Café-Restaurant Hotel Royal van de Wed. E.W. Poos-Aengenent (adres Prins Hendrikstraat 40-42) met de stalhouderij op de Waldeck Pyrmontsingel 4 (links), foto gedateerd 1925 (F15997 RAN)
In 1925 opent op de hoek van de Prins Hendrikstraat en de Waldeck Pyrmontsingel Café-Restaurant Royal van de weduwe E.W. Poos-Aengenent. De architect was J. Jetten. Hiervoor had op deze plek de stalhouderij gezeten, welke functie ook dan nog wordt vervuld. In de Tweede Wereldoorlog wordt het gebouw verwoest.
“Café-Restaurant “Royal”.
Heden zal de opening plaats vinden van het café-restaurant “Royal”, dat verrezen is in de Prins Hendrikstraat op den hoek van den Waldeck Pyrmontsingel. Gedurende vele jaren was daar, gelijk men weet, de stalhouderij van de firma Poos gevestigd. Deze blijft bestaan, maar door een praktische verbouwing heeft men ruimte vrij gekregen voor een flink, modern café, dat een sieraad is voor deze omgeving. Inwendig is het 95 vierk. M. groot; het bevat een groot, sierlijk buffet, een biljart en leestafel, terwijl men door het aanbrengen van z.g. boxen langs den wand de gezelligheid, die er nu al is, nog hoopt te verhoogen. De ramen, met bovenvensters van fraai gebrand glas in lood, kunnen worden omlaag geschoven, waardoor des zomers het 100 vierk. M. groote terras als ’t ware één geheel wordt met het café.
Daar achter, met uitgang in de Prins Hendrikstraat, is thans het koetshuis gelegen, waar men nog alle ruimte heeft voor het onderbrengen van de rijtuigen der stalhouderij. De stal, die kleiner geworden is, grenst daar aan.
Ter zijde van het café zal in de Prins Hendrikstraat een winkelhuis worden gebouwd. Wanneer dit voltooid zal zijn komen wij er nog wel nader op terug.
Dit belangrijke bouwwerk is in eigen beheer uitgevoerd naar de plannen van den heer J. Jetten, architect alhier, die daarme veel eer inlegt. Het schilderwerk is verricht door den heer Th. Delgeijer, het glas in lood geleverd door den heer Leenders te Berg en Dal.” (PGNC 3/10/1925)
Weduwe P.J. Poos
In 1912, 1913-1914, 1914, 1915 en 1916 komt Wed. P.J. Poos, geb. P.A. Vierboom, stalhouder voor op Prins Hendrikstraat 42. (In 1940 woont zij op Molenstraat 121); daarbij lijkt het waarschijnlijk dat het bedrijf de stalhouderij “Firma P.J. Poos, Waldeck Pyrmontsingel 42” betreft (eveneens in deze adresboeken).
Daarnaast wordt op Glashuis 4 in het adresboek 1914 L. Poos, koetsier, gevonden.
In 1920 komt de stalhouderij Firma P.J. Poos voor op Prins Hendrikstraat 42. In de tot nu toe gevonden adresboek komt in 1932, 1934, 1936 en 1938 “Poos Wed. J., geb. E.W. Aengenent, café-restaurant “Royal” op Prins Hendrikstraat 42, stalhouderij Waldeck Pyrmontsingel 4″ voor.
In 1940 woont Wed. J. Poos, geboren Aengenent al op van Heutzstraat 6. Volgens het Adresboek 1959 woont mw J.C. Poos daar nog steeds.
Drie chauffeurs van garagebedrijf Poos die opgesteld staan voor hun wagens. Van links naar rechts: onbekend, de heer Poos en de heer Pijpers. Rechts het Café-Restaurant Hotel Royal van de Wed. E.W. Poos- Aengenent (op de hoek van de Prins Hendrikstraat 40-42), Waldeck Pyrmontsingel 4 Altrade, 1936 (F15996 RAN)
J.P.G. Poos
J.P.G. Poos, stal- en garagehouder komt in ieder geval in 1934 op Prins Hendrikstraat 38 en daarna in de Adressboeken 1936, 1938 en 1940 op nummer 26. (In 1932 komt hij nog niet voor). Uit het straatnamenregister van Rob Essers wordt duidelijk dat het een hernummering betreft en dat Prins Hendrikstraat 26 in september 1944 tijdens oorlogshandelingen is verwoest.
Zoals hierboven te lezen, komt J.P.G. Poos vervolgens voor op de Heutszstraat 6.
In ieder geval komt J. Poos, Prins Hendrikstraat 20 nog in het Adresboek van 1966 voor.
Boven de ingang naar het Glashuis, tussen Lange Hezelstraat 58 en 60 is een houten bord te zijn. Deze is inmiddels weer wat vergaan en vaag zijn er nog letters op te vinden. Wat is er over dit bord te vinden?
Hoek Prins Hendrikstraat Waldeck Pyrmontsingel, maart 2025 (Google Streetview)
Altrade Deze pagina verzamelt reeds gepubliceerde artikelen over de Waldeck Pyrmontsingel De naam Waldeck Pyrmontsingel De naam Waldeck Pyrmontsingel herinnert…
Doopsgezinde Kerk, Architect Oswald, Waldeck Pyrmontsingel, 1986 (Gemeente Nijmegen afd. Reprografie via KN12868-2 RAN CC0)
Tijden de oorlog werd de Doopsgezinde Kerk in 1944 verwoest. Daarop vond herbouw plaats aan de Waldeck Pyrmontsingel, waarvan F.M. Oswald de architect was. Vanwege teruglopend kerkbezoek wordt de kerk in 1989 verkocht.
De oorspronkelijk Doopsgezinde Kerk stond van 1727 tot 1944 op de Arminiaanse Plaats. In de Tweede Wereldoorlog werd zij verwoest.
Met het schadegeld werd begin jaren 50 een nieuwe kerk gebouwd. Architect Oswald bouwde deze in de stijl van de Delftse School. Oswald was zelf ook lid van de Doopsgezinde Kerk. “Het is een zogenaamde verdiepingskerk: de nevenruimten met onder andere een zondagsschool liggen op de begane grond en de kerkzaal is op de eerste etage. Het gebouw is om economische redenen zo ontworpen.” (Een sterke toren in het midden der stad, H.E. Wesselink 2018)
Stijl
De voormalige Doopsgezinde Kerk is “een zaalkerk met aangebouwde woning, opgetrokken in 1951-’52 naar ontwerp van F.M. Oswald in de stijl van de Delftse School” (Monumenten in Nederland: Gelderland).
