Oranjesingel 8 en 10, september 2022 (Google Streetview)
Gemeentelijk Monument
Links een pand van het polderdistrict “Maas en Waal”; met op de achtergrond rechts de panden aan de Oranjesingel, 1895-1900 (Uitg. A.T. van Hooijdonk via F1904 RAN)
Het pand is een Gemeentelijk Monument. De tekst bij aanwijzing: “Complex van twee elkaars spiegelbeeld vormende woonhuizen.Bakstenen pand van twee bouwlagen met souterrain, plat dak en schild aan de voorzijde. Links en rechts vooruitspringende bouwmassa van een as breed,die een rondbogig portiek met trappen en deuren bevat; op de etage bevindtzich een rechtgesloten venster met kroonlijst op consoles. Daarboven bevindt zich een leien spits met houten dakkapel met tympaan. Tussen de portieken op de begane grond zijn houten erkers met in vieren gedeelde kozijnen, twee ramen en openslaande deuren omvattende. Daarboven balkons en in het terugliggende geveldeel openslaande balkondeuren met kroonlijsten op consoles. Dakkapel alleen bij nr. 10 nog oorspronkelijk: met halfrond fronton. Aan nr. 8 is een brede rechte dakkapel toegevoegd. Onder de gootlijst op consoles een fries van rode en gele baksteen.
Bouwjaar: 1892. Architect: G. Buskens.
Goed geproportioneerde panden van individueel karakter, van groot belang voor de straatwand.”
Gebruikers Oranjesingel 8
Hieronder staan de reeds gevonden gebruikers van Oranjesingel 8 weergegeven. Wel dient er een slag om de arm te worden gehouden vanwege mogelijke hernummeringen.
Naam
Omschrijving
Adresboek
Opmerking
Wed. E. Heijning
Geb. H.J.S.L. Jolle, zonder beroep
1895, 1896, 1898, 1899, 1901
In 1902 Graadt van Roggenstraat 12
Mr. J.C. Heijning
1902
Wed. Jhr. W.H.F.H. Raders
Geb. J.M. Prins
1902
Mr. C.F.J.J. v. Niekerken
1903, 1905, 1907
Wed. Mr. C.F.J.J. v. Niekerken
Geb. M.L. Verstegen
1912-1913, 1913-1914, 1914-1915
L. van Niekerken
Import en Export
1912-1913, 1913-1914, 1914-1915, 1915-1916, 1916
Onder Bouwmaterialen 1912-1913, 1913-1914, 1914-1915, 1915-1916c, 1916; onder Agenten van Binnen- en Buitenlandsche Huizen 1912-1913, 1913-1914, 1914-1915, 1915-1916, 1916
Mej. C.M.E.Th. Niekerken
1915-1916, 1916, 1922
A.C.F.M. van Niekerken
1922
H.J.C. v. Bergen
Notaris, part adres Oranjesingel 8; kantoor Oranjesingel 6
1926
B.H.J. Weerenbeck
onder Lectoren
1928, 1932, 1934, 1936
Mej.C. Gervers
in 1948, 1951, 1955 ass. Bij Paedalogisch Instituut
1938, 1940
In 1948, 1951 R.K. Meisjesbescherming afd. Stationswerk
Zonnewijzer met Valkhofmuseum, op een ochtend in oktober waar de zon ver te zoeken was (oktober 2023)
Het Kelfkensbos is vernoemd naar het Kalverbosch; kelfke is Nijmeegs voor kalf. Onder het plein bevindt zich een parkeergarage. Het plein zelf wordt gebruikt voor de markt en evenementen. Een bijzondere vondst bij de opgravingen van 1980 was de Godenpijler. Komende jaren zal het plein door vergroening een metamorfose ondergaan. Aan plein staat Museum het Valkhof.
Deze pagina verzamelt de berichten over het Kelfkensbos en zal van tijd tot tijd worden aangevuld.
Romeinen en Godenpijler
De Godenpijler: Zonnewijzer met Valkhofmuseum, op een ochtend in oktober waar de zon ver te zoeken was (oktober 2023)
In 1980 werden bij opgravingen twee delen van een Godenpijler gevonden (nu te zien in het Valkhofmuseum). Dit zou het bewijs zijn dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Sinds 2002 staat de zonnewijzer Noviomagus op het plein, een kunstwerk van Rutger Fuchs en Ram Katzir. Momenteel is deze tijdelijk verdwenen, maar zal in…
Vlakbij de voetbrug bij het Hunnerprak staan de restanten van een muur: oude resten van de wallen? Nee: het is de Gertrudiskapel uit de 15e eeuw, die bij de werkzaamheden en het bouwen van de voetbrug weer aan het licht kwam. De kerkelijke geschiedenis gaat echter verder nog verder terug. Wat is de geschiedenis van…
Een detail van een plattegrond uit 1575; het Kelfkensbos met poel en de St. Geertrudiskapel, 1575 (vervaardiger dia dr. Jan Brinkhoff via D316 RAN CC0)
17e eeuw: De aanleg van het bos, waarnaar Kelfkensbos is vernoemd
Een aquarel van Derk Anthony van der Wart (10-6-1767 – 8-4-1824): gezien vanaf de Belvédère in westelijke richting met v.l.n.r. het Kelfkensbos, de Voerweg , het Valkhofpark en de rivier de Waal ; op de achtergrond links de Burchtpoort en rechts de St. Stevenskerk, 1800-1806 (F54974 RAN)
Het plein/de straat is vernoemd naar het bos dat hier stond. Dit bos werd ook wel Kalverbosch genoemd; “kelfke” is Nijmeegs voor kalfje. Mogelijk is de naam afkomstig van burgemeester Arnold Kelffken, die het bos in 1622 zou hebben laten aanleggen. Maar mogelijk is deze associatie van een latere datum. (wikipedia, Straatnamenregister)
1840: Plein
Een tekening van Pieter Franciscus Peters Sr. (27-11-1787 – 10-1-1867) van het Kelfkensbos met een oude pomp met een hek, geplaatst toen de poel werd gedempt. De pomp is afgebroken in 1883, 1840 (maker dia: dr. Jan Brinkhoff via D320 RAN CC0)
In ieder geval was het tot 1839 een bos: aanvankelijk iepen, vanaf 1688 lindebomen.
In 1831 verdween al een deel van het bos door de aanleg van opslagplaatsen voor artillerie en een barak voor soldaten. De overige bomen werden 9 jaar later gerooid: “Doch in dat en het volgende jaar zijn alle deze lindeboomen geveld, zoodat deze wandelplaats nu uit jong plantsoen tusschen slingerpaden bestaat; terwijl er tevens een paradeplein is aangelegd; zoodat deze plaats nu een geheel ander aanzien bekomen heeft.” (Van der Aa 1845, deel 6, p. 384 via Straatnamenregister)
Waterpomp
In 1883 werd deze waterpomp uit 1747 verwijderd en verplaatst naar de Gedeputeerdenplaats en weer later naar de Franseplaats. Na restauratie kreeg de pomp een plaats tussen het Valkhofmuseum en poortwachtershuis op de Sint Jorisstraat. Anno 2024 staat de pomp aan de Ridderstraat, hoek Burchtstraat. De pomp is voorzien van de wapens van de burgemeesters Jacobus Vos en Mathias van der Lijnden en waarschijnlijk vervaardigd door de meester steenhouwer Johannes Dense, 1880-1883 (F17704 RAN)Pomp, Kelfkensbos (mei 2025)
Market Garden
Het zogenoemde huis van Robert Jansen bij de Belvédère, 1932 (GN2769 – A RAN)
Het zogenoemde huis van Robert Jansen bij de Belvédère op het Kelfkensbos.
Dit monumentaal pand stond nabij het Valkhof, grofweg op de plek waar nu het Valkhofmuseum staat. Het werd tijdens de tweede wereldoorlog (20-21 september 1944) door vuur verzwolgen nadat Hauptsturmführer Euling er zich met zo’n 150 manschappen in had verschanst (Bijschrift ZN24697 RAN)
De Valkhofbunker heeft een aantal mooie artikelen geschreven over de strijd rondom het Valkhof en haar omgeving, waaronder:
Herinrichting van het plein met onder andere Valkhof museum
Aanbouw museum Valkhof en aanleg plein Kelfkensbos, 4/1998 (Hans Giesbertz via D1724_18_07-38 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)
Samengaan 2 musea
In 1999 opende koningin Beatrix Museum het Valkhof, vanaf Valkhof Museum genoemd. Daarbij waren 2 musea samengegaan: Museum M.G. Kam, die een archeologie collectie had en de Commanderie van St. Jan, met een collectie van Nijmeegse historische objecten en oude en nieuwe kunst.
