouderslaan
In 1973 koopt Maatschappij Stadhouderslaan te Den Haag deze villa’s van de Stichting Thera Posa en laat vervolgens de villa’s afbreken om de Huygensflat te bouwen.
Vóór de bouw vindt echter archeologisch onderzoek plaats, wat veel inzichten in de Romeinse tijd van deze plek oplevert. Zie hiervoor het rapport van het RMO.
“Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
De advertentie in De Telegraaf, 25-10-1975 toont een foto van een vitaal ouder echtpaar, aan de wandel met een hond. In 1975 was ”Residence Huygensflat, ’t is een hele stap. Maar misschien wel de beste die u kunt doen.”
Nijmegen wordt aangeprezen vanwege haar natuurlijke omgeving, het bruisende culturele leven en een streek om tot rust te kunnen en te ontspannen. De Residence ligt zowel gunstig ten opzichte van zowel de natuur als het centrum. Daarnaast zijn er uitstekende verbindingen met heel Nederland.
“Uw huidige woning daar bent u zeker aan gehecht. Dat is ook begrijpelijk na al die jaren.
Toch zou u onderhand best wat makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler willen wonen.
Hiervoor hebben wij een plezierig voorstel. En bovendien helpen wij u met raad en daad bij de verkoop van uw huis.”
De advertentie noemt de Residence een “fraai gebouw door de verspringende gevellijn met rode baksteen en het speelse hoogteverschil, variërend van 5 tot 7 hoog.” Er zijn 5 verschillende woningtypen, waarvan 3 met open haard. Alle woningen hebben ruime woonbalkons. De woonkamers zijn 42 tot 54 m². Daarbij zijn er 2 of 3 slaapkamers, royale keukens en ruime bergingsmogelijkheden. Er zijn 3 liften en mechanische ventilatie.“
“Voor zo’n riante behuizing, voor déze ligging zijn de koopsommen bepaald laag”: de woningen kosten tussen de 149.600 tot 174.500.
Makkelijker, overzichtelijker, comfortabeler
Links de Huygensflat (op de hoek met de Berg en Dalseweg) en rechts de woning aan de Huygensweg 14, 1982 (Ber van Haren via KN13514-22 RAN CC0 Auteursrechthouder: gemeente Nijmegen)
De advertentie noemt als mogelijke verhuisreden dat mensen “makkelijker, overzichtelijker en comfortabeler” kunnen wonen. Wat daarbij lijkt op te vallen, is dat de flats vooral bedoeld zijn voor ouderen die nog geheel zelfstandig kunnen en willen blijven wonen: Zo is er een royale keuken. En -hoewel het niet in de advertentie wordt genoemd- zijn er achter de flat ruime parkeerplaatsen. De ligging wordt aangeprezen door juist allerlei mogelijkheden om er op uit te gaan. Een opmerking over “zorg dichtbij” of “gezellige, gezamenlijke activiteiten” ontbreken. Met een naam als Residence lijken de woningen vooral verkocht te worden als een “volgende stap” in plaats van “ouderenwoning”..
Wat de locatie ook bijzonder maakt, is dat het op een van de hoogste punten van de Berg en Dalseweg ligt, waarbij de bewoners op hoogste verdiepingen ook anno 2024 een fantastisch uitzicht hebben (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897).
De Huygensflat kwam tot stand in een periode waarin de Nederlandse ouderenzorg en ouderenhuisvesting ingrijpend veranderden. In de jaren 60 begonnen bejaardenhuizen er populair te worden. Vooral eind jaren ’60 werden alternatieven als de serviceflats en andere zelfstandige woonvormen steeds populairder. Wat daarbij meespeelde, was dat er groep van wat meer kapitaalkrachtige ouderen kwamen, die een dergelijke (al dan niet commerciële) flat kon betalen, groeter was geworden. Begin jaren ’70 is echter ook een omslagpunt waarbij het streven van de overheid gericht is op het zo lang mogelijk thuis wonen. In 1975 is er een bouwstop voor verzorgingstehuizen.