Beschouwing uit 1954
Ingangsportaal van de voormalige doopsgezinde kerk op de hoek met de Stenenkruisstraat. Werd in opdracht van de Doopsgezinde Gemeente tussen 1951 en 1952 gebouwd naar een ontwerp van F.M. Oswald. Ze verving de in de oorlog verwoeste kerk in de binnenstad, 2013 (Henk van Gaal via F1520 RAN CCBYSA)
In 1954 plaatst de Gelderlander het volgende artikel:
“Doopsgezind Kerkje te Nijmegen
In het Katholiek Bouwblad wijdt B.J. Koldewey de volgende beschouwing aan de Doopsgezinde Kerk tegenover de Wedren:
“Bij de verschrikkelijke verwoesting van Nijmegens binnenstad viel in de oorlogsjaren ook de Doopsgezinde Kerk.
Voor zijn wederopbouw werd door de Gemeente aan de Waldeck Pyrmontsingel, nabij de Aula van de Universiteit, een terrein aangewezen aan de rand van een park. Een uiterst aantrekkelijke, vrije ligging ontstond, met aan de Zuidzijde van het gebouwtje fraai, hoog-opgaand geboomte.
Architect Oswald maakte van dit nieuw geval een zaalkerkje, een bovenkerk, waarin een goede honderd gelovigen hun plaats vinden. Daaronder ’n ruimte voor de Zondagsschool, voor bijeenkomsten in clubverband, voor vergaderingen, enz., te vergroten met de kerkeraadskamer (door het wegschuiven van een wand) als er een podium nodig is bij een concert of een declamatie-avond. Dan is er als aanbouw een kosterswoning en een traptorentje, welk laatste naar een balkon in de kerkzaal voert.
Met het oog de plattegronden doorlopend, met daarnaast de doorsnede, zie je hoe dat alles plezierig inééngesloten en verweven is. De gemeentezaal ligt 80 cm onder peil, waarin je vanuit de gang afdaalt langs een trapje van 5 treden, een wenteltrap voert je naar de eigenlijke kerkzaal met de vloer op 2,60 m plas P., terwijl doorklimmend tot 5 m plus P., het balkon bereikt wordt. Er is daarmee een knap, véélzijdig spel van ruimtebeelden ontstaan binnen een klein volume van 12x15x9½ m plus de open kap.
Het interieur in de Doopsgezinde kerk, Waldeck Pyrmontsingel 69, 1989 (Anton van Roekel via F1521 RAN CCBYSA)
De kerkzaal met zijn blanke licht doet je denken aan een interieur van Vermeer van Delft of Pieter de Hoogh. Het is een grote kamer, besloten en rustig, met iets voornaams in de boventoon. Het is góéd in deze ruimte te verbljven. De bank groeperen de gelovigen rond de preekstoel. Het moet iets geven als van een vader die met zijn kinderen bijéén is, als de dominee daar bidt en spreekt vanaf de kansel, met Gods woord vóór zich in het grote Bijbelboek. Dwars wordt het kerkruim gebruikt, het spreekgestoelte tegen één van de lange wanden. ’t Is ongetwijfeld allereerst daarmee dat Oswald dat innige verband inleidt en stimuleert tussen hem die voorgaat en de vergaderden rondom hem.
Karakteristiek protestants werd hiermee dit kerkje, vertrouwelijk, geheel ingesteld op het gebed van een kleine groep, tot dit doel bijeen gekomen als in een gesloten familiekring.
Het interieur in de Doopsgezinde kerk, Waldeck Pyrmontsingel 69, 1989 (Anton van Roekel via F1520 RAN CCBYSA)
“Dicht” zijn dan ook de wanden van dit kerkje met hun vensters, hoog-beginnend uit de vloer en sterk onderverdeeld door glasroeden, als was het gebouwde een 17e eeuws object. Toch zal zelfs de meest verliefde aanbidder van voorgespannen beton differdingers toegeven, dat er ondanks zoveel reminescenties aan weleer, zoveel anders aan dit kerkje te beleven valt, dat je tezelfder tijd beslist losmaakt van een oud-Nederlands herinneringsbeeld. Doen dat de materiaalkeuze, de met grote bepaaldheid gestelde kleuren, het blanke van het eikenhout der meubelen, de uitgewogen detaillering van het getimmerde, de stiel van het smeedwerk van trap en deur?
Het trappenhuis in de Doopsgezinde kerk, Waldeck Pyrmontsingel 69, 1989 (Anton van Roekel via F1522 RAN CCBYSA)
Een zwak punt aan dit kerkje is het “glazen”, achtkantige trappenhuis, van buiten af gezien. Het past niet goed in zijn verhouding van glas tot steen bij de maatvoering tussen vensteropening en muur die aan alle kanten voor de romp van het gebouwtje zelf werd aangehouden. Daarom wil er hier geen samenvoeging ontstaan. Inwendig echter is het desalniettemin een echt plezier om langs de wenteltrap omhoog te gaan tussen de draadglazen wanden aan de ene en de ronde zuil van schoon, ruig metselwerk aan de andere kant. Ook het tussen-lidje dat kerk en woning verbindt is in die zelfde zin onevenwichtig. Ook hier een loslaten van de schaal van het geheel, waardoor opnieuw eenheid achterwege blijft. Wel zeer te prijzen daarentegen is als detail het klokkentorentje, dat op de nok met een dartele zwierigheid, licht en speels, in juiste contrastwerking het zware volume van het dak, een fraaie bekroning geeft. Bijeengenomen, met dit kerkje van Oswald in Nijmegen zonder meer verrijkt met een bijou”.” (De Gelderlander 9/10/1954)
Trappenhuis Doopsgezinde Kerk (maart 2026)
Vervolg
In 1989 verkoopt de Doopsgezinde gemeente de kerk vanwege het teruglopend kerkbezoek. Hierin vestigt zich vervolgens een praktijk voor fysiotherapie. (Nacht van de Ommetjes). De doopsgezinden trokken zelf in bij de Remonstrantse Gemeente in het kerkgebouw aan de Prof. Regoutstraat.