Collectie
Belangrijke objecten in haar collectie zijn ondere andere:
de Godenpijler
het Romeins Masker
de Peutinger kaart
Antependium van het Schippersgilde
Het gebouw
Het gebouw is ontworpen door Ben van Berkel. “De strakke lijnen en heldere kleuren van het gebouw contrasteren sterk met het park waarin het gelegen is. De architect koos voor een centrale trappartij, waarvan de onderkant al buiten op het voorplein begint. Het omstreden gebouw kreeg de bijnaam ‘Het Zwembad’.” (wikipedia)
Verbouwing
In 2021 kocht de gemeente Nijmegen het gebouw. Vanaf oktober 2022 werd het museum gesloten voor een verbouwing. Daarbij kreeg Ben van Berkel de opdracht een nieuw ontwerp te maken. De verwachting is dat het museum in 2026 zal heropenen. In de tussentijd is een deel van de collectie te zien aan het Keizer Karelplein 33.
Bij de verbouwing worden er bovendien maatregelen genomen voor verduurzaming, zoals verbeterde glas-, gevel- en dakisolatie.
De binnenhuisarchitect is Ineke Hans. “Hans is een Gelderse kunstenaar en ontwerper die internationaal bekend is geworden met haar duurzame meubels en gebruiksvoorwerpen, die vaak een knipoog bevatten. Haar stijl is warm en aansprekend; haar werkwijze is vaak ambachtelijk.” (Valkhofmuseum.nl)
Buizenplastiek ‘Constructie (Tekening in de lucht)’ uit 1998 van de Belgische kunstenaar Narcisse Tordoir (1954). Het vormde een entree voor het plein en het in 1999 geopende nieuwe Museum het Valkhof. Tegenwoordig staat het in de Weezenhof, 1998-2000 (Martine Ridderbos via F24686 RAN CCBYSA)
Jarenlang stond het kunstwerk ‘Constructie/Tekening in de Lucht’ op het Kelfkensbos. Het is een ontwerp van de Belgische kunstenaar Naricisse Tordoir.
Narcisse Tordoir (Mechelen, 1954) is een beeldend kunstenaar. Zijn werk bestaat uit installaties, openbare kunstwerken (in metaal), spuitverf, pastel, fotografische beeldbewerking en tekeningen.
Hekwerk
“Tordoir werkt vaak enkele jaren rond een bepaald thema. Zo lijken het Hekwerk Barcelonaplein en het Hekwerk Hudsonhof in Amsterdam op elkaar.” (wikipedia) In het thema van “Hekwerken” lijkt ook de “Tekening in de Lucht” te vallen.
Zijn eerste hekwerk was voor het Barcelonaplein. Echter: in ieder geval maakte hij in 1989 een draaibaar paneel voor de Universiteit Tilburg.
Over het Barcelonaplein: “Tordoirs kunst wordt gekenmerkt door simpele lijnen die alledaagse objecten weergeven. Dat zie je ook terug in het hekwerk op het KNSM-eiland. Het 27 meter hoge hek bestaat uit 48 vlakken, waarin met traliewerk van zwartgelakt staal pictogramachtige tekens zijn aangebracht. Hierdoor lijkt het net alsof de ramen in het bouwwerk van Albert doorgetrokken zijn in het hekwerk van Tordoir. In het hekwerk zijn gordijnen te herkennen die naar achter geschoven zijn en een bloem, neus of pijp onthullen. Als de zon schijnt, dan werpt het traliewerk een schaduw op de muren en de ramen van het gebouw. “Ik probeerde zo een link te leggen met wat er in het gebouw gebeurde en wat zich daar afspeelde en daarmee het alledaagse van het leven te vatten”, vertelt Tordoir.” (https://publicart.amsterdam/projecten/zonder-titel-hekwerk-poort/). “Het hekwerk op het KNSM-eiland werd een groot succes en Tordoir werd door andere gemeentes al snel gevraagd om eenzelfde hekwerk voor hun stad te maken. “Dat heeft mij sindsdien altijd achtervolgd in Nederland”, zegt Tordoir.”
Sinds 2001 is een eetgelegenheid op het Kelfkensbos gebouwd. Tegenwoordig (september 2024) zit hier Martin’s Place.
Vergroening
Komende jaren gaat het Kelfkensbos op de schop. Onder andere zal er meer groen komen. Daarnaast zal de Spaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo 3 kunstwerken maken. Een van die beelden wordt een omgekeerde ruiter te paard, welke keizer Augustus voorstelt. Ook de Godenpijler zal terugkomen. Bovendien zal er meer horeca komen in de vorm van terrassen.
Wel gaat het aantal vierkante meters dat geschikt is voor evenementen achteruit: van 2.000 naar 4.000 meter.
Fietsenkelder
Fiets parkeergarage Kelfkensbos (september 2025)
Een van de aanpassingen die reeds is gerealiseerd is de nieuwe fietsenkelder, geopend in november 2024. Waar op de bovenste laag van de parkeergarage voorheen 100 auto’s konden staan, is er nu ruimte voor 1.200 fietsen. Daarbij ligt de ingang op het oosten; de fietsenkelder is vooral bedoeld voor mensen die vanuit het oosten komen en uit Lent en de Ooijpolder.
De wekelijkse maandagmarkt naast het Valkhof. Op de achtergrond Hotel en Pension “Batouwe” op de hoek van het Valkhofplein met de Lange Burchtstraat, 1905 (F46297 RAN)
Het Spoorwegmonument is ter herinnering aan de aanleg van de eerste spoorweglijn, door initiatief en kapitaal van Nijmeegse ingezetenen. Het monument is een ontwerp van architect Weve, waarbij het beeld van Victoria een afgietsel is van een beeld van Christian Daniel Rauch.
Het fraaie pand van het melkhuis van B.J. Wildenbeest in art-decostijl ontworpen door Oscar Leeuw. Het pand overleefde de oorlog niet: het werd door de terugtrekkende Duitsers in brand gestoken, St. Jorisstraat 1, 1899 – 1900 (F17705 RAN)
In 1899 opent Wildenbeest een stoomzuivelfabriek en melksalon. Vooral het laatste trekt veel aandacht. Dit gebouw is ontworpen door de architect Oscar Leeuw, waarbij zijn broer Henri Leeuw voor decoratieve elementen zorgde. Het gebouw viel op door zijn opmerkelijke architectuur en de vele en felle kleuren.
In oktober 1899 vestigt C.A. van der Waarden zijn slagerij op het Kelfkensbos. Daarvoor had hij op Hezelstraat gezeten. Tijdens Market Garden wordt ook de slagerij verwoest.
De Sociëteit “Burgerlust”, rechts daarvan het Spoorwegmonument, en links de kapel van kasteel Bat-Ouwe-Zate (kasteel Hallo), 1914 (A. Witmond, Wilhelmina Bazar via F34412 RAN)
In 1839 opent Sociëteit Burgerlust aan de Valkhof. Na topjaren in de 19 eeuw zal het uiteindelijk veranderen in een etablissement waar oorlogswinstmakers hun geld verbrassen. In 1920 wordt het in gebruik genomen als gebouw van de Katholieke Werkvereeniging Unitas. De Duitse bezetter geeft het de doodssteek door er een zwaar verdedingswerk van te maken.
Gemeentelijke Schouwburg, architect van der Kemp, Links onder: M. Mourit Lith. Midden onder: Gen. Howen (Otto Howen 9-3-1774 – 25-5-1848) del Steendruk Desguerrois en Co, datering 1850, GN1527 RAN)
De eerste stadsschouwburg van Nijmegen werd in 1838 geopend als “Lokaal tot Nut en Genoegen”. Het ontwerp was van stadsarchitect Pieter van der Kemp. In 1881 vond een verbouwing plaats naar ontwerp van stadsarchitect Weve. Deze verbouwing lijkt vooral intern te zijn geweest. De schouwburg is in 1934 afgebroken om de Burchtstraat te verbreden.
Bloemensalon van den Brink
Gezien vanaf het Valkhofplein, rechts de Hertogstraat. In het midden Bloemen-Magazijn “Flora” van bloemist T. van den Brink. Links achter het groepje kinderen zichtbaar de Hel of Pastoorsgasje, een doodlopend steegje verdwenen in 1944, 1910-1914 (F17701 RAN)
“Bloemensalon.
De bekende bloemensalon aan het Kelfkensbosch, die in den laatsten tijd nogal eens van eigenaar verwisselde, is thans overgenomen door den heer T. van den Brink en heeft onder diens leiding een heele reorganisatie ondergaan. Dit al iedereen opvallen, die vandaag de smaakvolle etalage in het winkelraam bewondert. Daar prijkt b.v. een bruidsbouquet van oranjebloesem en ander wit gelemte, een fantasiestuk voorstellende een schip, beladen met helroode anthuriums, die het effect maken van vreemde vogels, een ander fantasiestuk in den vorm van een harp, en nog tal van zeldzame bloemen, zooals b.v. ixia’s, fijne irissen, anjelieren, rozen enz, die een gunstig getuigenis afleggen niet alleen van de bekwaamheid van den bloemist, maar ook van den ongemeenen smaak, waarmee hij zijn bloemen en planten weet te groeperen.