In hoeverre deze ontwikkelingen een rol hebben gespeeld bij de keuze van de Ontwikkelingsmaatschappij, is mij niet bekend. Wel kan deze ontwikkeling hebben meegespeeld bij de gedachteontwikkeling, waarbij er vervolgens een andere afslag is genomen. (Gebruikte bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_ouderenzorg_in_Nederland)
Hoogbouw
De flat lijkt goed te passen in de volgende omschrijving: “De hoogbouwflats uit de jaren zeventig werden op gestandaardiseerde wijze gebouwd en waren daardoor redelijk goedkoop. De flats zijn ruim opgezet en hebben verschillende hoogtes. Ze staan vaak in een groene omgeving en sluiten de wijk visueel af. De flats hebben een betonnen draagstructuur en gemetselde gevels. Door het bouwsysteem kunnen de binnenwanden makkelijk verplaatst of weggehaald worden. De afzonderlijke appartementen in de flat hebben grote ramen van enkel glas in houten of aluminium kozijnen. Balkons en galerij steunen op betonnen consoles. Op de begane grond zijn vaak bergingen en garages te vinden. De hoogbouwflats werden in de zeventiger jaren opgeleverd met een centraal verwarmingssysteem.” (http://langerthuisineigenhuis.com/woningtypes/hoogbouwflat-jaren-70/)
Koopprijs
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
Juist voor deze periode is het moeilijk de prijs van de woningen te vergelijken: tussen 1975 en 1978 verdubbelde de gemiddelde koopprijs in Nederland: van ongeveer 100.000 (€ 45.378) in 1975 naar 200.000 gulden (€ 90.756).
Echter: op basis van deze bedragen en bijvoorbeeld de grootte van de woonkamer, het noemen van het culturele leven, lijken deze appartementen vooral bedoeld te zijn voor de ouderen met in ieder geval een wat hoger inkomen (die vervolgens het appartement kunnen betalen vanuit de verkoop van hun huis of opgebouwd vermogen).
Bewoners anno nu
Op Nijmegen-oost vertelt een bewoner hoe het is om er in 2020 te wonen:
En een artikel uit 2024: “Wellicht herinneren zij dat alles binnen nog een bruine uitstraling had. En er alleen oudere mensen woonden. Dat is allang niet meer zo. Alle algemene ruimte hebben een facelift gekregen en door de lichte kleuren ziet het er stukken aantrekkelijker uit.” Naast ouderen wonen er ook bijvoorbeeld een jong gezin, studenten die een appartement delen. (https://nijmegen-oost.nl/lokale-media/oktober-2024/4897)
Huygensflat, maart 2025 (Google Streetview)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Voor een meer uitvoerige analyse over de ontwikkeling van ouderenhuisvesting:
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
“R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging.
Een eenvoudige maar echt Roomsche plechtigheid gisternamiddag alhier plaats.
De 25 nieuwe woningen n.l. door de R.K. Coöperatieve Werklieden-Bouwvereeniging aan de Berganiusstraat alhier gebouwd, werden door den Z. Ew. pater N. van Hassel O.P., geestelijk adviseur der vereeniging, in tegenwoordigheid van heeren commissarissen, den architect en de leden, ingezegend.
In juli 1909 werd door de R.K. Coöperatieve Werkliedenbouwvereniging toestemming gevraagd voor de bouw van 23 volkswoningen tussen de Van ’t Santstraat en de Daalseweg en 2 woningen bovenaan de straat op de hoek aan de Daalseweg in Nijmegen-Oost; deze foto is waarschijnlijk gemaakt bij de ‘officiële’ opening van de Bergansiusstraat, 1910 (F66361 RAN)
Vooraf werd door den voorzitter, den heer W. de Vries, een woord van hulde en dank gebracht aan den adviseur, aan wiens voorlichting en aanmoediging het vooral te danken is dat deze reeks van doelmatige, geheel naar den eisch des tijds ingerichte werkmanswoningen in een betrekkelijk kort tijdsverloop tot stand kwam.
Daarna had de plechtige inzegening van iedere woning afzonderlijk plaats. Na afloop hiervan richtte de Z.eerw. pater van Hassel het woord tot de leden om hen vooral te wijzen op de groote betekenis, in geestelijken en stoffelijken zin, der heilige handeling, zooeven door hem verricht, en hen geluk te wenschen met het onschatbare voorrecht in ’t bezit te zijn van een gezonde, prettige huisvesting, die zoozeer het godsdienstig familieleven ten goede komt.
Spr. eindigde met den wensch, dat de bewoners, in onderlinge liefde en hulpvaardigheid een reeks van jaren van deze woningen mogen genieten.
Namens heeren commissarissen bracht de heer Jacques Kneppers een woord van lof aan den architect, den heer J.C. Hermans, en de aannemers, de heeren W.R. (?) Coenders en J. Hopman, voor de zaakkundige wijze, waarop zij hun taak hebben verricht.
Verdienen de leden een woord van lof voor hun eendrachtige samenwerking en doorzettingsvermogen, niet minder de bouwmeesters voor de, aan winstbejag vreemd zijnde uitvoering van hun werk, waarvan spr. hoopt dat allen nog lang de zegenrijkste vruchten moegen inoogsten. De straat, aan beide zijden waarvan de reeds betrokken woningen zijn gebouwd, was rijk met nationale en pauselijke vlaggen versierd.
