1900 Lange Burchtstraat Centrum, verloren gegaan WOII
Rechts het pand van de Damesmodezaak van Banens en Beermann, daarachter de Schouwburg die gevestigd was aan de Oude Stadsgracht, waar tevens de hoofdingang was, datering 1905-1920 (GN16311 RAN)
In september 1900 opende de Damesmodezaak van Banens en Beermann op de hoek van de Lange Burchtstraat en Oude Stadsgracht. De architect was Oscar Leeuw. In 1935 vestigt zich de manufacturenzaak van Duives in het pand. Het gebouw ging tijdens de bevrijding in 1944 in vlammen op.
Het PGNC schrijft over de opening:
“Onze Lange Burchtstraat begint zachtjes aan een werkelijk grootsteedsche karakter te krijgen. Men vindt daar tegenwoordige magazijnen, die de grootste stad niet ontsieren zouden. Als zoodanig mag zeker gelden het nieuwe winkelhuis, naar de plannen van onzen werkzamen en verdienstelijken bouwmeester den heer Oscar Leeuw door den aannemer H.W. Thunnissen opgetrokken op den hoek tegenover den Schouwburg.
Reeds lang zal den voorbijgangers dit smaakvol en doelmatig winkelhuis zijn opgevallen, doch van avond eerst zal het tot zijn volle recht komen als het in schitterende verlichting van al de vitrines met rijke étalages prijkt.
Gelijk bij advertentie in ons blad is aangekondigd, wordt daar namelijk hedenavond door de firma Banens & Beermann een zaak in japonstoffen en confectie geopend.
Hedenmiddag hadden wij het voorrecht een kijkje te nemen in de welvoorziene winkellokalen en mochten er een rijke keuze bewonderen van nieuwigheden op het uitgestrekte gebied der dames-confectie.
Onze lezeressen zullen van ons niet vergen dat wij een tot in bijzonderheden afdalende beschrijving zullen geven van hetgeen wij in dit bonheur de dames gezien hebben aan costumes, mantels, peignoirs, blouses enz. enz. Liever sporen wij haar aan, daar zelf eens een kijkje te nemen. Trouwens hedenavond zullen de rijkverlichte vitrines, twee verdiepingen hoog, door den bloemist Meuleman met weelderigen bloementooi gesierd, van zelf algemeen de aandacht trekken.” (De Gelderlander 26/9/1900)
Advertentie Banens & Beermann in De Gelderlander 20/1/1901
De winkel zou 34 jaar bestaan: op 30 juli 1934 verleent de Rechtbank aan Josephus Johannes Mathhias Banens, koopman en aldaar handelende onder de firma Banens & Beermann surséance van betaling. (De Gelderlander 10-8-1934)
Verhuizing
Afgaande op het krantenartikel van april 1935 maakt Banens een doorstart:
“Maison Banens
Men moet bewondering hebben voor onze zakenlieden.
Wie onzen wakkeren middenstanders ondernemingslust ontzegt, kent ze niet voldoende.
Hun toewijding en zorgen verdienen lof en daadwerkelijke belangstelling.
Zoo is het geruimen tijd eenzaam en stil geweest in het kapitale pand aan de Lange Burchtstraat No. 42 hoek Oude Stadsgracht, vlak tegenover de thans in afbraak liggenden Stadsschouwburg.
De firma Banens heeft thans in dit mooie pand een geheel vernieuwde zaak geopend- een magazijn dat zich aangepast heeft aan de eischen van onzen tijd.
De heer Banens, deskundig zakenman, opent morgen Maison Banens op geheel nieuwe grondslag- maar toch een magazijn dat vooral ook het betere genre wil brengen tegen die prijzen, welke in onzen tijd betaald kunnen worden.
Maison Banens voert een uitgebreide sorteering dames-confectie, uitsluitend nieuwe modellen, in de bekende betere kwaliteiten en betere coupe tegen voordeelige prijzen.
De heele zaak is economisch efficienter ingericht en ziet er toch zeer aanlokkelijk uit.
Beneden is de geheele winkel, met zijn aantrekkelijke showroom, in lichte blanke tinten gehouden en maakt een prettigen indruk.
De dames-cliënten kunnen hier een goede keuze vinden, bovendien op de eerste verdieping nog een gezellige, goed verlichte winkelruimte voor de mantels, costuums, enz.
De heer Banens zijn deskundig personeel, staan borg voor een uitstekende bedieining.
Dames worden zonder eenige verplichting tot een bezoek uitgenoodigd.
Het pand naast Maison Banens, welk pand een grondige verbouwing ondergaat, zal binnenkort door een andere firma betrokken worden.” (De Gelderlander 24/5/1935)
Manufacturenzaak Duives
Rechts het pand van Duives Tricotages op de hoek met de Lange Burchtstraat, gezien vanuit het Valkhofplein, foto gedateerd 1939 (ir. J.G. Deur via F31661 RAN CC-BY-SA)
In 1935 opende Duives zijn manufacturenzaak in dit pand. Het gebouw ging tijdens de bevrijding in 1944 in vlammen op. Lees hier het artikel:
Villa ‘Dennenheuvel’ van architect Oscar Leeuw (28/07/1866 – 16/02/1944), met decoraties van broer Henri, vlak na de oplevering in 1900, gebouwd in opdracht van de Rotterdamse koopman Albert Suermondt, 1900 (F88071 RAN)
De Rotterdammer Suermondt liet in 1900 zijn villa bouwen aan de Rijksstraatweg in Ubbergen. Het architect daarvan was Oscar Leeuw, die samen met zijn Henri Leeuw een waar Gesamtkunstwerk heeft ontworpen.
Van vakantieadres naar woning
In 1900 kocht de Rotterdams koopman Albert Jacob Pieter Suermondt een stuk grond in Beek. De Suermondt, zijn vrouw Wilhelmina Mees en hun kinderen hadden, na een aantal jaren vakantie in de omgeving van Ubbergen te hebben gevierd, 16 jaar lang een woning van de familie Dommer van Polderveldt gehuurd. Van deze familie kocht het stuk grond. Op deze grond stond een goedlopend koffiehuis, de “Weg en Hout”. Na een verbouwing werd deze “Boschlust” genoemd. Dit pand is in 1938 gesloopt. Op de helling boven het koffiehuis werd een nieuwe villa gebouwd. Hiervan waren de ontwerpers Oscar en Henri Leeuw. Dit was een van hun eerste grote opdrachten. Maar ook: een jaar daarvoor hadden ze de Melkerij Lent ontworpen, welke veel aandacht en waardering had gekregen, zowel van publiek als van vakmedia. Beeldhouwer Henri Leeuw had inmiddels zijn Leeuw in het Kronenburgerpark staan.
In mei 1900 vindt de aanbesteding plaats “Villa, terrein aan den Ubbergschen weg, voor rekening A. Suermondt”. Heijmerink en Nollen hadden met f22750 de laagste inschrijving en verkregen de aanbesteding. (De Gelderlander 23/5/1900)
In de zomer verhuisde het echtpaar Suermondt-Mees naar de nieuwe woning.
Vergezicht
Straatbeeld, met café ‘Boschlust’, en, op de achtergrond, villa ‘Dennenheuvel’, gebouwd tussen 1899 en 1902 door de Nijmeegse architect Oscar Leeuw. Links, de tramrails van de stoomtram Nijmegen-Beek, gedateerd 1904-1906, (Jos M.H. Nuss Amsterdam via F89331 RAN)
Doordat de woning 10 meter boven straatniveau uitkwam, had het een prachtig uitzicht. Vanaf het terras is Arnhem te zien. Aan bij straten van de Rijksstraatweg lieten rijkeren vanaf de eerste helft van de 19e eeuw hier villa’s bouwen vanwege de schoonheid van het landschap. Daarnaast had het een voordelig belastingklimaat. Net als de andere meeste villa’s is de zichtlijn schuin op de Rijksstraatweg gericht. De villa valt onder het beschermd dorpsgezicht van Ubbergen.
Inrichting
In de zomer van 1901 vindt de verhuizing plaats. Waarschijnlijk was de interieurafwerking op dat moment nog niet klaar en kwam deze het volgende jaar gereed.
Het huis is opgetrokken uit baksteen, met elementen van natuursteen. Een deel van de gevels is met leisteen of heeft vakwerk uitgevoerd in stuc.
In huis staat, conform de “neo-Tudor stijl” de hall en het trappenhuis centraal. Het originele interieur is vrijwel bewaard gebleven. De kamers hebben eikenhouten lambriseringen. Opvallend is de hemelsblauwe kleur van het houtwerk. Op de wanden zijn sjabloonschilderingen aangebracht en de plafonds zijn beschilderd met planten en bloemen, welke typisch jugendstilmotieven zijn. Maar er zijn ook symbolen geschilderd, die ontleend zijn aan de vrijmetselarij en theosofie, zoals bijvoorbeeld afbeeldingen uit de dierenriem en andere astrologische afbeeldingen.
Bouwstijl
Straatbeeld, met villa ‘Dennenheuvel’. Boven de straat en schuin op de lijn met de straat. Links, de tramrails van de stoomtram Nijmegen-Beek, datering 1904-1906 (I.J. Glaser via F89341 RAN)
Door het totaalontwerp, waarbij bouw en decoratie 1 geheel vormt, is het een echt “Gesamtkunstwerk” geworden. Oscar en Henri Leeuw hebben elementen uit verschillende stijlen gebruikt. En dan vooral de Engelse landhuisstijl vanwege de centrale rol die de hall speelt, de groepering van de puntdaken, de overhangende erkers, en de Neo-Tudor schoorstenen. De ornamenten zijn in Art Nouveau (oftewel Jugendstil) stijl, zoals bij consoles en dakranden (ontleend aan Rijksmonumenten).
Zowel de gebroeders Leeuw als Suermondt hadden een grote belangstelling voor stromingen als de theosofie. Vandaar dat het niet verwonderlijk is dat verwijzingen hiernaar zijn terug te vinden in de decoratie.
Een groot deel van de in de loop der jaren weg geschilderde sjabloonschilderingen is door de huidige eigenaar hersteld. (Rijksmonumenten)
Rijksmonument
Het gebouw is een Rijksmonument. Als waardering:
“-Van architectuurhistorische waarde als gaaf en bijzonder voorbeeld van een villa van omstreeks 1900, die in hoofdvorm en plattegrond de kenmerken vertoond van de Engelse Landhuisstijl, zoals een schilderachtige groepering van bouwvolumes, het gebruik van overkragende erkers, markante schoorstenen en samengestelde raampartijen. Hierbij is onder meer de met schubleien bekleedde erker een markant onderdeel. Voor decoratieve elementen en de aankleding van het interieur is voornamelijk met Art Nouveau motieven gewerkt, waarbij de goed bewaard gebleven en deels teruggebrachte schilderingen in Nederland een hoge zeldzaamheidswaarde bezitten. De villa is een belangrijk werk binnen het oeuvre van de Nijmeegse architecten Oscar en Henri Leeuw.
-Van stedenbouwkundige waarde als karakteristiek onderdeel van de bebouwing van de stuwwal aan de Rijksstraatweg, waar de villa vanwege ligging en markante verschijningsvorm een belangrijke beeldbepalende rol speelt.
-Van cultuurhistorische waarde als uiting van een maatschappelijke ontwikkeling, als voorbeeld van een villa gebouwd voor een kapitaalkrachtige stedeling, die zich vanwege het aantrekkelijke landschap langs de Rijksstraatweg vestigde. De villa is voorts een uiting van een geestelijke ontwikkeling, omdat in het interieur veelvuldig verwijzingen voorkomen naar de belangstelling van de opdrachtgever en architecten voor stromingen als Vrijmetselarij en Theosofie.” (Monumentenregister)
Het huis is door verschillende generaties Suermondt bewoond. Op een later tijdstip was het onder andere een kleuterschool van de Kanunnikessen van de Heilige Augustinus. Ook was het in gebruik als internaat van het college ‘Notre Dame des Anges’. Vanaf de jaren 70 hebben er een aantal families gewoond.
Wim Hornix en Els Straatman kochten Dennenheuvel in 1982. De afgelopen 40 jaar hebben zij de woning met veel zorg gerestaureerd. Een van de voorbeelden is het terugplaatsen van sjabloonschilderingen. Voor hun werk ontvingen ze de Ton Gijsbers Monumentenprijs 2009-2010. Hoewel niet gezocht naar andere gewonnen prijzen, schrijft de Gelderlander op dat moment dat de villa “weer eens in de prijzen is gevallen.” Wim Hornix is in 2019 overleden. De weduwe Hornix-Straatman heeft er nog een aantal jaren gewoond en in 2022 verkocht ze de woning Vereniging Hendrick de Keyser.
Vereniging Hendrick de Keyser
De vereniging kocht de woning vanwege “Reden verwerving: uitzonderlijk gaaf bewaard voorbeeld van de eclectische laat-negentiende/vroeg-twintigste-eeuwse villa-architectuur in Engelse landhuisstijl met een jugendstil-interieur (inclusief enkele vaste meubelen) uit de bouwtijd (‘gesamtkunstwerk’).” (Persbericht bij verwerving)
Hendrick de Keyser heeft als doel architectonisch of historisch waardevolle gebouwen te behouden. Daarvoor koopt ze panden aan. Om deze vervolgens te restaureren en daarna te verhuren. De vereniging heeft intussen 440 panden in haar bezit.