Gemeentelijk Monument
Ingang Doopsgezinde Kerk (maart 2026)
De Doopsgezinde kerk is een Gemeentelijk Monument met als waardering (tevens is hier een uitgebreide omschrijving te vinden): “De voormalige doopsgezinde kerk is van hoge cultuurhistorische waarde als uniek vroeg naoorlogs relict van de geschiedenis van de Doopsgezinde Gemeente in Nijmegen. Vooral door de karakteristieke opzet met twee bouwlagen is het kerkgebouw een typologisch herkenbare manifestatie van protestantse getuigenis. In historisch geografisch opzicht is het kerkgebouw een uiting van de stedelijke vernieuwingsdrang in de wederopbouwperiode; dat wil zeggen de omvorming van de gebombardeerde binnenstad tot een moderne city en, als gevolg daarvan, de herbouw van de verwoeste voorganger buiten het centrum. Binnen deze context reikt de cultuurhistorisch betekenis van de doopsgezinde kerk veel verder terug in de tijd dan 1951-1952, de jaren waarin het kerkgebouw is herbouwd. De voormalige doopsgezinde kerk is van belang voor de architectuurgeschiedenis als goed en vrijwel gaaf voorbeeld van traditionalistische Delftse Schoolarchitectuur in de kerkbouw. De kenmerken van deze bouwstijl komen in het ontwerp duidelijk naar voren in de archetypische hoofdvorm, de ambachtelijke uitstraling van het gevelbeeld en het zorgvuldige materiaalgebruik. De Delftse School wordt in de ontwikkeling van de vroeg naoorlogse kerkarchitectuur in Nijmegen verder alleen nog vertegenwoordigd door de Dominicuskerk aan de Prof. Molkenboerstraat (C.Th. Nix , 1951). De stijlverwante Franciscuskerk (Kropholler 1949), Opstandingskerk (Feenstra 1949), Augustinuskerk (Pouderoyen 1951) en O.L. Vrouw van Fatimakerk (Van Veen 1956) zijn namelijk al gesloopt. Aan dit gegeven ontleent de voormalige doopsgezinde kerk op lokaal niveau architectuurhistorische zeldzaamheidswaarde. Vanwege de genoemde ontwerpkwaliteiten en uniciteit is de doopsgezinde kerk van belang voor het oeuvre van architect F.M. Oswald. Door de markante situering in de uitloper van het Julianapark aan een kruising van wegen, manifesteert de vrijstaande doopsgezinde kerk zich als een stedenbouwkundig accent in het van rijkswege beschermde stadsgezicht. Het gebouw is sterk aanwezig in het stadsbeeld en daardoor van belang voor de oriëntatie in het stedelijk weefsel. De voormalige kerk en pastorie vormen een klein en gaaf ensemble rond een besloten voorplein, dat in belangrijke mate bijdraagt aan de voorname uitstraling van het gebouw.”
Deze pagina verzamelt reeds gemaakte artikelen over de wijk Altrade. Romeins amfitheater hoek Rembrandtstraat-Mesdagstraat In de buurt van Romeinse legerkampen…
De voormalige Vrijmetselaarsloge St. Lodewijk, ontworpen door W.J. Maurits en A. Weyers in 1898, foto 1971 (Prof. dr. E.F. van der Grinten via F78766 RAN CC-BY-SA)
Architect Maurits ontwerpt in 1898 het nieuwe gebouw voor de Vrijmetselarij Sint-Lodewijk aan de Waldeck Pyrmontsingel. Deze is gebaseerd op de stijl van de neo-Renaissance. Het gebouw wordt in “Egyptische” stijl ingericht.
Voorgeschiedenis
Het gebouw aan de Waldeck Pyrmontsingel is het tweede gebouw van de Vrijmetselarij Sint-Lodewijk.
Van 1878-1899 zat de loge in Muchterstraat 19, een gebouw dat door stadsarchitect Pieter van der Kemp was ontworpen. Als gevolg van de ontmanteling van de vestingwerken verpauperde de buurt: veel welgestelde personen waren verhuisd naar nieuwbouw op de gronden van de vestingwerken.
St. Lodewijk
De loge van Nijmegen is een van de oudste van Nederland. De eerste loge was in Den Haag opgericht in 1734. Het is niet precies te zeggen wanneer de loge in Nijmegen is opgericht: gegevens als verslagen ontbreken. Wel is bekend dat er vóór 1752 loges zijn geweest, echter zonder vaste verblijfplaats.
in ieder geval wordt de loge definitief opgericht op 21 maart 1752. Nijmegen krijgt daarbij nummer 3.De naam St. Lodewijk is afgeleid van Ludwig, Herzog von Sachsen-Hildburghausen. Hij doet in september 1749 zijn intocht in Nijmegen, waar hij gouverneur werd. Ludwig was de grondlegger en de eerste Voorzittend Meester in de Loge St. Lodewijk. De loge is naar hem vernoemd.
Waarom de St.? Vrijmetselaars werden als vrijdenkers door de Rooms-Katholieke kerk en sommige overheden als bedreigend gezien. Gezien zijn positie wilde Ludwig zijn naam niet met de vrijmetselarij verbonden zien. Daarop werd de “Sint Lodewijk” bedacht.
Het nieuwe gebouw van architect Maurits
In 1898 ontwierp Maurits de nieuwe loge aan de Waldeck Pyrmontsingel, welke onderdeel was van de uitbreiding op de voormalige vestingwerken. De aanbouw rechts is de beheerderswoning. Maurits komt overigens zelf als “gezel” voor op de ledenlijst van de Vrijmetselarij uit 1897.
Tempel van de loge St. Lodewijk na het gereedkomen van het gebouw, architect Maurits, 1920-1925 (F85107 RAN)
Egyptische stijl
Het gebouw is in Egyptische stijl ingericht. Deze stijl kwam veel voor in Brussel en daarom werden excursies naar Brussel ondernomen om inspiratie op te doen. In het bijzonder kwam deze stijl voor bij een aantal vrijmetselaarsloges. Een mooi voorbeeld is de voormalige loge in de Peterseliestraat uit 1878. Op deze site staan foto’s van de prachtig gerestaureerde zaal, waar meteen een aantal elementen te herkennen zijn die ook in Nijmegen voorkomen.
Vrijmetselaars en Egypte
De vrijmetselarij zagen Egypte als haar symbolische, legendarische oorsprong. Wanneer de vrijmetselarij exact is ontstaan, is niet geheel duidelijk: vaak wordt 1717 in Londen genoemd als jaartal, hoewel ook het 17e eeuwse Schotland wordt genoemd. In ieder geval ontwikkelt de vrijmetselarij zich eerst in Engeland en Schotland.
De vrijmetselarij was op zoek naar een symbolische, legendarische oorsprong: die moest zich bevinden in de tijd waarin het metselwerk was ontstaan, zoals de tijd van Adam, de Ark Noch of de bouw van de Tempel van Salomo. Ook de bouw van de pyramides kwam in beeld. Vooral het werk “Séthos” van de Franse abt Jean Terrasson uit 1731 droeg bij aan de symboliek dat Egypte de oorsprong van de vrijmetselarij was.
De veldtochten van Napoleon in Egypte leverde in het algemeen een herleefde belangstelling op voor het oude Egypte. Aan deze veldtochten hadden de nodige vrijmetselaars als militair of als burger meegedaan, omdat Egypte immers de symbolische bakermat was. Begonnen in Parijs, verspreidde deze belangstelling door naar de rest van Europa. Nieuwe publicaties en wereldtentoonstellingen brachten het oude Egypte dicht bij huis. Naast kennis, ontstond er tegelijkertijd een romantisch beeld over dit oude Egypte. Waaronder bij de diplomaten en industriëlen van België, welke eind 19e eeuw zelf een koloniale mogendheid was geworden.