De heer Van den Brink werkt namelijk niet naar Duitsche teekeningen, maar ontwerpt zijn arrangementen zelf. Zelf ook vervaardigt hij de bloemenmanden, standaards en al dergelijke hulpmiddelen, die dienen moeten om de bloemen op haar voordeeligst te doen uitkomen.
Bloemenliefhebbers meenen wij daarom een kijkje in zijn salon zeer te moeten aanraden.” (De Gelderlander 4/5/1902)
De Godenpijler: Zonnewijzer met Valkhofmuseum, op een ochtend in oktober waar de zon ver te zoeken was (oktober 2023)
In 1980 werden bij opgravingen twee delen van een Godenpijler gevonden (nu te zien in het Valkhofmuseum). Dit zou het bewijs zijn dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Sinds 2005 staat de zonnewijzer Noviomagus op het plein, een kunstwerk van Rutger Fuchs en Ram Katzir. Momenteel is deze tijdelijk verdwenen, maar zal in 2026 terugkeren.
Opgraving
Bij de opgravingen van 1980 werden 2 blokken gevonden op het huidige plein voor het museum, het Kelfkensbos. Deze 2 blokken konden op elkaar geplaatst werden, waarbij het was duidelijk dat ze onderdeel hadden uitgemaakt van een grotere zuil. Waarschijnlijk zijn deze delen in late oudheid gebruikt voor de fundering van een nieuwe verdedigingswal. De overige onderdelen zijn nooit teruggevonden. De zuil is tegenwoordig te zien in museum het Valkhof.
Zie ook de foto uit 1980, KN15526-33A RAN, op het moment dat de zuil in het toenmalige Museum Kam te zien is.
Godenzuil
Door het opschrift TIBR CSAR (“Tib(e)r(ius) C(ae)sar”) met daarbij een afbeelding van een man in toga, die waarschijnlijk een plengoffer op het altaar brengt. Daarachter staat Victoria, die een lauwerkrans vasthoudt. Het vermoeden is dat deze afbeelding keizer Tiberius zelf betreft, hoewel ook gedacht wordt aan Germanicus.
Reden van oprichting
Er is geen duidelijk bewijs te vinden wat de aanleiding voor de oprichting van deze zuil geweest is (waardoor ook niet zeker is wie de betreffende Romein is). Historici komen op basis van beredenering op een aantal mogelijke momenten:
14 na Christus: het jaar waarop Tiberius keizer wordt
Overwinning Germanicus in 17 na Christus (de mening van Panhuysen…)
De reorganisatie van de grensverdeling langs de Rijn door Tiberius. Tussen 10 en 12 na Christus was hij in Germanië als veldheer, met het hoogste militaire gezag in deze provincie
Het einde van de langdurige oorlog tegen de Germanen
Stephan Mols noemt de overwinning op de Germanen na de veldtocht tussen 10 en 12 de meest waarschijnlijke reden. In 12 na Chr. hield Tiberius vanwege deze overwinning een triomftocht door Rome. Daarbij noemt Mols bovendien dat Tiberius, vóórdat hij keizer werd en als geadopteerde zoon van Augustus, Tiberius Iulius Caesar werd genoemd. Op het moment dat hij Augustus in 14 n. Chr. opvolgt, wordt zijn naam onmiddellijk gewijzigd in Tiberius Julius Augustus. Op basis daarvan komt Mols bovendien met de datering van het beeld tussen 12 en 14 na Chr.
Goden
Op de Godenpijler zijn, naast Victoria die de krans vasthoudt, de volgende goden te vinden:
Apollo, halfnaakt en met lier: de beschermgod van keizer Augustus en het regerende keizershuis. Daarbij was Apollo een reddende god, maar ook de god van muziek en levensvreugde
Diana, afgebeeld met pijl en boog en hertje: de godin van de jacht en wilde natuur
Ceres, 2 brandende fakkels, godin van akkerbouw en moederliefde
Een dergelijke zuil was bedoeld om de macht van Rome uit te stralen, waarbij zij beschermd werd door de goden: “De verschillende goden op de pijler, waaronder Apollo, Diana, Ceres en Bacchus, vormen een passende entourage voor Tiberius en wellicht zijn stiefvader Augustus boven hem. Ze verbeelden de bovennatuurlijke steun die het keizershuis claimde te genieten en de zegeningen die het daarmee het Romeinse rijk pretendeerde te brengen.” (Collectie Gelderland)
Het beeld zal meer dan 5 meter hoog zijn geweest. Doordat op de gevonden stenen naast een volledige afbeeldingen onder- en boven ook fragmenten van andere afbeeldingen zijn te zien (bijvoorbeeld alleen de voeten), zal het beeld uit minimaal 3 banden met afbeeldingen hebben bestaan.
Boven de Romein/Tiberius is een tweede persoon in toga afgebeeld. De andere figuren zijn mythologisch van aard. Waarschijnlijk gaat het om Bacchus (boven Ceres), de muze Urania (onder Apollo), een watergod (onder Ceres) en Mars (of Roma?) onder de Romein/Tiberius.
Op basis van andere godenpijlers zal er op het beeld waarschijnlijk een afbeelding van Jupiter hebben gestaan.
Oudste stad van Nederland?
Panhuysen noemt de stenen “Nijmegens historische kroonjuwelen”. Door de aanwezigheid van een dergelijke zuil moet dit betekenen dat Nijmegen in die tijd al een redelijk belangrijke stad was.
Voor sommigen zijn de stenen het bewijs dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Mede op basis van een uitlating van Panhuysen uit 2002 “een monument dat met de vroegste stichting van de stad in verband gebracht kan worden”. Hierin zien sommigen het bewijs dat Nijmegen de oudste van Nederland is. Hij zegt zelf echter dat hij deze uitspraak nooit zo bedoeld heeft, wat hij herhaalt in 2009.
Kunstwerk Noviomagus
De meeste mensen kennen de het beeld als de Godenpijler, maar officieel heet het kunstwerk Noviomagus. Het beeld is bedoeld als blijvende herinnering dat Nijmegen haar 2000 jarig bestaan vierde.
De godenpijler vormde de inspiratie voor het kunstwerk Noviomagus, waarin kopieën van de blokken verwerkt zijn. Het kunstwerk is een zonnewijzer op het plein voor Museum het Valkhof, een werk van graficus Rutger Fuchs en beeldhouwer Ram Katzier en respectievelijk de grafisch ontwerper en de cartoonist van het LIRA Bulletin.
Het beeld is 8 meter hoog en bestaat uit steen en brons. Het kunstwerk is een verwijzing naar het verleden en toekomst van de stad. De voet van het beeld bestaat uit bronzen afgietsels van de oorspronkelijke stukken. Daarop staat een obelisk van graniet, waarop citaten over Nijmegen van de afgelopen 2000 jaar zijn aangebracht. De obelisk is tevens een verwijzing naar het Romeinse verleden: keizer Augustus plaatste een Egyptische obelisk als zonnewijzer op een plein in Rome.
Op de top staat een kleine schildpad, symbool van vrede en geluk. De obelisk met schildpad dient als zonnewijzer. De schildpad loopt zo op het ritme van de tijd met de toekomst van de oudste stad mee. Zijn schaduw kruipt gedurende de dag over plein, waarbij hij letterlijk het pand kan kruisen met mensen die over het plein op lopen en zo geluk brengen.
Rondom de zuil zijn bronzen bakstenen aangebracht, om met de schaduw van de naald te tijd af te kunnen aflezen.
25 jaar na de vondst, op 21 december 2005, onthulden Minister-President Balkende en Burgermeester ter Horst het beeld. Een foto is te vinden op DF1354 RAN.
“Eerlijk gezegd vind ik het origineel mooier.”
De Gelderlander: “Ontwerper Ram Katzir is zelf niet de grootse fan van zijn kunstwerk dat sinds gisteren het plein voor Museum Het Valkhof siert. Hij houdt niet van obelisken, vindt het ‘ fallische verkeerstekens’. Maar de opdracht voor een monument in Nijmegen, dat zijn 2000- jarig bestaan viert, liet hem geen keus: breng de godenpijler die de Romeinen ooit bouwden, terug in het straatbeeld, in een modern jasje. „Eerlijk gezegd vind ik het origineel mooier.”
Steuntje voor scheve toren
Sinds 2018 heeft de zonnewijzer een steuntje gekregen. Als zonnewijzer is het de bedoeling dat het beeld scheef staat. Tijdens een inspectie bleek de ondergrond niet stevig genoeg te zijn. Daarop werd een steuntje geplaatst.
Op het stationsplein kwam in 2014 de nieuwe locatie van Doornroosje. Het gebouw is zo open mogelijk vormgegeven. Daarnaast kent het een aantal innovaties: een “doos in doos” om geluidsoverlast te voorkomen en een draailift voor vrachtwagens. Tevens zit in het gebouw een fietstransferium en een studentenflat.