Bergansiusstraat 11-13:Geveldetails van oorspronkelijke arbeiderswoningen. Fraai versierd metselwerk in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen, 2007 (Nico van Hoorn via DF2129 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De woningen, waarvan de eerste steen werd gelegd den 18en September van ’t vorig jaar, zijn allen aan den voorkant voorzien van een tuintje en aan de achterzijde van een flink stuk moesgrond, en voldoen aan de hoogste eischen die men aan gezonde en gemakkelijke werkmanswoningen stellen kan.
Zij zijn berekende naar eene huurwaarde van f2.50 per week, vrij van alle lasten, en worden binnen een niet al te lang tijdsverloop het eigendom der leden.
Zoo ooit, dan is door het tot stand komen van deze uitsluitend katholieke straat een degelijk stuk katholieke sociale actie uitgevoerd.” (De Gelderlander 10/5/1910)
Architect Hermans
Het ontwerp was afkomstig van architect J.C. Hermans:
J.C. Hermans lijkt vooral bekend te zijn vanwege zijn ontwerpen voor de Woningvereniging Nijmegen. Niet ten onterechte, daar alleen al vanwege de aantallen zijn ontwerpen een beeldbepalend karakter voor een aantal wijken in Nijmegen hebben. Daarnaast komen wij hem regelmatig tegen bij het bouwen van katholieke gebouwen als scholen.
Bij het 12,5 jarig bestaan
Bergansiusstraat 5-7-9: Straatbeeld met woningen, gebouwd in 1909 in opdracht van de R.K. Coöp. Werklieden Bouwvereeniging, 1944-1946 (F87405 RAN)
“R.K. Coöper. Werklieden Bouwvereeniging
De vaderlandsche driekleur wapperde zondag van de vier hoeken der Bergansiusstraat.
Op hoogst bescheiden, maar treffende wijze vierden de leden van bovengenoemde vereeniging het 12½-jarig bestaan hunner coöperatie.
Des morgens werd in de O.L.Vr. kerk aan den Berg-en-Dalschen weg ter intentie der vereeniging een H. Mis, waaronder H. Communie, opgedragen, die door alle leden en hunne huisgenooten werd bijgewoond.
Gisteravond had in St. Jozefshof een ledenvergadering plaats, die een eenigzins feestelijk karakter droeg en die werd bijgewoond door den geestelijken adviseur, den weleerw. pater Kock O.P., den commissaris, den heer H.H. de Haan en den oud-commissaris, den heer Jacq. Kneppers.
Bergansiusstraat 1: Fraai hoekpand in ensemble van oorspronkelijke arbeiderswoningen hoek Bergansiusstraat- Daalseweg. Metselwerkversieringen in twee kleuren en glas-in-lood vensterdelen. In dit pand zit aan de voorkant de eerste steen uit 1909, toen de Bergansiusstraat werd opgeleverd, 2007 (Nico van Hoorn via DF2130 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
De voorzitter, de heer W. de Vries, opende de vergadering met den christengroet en een kort welkomstwoord en bracht- na de voorlezing der notulen van de vorige ledenvergadering door den heer C. Jansen- een uitvoerig verslag uit over de wordingsgeschiedenis der vereeniging en de gebeurtenissen, door haar in ‘t 12½-jarig tijdperk doorleefd. Wij ontleenen hieraan de volgende bijzonderheden:
Op initiatief van de heer W. de Vries en Th. Rutten, destijds resp. voorzitter en 2e voorzitter van den Nijm. R.-K. Volksbond, werd op 2 Febr. 1906 in de Gildekamer van ’t Bondsgebouw een vergadering gehouden, waaraan 20 mannen deelnamen. Nadat door den heer de Vries gewezen was op de Encycliek “Rerum Novarum”, waarin werd aangedrongen op een aan hygiënische en zedelijke eischen beantwoordende woning voor den werkman, die in hoofdzaak langs coöperatieven weg te verkrijgen was, werd de R.-K. Coöp. Werklieden-Bouwvereeniging opgericht onder het voorloopig bestuur van de heer M.D. Jansen, A. Derksen en W. Huting. Op 11 April d.a.v. werd een difinitief bestuur gekozen, n.l. de heer W. de Vries, voorzitter; W. Huting, secr. En A. Derksen, penningmeester, en de contributie vastgesteld op 10 ct. per week.