In België, Frankrijk, maar ook in Engeland en Amerika werden vrijmetselaar tempels op z’n “farao’s” gebouwd:
“De wens om het Schone te verwezenlijken uit liefde voor het Schone zelf is prominent aanwezig in de 19de-eeuwse vrijmetselarij, die het Schone als de materiele uitdrukking beschouwde van het Goede dat ze zo ijverig nastreefde.
De schoonheid van de kunst én die van de antieke Egyptische architectuur waren de middelen bij uitstek om de 19de-eeuwse maçonnieke idealen uit te drukken. “Dans l’hypothèse de la maçonnerie procédant du corps de métier, schreef men, le premier idéal des francs-maçons a dû être placé dans l’art plutôt que dans aucun autre domaine de l’intelligence”. “Des hommes s’unissant dans un dessein de perfection, ging men verder, avec la volonté de comprendre l’être humain” (De Egyptomanie in Brussel)
Neo-Egyptische stijl in de tempel
Deze Egyptische stijl komt bijvoorbeeld terug in de vorm en beschildering van de pilasters (de halfronde pilaren). de holkeellijsten (de vierkante lijsten met de motieven op de band onder het plafond, de ingang en de beschildering daarvan. Ook is op de foto het plafond met sterren te zien.
Neo-Renaissance
Het gebouw is ontworpen met invloed van de neo-Renaissance stijl. Hoewel ik geen architect ben, zie ik een aantal van deze kenmerken terug:
De symmetrie van het ontwerp
De spekbanden, welke tevens het horizantale beeld versterken
Het gebruik van pilasters, de halve zuilen, zoals bij de ingang
Een fronton, het “driehoekje”, boven de ingang
De ontlastingsbogen: de halfronde bogen boven het raam
De trapgevel
In het ronde venster in de topgevel is een glas-in-lood raam te zien met een winkelhaak en passer in een vijfpuntige ster, het symbool van de vrijmetselarij.
Zowel de loge zelf als de beheerderswoning en hekwerk is een rijksmonument. Als waardering
-Van architectuurhistorische waarde als een goed voorbeeld van een vrijmetselaarsloge in neorenaissance-stijl met esthetische kwaliteiten in het ontwerp zoals goede verhoudingen, een bijzondere ornamentatie en enkele kenmerkende ex- en interieurelementen zoals resp. het ronde glas-in-lood raam en het beschilderde koofgewelf.
-Van stedenbouwkundige waarde vanwege de ligging in de aaneengesloten zuidelijke gevelwand van de in 1896 aangelegde Waldeck Pyrmontsingel, die deel uit maakt van het laat 19de-eeuwse uitbreidingsplan, dat is ontwikkeld na de afbraak van vestingwerken. Het pand ligt binnen het beschermd stadsgezicht.
-Van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming en het uiterlijk welke verbonden is met een culturele ontwikkeling namelijk het oprichten en bouwen van vrijmetselaarsloges door de maatschappelijke elite.
Vervolg
Voormalige vrijmetselaarsloge St. Lodewijk, Waldeck Pyrmontsingel 77-79-79a, augustus 2023 (Google Streetview)
In 1977 werd het gebouw verkocht en in 1990 verlaten. De loge betrekt dan de voormalige doopsgezinde en remonstrantse kerk aan de Professor Regoutstraat 23. In 2007 koopt de loge het voormalige Steigertheater, Fortstraat 7, aan.
Het gebouw wordt in 2005 grondig gerenoveerd en verbouwd tot kantoorpand. Hierbij wordt onder andere het beschilderde plafond van de logezaal in oorspronkelijke staat hersteld met hemelsblauwe verf waarop sterren zijn geschilderd.
Naamlijst voor het jaar 5896-5897 van de Officieren en leden der Loge “St. Lodewijk” WWW.KWARTIERVANNIJMEGEN.NL Stichting Historisch Huis- en Veldnamen Onderzoek welke als bron noemt: De Gelderlander van Maandag 19 juli 1897
Wedren, op de achtergrond rechts de Wilhelminasingel en links de Waldeck-Pyrmontsingel, 1895-1900 (B. de Graaf via RAN F1903)
De Wedren is oorspronkelijk aangelegd als renbaan voor paardenraces, waar het ook haar naam aan dankt. In 1881 was deze aanmerkelijk groter dan wat tegenwoordig de Wedren heet. Tegenwoordig is het een parkeerplaats. Bij de Vierdaagse is het in gebruik als start- en finishplaats.
In 1881 verkrijgt Bert Brouwer een deel van het oud vestingsterrein in erfpacht: “Aan den heer L. A. Brouwer werd ten zuiden der stad 13 H.A. grond ad f 4,- per cA. en 3 H.A. in erfpacht ad/ 100,- ’s jaars afgestaan mits hij op het gereserveerde militaire terrein eene renbaan en eene buiten-societeit met terrein van vermaak aan den weg naar Groesbeek daarstelle. Voorts dat de verschillende bebouwing met villa’s en woonhuizen volgens kleurteekening plaats hebbe.” (Gemeenteverslag 1881). Op 2 Juni 1892 werd door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem de erfpacht van een gedeelte der in 1881 aan wijlen L. A. Brouwer uitgegeven terreinen vestinggrond aan den Groesbeekschen weg (vroeger Wielrijdersbaan) weer ontbonden verklaard.
De Renbaan liep langs de Oranjesingel tot aan de Berg en Dalseweg (Berg en Dalsche straat), Detail plattegrond Nijmegen in 1888 (RAN KPD-16)
Op de bovenstaande kaart staat de Sociëteit de Vereeniging aan het Keizer Karelplein weergegeven. Daarboven ligt de wielerbaan en links daarvan de Renbaan. De Renbaan grenst aan de Oranjesingel en loopt door tot de Berg-en-Dalschestraat. Merk ook de grens van de militaire gronden bij de renbaan op.
Op 3 maart 1882 schrijft de Gelderlander dat “Door de ‘Nijmeegsche Bouwmaatschappij’, onder directie van den heer Bert Brouwer, is de aanleg aanbesteed van de groote internationale wedrenbaan; de aannemers, de heeren C. Eijkelen en W.J. Weijers alhier, zijn reeds met een groot aantal werklieden begonnen het terrein te slechten. De baan komt voor het grootste gedeelte te liggen op het door den Staat gereserveerde voormalige vestingterrein, ten zuiden en oosten der stad.
Zoo men zegt, zou de eerst groote wedren reeds in Junij a.s. gehouden worden.” (De Gelderlander 3/3/1882). Achteraan dit artikel staan de verslagen van de 3 paardenraces in 1882 en 1883 weergegeven.
Vervolg
Ruiters aan de Wedren, 1910 (F55882 RAN)
Eind 19e eeuw wordt het terrein gebruikt voor tentoonstellingen en feestelijkheden, zoals de Landbouwfeesten in 1893 (PGNC 6/7/1893). Op een later tijdstip werd het terrein ook gebruikt als exercitieterrein (PGNC 6/1/1939). In 1910 kreeg het de naam Julianaplein. In de Tweede Wereldoorlog werd het samen met het Julianapark hernoemd tot Centrumpark, wat op 19-9-1944 weer ongedaan werd gemaakt.