In dit gebouw bevinden zich het poppodium Doornroosje, Talia van Stichting Studentenhuisvesting en het fietstransferium. In oktober 2012 werd met de bouw begonnen en in april-juni 2014 was de oplevering. De officiële opening van Doornroosje was op 1 oktober 2014.
De architect was Jan Dekker van AGS architecten. Aannemers waren KlokBouw BV Nijmegen en Ed. Züblin AG Duisburg. Tot 2008 stond op deze plek een postkantoor.
Uitnodiging om naar binnen te gaan
Het gebouw wordt zo open mogelijk vormgegeven. Niet alleen omdat dat er mooi uitziet, maar ook om mensen ‘uit te nodigen’ om een keer haar naar binnen te gaan.
Architectenweb.nl omschrijft het gebouw als: “Architectenbureau AGS heeft het gebouw alzijdig met diverse gevels ontworpen. Dit zorgt, in combinatie met de transparante plint, ervoor dat het gebouw aan alle zijden contact maakt met de omgeving. De teruggelegen plint wordt over drie verdiepingen om de hoek doorgezet; het woongebouw lijkt te zweven boven de onderbouw.”
Doornroosje
De grote zaal heeft een capaciteit van 1.100 personen en de kleine zaal 400 personen. Dit is een verdubbeling van de capaciteit van het oude pand. Aan de buitenkant zijn gestileerde lijnen -geluidsgolven- aangebracht.
Voorkomen van geluidsoverlast
Om ervoor te zorgen dat Doornroosje geen hinder zou hebben door geluid en trilling veroorzaakt door treinen en dat de omgeving -inclusief het bovenliggende studentencomplex- geen last zou hebben van Doornroosje zijn een aantal bijzondere technische voorzieningen aangebracht. De concertzalen zijn daarom qua geluid uitstekend geïsoleerd door een zogenaamde ‘doos in doos’ constructie. Onder en boven de popzalen zijn trillingsdempers geplaatst. Dat maakt het tevens mogelijk om meerdere activiteiten tegelijkertijd plaats te laten vinden. De gevels van Doornroosje zijn opgebouwd uit grote betonnen platen met gevelisolatie. Daarnaast is de inrichting zo ontworpen dat de geluidssystemen van Doornroosje geen last hebben van elektromagnetische velden van passerende treinen.
Draailift voor vrachtwagens
Daarnaast hebben vrachtwagens onvoldoende ruimte om te keren. Daarom is de draailift voor vrachtwagens bedacht. Hierbij worden binnen gekomen vrachtwagens vijf meter opgetild en vervolgens180 graden gedraaid. Daarna staan meteen goed om uitgeladen te worden en weg te rijden zonder overlast te bezorgen. Vanaf perron 1 is deze ruimte goed te zien.
Korte geschiedenis Doornroosje
De voormalige St. Antoniusschool, later de Jongerensoos Doornroosje, 16/4/1970 (Persbureau Gelderland via F21473 RAN CCBYSA Auteursrechthouder J.F.M. Trum)
Doornroosje is op 6 december 1968 opgericht als een plek waar de hippe jeugd elkaar kon ontmoeten, in een boerderij aan de Jacobslaan. Uiteindelijk komt ze in 1970 als Kreatief Aktiviteiten Sentrum (KAS) terecht in de leegstaande Sint Antoniusschool aan de tegenwoordige Groenewoudseweg. Hier heeft Doornroosje meer dan 40 jaar gezeten. Het was bovendien een van de eerste gelegenheden in Nederland waar openlijk hasj en wiet werd verkocht.
Verouderd en te kleine capaciteit
Rond de eeuwwisseling werd duidelijk dat het pand niet meer voldeed: het pand was verouderd. En bovendien had haar grote zaal slechts capaciteit voor 400 personen. Hierdoor konden bands, zodra ze waren doorgegroeid, niet meer worden geboekt.
Voormalig Popcentrum Doornroosje (de voormalige St. Antoniusschool), 26/10/2014 (Jan Eichelsheim via DF2546 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Talia
De bovenste 10 lagen bestaat uit Talia van Stichting Studentenhuisvesting en bestaat uit 350 studentenwoningen. Op de 3e bouwlaag bevindt zich een daktuin. “Talia” (“Sole, Luna e Talia”) is een andere versie van het Doornroosje sprookje.
Fietstransferium
In het transferium kunnen 4.000 fietsen geplaatst worden.
AGS Architecten
Het architectenbureau AGS Architecten ontwierp in Nijmegen en omgeving:
Gezicht op de oostzijde van de Broerstraat met de winkelpanden van o.a. (v.r.n.l.) Slagerij Brinke (op de hoek met het Kerkegasje), Parfumerie Au Printemps, Schoenenzaak Gebrs. Raemakers, Herenmodezaak Oostvogel en de bouw van de panden van Jamin en Schoenenzaak BATA ; bovenaan het nieuwbouwpand van de Herenmodezaak Van Dijk & Witte (Burchtstraat 2, geopend op 21 september 1955), 1955 (GN3877 RAN)
In 1954 heropent schoenenzaak Raemakers haar pand aan de Broerstraat. Het ontwerp is van architect Treur in een combinatie van modern beton en traditioneel rode baksteen.
Vooraf
In september 1944 was de winkel van Gebr. Raemakers in vlammen opgegaan. Zie voor het artikel over de oude winkel:
Opvallend bij het pand zijn de 4 uitstulpende betonnen vensters van de eerste verdieping. De bovenste verdiepingen zijn in rood baksteen. De begane grond is verbouwd: uit de foto uit 1955 lijkt de etalage bestaat uit 2 etalage kasten op een verhoging te bestaan, met boven de een van kasten de tekst “Raemakers”. Tegenwoordig zijn deze “kasten” vervangen door grote ramen.
Hiervan had de aanbesteding in september 1953 plaatsgevonden in opdracht van de N.V. Gebr. Raemakers voor het bouwen van een winkel met magazijnen en bovenwoning. Daarbij was J.M. Berens de laagste inschrijver met f71.924 (De Gelderlander 3/9/1953), aan wie de aanbesteding werd gegund.
“Meer dan honderdjarig bedrijf herbouwd
Schoenenmagazijn Gebr. Raemakers werd nieuw sieraad voor de Broerstraat
De opening van het nieuwe pand van de Schoenwinkel van de Gebr. Raemakers, 1954 (GN3858 RAN)
Gisteren hadden de zakenlieden in de Broerstraat de vlag uitgestoken en dat was heus niet zonder reden. Op deze wijze riepen ze een welkom toe aan een nieuw lid van de langzaam-aan voltallig wordende Broerstraatfamilie. Het Schoenenmagazijn van de Gebr. Raemakers is op no. 19 herbouwd en in de middag om drie uur werd het heropend, nadat Nanja Raemakers dezer dagen de laatste steen had gelegd.
Om deze herbouw mocht niet alleen de Broerstraat zich verheugen, maar heel Nijmegen kon blij zijn. Een magnifiek zakenpand zet nieuwe luister bij aan de herrijzende binnenstad. En de N.V. Gebr. Raemakers zetten de kroon op het werk dat na de verwoesting in de oorlog, toen hun pand aan de Grote Markt no. 7 in vlammen opging, van voren af aan moesten begonnen. Een grote steun daarbij lag in het verleden. De fa. Raemakers toch is niet vandaag of gisteren, maar bestaat al meer dan honderd jaar in onze binnenstad.
Ze dateert nog uit de tijd dat schoenen in manden werden aangevoerd; daaruit werd los verkocht. Dozen waren nog onbekend. Verder werden de schoenen aan latten tegen de zolder opgehangen. Er was maar uit enkele soorten keus te maken. Dat is vandaag anders.
De keuze is zo groot dat het de vraag werd of de honderden en honderden schoenen nog wel in de zaak zichtbaar moesten worden opgeslagen, of dat deze voorraad soms niet beter rustig op de achtergrond kon worden gehouden. De Gebr. Raemakers beantwoordden deze laatste vraag in bevestigende zin. Ze voerden als nouveauté voor onze stad het zogenaamde blinde (?) voorraadsysteem in. In de zaak zelf zijn geen schoenendozen zichtbaar; deze zijn uiteraard wel onmiddellijk bij de hand, zodat de client naar wens- en zeer snel naar wens- kan worden bediend. Door toepassing van deze nieuwe gedachte is het verkoopgedeelte van de zo intiem ingerichte zaak er veel rustiger op geworden.
Uit tientallen fraaie bloemstukken bleek gistermiddag hoezeer de Gebr Raemakers zich in de belangstelling van fabrikanten, vrienden, kennissen en zakenrelaties mogen verheugen. Het schoenenmagazijn had veel van een bloemenmagazijn weg, toen de heer G. Raemakers, de zoon van de heer A.H. Raemakers, die al meer dan een halve eeuw directeur van het bedrijf is, het woord nam om de vele aanwezigen, onder wie de wethouder de heer M. Duives, te begroeten. De wethouder sprak een gelukwens uit namens het gemeentebestuur, dat zich over de herbouw van dit meer dan honderdjarig Nijmeegs bedrijf ten zeerste verheugde. Spreker herinnerde aan de voorgeschiedenis van het Schoenenmagazijn Gebr. Raemakers en aan de ramp welke dit bedrijf trof, waarna evenwel niet bij de pakken werden neergezeten. Het nieuwe pand noemde de wethouder een sieraad voor de Broerstraat en in de heren Raemakers huldigde hij de Nijmeegse middenstand, die zulk een aanzienlijke bijdrage levert tot de herbouw van een mooie stadskern. De architect en daarnaast de aannemers die Nijmegen volbouwen, verdienen lof voor hun werk.