Oscar Leeuw is een van de belangrijkste architecten van Nijmegen. Bekende werken van hem zijn onder de synagoge, museum Kam…
Het fraaie pand van het melkhuis van B.J. Wildenbeest in art-decostijl ontworpen door Oscar Leeuw. Het pand overleefde de oorlog niet: het werd door de terugtrekkende Duitsers in brand gestoken, St. Jorisstraat 1, 1899 – 1900 (F17705 RAN)
Het Hema gebouw aan de Grote Markt is een van de meest roemruchte gebouwen van Nijmegen. De een vindt het een teken van de moderniteit, de ander eenvoudigweg lelijk of stoort zich aan het grote contrast met de historische panden van de Grote Markt. De architect was Abraham Elzas, de huisarchitect van het Bijenkorf concern waar toendertijd ook de Hema onder viel. Zijn carriere als huisarchitect begon feitelijk eveneens in Nijmegen, met het ontwerp van de noodwinkel voor de Hema. Wie was deze Abraham Elzas? En: wat was er modern aan de nieuwe Hema (en wat was alweer achterhaald)?
Noodwinkel HEMA door een “free-lance architect zonder opdrachten”
Het noodpand van de HEMA; geheel links de Oostersche Winkel (Van Broeckhuysenstraat 16), gedateerd 1952 (Nol Roozeboom via F58612 RAN CC-BY-SA)
Het feitelijk onopvallende gebouw van de Hema noodwinkel neemt in de carrière van Elzas een bijzondere plaats in. Dit was zijn eerste opdracht voor het Bijenkorf concern, waar jarenlang ook de Hema heeft onder gevallen. Zijn naoorlogse werk bestaat vrijwel uit de werken die hij maakte als huisarchitect voor dit concern.
Na de Tweede Wereldoorlog moest Elzas zijn praktijk opnieuw opbouwen. Alfred Goudsmit, directeur van de Bijenkorf vroeg aan Elzas om een noodwinkel voor de Hema in Nijmegen te ontwerpen. (Het vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad 25-04-1987 en De Gelderlander 21/11/1947)
Vooroorlogse periode
Abraham Elzas (1907- 1995) is in 1907 te Alkmaar geboren. Zij vader had hier een meubelzaak. Na de handelsavondschool in Alkmaar schreef hij zich in op de kunstnijverheidsschool Verkruysen te Haarlem.
Hij ging naar Parijs, waar hij werkte in de ateliers van Le Corbusier, Auguste Peret en Van Doesburg. Daarna vestigde hij zich in Alkmaar. Hij werd lid van “Groep 8” en bouwde verschillende winkels en landhuizen. Daarnaast maakte hij studiereizen naar het buitenland.
Net als voor veel architecten, waren de beginjaren van de 30 zwaar geweest vanwege de crisis en deden veel architecten mee aan prijsvragen. In 1935 won hij de prijsvraag voor de bouw van een synagoge in de Lekstraat in Amsterdam. Daarvoor liet hij zich als Alkmaarder inschrijven in Amsterdam; dit gebouw staat tegenwoordig op de Monumentenlijst.
Oorlog
Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog viel het werk stil: in 1939 was hij nog gevraagd om boerderijen te ontwerpen voor de Wieringermeerpolder. Deze werkzaamheden moest hij in 1940 staken vanwege de ariërparagraaf van de Duitse bezetter.
In 1941 werd Elzas directeur van Joodse Ambachtsschool aan de Rapenburgsestraat in Amsterdam. Elzas zelf was in 1942 gedwongen geweest om van Alkmaar naar Amsterdam te verhuizen. Steeds meer leerlingen verdwenen van deze school: ze waren gedeporteerd. In 1942 werd de school gesloten. Elzas zelf dook onder.
Goudsmit
Na de oorlog had hij geen projecten. Hij ontmoette echter directeur Goudsmit van de Bijenkorf. Zij kenden elkaar nog, omdat Elzas barakken van een joods werkdorp had ontworpen. “Goudsmit vroeg me: wat doe je nou, op het ogenblik? Ik zei: uitrusten van het jarenlange onderduiken. In feite was ik free-lance architect zonder opdrachten. Hij hielp me aan een opdracht voor een noodwinkel van de Hema.” (Het vrije volk 25-4-1987)
Noodwinkel HEMA
De bouwtekening van de noodwinkel dateert uit 1946 (Het Nieuwe Instituut). De Gelderlander 23/1/1946 noemt dat de noodwinkels in de Bisschop Hamerstraat, Mariënburg (waar o.a. de Hema komt) en het Kelfkenscbosch waarschijnlijk in mei van dat jaar gereed zullen zijn als er geen stagnatie intreedt. De opening van de Hema vond echter meer dan een jaar later plaats: in november 1947 ging deze open. Het pand zat aan de Van Broeckhuysenstraat 12. De bouwer was N.V. Aann. Bedrijf Fa. Tiemstra en Zonen.
Naast woorden van dank wordt bij de opening stil gestaan bij de gevallen slachtoffers.
“Hetzelfde aantal stands als in het voormalige gebouw op de Grote Markt, en bovendien een snelbuffet is in thans heropende Hema ondergebracht.” ( De Gelderlander 21/11/1947)
In augustus 1948 krijgt de Hema een vergunning voor het oprichting “van een inrichting tot het bereiden van gebak, vleeswaren, ijs, enz. in het perceel aan de v. Broeckhuysenstraat No 14.a, kadastraal bekend gemeente Nijmegen, Sectie C, No. 6861.” (De Gelderlander 27/8/1948)
In oktober 1958 ging de nieuwe HEMA open. Afgaande op onderstaande foto, is het noodgebouw rond 1959 afgebroken.
Noodpand HEMA vóór de afbraak. Geheel rechts Café Restaurant De Karseboom (Van Broeckhuysenstraat 12), gedateerd 1959 (Gelderse Fotohandel Nijmegen, Auteursrechthouder J.F.M. Trum via GN17007 RAN CC-BY-SA)
Huisarchitect de Bijenkorf
De samenwerking beviel zo goed, dat Elzas de huisarchitect van de Bijenkorf werd, waar ook de Hema onder viel. Hij ging echter niet bij het concern in dienst: “D’r was natuurlijk veel te doen na de oorlog, ik ben niet geschikt van negen tot vijf.. Ze namen er genoegen mee dat ik mijn eigen bureau aan de Amsterdamse Raadhuisstraat behield.” Elzas vond het fijn om een klant als de Bijenkorf te hebben, maar had dan ook niet verwacht dat hij daarvan zoveel werk zou krijgen. Tot 1972 “kwam het er gewoon op neer dat we niets anders meer deden dan Hema’s bouwen, verbouwen, Bijenkorf bouwen, Bijenkorven verbouwen.”
Als zodanig begon hij in 1947 aan zijn tweede opdracht: de nieuwbouw van de Hema in Rotterdam, dit was de eerste echte nieuwbouw van de Hema. Deze ging in 1953 open. In totaal zou hij 36 Hema’s ontwerpen: 20 nieuwbouw en 16 verbouwingen. De herkenbare stijl van de Hema vinden we ook terug in het historisch centrum van bijvoorbeeld Utrecht en Groningen.
Hij is vooral bekend om zijn ontwerp van de Bijenkorf in Rotterdam is samenwerking met de Hongaars-Amerikaanse architect Marcel Breuer, welke tussen 1954 en 1957 tot stand kwam.
Hema 1958
De Hema in aanbouw 1958 (J.F.M. Trum via GN42558 RAN CC-BY-SA)
Zie ook een foto van het pas voltooide gebouw bij het RAN.
Vooroorlogse Hema
De Hema; rechts de herenmodezaak van L.J.J. Boers (adres Stikke Hezelstraat 1), gedateerd 1935 (F67233 RAN)
De Hema; rechts de herenmodezaak van L.J.J. Boers (adres Stikke Hezelstraat 1), gedateerd 1935 (F67233 RAN)
De Hema opende op 20 juli 1927 een filiaal “aan de Grote Markt”, welke bij het bombardement van februari 1944 in vlammen op ging. Ze verhuisde daarop naar een pand in de Korte Burchtstraat. Dit gebouw werd tijdens Market Garden, op 18 september 1944, door brand verwoest. Daarna was ze tot 1947 in de Walstraat ondergebracht. In november 1947 betrok ze het noodgebouw aan de Van Broeckhuysenstraat.
Advertentie De Gelderlander 30/6/1945: Hema in 2e Walstraat
Advertentie De Gelderlander 30/6/1945: Hema in 2e Walstraat
Locatie
Door de oorlog was veel oude bebouwing verwoest. Behalve leed, gaf het tevens ruimte voor nieuwe, grootschalige projecten. Een daarvan was de nieuwbouw van de Grote Markt met de V&D en Hema. Net als veel andere ketens koos ook de Hema voor het bouwen van hun pand in Nijmegen voor hun “huisarchitect”: Abraham Elzas.
Het is opvallend dat juist op een van de oudste plekken van Nijmegen, de Grote Markt met haar Waag, er gekozen is voor op dat moment zeer moderne architectuur, zowel van de V&D als van de Hema. Tegenover de Raadhuis in de Burchtstraat is er bijvoorbeeld gekozen voor een wat traditioneler ontwerp.
Hema bij de opening
Hema ingang bij avond. Veel aluminium en glas. Het is zo open, dat je tot achter in de winkel kunt kijken. september 2023
De eerste gevonden vermelding dat de Hema definitief terugkomt is in februari 1950. Daarbij noemt de Gelderlander dat ze het overige deel van de Grote Markt zal krijgen (de V&D krijgt het andere deel) en dat ze een aanzienlijk stuk van de Augustijnenstraat krijgt, met inbegrip van het hoekpand. De Gelderlander is optimistisch: “Zijn de plannen voldoende uitgewerkt, dan kan zeer snel met de bouw van beide zaken worden gestart. Binnen enkele jaren, waarschijnlijk vóór 1952, mag men de voltooiing daarvan tegemoetzien en is de Markt weer volledig opgenomen in het economische verkeer.” (De Gelderlander 11/2/1950).
En maart 1950: “Gelijk we reeds eerder berichtten zal de wederopbouw van het definitieve pand van de N.V. Hema plaatsvinden gedeeltelijk op de Markt en gedeeltelijk op de Augustijnenstraat. Naar we thans vernemen zal de frontbreedte van het nieuwe pand aan de Markt ongeveer 12 meter bedragen, terwijl het front aan de Augstijnenstraat ongeveer de helft van deze straat in beslag zal nemen. De oppervlakte van het gehele pand zal een 1300 vierkante meter zijn.” Daarbij wordt de Augustijnenstraat 12 meter naar de Broerstraat verlegd. (De Gelderlander 10/3/1950).
“Donderdag was het zover, dat opnieuw aan de Grote Markt de deuren konden worden geopend van een gebouw vol moderne superlatieven. Het is een schepping van de Amsterdamse architect A. Elzas, bekleed met Romeins travertin. Voor de onderbouw zijn met aluminium beklede stalen kolommen gebezigd, waardoor het winkelpand een uiterst moderne aanblik heeft.”
De Gelderlander 11/3/1953: de N.V. heeft bij de Gemeenteraad het verzoek ingediend om ter betaling van de schadeloosstelling wegens onteigening het terrein aan de Grote Markt-Augustijnenstraat toe te wijzen, waarvan de totaalprijs is vastgesteld op f142.450. De onteigeningsvergoeding werd vastgesteld op f69.0082.
Waarschijnlijk duurt de bouw langer dan verwacht: De Gelderlander 4/12/1953 schrijft dat de bouw van de Hema “binnenkort” zal beginnen en dat deze naar verwachting eind 1954, gelijk met de V&D, gereed zal zijn. De Gelderlander 5/7/1954 meldt dat de Hema binnen twee of drie maanden gaat bouwen. En De Gelderlander 24/6/1955: “De plannen voor de bouw van de Hema op de Grote Markt zijn thans gereed. Naar verwachting zal de bouw binnen drie maanden kunnen beginnen. Het ligt in de bedoeling dat de Hema in het toekomstige nieuwe gebouw op de Markt-Augstijnenstraat volgend jaar voor de Vierdaagse zal kunnen openen.”
Het wordt oktober 1958, wanneer de Hema gereed is. Bij de opening is het een drukte van belang.
De totale oppervlakte van de vier verdiepingen bedraagt 5252 vierkante meter. Alleen de begane grond is in gebruik als winkelruimte, met een iets lager gedeelte voor de levensmiddelen. Nieuw is de vorm van de “back-to-back” toonbanken: de verkoopster staat niet achter, maar naast de toonbank.
Tussen de begane grond en eerste etage is een “hypermodern snelbuffet geïnstalleerd dat het modernste van Nederland heet te zijn.” Op de hoger gelegen verdiepingen worden gebruikt als kantoorruimte. De keuken en banketbakkerij zijn op de bovenste verdieping, “eveneens voorzien van de modernste, deels automatische outillage.” (De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad, 24-10-1958)
De aannemer bij de bouw was firma v.h. G.J. Tiemstra en Zn.
Wat was er modern aan de nieuwe Hema? En wat alweer achterhaald?
Hema, kant Augustijnenstraat, oktober 2023
“In 1958 werd het meest moderne gebouw van de wederopbouw in de Nijmeegse binnenstad opgeleverd. Een licht en laagdrempelig gebouw met veel glas, travertin, aluminium en beton. Geen daklijst, krullen en ornamenten. Heel open en transparant. Zo transparant dat de klanten van buitenaf een keur aan Hema-artikelen tot achterin konden zien liggen. Dat is nog steeds zo.”.
Eigenlijk is de hele winkel een soort etalage; waarbij de uitgestalde artikelen, symbool van de nieuwe welvaart, goed te zien waren. En: de winkel als een soort markt, waar bij daglicht alles goed te zien is in haar natuurlijke kleuren.
Elzas gebruikte ook voor die tijd vernieuwende materialen zoals glas, beton, staal en aluminium en dan vooral de mate en manier waarop deze materialen werden gebruikt. Een van de belangrijkste kenmerken zijn de zogenaamde vliesgevels: door te werken met een stalen skelet zijn de gevels geen dragende muren meer. Deze kunnen vervolgens worden ingevuld met lichtere materialen als aluminium en glas.