In 1955 werd de Prins Hendrikstraat door de Wedren aangelegd. In de loop der jaren werd het gebied steeds verkleind door bebouwing.
Overigens is de naam “Wedren” pas sinds 2011 officieel vastgesteld.
De Wedren als parkeerplaats; vanaf de Wedren staat rechts de voormalige meisjes Hogere Burgerschool (HBS) aan de Bijleveldsingel, 1978 (Gemeente Nijmegen via KN11197 RAN CC0)
Vierdaagse
Een burgergroep defileert tijdens de (eerste) vlaggenparade op de Wedren op de maandagavond voor de 28e Vierdaagse, 25/7/1938 (Fotobureau Gazendam via F40933 Publiek Domein Auteursrechthouder: KNBLO-NL)
De Wedren is bovendien de start- en finishplaats voor de wandelaars van de Nijmeegse Vierdaagse. Daarbij wordt ook een deel van het Julianaplein en het Julianapark gebruikt. Van 1938 tot 1950 werd hier tevens de Vlaggenparade, als opening van de Vierdaagse, gehouden.
Gladiolen bij het Vierdaagsemonument op het finishterrein op de vierde dag van de 91e Vierdaagse, 20/7/2007 (Kees Stunnenberg via DF1124 RAN tevens Auteursrechthouder)
Voordat de huidige schouwburg werd gebouwd, stond op dit terrein de concertzaal van Sociëteit de Vereeniging. In 1881 verkrijgt Lambertus Augustus (Bert) Brouwer een terrein om een renbaan en een sociëteit op te richten.
Vanwege de 50e Vierdaagse werd een beeld geplaatst naar ontwerp van Vera Tummers-van Hasselt. Het stelt een jongen (de start)…
Bijlage: de paardenraces
De eerste race van 1882
En die wedstrijd kwam er inderdaad: op 15 juni 1882. In de tussentijd verschijnen nog een aantal aankondigingen:
De Nederlandse Harddraverij- en Renvereeniging looft een prijs van f2000 uit, mits de leden van deze vereniging vrije toegang hebben (PGNC 28/3/1882)
Verpachting de buffetten: Geïnteresseerden kunnen een prijsopgave doen voor 1 van de 3 buffetten, of voor alle 3 tezamen bij Bert Brouwer. Alle kosten zullen voor rekening van de pachter komen (PGNC 26/5/1882)
Aankondigingen van het programma. Daarbij vallen een aantal zaken op:
De Stad Nijmegen en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen stellen gezamenlijk een van de prijzen beschikbaar
Er zullen die dag extra treinen rijden (PGNC 9/5/1882)
Een voorbeschouwing: “Daar een wedren aan de toeschouwers meestal meer belang inboezemt als zij iets van de mededingende paarden weten, hoop ik tegelijkertijd dat het mij moge gelukken de algemeene belangstelling in de wedrennen te Nijmegen mogen verhoogen.” Hierna worden de deelnemende paarden besproken. (PGNC 7/6/1882)
Helaas regende het die dag. Dat weerhield duizenden bezoekers echter niet om de paarderennen te bezoeken:
“Nijmegen, 15. Juni.
De met zoveel verlangen te gemoet geziene, met zooveel zorg voorbereide Wedrennen en Harddraverijen, waaraan schatten ten koste waren gelegd om ze zoo luisterlijk mogelijk te maken, hebben heden alhier plaats gehad, ongelukkig echter onder geheel andere omstandigheden als door alle Nijmegen en door duizenden landgenooten en vreemdelingen gewenscht werd. Het weder dat in de laatste dagen steeds ongustig was en op alle toebereidselen, versieringen enz. nadeelig werkte, was in den afgeloopen nacht en den vroegen morgen weder zeer onstuimig, later iets minder, doch met bijna voortdurenden regen. Reeds vroeg stroomden desniettegenstaanden van alle kanten met de verschillende treinen en allerlei rijtuigen duizende bezoekers naar de stad, zoodat een ongekende drukte heerschte. Op de markt was rondom de groote gaslantaarn een rijke en smaakvolle versiering van groen en bloemen aangebracht. Ook de gaspyramide bij het Keizer-Karelplein was kwistig met bloemen getooid. Den heer J.J. Sormani, gediplomeerd bloemist alhier, komt hiervan de eer toe, en ware het weêr gunstiger geweest, zeker waren deze versieringen nog veel beter uitgekomen. Ook waren op den Stationsweg en den weg naar de renbaan en rondom het Keizer-Karelplein palen met vlaggen geplaatst, aan elkander verbonden door guirlanden van groen, wat echter veel minder van goeden smaak getuigde. Verder trekt de algemeene aandacht de versiering van de Plantenbeurs in het Hôtel der Wed. Bronkhorst en van het Café van den heer Hamerslag op de Markt.
De Wedrennen duurden van 12 tot 4 ure. Het weder was tamelijk goed, afgewisseld door enkele regenbuien. De verschillende wedloopen waren prachtig om te zien en alles liep zonder ongelukken af.” (PGNC 16/6/1882) Op 17 juni doet het PGNC vervolgens verslag van de festiviteiten.
Race september 1882
Op 30 september 1882 zal de 2e wedrennen plaatsvinden. 5 september verschijnt de weergave van circulaire in het PGNC: de rennen komen voor rekening van Bert Brouwer, die “de financieele uitkomst geheel voor zijne rekening neemt, waarlijk geen geringe risico, als men bedenkt dat behalve kosten van in orde making en afrastering van het terrein, renten van kapitaal, muziek enz. ad. p.m. f4000, aan prijzen wordt uitgeleefd de belangrijke som van f850, iets wat noodig is om de eigenaaren der beroemde renpaarden te bewegen zich weder op de Nijmeegsche renbaan te komen meten.” Brouwer heeft zich voorbehouden uiterlijk 21 september te beslissen of de rennen doorgaan en stelt zich “afhankelijk van de medewerking van Nijmeegs ingezetenen, in de eerste plaats van hen, die er direct belang bij hebben dat er door dit Volksfeest eenige duizende vreemdelingen binnen onze stad worden vereenigd.”
Daarop hebben enkele (rijke) Nijmegenaren een commissie opgericht om Brouwer prijzengeld aan te bieden. Nijmegenaren kunnen een vrijwillige bijdrage leveren. (PGNC 5/9/1882)
1883
De volgende races zijn op 19 mei 1883. Het PGNC geeft dan de berichtgeving van andere kranten door; het lijkt haar en/of de kranten zelf daarbij net zo veel om Nijmegen zelf als de paardenracen te gaan:
“Nijmegen, 21 Mei.