De heer G. Raemakers dankte hierna de wethouder en in hem het Nijmeegs gemeentebestuur en de gemeente-instanties die zo volop haar medewerking tot de herbouw hebben verleend. Spr. sprak zijn waardering uit voor de architect de heer G.B. Treur, het aannemersbedrijf J.J.M. Berens en voor alle onderaannemers, die de bouw naar volle tevredenheid hebben tot stand gebracht.” (De Gelderlander 29/4/1954)
Vervolg
Er is nog niet uitgebreid onderzocht wat het vervolg is geweest. In ieder geval komt de zaak nog voor in het Adresboek 1971. Tegenwoordig zit in het pand schoenenzaak Manfield.
Hotel Café Restaurant Hundisburg, 1932-1940 (GN11119 RAN)
Op 25 juni 1932 opende de heer F.B. Brands Hotel Café Restaurant Hundisburg (12 kamers) in een door hem kort daarvoor aangekochte villa. De rond 1888 gebouwde villa kreeg de naam Hunerberg, daarna (1897) villa Slido (naar Simon Rijnbende en zijn vrouw Theodora), vervolgens kocht A.B.A. Quack de villa en veranderde de naam in Hundisburg; na zijn dood woonde er het echtpaar Reitsma-van Maasdijk de ouders van de verzetsheld Guus Reitsma. De villa op de hoek van de Batavierenweg werd op het eind van de oorlog verwoest, Beatrixstraat 1 Hunnerberg (Bijschrift GN11119 RAN)
Bij de opening van Hundisburg
“Hotel-Pension-Café-Restaurant “Hundisburg“.
Ieder Nijmegenaar kent de villa aan den Batavierenweg, op den hoek van de Barbarossastraat, die nu reeds jaren achtereen heeft leeg gestaan. Destijds werd zij bewoond door de nu overleden wethouder Quack. Daarna vond het gebouw nog eenige jaren andere bewoners, doch de laatste jaren kenden wij het niet anders meer, dan in den vervallen staat waarin het langzamerhand was komen te verkeeren.
Toch ligt huize “Hundisburg” op een van de mooiste punten der stad. Van hieruit immers heeft men een prachtig uitzicht over de rivier de Waal en een deel van het Betuweland. Is het eigenlijk wel te verwonderen, dat de heer F. Brandts op de gedachte kwam om op deze plaats een hotel-pension-café-restaurant te gaan exploiteeren? Dat hij ook den ouden, historischen naam “Hundisburg” handhaafde voor het hotel-café-restaurant dat hier gevestigd werd?
Wel heeft het pand een grondige restauratie ondergaan om het aan zijn nieuwe bestemming te doen beantwoorden, maar het geheel maakt dan nu ook een uitstekenden indruk en zoowel de hotel- als de café-gasten zullen, naar het ons dunkt, op “Hundisburg” gaarne toeven. Van het prachtige uitzicht geniet men zoowel van uit de kamers, als van uit het restaurant beneden en het groote terras, dat rond het gebouw is aangelegd en dat een prettig zitje vormt. Onnoodig te zeggen, dat het geheel aan moderne eischen voldoet.
De verbouwing van het pand geschiedde door de firma Th. Thunissen. De firma Merx en Boerboom legde de centrale verwarming aan. Het schilderwerk verzorgde de firma Reyers en Zn, terwijl de electrische installatie werd uitgevoerd door de firma Schreven. De firma Drukker leverde het behang, terwijl de stoffeering geschiedde door de firma Vroom en Dreesmann. Vermelden wij nog, dat hedenmiddag om vier uur de opening van het hotel-café “Hundisburg” plaats vindt.” (PGNC 25/6/1932)
Hotel Metropole in de Bisschop Hamerstraat ten tijde van de 40e Vierdaagse, Bisschop Hamerstraat 14, 22/7/1956 (J. v. Doorn via F41338 RAN CCBYSA Auteursrechthouder KNBLO-NL)
In juli 1956 vindt de opening plaats van het nieuwe hotel-café-restaurant Métropole aan de Bisschop Hamerstraat. De architect is G.D. Jansen, van het Bouwbureau van de brouwerij “De drie Hoefijzers” uit Breda.
Vooraf: de in de oorlog verwoeste de Meet
Panden aan de zuidzijde van de Lange Burchtstraat met o.a. Hotel Metropole, 1939 (ir. J.G. Deur via F12991 RAN CCBYSA)
Métropole was in 1900 geopend in de Lange Burchtstraat en werd in 1944 verwoest. Daarna moest men zich 10 jaar “behelpen”: eerst werd het bedrijf voortgezet in de eigen huiskamer, later in een noodrestaurant aan het Keizer Karelplein dat de bijnaam “Wachtkamer” kreeg. Wel bleven een aantal vaste klanten trouw, die dan ook door Meijboom worden bedankt: in het bijzonder majoor Breunese (die namens de N.B. v. L.O. – Nederlandse Bond van Leger Officieren ook een toespraak hield) en zijn staf, het curatorium van de Radbouduniversiteit en de studenten.
Deze staat op de plaats van het vroegere gebouw van Smarius, waarin Vroom en Dreesmann na de Tweede Wereldoorlog haar tijdelijke winkel had.
Het hotel heeft een bed voor 20 gasten; op de hoek van de Bisschop Hamerstraat en het Keizer Karelplein is er een café met een aangrenzend restaurant. Het terras bevindt zich aan de kant van het Keizer Karelplein, waar bovendien de toegang tot de bierkelder is. Boven het restaurant is er een zaal voor feesten en vergaderingen.
Voor de Vierdaagse klaar
De bouw was in februari begonnen. Er werd snel gebouwd, met als doel om voor de Vierdaagse het bouwwerk gereed te hebben. “Het resultaat is zeer bevredigend, niet alleen voor de heer Jac. Meijboom, die zich nu over een definitief home mag verheugen, maar voor heel Nijmegen waarmee de “Meet” al sinds generaties was samengroeid.
Bij de opening noemt burgemeester Hustinx dat hij verheugd is dat met deze herbouw tegemoet wordt gekomen aan het tekort van hotelkamers in de stad. Hij hoopt dat er steeds meer congressen zullen worden gehouden. En hij verwacht dat ook door de groei van de industrie en de universiteit de vraag naar hotelruimte zal toenemen.
1943, Huidige locatie: Korte Nieuwstraat 6 (stadhuis)
Stadswapen
Stadswapen bij stadhuis, Albert Meertens
Albert Meertens maakte voor de nieuwe vleugel van het Stadhuis rond 1941/1943 2 werken: Een stadswapen en een kinderkopje. Het kinderkopje was, symbolisch, geplaatst boven de ingang van het Bevolkingsregister.
In 1941 besteedt de Gelderlander uitgebreid aandacht aan deze ontwerpen. (Merk echter op dat de uibreiding -en het artikel- gemaakt zijn ten tijde van de Duitse bezetting).
Het stadswapen
“Beeldhouwwerk van Albert Meertens
Voor de gevels van het Nijmeegsch stadhuis
De gevels van het herbouwd Stadhuis te Nijmegen zullen behalve ander sierwerk twee sculpturale stukken bevatten van den beeldhouwer Albert Meertens uit Berg en Dal, waarvan wij hierbij de afbeeldingen geven.
De groote steen, die het wapen van Nijmegen vertoont, zal worden gemetseld in een zijgevel aan de Lange Nieuwstraat. De schildhouders, beide leeuwen, herinneren aan den Assyrischen stijl, de beide adelaars van het stadswapen, in het schild, zijn in sobere lijnen aangegeven, daarbinnen bevindt zich het schild met den nationalen leeuw. Boven zien wij de keizerskroon en rijksappel met kruis. Onder de latijnschen naam voor Nijmegen “Noviomagum”.
Zooals men ziet hebben we hier met forsch en kundig gemaakt reliefwerk te doen, dat met vaste hand uit de harde steen is gehouwen. De vormen van het wapen zijn kernachtig en pittig uit het materiaal tevoorschijn gebracht en de vereischte motieven werden onderling harmonisch in de langwerpige rechthoekige ruimte verwerkt. Tot in de details is alle aandacht aan het werk gegeven. Men lette bijvoorbeeld op de tongetjes der schild-torsende leeuwen. Ook de adelaars zijn als symbolische figuren, uitstekend geslaagd, waarbij men begrijpen zal, dat het hier niet te doen was om een dierstudie in steen, maar om de forsche structuur van een sprekend stadswapen.”