Andere kenmerken zijn de glazen deuren, die het gevoel van transparantie geven. En de “zwevende” etalagekasten aan de kant van de Augustijnenstraat, welke niet meer als zodanig worden gebruikt.
Praktisch
Etalage glazen bakken Hema bij avond, september 2023
Naast het ‘moderne’, zal ook de praktijk een rol hebben gespeeld. Bakstenen en hout waren schaars, met beton en glas kon snel en betaalbaar gebouwd worden.
…en toch alweer wat achterhaald?
Elke krant in Nijmegen schreef en schrijft nog steeds vaak over het ‘moderne’. Dat klopte en bovendien is het de naam van de architecturale stroming (Moderne of modernistische). Maar feitelijk was deze denkwijze ten aanzien van warenhuizen alweer wat achterhaald: de nieuwe mode was geen daglicht, maar kunstlicht; niet open, maar gesloten.
De Bijenkorf in Rotterdam, die Elzas samen met Breuer ontwierp, illustreert dit.
Hema Rotterdam: Warenhuis van de HEMA kort voor de opening aan het Beursplein, links de Korte Hoogstraat. Opname vanaf het Rodezand, architect Elzas, 1953
(M.A.J. Hanse via NL-RtSA_4122_2008-799-01 archief Rotterdam CC-BY-4.0)
De Bijenkorf in Rotterdam van de architecten Breuer en Elzas; De Bijenkorf aan de Coolsingel met rechts het sculptuur zonder titel (in de volksmond ‘Het Ding’) van kunstenaar Naum Gabo. Links het Beursplein, foto gedateerd
14-5-1957 (Fototechnische Dienst Rotterdam ( Gemeentewerken, Openbare Werken via
L-2733 Stadsarchief Gemeente Rotterdam CC by 4.0)
Daarvoor moeten we even terug naar de Hema in Rotterdam uit 1953 en hoe de Bijenkorf aldaar tot stand kwam. Over deze Hema vertelt Elzas in een interview in 1987: “Het was destijds geen wereldwonder, maar ze waren er heel blij mee. Ze koketteerden ermee, omdat het hun eerste naoorlogse warenhuis was.” Een verouderd concept, wist hij toen al… op basis van kennis die hij ook al in 1947 had opgedaan tijdens een reis door de VS op verzoek van de Bijenkorf.” (In 1994 is de Hema in Rotterdam gesloopt, omdat het niet meer voldeed.)
Na de oorlog wilde de Bijenkorf niet meer met Dudok, die het vooroorlogse pand had ontworpen, in zee. Daarop stelde Elzas met leden van de directie van de Bijenkorf de uitgangspunten van de architectuur voor herbouw van het nieuwe warenhuis op:
Een gesloten doos zonder ramen
Zorg overal voor gelijkmatig kunstlicht
Maak roltrappen
Zorg voor een parkeergarage
Het gebouw zou veel moderner worden, zowel in uiterlijk als functionaliteit. Aanvankelijk zou J.J.P. Oud de nieuwe Bijenkorf ontwerpen, samen met Elzas. Oud wilde echter niet samenwerken met Elzas, waarop de directie van de Bijenkorf de samenwerking met Oud op. Vervolgens werd de Hongaars-Amerikaanse architect Breuer aangezocht.
Op haar site vertelt de Bijenkorf over haar Rotterdamse winkel: “De discussie, wel of niet daglicht in de winkel stond in die tijd weer centraal. De ene stroming wilde het daglicht ruim baan geven en dus grote ramen zien, terwijl de andere stroming vond dat met de nieuwe lichttechnieken van die tijd het daglicht kon worden vermeden. Men had in de loop van de tijd vastgesteld dat het hebben van veel strekkende meters achterwand om de goederen te kunnen presenteren erg belangrijk was. De nieuwe stijl van de Amerikaanse warenhuizen die na de WOII werden gebouwd kenden geen raampartijen meer. Voor die goederen die nog daglicht nodig hadden maakte men lichtopening met daglicht plafonds. De ingangspartijen werden breed en voorzien van veel glas om zo een groot deel van de parterre van buitenaf te kunnen overzien.” (Bron: De Bijenkorf)
“Voor de nieuwbouw richtte de directie van het Bijenkorf-concern haar blik op Amerikaanse voorbeelden zoals Macy’s en Abraham Strauss in New York en Carson Pirie and Scott (ca. 1900) in Chicago. Werd in Europa nog vrij lang vastgehouden aan het klassieke warenhuistype, in de Verenigde Staten ontwikkelde zich al snel een meer zakelijke stijl die paste bij de opvatting “Much common sense and no nonsense, utility first”. De Amerikaanse warenhuizen hebben een zakelijk karakter met weinig verfraaiing en architectonische effecten, en zijn doelmatig ingericht. Bovendien zag de directie van de Bijenkorf dat de moderne warenhuizen in de VS gesloten buitenwanden hadden. Een gesloten doos biedt meer wandruimte voor verkooprekken en geeft ruimte voor een doelmatige inrichting. Bovendien maakte een gebouw met gesloten gevels een beheerst klimaat mogelijk.” (De Bijenkorf)
Lelijk, lelijk geworden, niet van belang, of…?
Er zijn mensen, die het gebouw juist zien als symbool van de nieuwe tijd en vooruitgang.
Aan de andere kant vinden veel mensen de Hema een van de lelijkste gebouwen van Nijmegen. Sommigen vinden dit, omdat dit gebouw met de nadruk op functionaliteit, zonder versieringen, het veelvuldig gebruik van glas en staal, er niet gezellig uitziet. Dit heeft ook te maken met de locatie, het grote contrast met de gebouwen van de Grote Markt.
Ook kan het te maken hebben met veranderingen binnen of bij het gebouw: bijvoorbeeld de fietsenrekken van de Augustijnenstraat en het feit dat de glazen bakken niet meer als etalage worden gebruikt.
In een gevonden interview met de Gelderlander vertelt Wim Bilo dat jongeren de wederopbouwpanden anders bekijken. Dit merkt hij bijvoorbeeld tijdens rondleidingen die hij voor ’t Gilde geeft. ,,Scholieren vinden op de Grote Markt de warenhuizen mooi en de historische gevels noemen ze ‘ouwe meuk’. Dat vind ik natuurlijk niet. Maar wat men mooi vindt, verschuift. Over twintig jaar waarderen we de wederopbouwarchitectuur.”
Tijd zal het leren?
De glazen bakken etalage aan de Augustijnenstraat, dichtgemaakt, september 2023
Of is “lelijkheid” voor de waardering van een gebouw niet van belang? Zoals Bilo al opmerkt, vinden scholieren de kant van de Hema vaak mooier dan de oude gebouwen.
In het centrum is de Hema het enige gebouw dat in de modernistische stijl gebouwd is. Daardoor wijkt het af van de andere panden, vooral in het gebruik van de hoeveelheid glas en aluminium. Dat maakt het pand uniek.
In een interview van de Gelderlander met Hettie Peterse, beleidsadviseur cultuurhistorie: ,,Lelijk is geen argument”, stelt de cultuurhistorica. ,,Want de smaak van mensen verandert. Vijftig jaar geleden vond men bijvoorbeeld jugendstil en de architectuur van de 19de eeuwse schil van Nijmegen maar niks. Nu wordt het weer gewaardeerd.” (de Stentor 4-3-2023)
,,Toen begin deze eeuw de Stadsschouwburg een gemeentelijk monument werd, waren veel mensen verontwaardigd. Inmiddels is het een rijksmonument en is de stad er trots op. Jonge mensen kijken met positievere blik naar de wederopbouwarchitectuur.
…Nijmegen heeft een groot aaneengesloten gebied met wederopbouwarchitectuur. Dat is uniek. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft het daarom tot landelijk wederopbouwgebied aangewezen.”
Elzas in 1987 over zijn Hema in Rotterdam: “Destijds hebben ze mijn Hema niet zo mooi gevonden omdat ik mooie blauwe ogen had, maar omdat het een functioneel warenhuis was. Daar zouden ze nu toch wel enig begrip voor kunnen opbrengen?” Het interview sluit af met: “Elzas berustend: “Merkwaardig dat veel van de dingen die ik heb gemaakt, ofwel alleen ofwel met een ander, zijn verdwenen of dreigen te worden aangepast.” (Het vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad, 25-04-1987). Het pand is in 1994 gesloopt, omdat het niet meer voldeed.
Het pand in Nijmegen is intussen onderdeel van het aangewezen gebied van wederopbouwarchitectuur. Zijn Hema in Arnhem is een gemeentelijk monument.
Groesbeekseweg 23 Hoek Guyotstraat, Architect Claase, augustus 2023 (Google Streetview)
In juli 1897 besluit de gemeente tot de verkoop van een perceel bouwterrein, “905m² aan de Groesbeeksche straat, hoek Guyotstraat, voor f6 per m².” (De Gelderlander 19/7/1897).
Op 4 september besteedt Claase de bouw van twee woonhuizen aan. Dit gebeurt in opdracht van de heer Burgers, eigenaar van Hotel Burgers (voorheen Hotel Faaze) in de Molenstraat. (De Gelderlander 1/9/1897 en PGNC 8/9/1897).
Ontwerp voor de bouw van twee woonhuizen a/d Groesbeekschestraat hoek Guyotstraat, architect Claase, datum dossier 1-1-1897 (D12.377719)
Uit een ingezonden brief in PGNC 8/9/1897 van de aannemer J.H. Leenders blijkt dat het werk is gegund aan J.B. Smits. Terrwijl J.H. Leenders (zegt) de laatste inschrijving te hebben gehad. Vervolgens blijkt dat de bouw van vier (in plaats van 2) huizen onderhands is aanbesteed aan Smits. Uit deze brief lijkt bovendien dat het de eerste aanbesteding van Claase in Nijmegen is: “…zal het dan wel een spoorslag zijn om, wanneer de heer Claase een tweede wek zal uitbesteeden,…”
In zover het digitaal bouwarchief openbaar gemaakt is, zijn er geen veranderingen aan het gebouw gebracht behalve de aanleg van riolering. Claase vinden we in ieder geval in 1905 weer terug in de Guyotstraat: “Het bouwen van een Beneden- en Bovenhuis op een terrein aan de Guyotstraat. De gemeente Nijmegen heeft het gebouw bestempeld als een “stadsbeeldbepalend object”.
Pijkestraat 9 t/m 27, juli 2019 (Google Streetview)
Architect Claase ontwerpt in 1911 een drukkerij en een aantal beneden- en bovenwoningen voor de Gebroeders Janssen in de Pijkestraat. Hierna volgen enkele verbouwingen en uitbreidingen naar ontwerp van Claase en Estourgie. In 1968 verhuist de drukkerij. Daarna is het vooral bekend als kunstenaarsateliers. Rond 2015 vond een verbouwing naar appartementen plaats.
Ontwerp architect Claase
Op 10 november 1911 krijgen de broers W. en A.J. Janssen uit Lent vergunning tot het oprichten van een “door elektriciteit gedreven drukkerij aan de Pikkegas No. 7a kadastraal bekend Nijmegen, sectie C, Nos. 5930 en 5931. (De Gelderlander 12/11/1911). Het betreft 2 electro motoren van in total 3 Pk. (PGNC 27/9/1911)
Op 7 augustus 1911 zal aanbesteding plaats vinden van “Het bouwen van Beneden- en Bovenwoningen met daarachter gelegen Drukkerij, Kantoor en Werkplaatsen op een terrein aan de Pikkegas.B.J. Claase is de architect. (PGNC 30/7/1911)
De drukkerij: Plan voor het bouwen van een boekdrukkerij met vier beneden en vijf bovenwoningen aan de Pikkegas te Nijmegen op een terrein kadastraal Sectie C Nos 5930 5931 6098 voor de heeren Gebr W en A J Janssen te Lent, Nijmegen, Juli 1911 (D12.382454)De woningen: Plan voor het bouwen van een boekdrukkerij met vier beneden en vijf bovenwoningen aan de Pikkegas te Nijmegen op een terrein kadastraal Sectie C Nos 5930 5931 6098 voor de heeren Gebr W en A J Janssen te Lent, Nijmegen, Juli 1911 (D12.382454)
Op 25-11-911 staat een advertentie dat Gebr. Janssen hun drukkerij hebben verplaatst naar de Pikkegas. (PGNC 25/11/1911). Een advertentie uit januari 1912 noemt als adres Pikkegas 27. PGNC 28/1/1912). In januari hebben ze daarbij ook een binderij ingericht. (PGNC 4/1/1914)
Vergroting en verbouwing Claase
Op 6-6-1914 vindt in opdracht van de Gebr. Janssen aanbesteding plaats van het “vergrooten en verbouwen van hun Drukkerij en Binderij aan de Pikkegas No. 27” door architect B.J. Claase (PGNC 31/5/1914).
Plan voor uitbreiding der drukkerij voor de heeren Gebroeders W. en A.J. Janssen, Mei 1914 (D12.382456)
Op 27 februari 1917 krijgen de Gebr. Janssen vergunning tot het uitbreiden van hun drukkerij in perceel Sectie C, No. 6163. (PGNC 1/3/1917). Deze bouwtekening heb ik vooralsnog niet gevonden.