Op 10 Mei werden de eerste commissarissen gekozen, de heeren sweesaard, Th. Rutten en M.D. Jansen en het ledental gebracht op 40.
Veel financieele moeilijkheden, waarin zelfs het R.-K. karakter der vereeniging in gevaar kwam, moesten overwonnen worden, maar dank zij het doorzettingsvermogen, vooral van den voorzitter en zijn raadsman, den heer Van Term(?), destijds hoofdredacteur van “De Gelderlander”, werd rees op 10 Mei 1907 de Koninklijke goedkeuring op de statuten verkregen.
Op 6 Sept. d.a.v. werd de heer C. Jansen tot secretaris gekozen, die evenals de voorzitter tot op heden nog in functie is, terwijl in de vergadering van 9 Aug. de weleerw. pater Van Hassel O.P. als geestelijk adviseur werd geïnstalleerd.
Dank zij de tusschenkomst van deze verkreeg de vereeniging op 15 Dec. als commissarissen de heeren H.H. de Haan, Jacq. Kneppers en Aloy. Jansen.
Het verslag wijdt aan dit drietal, evanals aan den oud-adviseur een warm woord van dank voor den grooten daadwerkelijken steun aan de vereeniging betoond.
Ondanks het bedanken van vele leden- die den moed verloren- zette de wakkere voorzitter met zijn medebestuurders de actie voort, met het gevolg dat reeds in de vergadering van 22 Dec. 1907 een bestuursvoorstel tot aankoop van grond aan de Bergansiusstraat werd aangenomen.
Door den bouwkundigen, den heer Hermans, werden de plannen voor een complex van degelijke en aan alle eischen van comfort en hygiëne beantwoordende werkmanswoningen ontworpen en door de leden goedgekeurd.
Spoedig kwamen deze woningen door den aannemer, den heer Coenders, onder toezicht van den secretaris, den heer C. Jansen, tot stand en werden in het beging van September 1908 op eenigzins feestelijke wijze, in tegenwoordigheid van de heeren commissarissen Jacq. Kneppers, H.H. de Haan en eenige belangstellenden, de eerste steen gelegd.
Reeds in Januari 1909 werd de eerste blok bewoond en op 8 Mei d.a.v. al de woningen door den geestelijken adviseur plechtig ingewijd, waarbij alle commissarissen, ’t bestuur en de leden met hunne huisgenooten tegenwoordig waren.
Het verslag vermeld verder de verschillende gebeurtenissen in de vereeniging, o.m. het in 1916 uittreden uit de Vereeniging van de commissarissen, de heeren Jacq. Kneppers en Aloys Jansen, deze laatste door sterfgeval, het toetreden van twee nieuwe commissarissen, de heeren mr. Poort en Smits en de installatie van een nieuwen geestel. adviseur, den WelEerw. pater Kock O.P., als opvolger van pater Hassel O.P., die naar Utrecht was vertrokken.
Het verslag werd onder applaus vastgesteld.
Door den geestelijken adviseur werd vervolgens gewezen op de groote betekenis van dit vereenigingsfeest, en werd hulde gebracht aan de oprichters, die getoond hebben een vèrziende blik in de toekomst te hebben en den leden geluk gewenscht met het bezit van hun frissche, gezonde en doelmatige eigen woning, in dezen tijd van woningnood van onschatbare waarde.” Hierna volgt een verslag van enkele andere toespraken (De Gelderlander 11/11/1919)
In februari 1925 (“J.L. Zondag”) wordt de R.K. Koöp. Werklieden-Bouwvereeniging ontbonden. De heer de Vries is dan voorzitter. In zijn overzicht van de werkzaamheden van de vereeniging noemt hij speciaal de heer H.H. de Haan, op dat moment een der commissarissen van de vereniging. En de heer Leen, accountant, die de financiën verzorgde.
Voor de ontbindingsvergadering is er een Heilige Mis en daarna een gezellig samenzijn. “Hiermede heeft de vereeniging hare taak beeindigd en zijn deze arbeiders in het bezit gekomen eener gezonde woning in een fraai gedeelte der nieuwe stad.” (De Gelderlander 16/2/1925)
1922, Eleonorastraat (Nu: Museum Kamstraat 45) Hunnerberg
Museum Kam, Museum Kamstraat Hunnerberg (augustus 2026)
Gerard Marius Kam (1836-1922)
Gerard Marius Kam was oorspronkelijk een Rotterdamse ondernemer, medeoprichter van de staalhandel Gebroeders Kam. Kam verzette zich tegen annexatie van Delfshaven bij Rotterdam. Vanaf 1 januari 1886, het moment dat de annexatie plaats vond, werd hij gemeenteraadslid van Rotterdam tot 1897.