Bij de ingang van het Stadhuis is het oude stadswapen van 1816- 1953 te zien. Het meest opvallende is de leeuw op het schild: deze heeft een enkele staart in plaats van een dubbele staart. De leeuw symboliseert het feit dat Willem II, graaf van Holland en Rooms-Koning Nijmegen in 1247 heeft verpand aan de graaf van Gelre. Aangezien dit pand nooit is ingelost, bleef Nijmegen dus een Gelderse stad.
Het wapen van Gelderland is een dubbelstaartige leeuw. Deze enkele staart zijn op Nijmegen nog op meerdere plekken te zien, bijvoorbeeld bij de leeuw van Maris bij de Lindenbergtrappen. De putdeksels van Nijmegen tonen wel een dubbelstaartige leeuw.
De schildhouders zijn de leeuwen van het wapen van Gelderland, namelijk de Gelderse en Gulikse leeuw. Feitelijk zou de Gelderse leeuw hier ook dubbelstaartig moeten zijn, maar dit gebruik is in de loop der tijd verwaterd.
Kopje beeld van een kinderhoofd Albert Meertens 1943 Nieuwstraat stadhuis (april 2023)
Het kinderkopje bij de achteringang van het stadhuis is in 1943 gemaakt door Albert Meertens. Het was geplaatst boven de toegangstrap naar de achteringang van de Secretarie-vleugel (uit 1939/1940) van het Stadhuis, bij de Gruitberg.
“Het ander beeldwerk, een kinderkopje, komt, zeer juist, boven de poort van het bureau Burgelijke Stand, waar huwelijken en geboorten worden aangegeven. Het kopje duidt op het wordende leven.
In dit stukje beeldhouwwerk zal men de ruste en de harmonie terug vinden, welke kenmerkend zijn voor Meertens’ beeldhouwers-visie. Een aantrekkelijke onbevangenheid spreekt uit het weergegeven gezichtje. De oogen rusten vast in het verschiet; neus en mond zijn in de klassieke verhoudingen aangebracht, en het gelaat heeft verder de goed doorwerkte rondingen van een jeugdig kopje, die harmonisch verloopen in de hals, langs het oor, en langs de haren. Naast gratie ligt groeiende kracht in het steenen gezichtje uitgedrukt. Ook dit is een mooi stuk beeldhouwwerk, dat er in de komende eeuwen moge spreken van het bloeiend kunstleven onzer dagen.
Het beeldwerk van Meertens vormt o.a. naast de leeuwen van Maris, een waardig onderdeel van het mooie steenwerk, dat het nieuwe deel van het stadhuis zal sieren.” (De Gelderlander 19/7/1941, met 2 foto’s van de ontwerpen)”
Het Secretarie-gedeelte van het Stadhuis is in 1978 gesloopt.
Foto’s van de oude situatie zijn te zien op 2 foto’s uit 1978:
F31265 RAN: de achteruitgang met het kinderkopje en het gemeentewapen
Muurschilderij voormalig Hotel Pension Nassau, hoek Smetiusstraat – Nassausingel (november 2024)Beschrijving RAN: Hotel Restaurant Nassau opende op 22 april 1922 haar deuren in het statige pand dat werd bewoond door de steenfabrikant Löben Sels; uitbater was de heer J.N.E. Esser; links is nog een glimp van het Kolpinghuis zichtbaar. De foto is genomen vanaf de Nassausingel, Smetiusstraat 2, 1922-1930 (Uitg. P.MJ. Eenennaam via F30655 RAN; merk op dat op kaart eigenaar E.Esser staat)
Het grote gebouw op de hoek van de Smetiusstraat en Nassausingel is in 1880 gebouwd. De architect was C. Wagtho.
In 1922 opende hier het Hotel-Pension-Restaurant Nassau, waarvan J.N.E. Esser de uitbater was. De muurschildering aan de Smetiusstraat herinnert hier nog steeds aan:
“Hotel
Pension
Nassau
Restaurant”
Tegenwoordig zijn het bedrijfsruimtes met bovenwoningen (bijschrift DF4153 RAN)
Hotel Nassau te koop (De Gelderlander 18/4/1936)
In 1936 staat het “modern ingerichte “Hôtel-Nassau” te koop.
Zicht op het pand op de hoek met de Nassausingel met Broodjeszaak en Cafetaria Le Casse Croute en Hotel Café Restaurant Cascade van G. Verasdonck (adres Smetiusstraat 2 / Nassausingel 6), 1970-1975 (Evert F. van der Grinten via F78886 RAN CCBYSA Auteursrechthouder RAN)
Afgaande op F86794 RAN zat de Familie Verasdonck in het Hotel café-restaurant Verasdonck 1925-1974
Het hoofdgebouw en de klokkentoren van het Kasteel Bat-Ouwe-Zate (Kasteel Hallo), 1859-1861 (Julius Schaarwächter via F47511 RAN)
In 1858/1859 laat Franciscus Johannes (Frans) Hallo Bat-Ouwe-Zate bouwen, welke al binnen 7 maanden gereed is. In de volksmond krijgt het al gauw de naam “Kasteel Hallo”. Hij zal er zelf maar een korte periode wonen. Het kasteel werd vervolgens vooral bekend door de geliefde “Zusters van Hallo”.
Jeugd en opleiding
Franciscus Johannes (Frans) Hallo werd geboren op 23-1-1808 in Amsterdam. Zijn ouders waren Johannes Hallo en Johanna Peelman. Johannes was in 1898 op 20-jarige leeftijd vanuit Burgsteinfurt bij Bentheim naar Amsterdam gekomen. Aanvankelijk als kleermakersknecht. Waarschijnlijk is hij al vrij snel zijn eigen bedrijf als hoedenmaker begonnen. Daarbij zou hij de uitvinder zijn geweest voor een soort valhoedjes voor kinderen. Uiteindelijk was hij zo welgesteld, dat hij twee huizen aan de Singel kon kopen. “Uit later door hem gemaakte aantekeningen blijkt, dat het hoedenmakersbedrijf van zijn vader de zoon niet erg gelegen heeft. De ouderlijke omgeving is hem te klein, te nauw.” (Amstelodamum)
Hij studeerde letterkunde; als 22-/23-jarige schrijft hij naar aanleiding van de Belgsiche Opstand een en aantal publicaties. Pamfletten in dichtvorm, maar ook een aantal andere werken. Het Biographisch woordenboek der der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891) noemt:
Bijdragen tot de gesch. der Nederlanden, aanvang nemende 25 Augustus 1830, 4 dln., Amst. 1831; Aant. en bijlagen voor de bijdragen, ib. 1831;
Aanhangsel voor de bijdragen, ib. 1831;
Staat- en geschiedk. overzicht van de Belgische omwenteling in 1830-’31, ’s Hage 1831;
Staatk. handelingen van de Londensche conferentie in de zaken van Holland en België, Amst. 1832,
en enkele brochures.
In 1834 kreeg hij in Den Haag een baan als letterkundige op het Departement van Oorlog. Daar zou hij tot 1841 blijven werken als letterkundige, waarbij zijn werk onder andere bestond uit tekstcorrecties.
In 1834 trouwt hij voor de eerste keer, met Catharina van Maarsseveen uit Rotterdam.
Loopgas
In 1834 kreeg hij in Den Haag een baan als letterkundige op het Departement van Oorlog. Daar zou hij tot 1841 blijven werken als letterkundige, waarbij zijn werk onder andere bestond uit tekstcorrecties. Het zittende, regelmatige leven bevalt hem weinig.
Inmiddels begint hij belangstelling voor techniek en chemie te tonen, mogelijk als gevolg van een studiereis naar Noord-Frankrijk in 1838. Enerzijds over de aanleg van waterleiding voor Amsterdam. En vooral het experiment met aardappels: in 1842 vindt hij een vloeistof uit, welke bij verhitting een lichtgas vormt. In 1843 heeft hij gas gereed dat hij “nu genoegzaam gereed (is) met den Bouw zijner Fabrijken van Gasstof en Toestellen”. Hij noemt het “Hallo-gas”. Aanvankelijk gaan de zaken goed. Hij associeert zich met G.J. Koopman J. Scholting Jr. De aardappeloogst van 1847 mislukt echter, waardoor de productie stil valt. Op 29-3-31848 wordt de Nederlandsche Hallo-Gas-Maatschappij ontbonden.
Erfrecht
Rond de jaren 1840 begon Hallo als speculant in erfrechten. Uit historische-genealogische belangstelling en het zoeken naar financiële mogelijkheden kwam hij op de mogelijkheden die kennis van de zogenaamde Wees-en-Momboir Kamers boden. Deze kamers hielden zich bezig met het voogdijschap van minderjarigen. In 1835 kwam het Koninklijk Besluit dat vanaf dat de Kamer zou worden ontbonden en vanaf dat moment alleen lopende zaken zouden afhandelen.