Verbouwing en uitbreiding door Architect Estourgie
Op 12-9-1933 krijgt de “Firma Gebr. Janssen, alhier, en hare rechtverkrijgenden” vergunning tot het uitbreiden van de door elektriciteit gedreven zetterij, drukkerij en binderij in het perceel Pijkestraat 27, Sectie C, no. 6814. (PGNC 15/9/1933). Afgaande op de inventaris weergave van Estourgie heeft architect Estourgie deze uitbreiding ontworpen en tevens een uitbreiding in 1925. Bij de beschrijving inventarisnummer 140 staat:
“Pykestraat 27 (Pikkegas), Bouw van een arbeiderswoning; veranderen en uitbreiden magazijnen en werkplaats. Bouw van een kantoor; uitbreiding drukkerij Opdrachtgever A.J. Janssen”, periode 1925 en 1933″. Estourgie ontwierp daarnaast de verbouwing van Pijkestraat 1, eveneens voor de Gebroeders Janssen.
40 jarig bestaan
40 jarig bestaan van Drukkerij Gebr. Janssen, november 1951 (GN44259 RAN)
In 1951 bestaat de drukkerij 40 jaar. “Al die tijd staat de heer A.J. Janssen aan het hoofd van zijn bedrijf, waarin twaalf personeelsleden werken, die al meer dan dertig jaar in zijn zaak werken. De laatste jaren is de heer Ph. Janssen zijn vader behulpzaam in de leiding.” (De Gelderlander 27/10/1951). In 1955 viert de boekdrukker Joh. Popping dat hij 40 jaar bij Drukkerij Gebr. Janssen in dienst is. Daarbij zijn“…het aantal 40-jarige en zilveren jubilarissen niet meer op vingers van twee handen te tellen.” (De Gelderlander 19/7/1955). In 1956 is C.L. Meuleman de 5e waarbij het veertigjarige dienstjubileum wordt herdacht (De Gelderlander 29/9/1956).
Verhuizing
Op 29-8-1968 verhuist de drukkerij, Drukkerij Gebr. Janssen N.V. , naar Energieweg 40 (toelichting bij foto F51520 Opening van Drukkerij Gebr.Janssen N.V., links burgemeester De Graaf en rechts directeur Flip Janssen.)
Ateliers en verbouwing
Pijkestraat gezien vanaf de Hessenberg (rechts) in de richting van de Lange Hezelstraat met op nummer 27 de Firma Michelotti, 1967 (Evert F. van der Grinten via F78973 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Op dit moment heb ik de ontwikkeling van de oude drukkerij nog niet volledig onderzocht. In ieder geval hebben in de oude drukkerij jarenlang ateliers gezeten.
Rond 2015 heeft hier een grote verbouwing in appartementen plaats gevonden. Dit was een onderdeel van 1 groot project waar naast deze drukkerij ook het oude Belgische Consulaat en de Kruittoren onder viel. Het renoveren van de Kruittoren viel uiteindelijk echter buiten de renovatie door Hermon Heritage.
1884-1886 Augustijnenstraat Centrum, verwoest tijdens bombardement WOII
De St. Augustinuskerk, gezien vanuit de Bloemerstraat in de richting van de Korte Hezelstraat (thans Stikke Hezelstraat), gedateerd 1890-1895 (F12330 RAN)
In 1886 wordt de St. Augustinuskerk ingewijd. Deze is gebouwd naar een ontwerp van architect Cuypers. In zijn ontwerp heeft hij rekening moeten houden dat het gebouw was ingesloten tussen winkels. Daarom werd er gekozen om de toren in de koepel te plaatsen. De Benedenstad was een belangrijk onderdeel van haar parochie. Bij de bouw woonden hier nog veel welvarende bewoners; bij het 50-jarig bestaan in 1936 betreurt de Gelderlander dat de katholieken de Stevenskerk toendertijd niet hebben kunnen kopen: in 1936 is de kerk te groot voor de Hervormde kerk geworden, die haar moeilijk kan onderhouden. Inmiddels zijn in de loop der tijd veel welgestelde bewoners uit de Benedenstad weggetrokken, vooral naar de nieuwe buitenwijken. Omdat het kerkbestuur de kerk niet meer kon onderhouden, ging de kerk over naar de Karmelieten. In het bombardement van februari werd de kerk grotendeels verwoest, waarbij haar resten uiteindelijk werden gesloopt.
Voorgeschiedenis
De voormalige St. Augustinuskerk, afgebroken in mei 1886, 1886 (GN2091 RAN)
Tekening interieur oude St. Augustinuskerk, 1885 (GN14843 RAN)
In 1818 ging de voorgaande kerk over van de Augustijnen- waar de kerk haar naam aan ontleent- naar seculiere priesters: priesters die niet bij een kloosterorde behoorden. In 1833 was dit kerkje nog vergroot.
50 jaar later, in 1883 werden de kerk en pastorie verkocht aan de gemeente. De gemeente stelde voor deze aankoop 75000 Gld. beschikbaar en voor ongeveer hetzelfde bedrag kon het kerkbestuur de onmiddellijk daaraan grenzende huizen kopen. Hierdoor kon de gemeente een verbinding aanleggen tussen de Bloemerstraat en Hezelstraat: de Augustijnenstraat (de huidige Augustijnenstraat is na de oorlog iets meer naar het oosten gelegd). En het kerkbestuur kon op de grond van de aangekochte woningen haar nieuwe kerk bouwen. De tekening hieronder laat het plan daarvoor zien.
Aanleg van de Augustijnenstraat en verbreding Bloemerstraat; 1/1/1883-31/12/1883 (KPU-267B RAN)
De plechtige eerstesteenlegging
Prent Augustijnenkerk, 1884-1900 (F93697 RAN)
Op de feestdag van St. Augustinus, 28 augustus, vond de grootse, plechtige eerstesteenlegging voor de nieuwe kerk plaats. “Het deed het Katholieke hart goed voor het eerst sedert de Reformatie midden in de stad in de open lucht de openbare uitoefening van onzen H. Godsdienst en de plechtige eerste-steenlegging met zulken luister te zien gevierd worden, waartoe de ligging van het terrein eene gunstige gelegenheid gaf.”
Bij de eerstesteenlegging werd tevens een loden bus naast de eerste steen ingemetseld, met daarin de stichtingsoorkonde, het plan van de nieuwe kerk, “de munten van den tegenwoordigen tijd”, de medailles der Broederschappen, welke in de H. Augustinuskerk zijn opgericht””. (De Gelderlander 29/8/1884 en wikipedia)
Katholieke instellingen zijn die periode druk aan het bouwen: stichtingen voor armen, voor zieken, voor ouden van dagen, voor onderwijs. (De Gelderlander 28/8/1884).
In een artikel van de De Gelderlander 27/6/1885 schrijft ze over haar hoop dat de Stevenskerk (en de Kerkboog en de Waag) worden gerestaureerd. Zij maakt daarbij een vergelijking met de bouwactiviteiten van de katholieken: “Een paar jaar geleden werd alhier de nieuwe St.-Franciscuskerk aan den Doddendaal gesticht en thans is de nieuwe St.-Augustinuskerk aan de veelbesproken nieuwe straat tusschen de Hezel- en Houtstraat in aanbouw, wier fraaie lijnen en trotsche bouw reeds aan het oog vertoonen, waaruit men kan opmaken, dat het een monumentaal gebouw zal worden. Ook wordt op dit oogenblik de Broerstraat- of Dominicuskerk van een nieuwen voorgevel voorzien(?) en verrijst daarop een fraaie toren, wier(?) hoogte den Grootekerktoren naar de kroon (zal?) steken, zoodat deze toren een waar siera(ad voor de) stad zal zijn. Wanneer straks de toren (van de Fran)ciscuskerk, waarvan het voetstuk met… reeds is opgetrokken, tot op zijn hoog.. en de St. Augustinustoren… zal zich.. Nijmegen een viertal… “ (De Gelderlander 27/6/1885)
Bij het 50-jarig jubileum
Het hoofdaltaar in de St. Augustinuskerk; de beuk is versierd t.g.v. het 25 – jarig priesterfeest van Deken F. Bronsgeest, 1897 (F12356 RAN)
De Gelderlander plaatst in 1936 een zeer uitgebreid artikel ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van deze kerk. Hieronder wordt het deel weergegeven dat daadwerkelijk over de kerk zelf gaat.
De oude kerk lag “ongeveer waar nu de Augustijnenstraat ligt. Er was destijds geen verbinding tussen Bloemerstraat en Stikke Hezelstraat, welke het Bestuur der Gemeente toch noodzakelijk achtte. Doordat de Gemeente voor den aankoop van kerk en pastorie 75000 Gld. beschikbaar stelden en het Kerkbestuur voor ongeveer hetzelfde bedrag de onmiddellijk daaraan grenzende en benoodigde huizen kon koopen, werd bij Besluit van den Gemeenteraad d.d. 10 november 1883 met het Kerkbestuur een overeenkomst in dien zin gesloten, dat de oude kerk zou worden afgebroken en op de daarvoor aangekochte terreinen een nieuwe kerk zou worden gebouwd, zoodat een breede verbinding tusschen Bloemerstraat en Hezelstraat zou kunnen tot stand komen.
Het voor de kerk beschikbare terrein tusschen deze nieuwe straat en de oude Jodengas was uiterst klein. Het scheen onmogelijk, daarop een kerk te bouwen, welke aan de eischen, welke men stelde, beantwoordde. Men wilde een mooie kerk, die als eenige kerk der seculiere Geestelijkheid en als kerk van den Deken der stad hoofdkerk van de stad zou mogen heeten, met een toren, die sprak in het stadsbeeld, een kerk, die ook voldoende groot was om aan een 1500 menschen zitplaatsen te bieden. De kerk moest als het ware tusschen de huizen in gewrongen worden. Hoe zou men plaats kunnen vinden voor een toren, wist men eigenlijk niet.
Nijmegen is zoo gelukkig geweest, toen in den grooten Dr. P.J.H. Cuypers den man te vinden, die geniaal genoeg was om zulk een probleem tot een harmonische oplossing te brengen.
Nog altijd staat elk architect vol bewondering voor de wijze, waarop hier met de ruimte is gewoekerd en hier aan alle eischen is voldaan. De thans jubileerende kerk is een der monumenten van Cuypers, wellicht de kerk, waarin hij het meesterschap, dat hij bezat, het kwistigst heeft kunnen ten toon spreiden. Er mogen kerken zijn, die een schooner geheel vertoonen, er is onder de kerken van Cuypers moeilijk een aan te wijzen, welke aan zoo hooge eischen bij zoo ongunstige terreinligging beantwoordt. Vooral de toren is bewonderingswaardig en een nieuw sieraad voor het mooie Nijmeegsche stadsbeeld geworden. Deze toren moge het verliezen tegen de imponeerende, heel het stadsbeeld beheersende oude Stephanustoren, zij is er een waardige tegenhanger van en rijst in andere, nieuwe vormen naast deze omhoog waarlijk als toren van Nijmegen’s Katholieke hoofdkerk. Er was geen plaats voor die toren. Geen nood, Dr. Cuypers, bijzonder groot in torenbouw, bekroonde er den koepel mee en bewees, dat men ook midden in de kerk de fundamenten van een hooge ranke tooren kan leggen. Er werd met bekwamen spoed gewerkt.
Reeds 11 maart 1884 reikte Dr. Cuypers zijn plan aan het Kerkbestuur over en een maand later, 12 april 1884, hechtte Mgr. Godschalk zijn goedkeuring aan de meesterlijke plannen. Drie weken later, 5 mei 1884, begon de afbraak van de oude kerk en op 13 juni van datzelfde jaar werd de eerste steen van de fundamenten van de nieuwe gelegd. De plechtige eerste steenlegging op de hoek van den verbindingsmuur tusschen priesterkoor en Noordelijken zijbeuk had iets later, op het feest van Sint Augustinus, 28 Augustus van dat jaar, plaats.
Bijna twee jaar is aan de kerk gebouwd.
3 Mei 1886 op het feest van Kruisvinding, Maandag na Beloken Paschen heeft Mgr. Godschalk de nieuwe kerk geconsacreerd.
Het was een blijde dag, dien wij thans na vijftig jaar niet minder blij herdenken.
Om eenig begrip van den bouw te geven, de kerk is 50 Meter lang en 18 Meter breed, waarvan de breedte van het middenschip 9,50 meter is. Het gewelf is 16 Meter hoog in het middenschip, 6 Meter in de zijbeuken, op de gaanderijen 5,5 M. De hoogte van den nok van het dak bedraagt 27 Meter. Er zijn beneden 206 zitplaatsen in de banken, 280 groote en 600 kleine kerkstoelen, terwijl op de gaanderijen in banken en stoelen nog 387 plaatsen zijn.
De kosten van den bouw, met voorbijzien van die voor terreinaankoop, zonder meubileering en zonder pastorie, bedroegen f140.393,63½.
De kerk heeft vele weldoeners gehad. Voor het hoogaltaar en de Communiebank werd in de stad door een inzameling de som van 1700 Gld. bijeengebracht, terwijl voor den bouw der kerk
…
Aan onderscheiden giften f25.344 werd gegeven.
Het zou te ver voeren, alle weldoeners hier te vermelden, de familie Dobbelman neemt hier wel een zeer bijzondere plaats in, maar naast haar staan vele anderen, die het hunne bijdroegen om het nieuwe kerkgebouw van passende meubelen en kerksieraden te voorzien. Vermelding verdient, dat Deken Evers uit dankbaarheid voor het overwinnen van de vele moeilijkheden, welke de bouw der Kerk voor het Kerkbestuur maar niet het minst voor den Deken zelven medebracht, aan de kerk een beeld schonk van den H. Gregorius Thaumaturgus d.i. den Wonderdoener. Hij sprak van schier onoverkomenlijke moeilijkheden. Het kreeg een plaats onder het zangkoor.
De versiering en bemeubeling geschiedde bijna uitsluiten in innige samenwerking met den architect onder diens toezicht. De beelden der kerk, het hoogaltaar kwamen uit diens eigen werkplaatsen. De ramen van het priesterkoor werden uitgevoerd door Nicholas uit Roermond, de mooie schilderingen in het priesterkoor door Romain Looymans uit Antwerpen. Het hoogaltaar kostte de som van 8200Gld., de Communiebank 2400, het orgel 9000. Een pronkstuk der kerk is de groote Monstrans ter waarde van 3500Gld.