En ” in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden.” (PGNC 15/5/1922, het artikel hieronder)
Gerard Marius Kam ( 29 juni 1836 – 27 december 1922) amateur-archeoloog, datering 1915-1920 (Daniels, M 1782-2000 via RAN F84526)
Als amateur-archeoloog verzamelt hij veel materiaal, wat hij aanvankelijk in zijn koetshuis tentoonstelt. Overigens had het Gemeentemuseum ook een archeologische collectie, welke in 1938 naar het museum Kam is gegaan.
In 1905 (PGNC 15/5/1922) of 1908 (HvdNG) besluit hij bij zijn overlijden zijn archeologische collectie te schenken aan de staat. Hij wil dat zijn collectie in Nijmegen zal blijven: dus niet dat deze verplaatst zal worden naar het Museum voor Oudheden in Leiden. Het Gemeentemuseum van Nijmegen, dan in de Mariënnburgkapel, vindt hij ongeschikt.
Daarop besluit hij in 1919 om zelf een museum te bouwen aan de Eleonorastraat en om zijn collectie aan het Rijk te schenken. Op voorwaarde dat het Rijk zijn collecte beheert, welke daar zal blijven. De naam van het museum is Rijksmuseum Kam. Het museum gaat in mei 1922 open, iets meer dan een half jaar later overlijdt Kam.
Bij de opening van Museum Kam in 1922
De vlag in top ter gelegenheid van de opening van het Museum Kam, 17/5/1922 (RAN F87279)
“Museum-Kam.
Nijmegen is een belangrijke instelling rijker geworden, het Museum-Kam, dat aan de Eleonorastraat is gebouwd naar de plannen en onder leiding van onzen kunstzinnigen stadgenoot, den architect Oscar Leeuw. Het trekt betrekkelijk weinig de aandacht: het staat niet aan een hoofd- of druk bewandelden verkeersweg en velen zullen misschien weinig voelen voor de voorwerpen, die er in tentoongesteld worden, al vertegenwoordigen zij met het gebouw, waarin zij geborgen zijn, een enorm kapitaal; al hebben zij de belangstelling van geschied- en oudheidkundigen; al is die verzameling het product van benijdbaren levensherfst van den schenker; en al leggen zij een stilzwijgend getuigenis af van wat liefhebberij en toewijding kunnen voortbrengen.
Nu Woensdag 17 Mei door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, in tegenwoordigheid van vele autoriteiten, het Museum zal geopend worden en het een aantrekkelijkheid te meer zal zijn voor onze stad, vooral voor hen, die beseffen, hoeveel die schijnbaar haast waardelooze dingen ons vertellen kunnen van oudheid en middeleeuwen, willen wij onze stadgenooten er mee in kennis brengen. Groote bekendheid er mee en met de uitgebreide verzamelingen, die er in gehuisvest zullen worden, durven wij niet veronderstellen. Als de heer Detering zijn tonnen gouds beschikbaar stelt om “Het Straatje van Vermeer” te koopen en het meesterwerk aan den staat aan te bieden, dan wordt die vrijgevigheid- en zeer te recht- geroemd en alle bladen maken er melding van. Maar ongelijk minder ophef wordt er gemaakt van wat de heer Kam aan rijk en gemeente schonk, een geschenk, waarvan de waarde wel niet in een nauwkeurig opgegeven aantal guldens wordt opgegeven, maar dat toch ook verscheidende tonnen gouds vertegenwoordigt. Men ziet, wij spreken eers maar van de financieele zijde der zaak: tegenwoordig wordt daar meer dan ooit op gelet en veel wordt gewaardeerd naar het geld, dat er mee gemoeid was, met voorbijzien van de aesthetische of de ethische of de economische waarde.