Hallo voerde historisch-genealogisch onderzoek uit om mogelijke rechten op boedels te ontdekken, die nog niet waren verdeeld. Wanneer hij dan verre verwanten ontdekt die (mogelijk) in aanmerking voor de erfenis komen, spoort hij deze op. Daarna bood hij tegen betaling zijn kennis aan mogelijke erfgenamen aan. Of Hallo kocht de mogelijke rechten van de erfgenaam. Deze verkochten ze aan hem de mogelijke rechten om verschillende redenen. Een voorbeeld dat wordt genoemd is dat de men de kans klein achtte dat ze de erfenis zouden verkrijgen. Of dat men eenvoudigweg te weinig kennis had; of dat men het financiële risico/de moeite niet wilde nemen om te gaan procederen om de erfenis daadwerkelijk binnen te halen.
In ieder geval verdient Hallo een groot fortuin, hoewel hij juist ook grote sommen geld verliest. Zijn firma noemt hij de Nederlandsche Kapitaal-Vereeniging ter Liquidatie van Successies. Waarschijnlijk is hij minstens een keer failliet gegaan, doordat afgekochte erfenissen uiteindelijk niets opleverden. Maar hij heeft ook succes: een van de grote successen is de erfenis uit 1602 van Joost Marcellus Verwer, welke hij na 9 jaar procederen met de gemeente Amsterdam in 1852 verkrijgt. Samen met een ander succes in 1853 levert “De twee laatstgenoemde zaken bedroegen tonnen gouds”.
De bekendste klapper zal het kasteel de Cannenburgh/Cannenurgh in Vaassen zijn. Deze verkrijgt hij met de inboedel in 1868, waarmee hij uiteindelijk een half miljoen gulden verdient.
“Geniaal was hij ontegenzeglijk. Maar hij heeft sterk „les défauts de ses qualités”. Zowel toen, als later toont hij zijn ijdelheid. Worden er nieuwe huizen te Amsterdam gebouwd, hij zal het hoogste huis laten bouwen ! De gelegenheid daartoe kreeg hij op de Heerengracht, vlakbij het Koningsplein. Daar laat hij een smal huis zetten, dat in die dagen verre boven alle andere woningen uitstak! Hij duldt niet, dat iemand meer zou kunnen doen, dan hij. Wanneer hij het overigens niet te Amsterdam beleven moet, dat een baron met vier paarden voor zijn koets rijdt, rijdt F. J. Hallo de dag daarop met een eigen koets met …. zes paarden !” (Amstelodamum)
De bouw van Bat-Ouwe-Zate
Eerste steen van kasteel Bat-Ouwe-Zate (kasteel Hallo), van F.J. Hallo, gelegd op de dertiende verjaardag van zijn zoon, 28/8/1858 (Bureau Archeologie en Monumenten DF355 RAN CC0 tevens Auteursrechthouder)\
De bouw van Bat-Ouwe-Zate
Met de verdiensten kon Hallo zijn droom verwezenlijken: het bouwen van een “kasteel”.
Hallo verkreeg een deel van de Stikstraat en een aantal andere gronden van de gemeente. Om Bat-Ouwe-Zate te bouwen werden 24 huizen en aantal schuren en andere gebouwtjes gesloopt. Ook werden de laatste 8 linden gerooid, de bomen waar de Lindenberg zijn naam aan te danken had. Op 28-8-1858 legt de zoon van Hallo de eerste steen.
Bij de bouw zijn 300 arbeiders betrokken. Al binnen 7 maanden, op 15-3-1859 is de bouw gereed. Daarbij had de bouw 2 weken stilgelegen vanwege vorst. Hallo zelf plaatst daarbij de laatste steen. Hij schenkt daarbij 500 gulden aan de armen in de stad. Onder andere uit dankbaarheid dat de bouw zo snel gereed was gekomen, zonder ongelukken.
De bouwkosten bedroegen in totaal 200.655 gulden. Op 1 oktober 1859 ging het gezin van Hallo er wonen.
Hallo in Nijmegen
De binnenplaats van het Kasteel Bat-Ouwe-Zate (kasteel Hallo), vermoedelijk met de bouwheer F.J. Hallo en zijn gezin, 1859 (Commissariaat van Politie Nijmegen, Afd. Fotografie via F27535 RAN)
Hallo zal nog geen 2 jaar in Nijmegen blijven wonen. Soms sloot hij zich maandenlang op (HvdNG). Hij was lid van de vrijmetselaarsloge St. Lodewijk en van Sociëteit de Harmonie. Hij stelde zich twee keer kandidaat als gemeenteraadslid, om zich op het laatste moment terug te trekken. Ook schenkte hij geld aan de armen.
Verhuizing en verdere leven van Hallo
Kasteel Bat-Ouwe-Zate, (Kasteel Hallo), gezien vanuit de tuin van Burgerlust, op het Valkhofplein, 1859-1860 (Commissariaat van Politie Nijmegen, Afd. fotografie via GN1986 – A RAN)
Het gezin Hallo verhuist in 1860 naar Donsbrüggen, bij Kleef. In oktober 1861 schrijft Hallo zich definitief uit als inwoner van Nijmegen. Sowieso verblijft Hallo slechts overal tijdelijk: hij vertrekt juist vóór het moment dat hij gemeentelijke belastingen zou moeten gaan betalen.
Hij verhuurt zijn kasteel aan de sociëteit “Concordia” om het uiteindelijk in 1871 te verkopen. In deze tijd was hij nog wel betrokken bij een mislukte poging om een concessie te verkrijgen voor de aanleg van de spoorlijn Nijmegen-Kleef.
De vrouw van Hallo stierf in 1869, zijn tweede vrouw in 1876.
In 1876 werd Hallo veroordeeld vanwege het oplichten van zijn verzekeringsmaatschappij tot een boete en celstraf: zijn huisknecht had gloeiende kolen op het kleed laten vallen. En vervolgens geprobeerd om met verf deze vlek voor Hallo te maskeren. Hallo wordt woedend vanwege de poging om de vlekken weg te werken. Hallo stuurt zijn personeel naar buiten en schroeit de plekken opnieuw in het kleed, om de schade alsnog op de brandverzekering te kunnen verhalen. Dit feit was echter uitgekomen. Daarop vluchtte hij in 1877 naar Coburg (Beieren), met een fortuin van meer dan een miljoen.
Op 18-5-1879 overlijdt Hallo in deze plaats.
Het gebouw
Het kasteel is gebouwd in de stijl van de neogotiek; Hallo vond de gotiek het hoogtepunt van de bouwkunst.
Naam
“De naam is mogelijk een verbastering van “Betuwe-Zate”. Zelf beweerde de oorspronkelijke bouwer dat de naam “Op goede grond gelegen woonlocatie” betekende“. (wikipedia) Batouwe is een oudtijdse naam van de Betuwe; waarbij een de verklaringen van deze naam inderdaad “goede grond” zou betekenen. (wikipedia).
In de volksmond kreeg het echter al gauw de naam “Kasteel van Hallo”.
Het “kasteel”
In totaal had complex 85 kamers. Ook had het 3 ommuurde tuinen. Daarbij het een oranjerie en een klokkentoren met negen verdiepingen, die hoog boven het complex uittorende. De klok woog 700 pond. Het uurwerk was ontworpen door H.G.P. Romberg. Bijzonder was, dat het tevens de minuten aangaf. ’S Nacht gaf het licht door gaspijpen. Op de 4e verdieping stond een verrekijker, waar Hallo mensen op de Rijnkade in Arnhem kon zien lopen. Vanuit een theekoepeltje konden zijn dochters uitkijken op het langslopend publiek. Daarnaast had het veel uitkijktorens.
Het kasteel bleek echter slecht te zijn gebouwd.
Commentaar op het gebouw
Bij de oplevering noemt De Gelderlander het een ‘waarlijk groots en schoon gebouw’. Er was echter ook kritiek: het zou een “suikerkasteel” zijn, vanwege de (te) vele torens, kantelen en ornamenten. Hallo zelf maakt een speciaal boek voor familie en vrienden over de bouw van het kasteel. Bovendien zou later blijken dat de kwaliteit van de bouw slecht was.
Vervolg
Binnenplaats van Pensionaat ‘Mariënburg’ van de Duitse Zusters Ursulinen van de Romeinse Unie, oorspronkelijk gebouwd als Kasteel ‘Bat-Ouwe-Zate’ (Kasteel Hallo), 1898-1902 (J.H. Schaefer via F89944 RAN)
Zoals gezegd verkoopt Hallo het complex in 1871: aan Abraham Emanuel Cohen, een zakenman uit Arnhem. Tot 1875 is het een meisjesinternaat.
Dan kopen de zusters Ursulinen het complex, om het als meisjespensionaat in te richten onder de naam Mariënburg. Ze betalen hiervoor 40.000 gulden, een fractie van de oorspronkelijke bouwsom. De klokkentoren (met het uurwerk) werd gesloopt. De oranjerie werd verbouwd tot een kloosterkapel.