Hoezeer de kerk zich in de milddadigheid van de geloovigen uit heel de stad mocht verheugen, bleek nog in het begin van grooten oorlog, toen een inzameling over heel de stad een som van ruim 2000 Gld. samenbracht voor aanleg van electrisch licht en de daarvoor benoodigde kroonen.
Een der laatste groote giften aan de kerk geschonken zijn de twee klokken, welke thans geregeld de geloovigen ter kerk roepen. Een ijzeren klokkenstoel werd geplaatst voor drie klokken “sol”, “si”, “re”.
De grootste, de “sol” moest nog worden geplaatst, ze nu nog een uitgave van een duizend gulden vragen, waaraan voorloopig niet te denken is. Van de twee andere heet de kleinste Maria, draagt de andere het opschrift “Sursum Corda”. Ik geloof niet onbescheiden te zijn, wanneer ik hier mededeel, met welke bedoeling door den HoogEerwaarden Heer Deken Mgr. C. van Son dit opschrift voor de grootste der beide klokken werd gekozen. Het was een moeilijke tijd. Hoe vele weldoeners de kerk ook in den loop der jaren had gevonden, hoe vele duizenden waren gegeven om haar overeenkomstig den sierlijken bouw ook inwendig rijk te versieren, de schuldenlast drukte nog steeds zeer zwaar op dit Godshuis. Was dit niet zoo bezwaarlijk in een beteren tijd, in de laatste jaren werd het een last, die de draagkracht van de sterk verarmde parochie ver te boven ging.
Er werd reeds meermalen eerst gefluisterd, toen luide gezegd, dat het er slecht voorstond met de financiën van de Augustijnenkerk, dat het onmogelijk was, uit de steeds geringer inkomsten te voorzien in de kosten van onderhoud van drie priesters met het voor hun verzorging benoodigde personeel, terwijl de kerk zelve ook veel aan onderhoud bleef vragen. Er werd van opheffing der provincie gesproken, waarbij dan tegelijk een nieuwe indeeling der parochiën in de binnenstad kon plaats vinden. De kerk zou dan ter beschikking worden gesteld aan een religieuze orde of worden afgebroken, de schuld gedelgd uit den opbrengst van grond en materiaal. Maar daarvoor was de Parochie, een drieduizend Katholieken omvattend, weer te groot, was ook het kerkgebouw te kostbaar en te mooi.
Terwijl de HoogEerw. Heer Deken voor deze moeilijkheden zat, liet hij de groote klok “Sursum corda” doopen, om op te roepen tot vertrouwen. En God, die het vertrouwen niet beschaamt, heeft de parochie bewaard en de Orde van de Broeders van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel bereid gevonden, de kerk als kloosterkerk over te nemen en beschikbaar te blijven stellen als parochiekerk.
1 Januari 1934 werd de jubileerende kerk een kloosterkerk en de Paters Carmelieten rekenen het zich tot een eer, in deze kerk de heerlijke tradities voort te zetten welke er leven.
God zal ook hun vertrouwen niet beschamen. Zij gaan onder Zijn zegen blijde de toekomst tegemoet, onder de voorspraak van Maria, die aan de Kerk als mede-Patrones werd gegeven.” (De Gelderlander 2/5/1936)
Verval: de rol van verandering in de Benedenstad
Vanuit het Noorden naar de Waalkade met de achterliggende bebouwing; op de achtergrond v.l.n.r. de torens van de Broerstraatkerk , de Augustinuskerk en de St. Stevenskerk, 1890 (Thieme, H.C.A. Uitg. Nijmegen via F65784 RAN)
Zoals het krantenartikel bij het 50-jarig jubileum in 1936 al noemt, was de financiële situatie van de Augustinuskerk niet rooskleurig geweest.
De Benedenstad was een belangrijk onderdeel van de parochie van de Augustinuskerk. Op het moment dat de nieuwe kerk werd gebouwd, was de Benedenstad welvarend. Hier woonden ook veel rijkere Nijmegenaren. Dit veranderde echter in de loop van de 50 jaar: door de aanleg van het station begon zich steeds meer verkeer te verplaatsen, welke vroeger op de Waal was gericht.
Het verval trad echter voornamelijk in doordat veel welvarende burgers zich na de sloop van de vestingwerken in de nieuwe buitenwijken gingen vestigen. Bij het 50-jarig in 1936 uit de Gelderlander de wens dat de ingezette saneringspolitiek van de Benedenstad haar oude luister zal doen herstellen.
Een paar jaar later begint echter de Tweede Wereldoorlog. De Augustijnenkerk zal daarbij worden verwoest in het bombardement van februari 1944.
Interieur verwoeste Augustinuskerk (GN2867 RAN)
Herbouw Karmelietenkerk
De kerk wordt, op een iets andere plaats, samen met het karmelietenklooster herbouwd en komt in 1951 gereed. Zie daarvoor het artikel:
1947 Dr. Jan Berendsstraat, Semmelinkstraat en van der Kempstraat Bottendaal
In 1947 bouwde architect Rodenburg aan de Dr. Jan Berendsstraat de eerste daadwerkelijke nieuwbouw van na de oorlog, welke door particulier initiatief is gesticht. Het betreft 96 woningen, 3 garages en 1 winkelhuis in de straten die we nu kennen als de Semmelinkstraat, de van der Kempstraat en het tussenliggende gedeelte van de Dr. Jan Berendsstraat.
De bouw vond plaats op het terrein van een voormalige bloemisterij.
In 1991 vond renovatie van deze woningen plaats. Waarschijnlijk stammen uit deze tijd de meeste verschillen tussen de bouwtekening en de huidige foto. In ieder vallen de volgende verschillen op:
Verandering in ingangspartij
Andere ramen
Na de foto’s is een artikel uit de Gelderlander overgenomen.
Blok A Dr. Jan Berendsstraat
Bij Blok A staat ook een winkel opgenomen. Het is nog niet bekend wanneer deze verdwenen is, maar nu (september 2023) is het een woning. Vergelijkend met de “bestaande toetstand” van de bouwtekening uit 1991, lijkt de lagere muur in de verbinding met Blok B al verdwenen te zijn: ook hier loopt de muur tot gelijke hoogte als de muren van blok A.
Blok A: Dr. Jan Berendsstraat woonblok en winkel, architect Rodenburg (D14.407262) Dr. Jan Berendsstraat 13 t/m 19, augustus 2023 (Google Streetview)Dr. Jan Berendsstraat 13 t/m 19 en voormalige winkel, augustus 2023 (Google Streetview)
Blok B Van der Kempstraat
Blok B Van der Kempstraat, architect Rodenburg (D12.407261)
Blok B van der Kempstraat, augustus 2023 (Google Streetview)
Blok C Van der Kempstraat 1 t/m 23
Blok C Van der Kempstraat 1 t/m 23, architect Rodenburg (D12.407261)
Blok C van der Kempstraat 1 t/m 23, augustus 2023 (Google Streetview)
Blok D Dr. Jan Berendsstraat
Ook hier geldt dat de muren die de verbinding vormen met de andere blokken in de bouwtekening een andere is dan de huidige: ook bij dit blok zijn de muren tot de hoogte van blok D gemetseld.
Dr. Jan Berendsstraat, architect Rodenburg (D12.407262)Blok D: Dr. Jan Berendsstraat, augustus 2023 (Google Streetview)
Blok E Semmelinkstraat 2 t/m 48
Blok E Semmelinkstraat 2 t/m 48, architect Rodenburg (D12.407261)Semmelinkstraat 2 t/m 48, augustus 2023 (Google Streetview)
Blok F: Semmelinkstraat oneven
Blok F Semmelinkstraat oneven, architect Rodenburg (D12.407261)Deel Semmilinkstraat 1 t/m 13 op voorgrond, augustus 2023 (Google Streetview)
Transformatorhuisje
Artikel de Gelderlander
De Gelderlander schrijft tijdens de bouw op 13 juli 1947 een artikel in haar krant:
“Nieuwbouw van Flats aan de Dr. Jan Berendsstraat
Op het open terrein, voormalige bloemisterij, aan de Dr. Jan Berendsstraat nabij St. Annastraat is men thans druk bezig met het grondwerk voor de komende defiinitieve bebouwing z.g. hoogbouw bestaande uit 96 flats, 3 garages en 1 winkelhuis.
De bebouwingen worden uitgevoerd naar de plannen van de Architect R. Rodenburg te Nijmegen, die tevens met de leiding van het werk belast is.
De bouw wordt uitgevoerd door de aannemer W. Meijer, die verleden jaar het complex noodwinkels bouwde aan het Keizer Karelplein en Bisschop Hamerstraat.
De verkoop van de grond en de te stichten complexen is tot stand gekomen door bemiddeling van de makelaar N.S. Verbeek, die in overleg en samenwerking met het bureau Huisvesting eveneens de verhuur verzorgt. Onnodig te vermelden dat het aantal gegadigden verre het beschikbare aantal woningen overtreft.
De initiatiefnemers zijn zeer erkentelijk voor de medewerking welke zij mochten hebben van Rijks- en Gemeente Instanties en tonen tevens dat het hen niet ontbreekt aan ondernemingsgeest en doorzettingsvermogen, daar dit het eerste object definitieve nieuwbouw is dat na de oorlog te Nijmegen dat na de oorlog te Nijmegen wordt gesticht door particulieren.
De indeling der flats is als volgt, t.w.: 1 woonkamer, slaapkamers, douchecel, keuken, W.C., fietsenbergplaats, kolenkast e.d.- Het wordt eenzelfde type.
Bedoeling is in ieder geval dit jaar een gedeelte klaar te hebben en binnen een jaar het gehele complex.” (De Gelderlander 12/7/1947)
Internaat kweekschool , later schippersinternaat. Nu appartementencomplex voor ouderen Domus Magnus Ubbergseveldweg, architect Pothoven, april 2023
De meeste Nijmegenaren kennen dit gebouw als Schippersinternaat de Sterreschans. Het is echter gebouwd als internaat voor de kweekschool de Klokkenberg. Anno 2023 is het gebouw in gebruik als luxe appartementen voor ouderenzorg Domus Magnus.
Voorgeschiedenis
Het pand op de Oude Stadsgracht en een villa op de hoek Batavierenweg/Beatrixstraat voldeed/voldeden niet meer. Uit het krantenartikel bij de opening blijkt dat een bijeenkomst van reünisten aanleiding was om een geldinzamelingsactie te starten voor een nieuw gebouw. De inzameling voldeed bij lange na niet, maar was desondanks toch een startsein. Vervolgens wordt er geld ingezameld, vooral dr. Coenraad uit Beek wordt genoemd vanwege zijn collecte-reizen door het land.
Internaat
Het internaat van Kweekschool de Klokkenberg. Later Schippersinternaat, thans een particuliere woonzorglocatie de Sterreschans van Domus Magnus, 1928 (Borg, A.A. van der, uitg. Nijmegen via F18340 RAN CC_BY-SA)
Als architect wordt Hubertus Adrianus (Bart) Pothoven uit Amersfoort gevraagd. Het (PGNC 21/4/1927) noemt in haar artikel dat hij ook de gebouwen van de Heldringstichting in Zetten had ontworpen. Hij was voorheen echter ook actief in Nijmegen en omgeving geweest.
Bij de opening in 1927 is alleen de helft af. Aangezien er vooral gerefereerd wordt naar de Oude Stadsgracht, lijkt het mij (RE) dat op dat moment een van de vleugels af is, maar duidelijk is dit vooralsnog niet.
Huiselijke sfeer
“Het nieuwe gebouw, eenvoudig in lijn, met aantrekkelijke bordes en balustrades, herinnert aan de oude landhuizen in het Hollandsche oord.” (De Gelderlander De Gelderlander 21/4/1927) Opvallend daarbij is dat het 2 spiegelende gebouwen zijn, waarbij elk 45 kwekelingen kunnen wonen. In de speeches verklaard vanwege de behoefte aan huiselijke sfeer. Volgens het Monumentenregister kwam dit doordat de 2 directeuren die niet met elkaar overweg konden.
In ieder geval was de huiselijke sfeer wel belangrijk, ook voor het doorgeven van de christelijke waarde: “Vooral het idee-Oosterlee werd hier gerespecteerd en uitgevoerd ook, om toch in het internaat zooveel mogelijk het gezinsleven nog te kunnen behouden. Men wil hier den huiselijken haard met al zijn opvoedkundige waarde, voor den toekomstige leeraar, zooveel mogelijk benaderen. En dat ging niet, wanneer men alle negentig leerlingen in één gebouw onderbracht” (De Gelderlander 21/4/1927).
Een nieuwe Klokkenberg
Vóór de bouw werd zand aangevoerd om het pand wat hoger te laten liggen: de “berg”. En vanzelfsprekend de klok van de Klokkenberg. Het internaat betrof slechts de woon-/slaapplaats van de “kwekelingen”. Zij gingen naar de Klokkenberg op de Klokkenberg/Muchterstraat naar school.
Eerste steen
De “Eerste steen” werd gelegd door P. Oosterlee op 4-9-26, getuige de “Eerste steen”. Oosterlee was sinds 1905 directeur van de kweekschool. Hij was tevens zwager van A.L. Gerretsen, die tot 1904 leiding had over de school en het internaat. Deze was weer de zoon was van H.A. Gerretsen, die van 1848 tot 1874 de leiding had over zowel als internaat.