De heer Kam is een bekend ingezetene van onze stad; ieder kent den pienteren ouden heer, vol belangstelling voor alles, wat er te Nijmegen te doen is op het gebied van kunst en wetenschap, ondanks zijn 86 jaren. De belangstelling kenmerkte hem al, toen hij in 1897 om gezondheidsredenen uit de zaken trad en zich hier vestigde in de villa “Erica” aan den Berg-en-Dalschen weg. Op het terrein tegenover zijn villa, nu ingenomen door de bloemisterij van de firma Smith, en op een gedeelte waarvan het mooie Museumgebouw is verrezen, werd bij het graven een Romeinsch potje gevonden, dat aan den heer Kam werd aangeboden. Dat potje is de grondslag geworden voor de, nu wellicht, grootste verzameling van Romeinsche en Middeleeuwsche oudheden. Want bij de vele ondernomen grondwerken in en om onze gemeente, kwamen allerlei voorwerpen aan het licht, die daar eeuwen hadden gelegen en sitlle getuigen waren van het leven, dat eens in den Romeinschen tijd hier geleefd was. De aanleg van buizennetten voor gas- en waterleiding en rioleering, het bouwen van woningen in de zich uitbreidende stad, het planten van boomen, alles leverde merkwaardigheden op, en toen men eenmaal wist, welke schatten- zelfs potscherven hebben voor den oudheidkundige waarde- aan het licht kwamen. Toen werden er opzettelijke ontgravingen ondernomen en werd hetgeen uit de Waal werd opgebaggerd aan een nauwkeurige onderzoek onderworpen. En veel, heel veel van het gevondene verhuisde naar de tot hulpmuseum ingerichte stalling achter de villa “Erica”, die weldra te klein bleek om alles ten toon te stellen zóó als de belangstellenden dat wenschten, te meer, doordat ook door aankoop elders de verzamelingen aangroeiden.
Romeinse wolk boven ingang Museum Kam (augustus 2026)
In 1908 deed de heer Kam een beslissenden stap. Hij vermaakte in geval van overlijden aan het rijk zijn geheele uitgebreide verzameling om daardoor te bewerken, dat zij ongeschonden zou blijven voortbestaan, want de verzamelaar, de echte, die hetgeen hij verzamelt lief krijgt, beschouwt dat als een dierbaar familielid.
Het was echter hoogstwaarschijnlijk, dat de collectiën, wanneer eenmaal het rijk er de volle beschikking over zou hebben, naar Leiden zouden worden overgebracht. Gebeurde dat, dan was het te voorzien, dat men daar, bij gebrek aan ruimte, wel de belangrijkste stukken in het museum van oudheden zou plaatsen maar dat de minder belangwekkende en de duplicaten ergens in den meest letterlijken zin zouden worden opgeborgen. Er was dus onzekerheid omtrent het voortbestaan van de verzameling als zoodanig en bovendien alles zou vervoerd worden ver van Nijmegen, in welks omgeving de meeste stukken waren gevonden en met welks oude geschiedenis zij verband hielden.
Zoo rijpte bij den heer Kam een plan, dat zijn beslag kreeg op 25 Juni 1919, een notarieele acte gepasseerd werd, waarbij de heer Kam zich verbond een museum te doen bouwen op eigen kosten en dat kosteloos aan het rijk af te staan, dat verder het beheer zou doen voeren onder leiding van een door de regeering te benoemen directeur.
Dat dit besluit door de regeering gewaardeerd werd, is op de meest ondubbelzinnige wijze gebleken.
Tot directeur werd benoemd de heer Dr. M.A. Evelein, die ook op ons in de gelegenheid stelde het museum voor de officieel opening te bezichtigen.
Nu staat het nieuwe Museum daar aan de Eleonorastraat op een terrein, waaruit behalve dat allereerste potje nog menig stuk is opgedolven, een terrein, waar 20 eeuwen geleden Romeinsche legioenen de wacht hielden aan de uiterste grens van het wereldrijk en in welks onmiddelijke nabijheid het 10e legioen kampeerde, dat de opstandige Batavieren opnieuw tot onderwerping had gebracht.
Het is een monumentaal gebouw, een modelmuseum waarvoor, zooals wij reeds zeiden, de heer Oscar Leeuw de plannen ontwierp en waarvan hij den bouw leidde. Het uitwendige ziet er vrij modern uit, behoudens aanduidingen van de bestemming. Zoo dragen de beide afgeknotte torens ter weerzijde van den ingang een muurkroon naar Romeinsch motief en sterk vergroote reproducties van munten, met de revers, uit den tijd van Nero en Vespasianus. In het bovenlicht van de deur ziet men de wolvin, die Romulus en Remus volgens de mythe zoogde en daarboven de bekende initialen S.P.Q.R. (Senatua Populusque Romae). De ingang is verder geflankeerd door Romeinsche adelaars.