Van 1903-1913 was het daarna gebruik door de Franse Zusters van Sacré-Coeur, die er een pensionaat hadden.
Zusters van Hallo
Zusters Auxiliatricen van het Vagevuur (ook wel genoemd de Zusters van Hallo) in de tuin van het Kasteel Bat-Ouwe-Zate (kasteel Hallo), waar ze woonden van 1914 tot 1954, 1950 (GN5195 RAN)
Vervolgens kwamen op 1-8-914 de Auxiliatricen van de Zielen in het Vagevuur. Vanwege de Eerste Wereldoorlog hadden deze zusters hun klooster moeten verlaten: in 1914 vorderde de Franse legerleiding hun verpleeghuis in Versailles als oorlogshospitaal. Daarop kwam de zusters in Luik terecht, maar ook daar moesten ze vertrekken vanwege de Duitse inval in België. Daarop kwamen de zusters in Nijmegen terecht.
Ze werden ook wel de “Franse zusters” genoemd: vanwege hun herkomst, maar ook omdat ze in het begin geen woord Nederlands konden. Ook bleven ze (in ieder geval aanvankelijk) onder elkaar veelal Frans praten.
Zij kregen als bijnaam de “zusters van Hallo”. De Benedenstad begon steeds verder te verpauperen en de armoede onder haar bewoners werd steeds groter. De zusters verleenden aan hen geestelijke en sociale zorg. Zoals: godsdienstonderwijs, gaven eten aan de allerarmsten en verzorgden zieken en ouderen. En zij hadden een kinderopvang: elke zater- en zondagmiddag kwamen honderden kinderen hier voor spelletijes, zang en handwerken. Daardoor waren ze zeer geliefd onder de bevolking.
1954 Vertrek en 40-jarig jubileum
Wanneer het complex in 1954 wordt gesloopt, vertrekken de zusters naar de Canisiussingel. Daar zullen ze tot 1982 blijven.
De Gelderlander schrijft over hun vertrek en het veertigjarig jubileum:
“Zusters van Hallo zetten haar werk op andere plaats in Nijmegen voort
De gemeenteraad heeft Woensdag l.l. het besluit genomen om het klooster Hallo van de Zusters Auxiliatricen aan te kopen. Dit is een zeer belangrijk besluit, niet alleen voor onze gemeente, maar ook voor de zusters zelf. De gemeente wordt hierrdoor in staat gesteld om het oude stadsdeel geheel te saneren en om het groene balconplan zo uit te voerendat het zijn afsluiting vindt op het Valkhof, zonder dat daarbij de afschuwelijke bouw van het allang in verval geraakte klooster in de weg staat. Deze aankoop van Hallo mogen we dus als een besluit beschouwen, waarvoor de bevolking van Nijmegen het College van B. en W. en de Raad dankbaar kan zijn. Bij monde van een raadslid is in de vergadering van Woensdag l.l. aan B. en W. dank gebracht voor hun beleid in deze, waardoor de oude stad een belangrijke stap verder wordt gebracht tot krachtige herleving. Binnen drie jaar zal Hallo aan de Lindenberg niet meer dan een herinnering zijn; het gebouw waarin de Zusters haar opofferend werk doen, zal dan geheel zijn gesloopt. Voorlopig zal alleen het benedenstuk van Hallo tegen de grond gaan, omdat dit nodig is in verband met het doortrekken van de keermuur; het bovenstuk van Hallo en de kapel worden voorlopig niet afgebroken.”
“Oproep voor feestgeschenk bij het veertigjarig jubilé in Augustus
Naast he belang van de gemeente was ook het belang van de Zusters met deze oplossing gemoeid. Voor hen werd het hoogste tijd dat zij uit het nagenoeg onbewoonbaar geworden Hallo wegkwamen. Toen de Zusters veertig jaar geleden zich in Hallo vestigden- een waanzinnige bouw op last van een Franse textielfabrikant tot stand gekomen- zag het gebouw er binnenin heel anders uit dan thans het geval is. In de loop der jaren is evenwel ook de aard van het werk der Zusters grondig veranderd. Haar arbeidsterrein bleef niet in de benedenstad of tot zorg voor allerarmsten beperkt, maar breidde zich uit tot geestelijk werk van meest verscheiden aard onder de bevolking van Nijmegen en kwam ook vooral ten nutte van de meisjes, die van buiten de stad uit de verre omgeving in Nijmegen kwamen werken. De recollecties welke voor dames uit Nijmegen, maar ook voor die uit de wijde omtrek in Hallo worden gehouden, zijn een zegen voor velen. En zo heeft Hallo een groote betekenis gekregen voor het leven in de stad en in het land rondom.
Dit werk van de Zusters zit echter allerminst aan het ompractische gebouw vast waarin zij wonen. Integendeel, het is zo dat deze tijd heel andere eisen aan de Zusters stelt dan een veertig jaar geleden. Andere eisen worden ook gesteld door de jonge Zusters, die roeping voelen om tot de Congregatie van de Zusters Auxiliatricen toe te treden. Hoe hoog haar idealisme ook moge zijn, -van het klooster aan de Lindenberg gaat niet direct grote aantrekkingskracht op haar uit.
En wanneer zich geen jonge novicen aanmelden, sterft het klooster uit. Zouden de Zusters ten eeuwigen dage aan het Hallo van vandaag zitten vastgekluisterd, -dan zou al veel eerder dan de meesten van ons vermoeden het moment zijn aangebroken, waarop zij onze stad zouden hebben moeten verlaten. Bronnen van inkomsten hebben de Zusters niet; zij leven de liefdadigheid en zijn geheel afhankelijk van de liefdevolle gaven, die jammer genoeg, wel eens juist niet voldoende zijn.
Velen hebben zich terecht afgevraagd: wat moet er nu met de Zusters gebeuren, nu Hallo tot grote aanwinst van de stad tegen de grond gaat?
In het bedrag dat de Raad unaniem, met volledige instemming van de raadsleden van elke fractie, aan de Zusters toewees, lag een aanwijzing dat zij een ander gebouw zouden kunnen aankopen om zich daarin te vestigen. De bouw van een nieuw klooster zou tonnen kosten. Bruikbare grotere panden zijn in Nijmegen uitermate schaars. Voor de Zusters zelf en voor velen met haar bleef het daarom vooralsnog een puzzle hoe zij aan een nieuw verblijf, geschikt voor hun werk, zouden komen.
Voor allen, die met de Zusters sympathiseeren- en dat zijn er velen zowel in als ver buiten Nijmegen- zal het daarom een genoegen zijn te vernemen dat voor de Zusters de panden Canisiussingel 8 en 10 zijn aangekocht.
De aankoop kwam tot stand door bemiddeling van de N.V. Makelaarskantoor Hestia te Nijmegen. In verband met de plannen, onder andere de vestiging van een noviciaat, en de bouw van een kapel op het aangrenzend terrein, mag deze oplossing als een zeer geschikte worden beschouwd. Hierdoor worden de Zusters niet alleen voor Nijmegen, maar ook voor de stadskern, waarin zij haar werk in de loop der jaren geleidelijk hebben opgebouwd, behouden.
Wij hebben boven al het aantal jaren genoemd dat zij in Nijmegen haar zegenrijke arbeid uitoefenen: in Augeustus zijn het er veertig. Katholiek Nijmegen heeft grote verplichtingen aan de Zusters vanwege haar zorg welk zich over het geestelijk leven van de bevolking van deze gebieden uitstrekt. Zou het niet passend zijn om de Zusters een huldeblijk aan te bieden? Gedacht wordt aan de bouw van de kapel, welke bij het nieuwe kloostercomplex op de Canisius Singel moet komen. Het bedrag hiervoor nodig is: vijftigduizend gulden. Wij hopen dat binnenkort een voor dit doel samen te stellen comité een beroep zal doen op de stad- en streekgenoten om er aan mede te willen werken dat aan de “Zusters van Hallo” bij haar veertigjarig jubilé van haar vestiging in Nijmegen het bedrag, dat nodig is voor de bouw van een kapel, kan worden aangeboden.” (De Gelderlander 15/1/1954)
Een mooie beschrijving van Wim Janssen en daarnaast herinneringen over deze periode is te vinden op Noviomagus.
Sloop
De gemeente begon in de jaren 30 de verpauperde buurten die direct rond het klooster lagen af te breken.
In 1954 kocht de gemeente het klooster voor 135.000. Intussen was het complex steeds meers vervallen geraakt en bovendien in de Tweede Oorlog beschadigd. Daarop volgde sloop, om het plan van het Groene Balkon te kunnen realiseren. Op de plek van Hallo kwam begin jaren 70 cultureel centrum de Lindenberg.
De eerste steen bleef behouden. Aanvankelijk in het bezit van de familie Hallo, maar in 2010 werd deze overgedragen aan de gemeente.
In 1989 werd de rechtstreekse verbinding met de Waalkade, die door de bouw van Hallo verloren was gegaan, hersteld door de aanleg van de Veerpoorttrappen.