Onvoldoende bezetting
Schijnbaar was de bezetting in ieder geval vanaf de jaren 40 onvoldoende: vanaf 1941 werden ook niet-kwekelingen toegelaten tot het internaat, om op die manier de kosten te drukken. In de 2e Wereldoorlog werkt het gebouw eerst door de Duitsers en later door de Canadezen gebruikt. IN 1956/57 waren er plannen om hier de meisjes van het internaat te Zetten onder te brengen toen deze werd opgeheven, waarbij de verdeling dan 45 jongens en 45 meisjes zou zijn.
De Klokkenberg redde het echter niet. Omdat de Klokkenberg meer een regionale dan een nationale functie kreeg, werd het beheer steeds moeilijker. Daarop werd het internaat in 1969 opgeheven.
Internaat Sterreschans
Het internaat voor leerlingen van de kweekschool de Klokkenberg, later internaat voor schipperskinderen, thans particuliere woonzorglocatie De Sterreschans onderdeel van de landelijk werkende woonzorg organisatie Domus Magnus. Het pand daterend uit 1926-1927, ontworpen door de architect H.A. Pothoven, is een gemeentelijk monument, 1977 (Jan Cloosterman via F34349 RAN)
Echter: juist in dat jaar was de leerplicht voor schipperskinderen van kracht geworden. Doordat het internaat voor de kweekschool was opgeheven, kon deze gebruikt worden als internaat voor schipperskinderen. Om te voorkomen dat de naam van het internaat verwarring zou zaaien met de andere panden van de Klokkenberg, werd het gebouw hernoemd naar de Sterreschans, een voormalig fort in de omgeving. En onder deze naam is het gebouw voor veel Nijmegenaren nog steeds bekend. Ook het schippersinternaat was protestants-christelijk.
Het schippersinternaat merkt de ontwikkeling van het dalend kinderaantal: in 1969 waren er nog 90 leerlingen, anno 1992 was dat nog maar iets meer dan de helft.
Sinds 1985 is het gebouw tevens in gebruik als kinderopvang van de KION. In 1992 wordt daarvoor ¾ van de benedenverdieping gebruikt.
Leegstand
Vanaf 2001 is het gebouw eigendom van bouwbedrijf Heijmans en projectontwikkelaar van Bekkum. Hierbij staat het pand jarenlang leeg. Met soms krakers of anti-kraak in het pand. Op de site van Noviomagus staat d.d. oktober 2008 dat het pand al jaren leegstand en dat er dat op moment een tiental studenten woont. Intussen verslechtert het pand.
Woon-zorg ouderen Domus Magnus
In ieder geval in 2010 is het pand eigendom van de firma Roelofs & Haase Dit bedrijf is zowel projectontwikkelaar als aannemer. In dat jaar is het bedrijf bezig aan een verbouwing voor Domus Magnus om het gebouw in te richten als luxe appartementen voor ouderen.
Het gaat daarbij om 28 appartementen in het oude internaatgebouw en 16 appartementen in de 2 nieuwe gebouwen aan de achterzijde. Naast een hoog wooncomfort gaat het ook om een uitgebreid pakket aan diensten en zorg, zoals een restaurant, een bibliotheek, een biljart en het houden van activiteiten.
Gemeentelijk monument
Het gebouw is een gemeentelijk monument: “Het gebouw, dat oorspronkelijk bestond uit twee volledige spiegelbeeldige door muren gescheiden scholen, is een voor Nijmegen uitzonderlijk monumentaal schoolgebouw uit het interbellum. Door de situering op de heuvelrand stedenbouwkundig van belang. Zeer gaaf bewaard gebleven.” (Bron: Monumentenregister Gemeente Nijmegen, zoals weergegeven op Noviomagus)
PGNC: Het nieuwe internaat van de Kweekschool op den Klokkenberg.
Zowel het PGNC als de Gelderlander gaan zeer uitvoerig in op de opening. In het bovenstaande is de Gelderlander reeds een aantal keren aangehaalde. Hieronder wordt het -lange!- artikel van PGNC 21/4/1927 weergegeven:
“Het nieuwe internaat van de Kweekschool op den Klokkenberg.
Heden heeft de officieele opening plaats gehad van het nieuwe internaat van de Kweekschool voor Onderwijzers op den Klokkenberg. Op een der mooiste punten van de stad, aan den Ubbergschen Veldweg en den Beekmandalschen weg, in de nabijheid van den Kopschen Hof, op een plek grond derhalve dat rijk gezegend is met natuurschoon en waar men zich op historischen bodem bevindt, is het nieuwe gebouw verrezen. Duizenden kubieke meters grond heeft men verplaatst om te bereiken, dat het Internaat voor den Klokkenberg zich verheft boven zijn omgeving en door zijn hooge ligging, afgezien van het praktische nut daarvan, zoomede door zijn koperen klokkentoren ook in deze nieuwe omgeving den naam van de stichting eer kan blijven bewijzen. Men zal, in het nieuwe huis zoo goed als in de school, blijven “op den Klokkenberg”.
De tot standkoming van dit fraaie gebouw is te danken aan de herleefde belangstelling van de oud-Klokkenbergers. Bij de Reunie van 1921 werd het plan geopperd aan den Klokkenberg een som van f100.000 ter hand te stellen om daarvoor een nieuw internaat te bouwen. Deze som is wel-is-waar bij lange na niet bereikt, maar groot is toch de steun, die door vele oud-Klokkenbergers werd geboden. Het was in elk geval hun initiatief, dat de Directie (het bestuur) tot een nieuwen bouw heeft gedrongen. Het gebouw aan de Oude Stadsgracht beantwoordde reeds lang niet meer aan de eischen van onzen tijd. Sinds jaren waren ook reeds hoogst noodzakelijke herstellingen achterwege gebleven omdat het gebouw zoo oud was. Toen kwam de noodzaak om voor het tweede internaat om te zien naar een andere huisvesting, daar het totnutoe daarvoor zoo welwillend beschikbaar gesteld gebouw aan de Beatrixstraat moest worden verkocht. De Directie kwam voor een moeilijke beslissing te staan. Niet weinig heeft tot het besluit om te bouwen bijgedragen de bijzonder voordeelige voorwaarden, waarop wijlen jkvr. de Pesters het perceel grond aan den Ubbergschen Veldweg aan de stichting wilde verkoopen. Het was wel zeker, dat zulk een aanbied niet meer zou worden ontvangen. En zoo werd dan tenslotte tot den nieuwen bouw besloten. Voor het ontwerpen van een plan werd opdracht gegeven aan den heer H.A. Pothoven, architect te Amersfoort, die ook de Heldringgeschichten gebouwd heeft. Met de uitvoering werd belast de aannemersfirma Leegwater, Kloosterboer en Hittema te Broek op Langendijk en Heer Hugowaard, wier vertegenwoordigers bij den bouw waren de opzichters S.F. Hoekstra en A. Schüller.
Op 1 Juni 1926 is met den bouw begonnen en thans is het Internaat uitwendig geheel en inwendig ten deele gereed. Met de verdere afwerking zullen nog wel enkele maanden gemoeid zijn.
Het gebouw bestaat feitelijk uit vier aaneengebouwde perceelen, die, dank zij eene goede architectuur, op fraaie wijze tot een geheel vereenigd zijn. Ter weerszijden van een royaal uitgevoerden hoofdingang liggen twee internaten, elk aan de buitenzijde geflankeerd door een bijbehoorende directeurswoning.
Bij het opmaken van het plan heeft n.l. voorgezeten het idee van den directeur der Kweekschool, den heer Oosterlee, dat in één internaat onder één regent niet meer dan 45 leerlingen moeten worden opgenomen, teneinde het karakter van een groot gezin te bewaren en zooveel mogelijk het gezinsleven nabij te komen. Wordt het getal inwonende leerlingen grooter, dan krijgt het internaat meer den aard van een gesticht. De uitvoering van deze gedachte heeft een duurder exploitatie tot gevolg dan wanneer één groot internaat ware gebouwd, maar dit is een offer gebracht aan de genoemde paedagogische overwegingen, welke bij den bouw hebben voorgezeten. Men vergete niet, dat de jongens in het Internaat van den Klokkenberg daar de jaren doorbrengen, waarin hun karakters gevormd worden, n.l. van hun 14e tot 18e à 19e jaar.
De beide internaten zijn uitsluitend voor huisvesting en studie der leerlingen bestemd. Er wordt geen les gegeven; dit geschiedt in de leslokalen in de Kweekschool op den Klokkenberg. Daar is zooals men weet, ook de Leerschool (lagere en U.L.O.-school), waar de jongens voor zij op de Kweekschool komen praktisch gevormd worden.
Het terrein, waarop het nieuwe internaat verrezen is, is 10.000 M². groot. Het gebouw is 71 M. breed en 31 M. diep. Er is derhalve nog alle ruimte voor schooltuin, speelterrein, lawntennisbanen enz.
Het hart van het gebouw is de aula. Zij bevindt zich in het midden en is het eenige lokaal, dat voor gemeenschappelijk gebruik door de inwonenden van beide internaten bestemd is. De aula meet 11 bij 12 M., heeft een podium en kan 220 personen bevatten.
Wij laten thans een opsomming volgen van de vertrekken, welke elk der beide internaten bevatten:
Sousterrain: kelder voor berging van rijwielen, provisiekelder en voorraad-keuken-kelder (in het centrum van het gebouw ligt de ketel en kolenkelder voor de centrale verwarming).
Begane grond: Hal met gangen, die in verbinding staan met: conversatiezaal, studeerzaal, eetzaal, kamer voor de juffrouw, spreekkamer, keuken met dienkamer en bijkeuken, toiletten, garderobes etc.
Eerste verdieping: drie slaapzalen, ziekenkamer, kamer leeraren; in verbinding met elke slaapzaal is een wasch- en garderobevertrek.
Tweede verdieping: vioolstudiekamer, de z.g. societeit voor de leerlingen van het laatste jaar, linnenkamer, poetskamer, slöjdkamer, donkere kamer voor fotografie-ontwikkeling, koffer- en bergzolders.
Het gebouw is praktisch en gerieflijk ingericht en zeer solide uitgevoerd, terwijl de schoonheid allerminst aan de degelijkheid is opgeofferd. Alle lokalen zien er frisch en vrolijk uit, licht en lucht kunnen overal vrij binnenstroomen en dit gevoegd bij het schitterende uitzicht, dat men van het internaat en zijn terrein heeft op de Bosschen van Dommer, de Ooij en het Molenveld, maakt het nieuwe Internaat van den Klokkenberg tot een tehuis, waar het een genoegen moet zijn te verblijven. Dit geldt evenzeer voor de woningen van de beide regenten, de heer D. Koets en A. van Pernis, die uiteraard mede heerlijk gelegen zijn, vele mooie kamers bevatten en allerlei gerief hebben dat men in de oude stad vergeefs zoekt.
Reunie van Oud-Klokkenbergers
Ter gelegenheid van de opening van het nieuwe Internaat heeft gistermiddag in het oude gebouw aan de Oude Stadsgracht een Reunie van Oud-Klokkenbergers plaats gehad.
Na het zingen van Psalm 68:10 werd de reunie geopend door Dr. W. Coenraad, secretaris van het bestuur, die er zijn blijdschap over uit sprak, dat zoo velen de uitnoodiging hadden aangenomen tot bijwoning dezer derde reunie. Hij herdacht ds. Pijnacker Hordijk en ds. J.J. van Noort, die beiden bij de vorige reunie op den voorgrond getreden waren, de eerste als voorzitter van het bestuur, de tweede zelf behoorende tot de oud-kweekelingen en die de wijdingssamenkomst geleid had aan den vooravond van het 75-jarig jubileum.
Dat deze reunie wederom door den heer en mevr. Oosterlee werden bijgewoond, en de eerste nog steeds onder leiding der school had, was voor de directie een oorzaak van groote blijdschap. Hij dankte den heer en mevrouw Koets en den heer en mevrouw Van Pernis voor de bereidwilligheid de reunisten in hun huis te ontvangen. Tenslotte sprak dr. Coenraad den wensch uit dat deze reunie geestelijke zegen mocht schenken aan de deelnemers en ging voor in gebed.
Daarna nam de heer K. Brants, voorzitter van de Reunie-commissie het woord om de directie te danken voor het aanbeden dezer reunie, waardoor, nu de Klokkenberg staat voor een nieuw begin, de banden met de oud-kweekelingen versterkt worden. Hunnerzijds is dankbaarheid de sterkste band, die hen met hun oude school bindt. Daarom scheiden zij met weemoed van het oude internaat, waar zoovele goede herinneringen voor hen liggen. Na een pauze, waarin een foto genomen werd van de deelnemers, kreeg de heer P. van Aalten, directeur van “Klein Warnsborn”, het woord voor zijn inleiding over: “Internaatopvoeding”. In deze rede behandelde de heer van Aalten achtereenvolgens deze punten:
Het internaat of de kostschool staat bij velen ten onrechte in kwaden reuk;
Het internaat richtte zich naar het gezin;
De kwaliteiten van den leider en zijn vrouw.
De verhouding tusschen leiding en secondanten.
De onderlinge jongensopvoding.
Het probleem van de vrijheid in het internaat.
De rede van den heer Van Aalten werd met belangstelling aangehoord, waarna de Reunie werd gesloten.
De sluiting van het Oude Internaat.
Gisterenavond had opnieuw een bijeenkomst van de Reunisten plaats, eveneens in het pand Oude Stadsgracht 33, ter officieele sluiting van het oude internaat. De Directeur der Kweekschool “De Klokkenberg”, de heer P. Oosterlee, hield namens de oud-leerlingen een rede, getiteld “Van Waar en Waarheen?” Spreker wierp een terugblik op hetgeen van 1848-1927, dus gedurende ongeveer 80 jaren, is doorgemaakt in het internaat der school op den Klokkenberg aan de Oude Stadsgracht 33. In zijn afscheidswoord werden herdacht zijn beide voorgangers, de heeren H.A. Gerretsen en A.L. Gerretsen, die hun beste krachten aan de school gegeven hebben, en op velen hunner leerlingen een stempel hebben gezet. In zijn slotwoord sprak de heer Oosterlee den wensch uit, dat in het nieuwe internaat op den arbeid gelijke zegen rusten zal, als in het oude zoo ruimschoots ondervonden is.