De centrale hal met de bordestrap naar de galerij met op de achtergrond de Buste van de oprichter Gerard Marius Kam, gemaakt door August Falise in 1922 en daar achter de wandschildering van het Forum Romanum, geschilderd door Huib Luns in 1922, 1925 (RAN F30435)
De deur, die toegang geeft tot het gebouw, is hoogst bescheiden. Zij geeft allereerst toegang tot een portaal, waarin de portiersloge en de vestiaire. Uit die voorportaal echter treedt men in de groote hal, het atrium, van 13 bij 15½ M., die opstijgt over de beide verdiepingen. Rondom die hal bevinden zich 5 ineenloopende zalen, waarin een groot gedeelte van de verzamelde voorwerpen in eenvoudige maar uiterst doelmatige vitrines en kasten wordt tentoongesteld. Tegenover den ingang naar ’t einde er hal leidt een monumentale trap naar de gaanderijen van de verdieping, waar weer vitrines en kasten met oudheden aandacht vragen. Kasten en vitrines zijn overal zoo geplaatst, dat zij de vrije rondwandeling niet belemmeren en steeds het noodige licht opvangen, dat door het bovenlicht van de hal en door de ruime vensters van de verdieping binnenstroomt.
Boven de zooeven bedoelde trap is een afbeelding geschilderd, van de hand van den heer Huib Luns, van het Forum van Rome en is een plaats uitgespaard voor iets, dat voor ’t oogenblik nog een verrassing moet blijven.
Rondom de hal zijn namen aangebracht van de Romeinsche heerschers, uit wier tijd de voorwerpen stammen: Julius Caesar, Octavinus Augustus, Tiberius Claudius Nero, Claudius I, Claudias Nero, Domitianus, Trajanus, Probus, Constantinus I, Flavius Claudis, Julianus II, Flavius Honrius.
Boven de deuren van verschillende zalen zijn ook de namen van de meest bekende pottenbakkers geplaatst.
Onder de trap heeft men toegang tot een achterzaal, die wel lager ligt door niveau-verschil, maar toch niet is wat men noemt een sousterrein. Daar hebben de grootere voorwerpen,, zooals sarcophagen e.d.g. een plaats. Ter eene zijde van deze zaal is de werkkamer van den Directeur gelegen met bijkamers o.a. voor fotografie; ter andere zijde liggen de kelders met de inrichting voor een brandvrije centrale verwarming.
De naast het gebouw gelegen portiersgebouw heeft geen toegang tot het gebouw; zij is er door een pergula aan verbonden.
Medaillon rechts, Museum Kam (augustus 2026)
De belichting is, zooals wij reeds opmerkten, uitstekend. Het meeste licht is bovenlicht; alleen de achterzaal heeft zijlicht omdat er gerekend is op mogelijke optrekking van dat gedeelte, die zóó kan plaats hebben, dat het bouwwerk als geheel daardoor geen schade lijdt.
Wat de plaatsing der vitrines aangaat, die staan beneden tusschen die pilaren, die den bouw schragen, en zijn dus van beide zijden toegankelijk. Vitrines zijn er ook boven op de balustrade en daar staan verder de kasten, die ook boven van glazen dakplaten zijn voorzien en niet door uitwendige versierselen ondoematig worden.
Het gebouw, zooals het daar staat is een monument in meer dan één opzicht; een gedenkteeken voor de oude geschiedenis van de omgeving onzer stad; een gedenkteeken voor den heer Kam en het werk, waaraan hij latere levensjaren wijdde; een gedenksteen ook voor den ontwerper, die er trouwens al twee had: in de Vereeniging en in de Synagoge.” (PGNC 15/5/1922)
Beeld roofvogel, Museum Kam (augustus 2026)
Architect Oscar Leeuw
De architect van Museum Kam was Oscar Leeuw. Lees hier over deze architect:
Oscar Leeuw is een van de belangrijkste architecten van Nijmegen. Bekende werken van hem zijn onder de synagoge, museum Kam en de Nijmeegse Bankvereeniging Van Engelenburg & Schippers.
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog raakte het gebouw beschadigd, zodat het pas in 1951 weer open kon gaan.
Het Valkhof en studiecentrum
In 1987 nam provincie Gelderland het beheer en werd het in plaats van Rijksmuseum G.M. Kam het Provinciaal Museum G.M. Kam.
In 1998 volgde een fusie met het gemeentelijk museum Commandarie van Sint-Jan tot Museum Het Valkhof. Het Valkhof kwam in de nieuwbouw van het Kelfkensbos. Daarbij werd Museum Kam een archeologisch studiecentrum. De statutaire naam van Museum het Valkhof werd overigens in 2008 gewijzigd in Stichting Museum Het Valkhof-Kam. Dit naar aanleiding van een jarenlange procedure van de erfgenamen van Kam. Sinds november 2008 heet het “Gelders Archeologisch Centrum Museum G.M. Kam”.
Verbouwing
Tussen 2020 en 2022 vond een grote verbouwing plaats, waarbij de heropening in december 2022 is. Tijdens de bebouwing is het gebouw zo veel mogelijk hersteld naar de oude staat, maar tevens voldoet het aan moderne eisen als toegankelijkheid.