De verslaggever van het Handelsblad over de Wedloopen te Nijmegen schrijft o.a. dat de tribune geheel ledeig was en de vijftig rijtuigen, met een paar honderd menschen, niet in staat waren aan de middenterreinen een gezellig aanzien te geven. Ieder die bij de wedrennen tegenwoordig was, en zij waren bij duizenden te tellen, zal overtuigd zijn dat hier minstens genomen bij dien verslaggever aan eene vergissing moet gedacht worden. Ook zijne voorspelling dat men tot de ontdekking zal komen dat Nijmegen toch eigenlijk niet de plaats is voor dergelijke feesten, daar zijn uitmiddelpuntige ligging het voor de groote steeden te moeielijk bereikbaar maakt (wat geeszins het geval is) hopen wij dat niet moge uitkomen.
De Amsterdammer denkt er geheel anders over en eindigt zijn verslag als volgt:
“Indien de bewoners van ons vaderland eindelijk eens open oogen krijgen voor het natuurschoon dat het land hunner geboorte aanbiedt, laten zij eens bij gelegenheid een wedren komen bijwonen te Nijmegen; de paardenliefhebber zal aldaar zeker zijn hart kunnen ophalen, maar ook zij die gevoel hebben voor lieflijke natuurtooneelen, voor bosch, berg, heuvel en dal, zullen de herinnering met zich mededragen aan een rein en zuiver genot, dat men zoo zelden smaakt in de vlakke beemden van Holland.”
Ook uit het Utrechtsch Dagblad laten wij hier met genoegen een gedeelte van het verslag der wedrennen volgen: ‘Het fatum, dat op de Nijmeegsche wedrennen in 1882 drukte, heeft ze in het voorjaar van 1883 verlaten; het weder, dat in de laatste dagen vooral voor de renbaan uitnemend was, bleef ons heden getrouw. Het was prachtig, vooral voor paarden. Feestelingen waren van alle zijden toegestroomd langs de talrijke verkeerswegen, die op het aloude Noviomagum uitloopen, waar al die gasten welkom waren en hartelijk werden ontvangen, al was de stad niet versierd en waren slechts hier en daar vlaggen uitgestoken. Evenals ten vorige jaren schitterde de prachtige, nieuwe wijk rondom het vorstelijke Keizers-Karelsplein, dat sedert door een fraaien aanleg een geheel ander aanzien heeft gekregen, nu weder in al haar vroolijke schoonheid en wekte de bewondering van allen, die zich naar het nabijgelegen prachtige renperk begaven, hetwelk thans van lieverlede tot een der uitmuntendste renbanen is geworden. Met de oude stad uit een Neurenberger speeldoos op den achtergrond en omzoomd door de fraaie nieuw-modische villa’s en deftige huizen, welke door de heer Bert Brouwer in de plaats der oude vestingwallen deed verrijzen, was ten 1 ure de menschenmassa rondom de baan verzameld, luidde de klok voor den eersten wedstrijd en spitsten allen de aandacht op het bord, dat aanwees, wie ten strijde bereid waren en wie reeds vooraf den moed hadden verloren.” (PGNC 22/5/1883)
Melkerij Lent, verbouwing architect Estourgie, van Gentstraat, 1928 (F17204 RAN)
Charles Estourgie ontwerpt de uitbreiding van de Melkerij Lent, waarbij onder andere de voormalige manege aan de Waldeck Pyrmontsingel bij de fabriek wordt getrokken. De Gelderlander publiceert bij de opening van 1928 een uitvoerig stuk, waarin tevens wordt ingegaan op het belang van de melkfabriek.
“De vooruitgang van de Zuivel-nijverheid.
De Coöperatieve Nijmeegsche Melkinrichting Melkerij Lent te Nijmegen
De nieuwe zuivelfabriek van de coöp. Nijm. Melkinrichting Melkerij Lent wordt morgen officieel geopend.
Landbouwers, veehouders uit Land van Maas en Waal, Rijk van Nijmegen, uit Betuwe, die Nijmegen hebben als voornaam afzetgebied voor de zuivelproducten, namen indertijd het initiatief tot oprichting van een coöperatieve zuivelfabriek, niet zoozeer bedoeld voor de distributie van de melk en van de boter in de stad en omgeving- dat mocht er natuurlijk bijgenomen worden- als wel voor uitvoer der zuivelproducten.
De aanleiding tot het “gaan bouwen” van de coöperatieve zuivelfabriek aan den van Gentstraaat, was dan aanvankelijk een heel andere dan welke gewoonlijk daarvoor geldt.
Geldersche veehouders hadden hier een zuivelfabriek, welke namelijk hooge melkprijzen uitbetaalde. Dat geschiedde, zeer ten ongerieve van de omliggende fabrieken. Dat zulks mogelijk was, kwam doordat het bedrijf zich geheel toegelegd had op den engros melkhandel naar Duitschland, waar een margarinefabriek in het naburige Kleef, zooals meestal met margarinefabrieken het geval is, de melk goed betaalde. Toen door de Duitsche invoerrechten in 1925 de grens voor dezen melkinvoer practisch gesloten werd, zat echter de fabriek plotseling met een groote hoeveelheid melk midden in een stad van pl.m. 75.000 inwoners, welke melk zij niet op productieve wijze kwijt kon, omdat de consumptie-melkverkoop in het klein geheel verwaarloosd was. Bovendien was de verwerking op producten evenmin mogelijk, aangezien de inventaris en inrichting geen kans op het maken van een behoorlijke kwaliteit meer overlieten. De fabriek aan de van Gentstraat was toen in last.
Bestuursleden, genodigden en leden bij de opening in de melkhal van fabriek melkerij Lent, 15/2/1928 (F50049 RAN)
De toestand was niet rooskleurig. Er moest raad geschaft worden. Er kwam verandering in directie aan de coöperatieve zuivelfabriek, welke gereorganiseerd werd van exportbedrijf voornaamlijk in distributiebedrijf voor stad en omgeving. Bovendien was de coöperatie als stadsbedrijf vrijwel er op aangewezen om de melkvoorziening wederom ter hand te nemen. Hiervoor waren echter noodzakelijk een behoorlijk ingericht fabrieksruimte en daarnaast een groot distributieorgaan. Aan den laatsten eisch werd op gelukkige wijze voldaan door overname van de particuliere “Melkerij Lent” (welke titel om tactische redenen ook in den naam der vereeniging is opgenomen). Wat de eerste moeilijkheid betreft, was het bestuur der coöperatie niet onfortuinlijk met den aankoop van de naast de fabriek aan de van Gentstraat liggende manege, welke uitkomend op den Waldeck Pyrmontsingel zeer geschikt was voor melkhal, flesschenspoellokaal en kantoor voor de afdeeling Melkdistributie. Door afbraak van een deel van de manege en een tuschenbouw kwam een ruimte vrij voor het optrekken van dat gedeelte van de fabriek, waar de bewerking van de melk plaats vindt.