De reunisten dankten den heer Oostelee met warme bijval voor zijn toespraak.
De heer M.J. van Doorn uit Oegstgeest, oud-leerling der school en kunstschilder, die gedurende vele jaren in Indië heeft gewoond, bood daarna aan de directie de door hem geschilderde portretten aan van de eerst twee directeuren van den Klokkenberg, de heeren H.A. Gerretsen en A.L. Gerretsen. Voorts bood de heer K. Brants uit Haarlem, hoofdinspecteur van het Lager Onderwijs, in N-Holland en Utrecht, namens zijn familie aan een portret van Jan Klein, die in 1848 de eerste leerling der school is geweest. De bijeenkomst werd vervolgens gesloten.
Officieele opening van het Nieuwe Internaat.
De officieele opening van het nieuwe Internaat, dat in den aanhef dezes beschreven is, heeft hedenmiddag te ruim half drie uur plaats gehad. Tegen dat uur was in de aula van het nieuwe gebouw een uitgelezen gezelschap dames en heeren aanwezig. Wij merkten op de Directie (bestuur) van den Klokkenberg, den heer P. Wielenga. Hoofdinspecteur van het Lager Onderwijs in Gelderland, den heer H.H.A.S. Vrancken, wethouder van Onderwijs der gemeente Nijmegen, deputaties van de Ned. Herv. Gemeente te Beek en Ubbergen en de Luthersche en Waalsche Gemeenten te Nijmegen, de Regenten der beide internaten, directeur, leeraren en leerlingen der Kweekschool, zeer vele Reunisten (oud-leerlingen van den Klokkenberg) en verdere belangstellenden.
De plechtigheid werd geopend met het zingen van Psalm 68:10. Daarna gelezen Psalm 90: 1. 2. 16. En 17 en Psalm 91. en ging Prof. dr. A.M. Brouwer uit Utrecht, voorzitter van de Directie van den Klokkenberg, in het gebed voor.
De openingsrede.
Prof. Brouwer hield vervolgens een rede, waarin hij allereerst zied, dat er aanleiding is voor gepasten schroom bij de directie van den Klokkenberg waar dit nieuwe gebouw een zoo achtbaren kring om zijnentwil vergaderd ziet. Spr. heette allen hartelijk welkom. Een meer dan gewone schroom paste spr. nu hij hier staat op de plaats, welke 33 jaren lang op zoo eminente wijze is ingenomen door wijlen ds. A. Pijnacker Hordijk. Spr. herdacht in dat verband ook den stichter der school, mr. van der Brugghen en ds. J.A. Stoop, die voor ds. Pijnacker Hordijk 35 jaren lang de ziel van den Klokkenberg is geweest. Dat spr. de vrijmoedigheid had gevonden de taak, door Pijnacker Hordijk, den man van het hart van goud, over te nemen, toen deze tot hooger leven werd opgeroepen, was alleen te danken aan het feit, dat de directie in haren secretaris dr. Coenraad te Beek een man heeft, die met den Klokkenberg dagelijks medeleeft, die in al de zaken is ingewijd, die in de afgeloopen maanden een belangrijk deel van zijn tijd ook heeft gegeven aan collecte-reizen en aan het voeren van de zoo noodige actie, welke tot dit resultaat, tot dit gebouw heeft geleid. Aan hem hulde voor al den arbeid en toewijding. Wat wij te danken hebben, vervolgde spr., dat is aan God, die ons tot zoover bracht en door Hem aan zoovelen buiten den voorzitter, die hun belangstelling en hun arbeid aan deze taak gegeven hebben.
Wanneer spr. een oogenblik leiding aan de gedachten der aanwezigen mocht geven, dan treft allereerst, dat de stichting “De Klokkenberg” reeds zoo langen tij bestaat en als een oude eik krachtig nieuw loot schiet. Een en tachtig jaren heeft de Klokkenberg haar taak vervuld. Hoe groot zijn de zorgen vaak geweest, hoe veel de bezwaren. Maar door alles heen is de Klokkenberg blijven staan als een opgericht teeken. En nu op dezen dag wijdt zij in een nieuw gebouw, dat er mag zijn in al zijn eenvoud. Spr. wierp vervolgens een terugblik op de dagen van de stichting der school, waarin het Réveil nog in vollen bloei stond en toen klinkende namen verbonden waren aan een hopelooze zaak als het Christelijk onderwijs toen scheen te zijn. Wat is er sedert veel veranderd! Sedert 1920 is de vrije school geheel gelijk gesteld met de openbare. En waar eens alleen de stem van Groen een, zij het eigenaardig gekleurde Christelijke staatkunde in ’s lands vergaderzaal bepleitte, daar is nu de christelijke politiek tot overwinning gekomen. Is dit alles winst? Spr. denkt aan een woord van den ouden Is. Saussays: Christenen moeten niet heerschen. Hun past het kruis. Waar zij tot heerschappij komen, leidt dit of tot overmoed of tot chiliastische dweperij. Dat is een woord uit 1855. Hoeveel is er in die zeventig jaar veranderd? Of het alles vooruitgang is? Ik verneem- ging spr. voort- herhaaldelijk stemmen, dat het mooie van het christelijk onderwijs er af is. Het gaat alles te gemakkelijk. Er worden geen offers meer gevraagd. Er is geld over, eerder dan geld te kort. Wanneer ik zoiets hoor, dan wijs ik op den Klokkenberg. Hier is nog een stukje van dat moois uit den ouden tijd. Hier is nog een aanzienlijk tekort op de bouwsom. Hier worden nog collecte-reizen noodig geacht. Dr. Coenraad weet er alles van mee te praten. Hier kunnen nog offers worden gebracht. Want ook voor het vervolg zal steun van buiten dringend noodig blijven. Bij het vele, dat er in die tachtig jaren veranderd is, hebben wij dan in dit internaat nog een stukje van het moois uit den ouden tijd behouden en daarmee ook in dit opzicht een historische herinnering bewaard.
Het derde punt, waarop spr. wilde wijzen, is dit, dat er op den Klokkenberg een historische traditie waar te nemen is in allerlei opzicht, ook wat het ruime van zijn standpunt betreft. Wij zien daar over de muren, over de stad, over de rivier heen in het wijde van Gods wonderschoone natuur. Dat is van begin af zoo geweest. Het was altijd te doen om de persoonlijkheids Christendom, een Christendom even ver van het ongeloof als van een wettische opvatting, waarbij nadruk viel op de persoonlijkheid en niet op de kerk of de leer. Dit heeft den Klokkenb. steeds gekenmerkt. Daarom kan ook ieder bijbelsch Christen hier een opleiding ontvangen omdat hij in het kerkelijke geheel wordt vrij gelaten. Maar die opvatting heeft aan de stichting ook wel eens de sympathie gekost van hen, die den Klokkenberg om zijn onderwijs toch wel zeer waardeerden.
En als spr. zoo over waardeering spreekt, dan mag hij tenslotte nog wijzen op de liefde, die de oud-kweekelingen voor den Klokkenberg toonen. Van den daadwerkelijke steun der oud-Klokkenbergers getuigt dit nieuwe gebouw op welsprekende wijze. De verklaring daarvan is te zoeken niet alleen in het onderwijs maar in de met het onderwijs nauw verbonden opvoeding van het internaat.
Met het internaat is jaren lang verbonden geweest de naam van de familie Gerretsen. 25 jaren lang, van 1848 tot 1874, was het de heer H.A. Gerretsen, die de leiding van school en internaat vereenigde. Toen hij, op 55-jarigen leeftijd reeds, overleed, erkende de Directie met groote dankbaarheid, dat het hoofdzakelijk aan hem te danken is geweest, dat de Klokkenberg niet alleen den moeilijken eersten tijd was doorgekomen, maar dat zij ook zich meer en meer had ontwikkeld en aan het doel harer bestemming beantwoorden kon. En het internaat èn de school, opvoeding en onderwijs samen, ontvingen van hem een stempel. Hij verstond de kunst een Christelijk onderwijs te geven, waardoor de jonge onderwijzers bij hun optreden bewaard bleven voor overdrijving. Inderdaad, het was een bijzonder begaafd man, aan wien de Klokkenberg 25 jaren lang was toevertrouwd.
Het was door de Directie wel heel goed gezien, dat zij als zijn opvolger koos zijn oudsten zoon, den heer A.L. Gerretsen, die geheel in denzelfden geest als zijn vader het werk voortzette. Dezen was het vergund dit 31 jaren lang te doen. Met aangeboren tact wist hij de gewetens van de jongens te treffen en open te stellen voor den invloed der geestelijke dingen. Een ernstige oog-ongesteldheid dwong hem echter ontslag te nemen aan het einde van 1904. Hij had een zeer moeilijken tijd doorgemaakt maar hij heeft zijn taak met eere vervuld.
Zijn zwager, de heer P. Oosterlee, nam in 1905 zijn arbeid over. Voor ons, jongeren, vervolgde spr., is de naam van den Klokkenberg onafscheidelijk verbonden met de naam Oosterlee. Hij maakt met Mevr. Oosterlee den moeilijken oorlogstijd door met al de distributie-ellenden. Maar, aldus spr. over den heer Oosterlee schrijven wij nog geen geschiedenis. Het is onze hartelijke bede, dat het nog vele jaren mag duren vóór wij zijn geschiedenis schrijven, al zijn wij er allen van overtuigd, dat dit een zeer eervol relaas zal zijn. Verder noemde spr. nog de leiders van beide internaten, die achtereenvolgens den taak van den heer Oosterlee hebben overgenomen, den heer en mevr. Koets en den heer en mevr. Pernis.
Spr. wees daarna op de herleefde belangstelling der oud-Klokkenbergers, waarvan de totstandkoming van dit nieuwe internaat het gevolg is. En nu is dan het gebouw in hoofdzaak gereed. Wij zijn, zeide spr., hier samengekomen om het in te wijden en dan past ons zeker een woord van dank aan allen, die hun tijd, hun gaven, hun krachten hebben gegeven om dit resultaat te bereiken. Naast dr. Coenraad, den secretaris, wilde spr. den naam noemen van den penningmeester, mr. van Romondt Vis; hij wilde denken aan de commissie van oud-leden met haar onvermoeiden voorzitter, den heer K. Brantsen dankbaar den arbeid vermelden van den architect, den heer H.A. Pothoven, te Amersfoort, met wien de Directie op de aangenaamste wijze heeft samengewerkt. Verder dankte hij de aannemers, de heeren Leegwater en Kloosterboer en de opzichters inzonderheid den heer Hoekstra, en allen die het hunnen bijdroegen tot het welslagen van deze zaak. Van het begin af aan is alles voorspoedig gegaan- met dank aan God mogen wij ’t uitspreken.
Nu zal dan, zoo eindigde Prof. Brouwer, een nieuw tijdperk worden aangevangen. Wij dragen het gebouw met vertrouwen aan de beide regenten over. Het zal voor hen een drukke tijd worden. In den aanvang ook wel een moeilijke tijd om weer nieuwe wegen te gaan. Maar toen de eerste christelijke school werd geopend, legde mr. van der Brugghen op den plaats van den hoofdonderwijzer een briefje met den tekst: ”Wij zullen ons opmaken en bouwen en God in den hemel zal het ons doen gelukken”. Aan dat woord willen ook wij denken. Daaraan ook onzen moed ontleenen.
Gods oog moge geopend zijn over dit gebouw, dag en nacht.
Hiermede verklaarde spr. het gebouw voor ingewijd.
De rede van Prof. Brouwer werd langdurig en warm toegejuicht.” Hierna volgen nog enkele gelukwensen door sprekers. (PGNC 21/4/1927)
Stikke Hezelstraat 1926 Centrum, verloren gegaan in WOII
3e gebouw links de Bijenkorf, Gezien vanaf het kruispunt Houtstraat – Lange Hezelstraat, in de richting van de Grote Markt, architect Reijnen, gedateerd 1925 (zal wat later zijn) (F34007 RAN)
In 1926 vestigt P.A. Keijser zijn tweede vestiging van warenhuis De Bijenkorf (geen verband met de keten). Architect van deze verbouwing was W. Reijnen. In hoeverre de verbouwing ook uiterlijk heeft plaatsgevonden is mij nog niet bekend.
Het gebouw werd tijdens het bombardement van februari 1944 verwoest. Daarop vestigde Keijser zich in de Burchtstraat. De Duitsers staken deze echter in september 1944 in brand. Na een noodwinkel kon Keijser in 1954 de Bijenkorf weer openen in een nieuwe winkel aan de Burchtstraat.
Het PGNC schrijft bij de opening in 1926: “
’t Warenhuis “De Bijenkorf.”
Elk rechtgeaard Nijmegenaar neemt met belangstelling kennis van den vooruitgang en bloei van zijn stad. Hij verheugt zich er over dat ’t kleine Nijmegen van weleer, grootsteedsche allures heeft aangenomen dat het b.v. een “Passage” bezit en thans kan bogen op een “Warenhuis”.
Immers, de heer P.A. Keijser, die sinds vele jaren een zaak heeft in ’t perceel Lange Hezelstraat 10, opent heden in het pand Stikke Hezelstraat 42 een tweeden winkel, die den naam draagt ’t Warenhuis “De Bijenkorf”.
Door een practische verbouwing is men er in geslaagd een fraai, ruim winkelhuis te verkrijgen, dat berging biedt aan een grooten voorraad artikelen.