Rijksmonument
Hek Museum Kam (augustus 2026)
Het gebouw is net als het hekwerk en conciërgewoning Museum Kamstraat 47 sinds 2002 een Rijksmonument met als waardering:
“Van stedenbouwkundige waarde vanwege de markante ligging in de Museum Kamstraat.
Van ensemblewaarde als functioneel onderdeel van het Museum Kamcomplex.
Van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een in de loop van de 19de eeuw ontstane culturele en typologische ontwikkeling nl. het voor publiek openstellen van privé-collecties en het onstaan van het museum als bouwopgave in het algemeen. Het museum is van cultuurhistorische belang als bijzondere uitdrukking van een cultureel-maatschappelijke ontwikkeling nl. de belangstelling van Nijmegen voor haar Romeinse verleden en de identiteit die de stad daaraan ontleent.”
In de jaren 90 ontwierp Architectenbureau Snelder BV uit Maastricht dit poortgebouw. Het ging daarbij om16 koopappartementen.
Deze poort ligt aan het Jan Brinkhoffplantsoen. Waar de “voorkant” van een gevel meestal gericht is op weg (De Blécourtstraat/Dennenstraat/Kerkstraat in dit geval), is de voorgevel van dit poortgebouw juist gericht op het plantsoen.
Historie
Straatbeeld, met buitenplaats ‘De Witte Poort’ aan de Dennenstraat, gesloopt in 1925 ten behoeve van de bouw van het nieuwe St. Dominicus-College. Links, koffiehuis/café ‘van Gemert aan de Brouwerij’, 1902-1904 (Vivat via F16100 RAN)
Het poortgebouw staat (vrijwel?) op de plaats van het landhuis “De Witte Poort”. Het Jan Brinkhoffplantsoen ligt op de plaats waar vroeger het landgoed lag. De oudste vermelding van het landgoed is uit 1620. Net als het huidige poortgebouw stond de woning precies in het verlengde van de Kerkstraat. Op de foto is het hoofdgebouw, dat in neoclassicistische stijl verbouwd was, te zien.
De laatste eigenaar was jonkheer van Rijckevorssel. Zijn weduwe schonk het landgoed aan de Dominicanen. In 1925 werd vervolgens het landhuis gesloopt ten behoeve van de bouw van het Dominicuscollege. Deze werd in de jaren 90 afgebroken om plaats te maken voor de huidige bebouwing van het Jan Brinkhoffplantsoen.
Eduard Cuypers ontwierp het St. Domincus-college aan de Dennenstraat, waar voorheen het landgoed De Witte Poort had gestaan. Het gebouw aan de Nieuwstraat was intussen te klein geworden.
Herinnering aan de Witte Poort
Jarenlang herinnerde de naam van café de “De Witte Poort” aan het landgoed. Deze zat in het café van Gemert, het pand links op de foto.
Hoewel ik geen expert ben, lijkt het landhuis “De Witte Poort” op een aantal manieren in het poortgebouw terug te komen:
Allereerst is het gebouw een poort, waarbij het geen toeval zal zijn dat het een witte omranding heeft
De Witte Poort was gebouwd in neo-classistische stijl, met fronton (het “driehoekje” in de top van de gevel). Ook dit fronton en de symetrische vorm lijkt terug te komen in het huidige poortgebouw.
Architectenbureau Snelder
Het gebouw is ontworpen door het architectenbureau Snelder uit Maastricht.
Dit bureau werd opgericht door Gerhardus Johannus Wilhelmus (Gerard) Snelder (Utrecht, 21 april 1913 – Maastricht, 18 april 2001). Hij volgde de middelbare opleiding bouwkunde. Rond 1934 en 1934 werkte hij voor Gerrit Rietveld. In 1937 vestigde hij zich in Maastricht. Aanvankelijk was hij werkzaam bij het bureau van Alphons Boosten. Vanaf 1945 ging hij verder als zelfstandig architect.
Wikipedia: “Tot eind jaren 1960 werkte hij voornamelijk in de stijl van het functionalisme. Latere ontwerpen, met name in oude binnensteden, tonen een meer aan de omgeving aangepaste stijl. Deze stijl, ook wel pseudo-Maaslandse stijl genoemd, kenmerkt zich door deels zichtbare betonconstructies, bekleed met baksteen, grote volumes die in kleinere eenheden zijn opgedeeld, en in hoogte verspringende daken.”.
Helaas staat op de bouwtekening voor het Brinkhoffplantsoen alleen de naam van Architectenbureau Snelder en kon niet nagegaan worden of het ontwerp expliciet kan worden toegewezen.