De manege aan de Waldeck Pyrmontsingel: hierbij is goed te zien dat Estourgie het front onveranderd heeft gelaten; Nijmeegse manege, links Louise Cornelder. (De manege wordt in 1903 gehuurd en in 1908 overgenomen van de Nijmeegse manege door H.W. Cornelder, 1910-1915 (F92838 RAN)
Het was geen makkelijk op te lossen vraagstuk de nieuwe fabrieksuitbreiding practisch aan haar doel te doen beantwoorden, aan de omgeving te doen aanpassen en af te bouwen, terwijl het bedrijf in vollen gang bleef.
De architect, de heer Charles Estourgie werd met die opdracht belast en de aannemer, de heer H. van Kessel had de uitvoering van het bouwontwerp voor zijn rekening. Een fabriek te bouwen op den hoek van een singel, langs zij een pas aangelegd plantsoen, dreigt het aspect van de omgeving leelijk te schaden.
Men denkt dadelijk aan leelijke, van ééntonigheid grauwe muren, aan hooge zwarte schoorsteenen.
De heer Charles Estourgie toonde hier in deze fabrieksuitbreiding ook zijn sierkunstenaarstalenten, wist iets vroolijks iets levendigs te geven aan de massale gevels, waarin het monotone voorkomen werde door het aanbrengen van, de andere logge lijn, brekende ramen en vensters en het inbouwen van een sierlijken inrijpoort aan de van Gentstraat. Het nieuwe gedeelte paste bij de oude hooge zuivelfabriek aan de van Gentstraat en de oude stal der Nijmeegsche manѐge, is herschapen in een ruime hall voor de melkvoorziening. Het ouwe, grauwe dak is hersteld tot een gebroken kap, en de oude “circus” sluit nu passender aan bij den voorbouw, welke levendiger uitzicht kreeg, doordat de architect er wat meer lijn en licht inbracht.
Melkventers van Melkerij Lent, 1928 (F58814 RAN)
In het oude voorhuis van de manѐge is nu gevestigd het kantoor voor de melkdistributie, waarlangs een breede inrijpoort leidt naar het industrieele gedeelte dezer zuivelfabriek, welke zoo technisch en hygiënisch is ingericht, dat zij behoort tot een der vijf best ingericht melkinrichtingen en zuivelfabrieken des land, dat overvloeit van melk en boter, dat bekend staat als een der eerste exportlanden door Europa voor de zuivelindustrie.
Ook in dit opzicht kan het groeiende Nijmegen meekomen met haar grootere zustersteden.
Binnen mag de fabriek gezien worden.
Het is als een wit melkpaleis, waaruit nochtans alle onnoodige luxe geweerd is.
Wit zijn alle wanden, wat de machines, met hier en daar het blinkende koper der kranen en banden, het warme bruin der groote karn-machines of karnemelkhouders, den maten glans der blikken bakken.
Alles is bijna blank tot alle af- en aanvoerbuizen voor de melk toe.
De vloeren van tegels of zwaar cement zijn zindelijk om zoo van te eten; de wanden zijn hagelwit, geen stofje heeft er kans op te vliegen.
Hoe de fabriek ingedeeld is?
Onder deskundige en prettige voorlichting van een man in ’t vak als de directeur, de heer H.M.G. Tiel Groenestegen, maakten wij een ronde, op- en neergang door de uitgestrekte hallen en begonnen daar, waar de melk door de veehouders wordt aangevoerd. Dat is dan een zijgangetje, aan het einde der fabriek aan de van Gentstraat.
Hoe hygiënisch, hoe zorgvuldig het er toegaat, hoe nauwkeurig de melk behandeld wordt, moge blijken uit on omstandig relaas.
Melkerij Lent, het laboratorium voor melkonderzoek; een reproductie van een tijdschriftfoto, 1932 (F17201 RAN)
De melk wordt direct bij de ontvangst aan de van Gentstraat gesplitst in industriemelk voor de bereiding van boter en consumptiemelk voor de distributie. Vervolgens wordt zij met behulp van twee Ahlborn-pompen naar een pl.m. 10 meter hoog gelegen bordes, dat uitziet op het centrifugelokaal, gepompt. Hiervandaan vloeit de melk naar de verschillende afdeelingen. Het Amerikaanse “gravity system” wordt toegepast. Eenmaal binnen, komt de melk tijdens de bereiding niet meer bloot.
Er is een dubbele melkontvangst. Bij het melkontvangen is het zoo ingericht, dat, terwijl de melkcontroleur op de eene ontvangst bezig is de melk op haar kwaliteit te onderzoeken (dagelijks wordt toegepast de alcoholproef met “Rexprüfer” en verder geregeld vuilheidsproef, reductaseproef en bussen-inspectie), op de andere helft de melkontvanger de hoeveelheden in de Gedo-bascule weegt en noteert. Aan het melkonderzoek kan op deze wijze de noodige zorg besteed worden. De ondermelk wordt terzijde met een “Precies” apparaat afgemeten.
Op het reeds genoemde bordes staan een tweetal melkbakken ieder van 3000 l. inhoud, waarin de industriemelk en de consumptiemelk loopen na, wat de laatste betreft, door een colloïdfilter is zijn gezoefd. Tevens staan hier de koelers voor room en ondermelk. Langs een ijzeren trap komt men nu in het verwerkingslokaal, waar twee groepen van werktuigen zijn opgesteld, een voor de industrie en een voor de consumptiemelk.
De consumptiemelk gaat na een buizen-pasteur van Van der Ploeg van 4000 l. capaciteit te zijn gepasseerd op een temperatuur van 63 gr. C., in den Ahlbornstandpasteur voor 4000 l., een pastorisatie van de nieuwste constructie, Nieuw is n.l., dat alle kranen zich bevinden aan den bovenrand der cellen. De melk wordt eruit gepompt. Lekkage der kranen en daardoor besmetting met onvoldoend laag verhitte melk wordt hierdoor voorkomen, terwijl het weinige bewerkte melk dat achterblijft, op de totaal-hoeveelheid van één cel geen kwaad kan doen. De melk passeert daarna een dubbel gesloten buizenkoeler, ’s zomers nog een dito pekelkoeler, waarna een tweetal Geertruidenbergsche emailletanks, ieder van 8000 L. inhoud de melk koel houden tot den volgenden morgen. Deze tanks zijn halverwege vastgemetseld in den vloer der eerste etage, zoodat men bij de reiniging geen ladder of iets dergelijks noodig heeft. Een electrische roerinrichting met bovenpakking dient om even vóór het aftappen de room weer door de melk te mengen. Een pijpleiding voert de melk naar de meetbrug in de melkhal, waar de losse melk in de 40 venterswagens wordt afgetapt. De geheele weg is dus in een gesloten systeem afgelegd.
Melkerij Lent. De ruimte waar de melkflessen gevuld werden; een reproductie van een tijdschriftfoto, 1932 (F17202 RAN)
De flesschenmelk wordt bereid in een gelijkvloers gelegen ruimte beneden het verwerkingslokaal. De gereinigde melk loopt van het bordes naar het roteerende flesschenvulapparaat. De gevulde flesschen worden in een 14-tal bakken voor pl.m. 270 flesschen opgestoomd en afgespoeld. Een bijzonderheid hierbij is, dat bij het opstoomen der bakken het water gebruikt wordt, dat de koelers bij een temp. Van pl.m. 45 gr. C. verlaat. Met het oog hierop heeft men koelers van groote capaciteit genomen, opdat het water er niet te snel doorheen behoefd te worden gepompt. Het warme koelwater, dat niet voor het flesschenbedrijf noodig is, gaat uit de voorraadtank naar een “boiler” in de machinekamer. Een andere caloriën-besparende inrichting, welke met etagebouw eveneens gemakkelijk door te voeren is, vormt de verzameling van het condensatiewater ten behoeve van de voeding van den stoomketel.
Het flesschenpasteuriseerlokaal heeft door middel van een zeven-tal loketten voor de afgifte van room, flesschenmelk, boter, yoghurt, pap enz. verbinding met de melkhal. Hier kunnen eveneens zeven vensters tegelijk geholpen worden aan losse melk en een gelijk aantal aan karnemelk. Verder bevindt zich in de hal nog een kannen-uitstoom en drooginrichting voor de melkbakken en -bussen der venters. Behalve het groote belang uit bacteriologisch oogpunt, heeft het drogen nog dit voordeel, dat de venter geen verontschuldiging meer heeft voor een al te groote hoeveelheid water, die hij in zijn bussen heeft achtergelaten.
Men kent de geel-rood beschilderde melkwagens van deze inrichting. De melkflesschen op het dek duiden reeds voldoende de bestemming dezer wagens aan. Bovendien heeft de inrichting nog twee groote vrachauto’s in bedrijf voor bediening der grootafnemers.
De behandeling der industrie-melk vindt aan de andere zijde van het verwerkingslokaal plaats. De volle melk wordt gepasteuriseerd in een regeneratief-pasteur, gaat naar een Westfalia-centrifuge, waarna room en ondermelk over de bestemde koelers op het bordes worden gepompt en vervolgens in de drie geïsoleerde roomzuurbassins van 1600 L. ieder in de ondermelk-bakken vloeien, welke in het verwerkingslokaal geplaatst zijn. Ook de twee houten karnemelktonnen, ieder van 3000 L. met roerinrichting, zijn in deze ruimte ondergebracht. De karnemelk wordt aan de benedenzijde hierin gepompt, terwijl een verdere merkwaardigheid is, dat de toevoerleiding tevens grootendeels afvoerleiding is. Met het toezicht op deze werktuigen is één persoon belast. Dit gedeelte van het bedrijf bezit een capaciteit van 5000 L. per uur. Een aparte centrifuge is voor de levering van koffieroom en slagroom opgesteld.
De botermakerij Melkerij Lent, 1932 (F17203 RAN)
In de botermakerij, tusschen melkontvangst, machinekamer en de kantoren gelegen, staat een Van der Ploeg’s karn van 4000 L. ton inhoud, terwijl ruimte voor een tweede is gereserveerd. De boter-inpakkerij vindt plaats in den kelder beneden het kantoor, waar de hoofdboekhouding geschiedt.
In de machinekamer is een koelmachine van 85.000 caloriën geinstalleerd door de N.V. Plaatijzer-industrie te Apeldoorn. Verder bevindt zich hier een pekelbak van 15.000 L., benevens een reservoir voor warm water en een voor gekoeld leidingwater. In den bestaanden uitbouw der vroegere fabriek zijn nog gelegen, het ketelhuis en melkpoederlokaal, terwijl de oude machinekamer tot werkplaats is getransformeerd. De stoommachine is vervangen door afzonderlijke electromotoren voor iedere afdeeling.
Bij eventueele bedrijfsstoornis kunnen de werktuigen van het industrie-gedeelte ook voor de behandeling der losse consumptie-melk worden gebruikt, waardoor een betrouwbare melkvoorziening der stad ten allen tijde verzekerd is.
De nieuwe fabriek is in samenwerking met den directeur en het Technisch Bureau van den F.N.Z. dat het werktuigkundig gedeelte verzorgde.
De heer Charles Estourgie had het bouwkundig gedeelte voor zich en heeft nog wijdscher plan in portefeuille dan nu reeds is uitgevoerd.
De mogelijkheid is, dat ook de voorgevel nog opgetrokken wordt, met daarbij passen middengebouw- geheel in stijl met den hoofdgevel.
Maar het bestuur toont bedachtzaam beleid en zal natuurlijk eerst de bedrijfsresultaten in de naaste toekomst eens willen afwachten, alvorens tot wijderen bouw over te gaan.
Het uitstekende werk van den aannemer, den heer H. van Kessel, konden wij in den aanhef reeds waardeeren-; hier is degelijk, vlug en prachtig gebouwd.
Het schilderwerk werd uitgevoerd door de firma W.A. Teeuwissen. De ingewikkelde electrische installatie werd uitgevoerd door het electro-technisch bureau Jos. Kwakkernaat.
Zoo werken velen mede tot een eerste-klasse zuivelfabriek.
Men ziet het: Nijmegen kreeg een model-inrichting. De melk-gebruikers en gebruiksters kunnen zeker zijn van een pittige pint gezonde zuivere melk.
De Coöp Nijm. Melkinrichting Melkerij Lent, met haar geheel herziene, naar de laatste eischen ingerichte zuivelfabriek staat er borg voor.
En hier mogen wij wel eens even noemen de mannen, die mede het initiatief namen tot de uitbreiding, vergrooting, vervolmaking der fabriek aan van Gentstraat en Waldeck Pyrmontsingel.
Het bestuur wordt dan gevormd door de heeren: P.H. Kokke te Nijmegen, voorzitter; H.F. van Haaren te Lent, secrataris; F.H. Witjes te Elst; P. Gijsbers te Overasselt en J. v.d. Ploeg te Winssen, commissarissen.
Directeur is de heer H.M.G. Tiel Groenestegen, adjunct-directeur de heer Leo B.J. Wassing.” (De Gelderlander 14/2/1928)
Huidig: appartementen
De Melkinrichting is gesloopt en hiervoor in de plaats kwamen appartementen, september 2022 (Google Streetview)
Er is nog niet onderzocht wat het verdere vervolg is geweest. De Melkerij is tegenwoordig (september 2024) gesloopt en hiervoor zijn appartementen in de plaats gekomen. Het opschrift op het gebouw herinnert nog aan de Melkerij.