Men vindt er een ruime sorteering huishoudelijke-, luxe- en verlichtingsartikelen, verkrijgbaar tegen concurreerende prijzen.
Tevens treft men een speciale afdeeling “’t Kinderparadijs” aan, die zeker de belangstelling der jeugd zal hebben. Ook hier veel verscheidenheid: de nieuwste Amerikaanse speelgoederen o.a. geluidgevende prentboeken, stoomachines, enz. Op de galerij zijn eenige duizenden poppen tentoongesteld, terwijl de bovenverdieping als magazijn is ingericht.
’t Geheel maakt een keurigen, solieden indruk, en dit pand is ongetwijfeld een aanwinst voor de Stikke Hezelstraat.
Rest ons nog te vermelden dat het gebouw is ontworpen door den heer W. Reijnen, architect, en dat met de uitvoering en inrichting belast waren de firma’s Tiemstra en Zn., aannemers; P. Gerrits, schilder; Horbeek, centrale verwarming; Jos. Kwakkernaat, elect. Installatatie; Langenhuizen, glas in lood; Bahlmann en Co., vloerbedekking.“ (PGNC 27/11/1926)
In oktober 1954 opent G. Keijser op Burchtstraat 110 zijn nieuwe winkel (niet de keten). De oorspronkelijke winkel zat in de Stikke Hezelstraat. Toen deze tijdens het bombardement werd verwoest, opende de Bijenkorf (niet de keten) een nieuwe winkel op de Lange Burchtstraat. De Duitsers staken deze winkel in september 1944 in brand. Na een…
W.Th. Reynen ontwierp veel sociale huurwoningprojecten voor de Woningvereeniging Nijmegen. Daarnaast komen we hem regelmatig tegen als ontwerper van woon-winkelpanden en bij de bouw en verbouw van winkels. Zijn bekendste gebouw is waarschijnlijk het voormalige Gerzon pand (tegenwoordig We), welke hij samen met J.A. Lelieveldt ontwierp.
Kruittoren oftewel Kronenburgertoren met vijver, de fontein staat niet aan, september 2023
Toen Nijmegen haar vestingstatus verloor, was het blij dat ze nu eindelijk lucht kon krijgen door haar vestingwerken te slopen. De Kruittoren of Kronenburgertoren is samen met de rest van de muur met torens in het Kronenburgerpark een van de weinige overblijfselen van de middeleeuwse verdedigingswerken. Het was vooral van Rijkswege dat de toren en de muur behouden bleef. Daarbij was het idee om rond de toren een park aan te leggen: het Kronenburgerpark.
Deze toren is 30 meter hoog. De toren heeft 2 geledingen, waarbij elke geleding een weergang met kantelen heeft. De toren bestaat uit 4 verdiepingen. De onderste 2 daarvan hebben koepelgewelven, de 3e een houten zoldering en de 4e de open dakkap. Onderling zijn de verdiepingen verbonden met stenen trappen. Op elke verdieping kon geschut geplaatst worden.
Abonneren
Voer je e-mailadres hieronder in om updates te ontvangen.
Eerste vermeldingen en functie
Eerste vermelding
In vrijwel alle gevonden artikelen over de Kruittoren wordt het jaartal 1425/1426 genoemd, waaronder de site van Rijksmonumenten.
Van Schevichaven in oktober 1895: “Cronenborch, tegenwoordig Kronenburger toren. Misschien de “Neye taern by der Heselpoorten”, die in 1420 vermeld wordt. Tusschen 1425-26 wordt er bij die Hezelporte weder een nieuwen toren gebouwd. Den naam Cronenborch hoort men voor het eerst in 1511.”
In de Gelderlander 19/9/1941 staat echter: “Deskundigen deelen mede, dat de Kronenburgertoren, de z.g. Kruittoren, dateert omstreeks het jaar 1540 en niet kan teruggebracht worden tot de 15e eeuw.” (De Gelderlander 19/9/1941). Het is mij nog onduidelijk wie deze deskundigen zijn.
Betekenis naam
Tot nu toe is het mij niet bekend waar de naam Kronenburgertoren vandaan komt. Een aantal bronnen noemen dat op de toren een kroon als teken van de keizerskroon zou zijn geplaatst. Op schilderijen (zie hieronder) heb ik tot nu toe 1 aquarel gevonden waarop mogelijk een kroon te zien is. Dat kan creatieve vrijheid zijn geweest; aan de andere kant is het mogelijk dat ik tot nu toe alleen schilderijen gevonden heb met een toren zonder kroon, omdat deze er inmiddels was afgevallen of anderzins verloren is gegaan.
Bescherming Hezelpoort
De buitenzijde van de Hezelpoort : Rechts rondeel met erboven de spits van de Kronenburgertoren. Onderschrift in album (zie foto 26.120) luidde: “1872 Uitgang van de 2e poort van de Hezelpoort (Rondeel) met den Kronenburgertoren erachter. (Zie het ambtenarenhuisje) Thans park”. De foto komt voor op pagina 8 van het album. De foto meet daar 97x 16 jan. 1938, 1872 (GN10959 RAN)
Een belangrijke reden dat de toren zo hoog is, is dat deze toren oorspronkelijk gebouwd is als hoektoren: vanaf deze plek maakte de stadsmuur een knik. Dit veranderde bij de aanleg van een nieuwe stadsmuur welke de huidige muur met de Roomsche Voet en Sint-Jacobstoren bevat. De Kronenburgertoren had daarbij als belangrijke functie om te zorgen voor de verdediging van de Hezelpoort. Deze lag in een lager gedeelte van Nijmegen, naar de kant van de rivier “en nimmer een der hechtste bolwerken der vesting is geweest”. De Kronenburgertoren kon echter de gehele Benedenstad bestrijken (De Gelderlander, 19/9/1941)
Het is opvallend dat deze toren in haar huidige vorm bewaard is gebleven: in de tijd van bogen en katapulten hadden hoge torens een belangrijk voordeel: hoe hoger, hoe makkelijker te verdedigen. Bij de komst van de kanonnen verdween dit voordeel. Sterker: hoge torens hadden een nadeel: door deze torens met kanonnen te beschieten werd het een gevaar voor de eigen verdedigers vanwege vallende brokstukken. In veel gevallen werden dergelijke hoge torens verlaagd.
Poortje
Het waarschijnlijke uitvalspoortje bij de Kruittoren, september 2023
In hetzelfde artikel schrijft Van Schevichaven over het toegemetselde poortje: “Beneden in sommige torens waren er sortiepoortjes, die met mijngangen in verbinden stonden, zooals men nog ziet in de ruïne van den Waltoren tussen de Belvedere en St.Jorisstraat. Het toegemetselde poortje in den muur links van den Kronenburgertoren, had dezelfde bestemming en werd misschien gemaakt in 1619, althans in dat jaar wordt de stadsmetselaar betaald voor arbeid “aen die minne (mine) by Cronenburger toorn”. (PGNC 27/10/1895)
Van hieruit trok kolonel van Gendt hier uit “toen hij in juli 1672 de Franschen ten koste van zijn leven uit de buitenwerken van Nijmegen verjoeg.” (Ter Haar 1892, geciteerd door Rob Essers).
Gebruik van de toren buiten oorlogen
Een krantenartikel uit 1949 over de Kronenburgertoren noemt dat Nijmegen acht keer de vijand voor haar wallen zag. Het is onbekend of het artikel daarmee de Kronenburgertoren of park bedoeld of de wallen in het algemeen.
Uit hetzelfde artikel blijkt dat de toren ook gebruikt wordt voor terechtstellingen, bijvoorbeeld van David Veiss in 1579. Hierbij gaan mensen in feestelijke kostuums kijken hoe hij wordt gevierendeeld. In vredestijd werd de toren verhuurd door de magistraat. Het artikel noemt: “Nu eens als pakhuis, dan weer als woonplaats van kleine stedelijke ambtenaren. Ja zelfs een tijdlang als “duivenhuis”, want het houden van duiven… ook als gevangenis werd de toren wel gebruikt, vooral om er fruit- en grasdieven in op te sluiten.” (De Gelderlander 14/4/1949)
Restauratie Cuypers en aanleg Kronenburgerpark
Rijksadviseurs de opdracht van het ministerie van financiën om te onderzoeken of het zinvol is de Kronenburgertoren te handhaven. De conclusie eind mei 1876 is: de muur van 1567 met de toren is gaaf bewaard en kan ‘in een fraai en cierlijk wandelpark herschapen’, ‘een cieraad der gemeente Nijmegen’ worden”” (De maakbaarheid van het verleden). Ook bepleitten de adviseurs om een deel van de stadsmuur te behouden; dit is een “welkom motief” voor de parkaanleg.
Financiën is aanvankelijk bereid om ook de Kronenburgertoren aan de gemeente over te dragen. Dit lijkt Victor de Stuers niet raadzaam. Tevens wil hij een gebied rondom de toren Rijkseigendom laten blijven, zodat ook dit gebied beter beschermd kan worden en er met het architectonisch en historisch karakter van het gebouw rekening kan worden gehouden. De toren en de omgeving van 45 meter in de omtrek blijven daarom eigendom van het Rijk. In maart 1881 draagt Domeinen de toren en het omliggende gebied over aan Binnenlandse Zaken.
De staat van de toren
Waar de vestingmuur erg verbrokkeld is, is de onderbouw van de toren nog redelijk gaaf. De tweede geleding is meer aangetast. De resten van de kantelen staan er slecht bij: veel is verbrokkeld en hoewel de oostkant nog op volle hoogte staat, lijkt deze te wankelen.
Voor een grondige renovatie is het schoonmaken van het metselwerk, het aanbrengen van voegwerk, het maken van kraagstenen, spuwers en klinkervloeren aan de galerijen en het openen der schietgaten nodig.
Het voltooide Kronenburgerpark met in het midden de Kronenburgertoren en links de Spoorbrug, Wilhelm Ivens,1885 (F56819 RAN)
In november 1877 krijgt Cuypers opdracht tot herstel van de toren. De aannemer C.H. Peters zal het werk uitvoeren onder toezicht van J.J. van Langelaar. In 1878 wordt begonnen met het werk. Voor het metselwerk moeten ‘harde oude steenen in kleur en grootte overeenkomend met het oude werk’ gebruikt worden. In 1883 vinden de laatste werkzaamheden plaatst en “plaatst men de keizerskroon op het dak”.
Adelaar als windvaan?
In 1883 wordt dus een adelaar op de Kronenburgertoren geplaatst. Sommige bronnen stellen dat de Kronenburgertoren de naam zou hebben verkregen vanwege de Keizerskroon.
De 1-koppige adelaar uit 1883
Detail van de Kronenburgertoren met walmuur en vijver . Op de achtergrond de Spoorbrug, 1885 (Roger Viollet, H. via F56989)
Detail
De adelaar die door Cuypers is geplaatst heeft maar 1 kop. “…en die met een adelaar als windwijzer prijkt. Een adelaar… zeg ik met opzet. De Nijmeegsche adelaar, dien hij waarschijnlijk moet voorstellen, is het niet, want die is tweekoppig en deze heeft maar éen kop. (…)” (Ter Haar 1892, zoals weergegeven door Rob Essers in zijn straatnamengids)
De adelaar in het wapen van Nijmegen heeft 2 koppen. De adelaar met 2 koppen is namelijk het wapen van het Heilige Roomse Rijk. Toen Nijmegen in 1230 de rechten van vrije rijksstad van het Heilige Roomse Rijk kreeg, verkreeg ze daarbij ook het recht de 2-koppige adelaar als haar wapen te hanteren. Een recht waarop Nijmegen in de middeleeuwen trots zal zijn geweest; het lijkt mij (RE) ondenkbaar dat -mocht er in de middeleeuwen of in de eeuwen daarna- ooit een adelaar als windwijzer zijn geplaatst, dit een andere zou zijn geweest dan een 2-koppige adelaar.
Maar in ieder geval dus een adelaar als windvaan in 1883, waarschijnlijk als teken van voltooiing van de restauratie.
Verwijdering en nieuwe windvaan
De windvaan wordt in 1941 verwijderd. Sinds de “laatste stormen” (De Gelderlander 19/9/1941) was de windvaan uit evenwicht en hing vervaarlijk voorover. Uit een ander artikel blijkt dat intussen een vleugel was afgebroken en dat de keizerskroon, waarop de adelaar stond, gedeeltelijk was vergaan. In 1941 ontbrak echter geld om de adelaar te vervangen.
De windwijzer op de Kruittoren voorstellend de adelaar in de gestalte van een Phoenix bedoeld als zinnebeeld der steeeds herhalende vernieuwing, 1960 (J.F.M. Trum via F53307 RAN CC-BY-SA)
Daarom moest gewacht worden tot 1953. Daarbij werkten 3 generaties koperslagers van de familie Traurig aan de windwijzer. Vader Traurig, in de tachtig, maakte het drijfwerk van de koperen ringen. De loodgieter Traurig en zijn negentienjarige zoon werkten mee aan de keizerskroon en de vogel. Het artikel noemt het “het nest voor de phoenix”, als een symbool voor de wederopbouw van de stad. (De Gelderlander 28/4/1953) (Een leuk artikel over de firma Traurig vind je hier op Noviomagus).
Windvaan historisch?
.Het is mij onbekend of in de middeleeuwen of op een later tijdstip ooit een windvaan is geplaatst. Op een aantal oude foto’s en schilderijen lijkt geen windvaan te zien te zijn. Het kan echter ooit ook afgevallen zijn en bij schilderijen kan de schilder een creatieve interpretatie hebben weergegeven.
Hieronder staan een aantal details van schilderijen weergegeven. Op het 2e schilderij is er sprake van een vlag, die op de andere schilderijen ontbreekt. ook heeft deze toren iets op de spits, wat een kroontje zou kunnen zijn (hoewel de keizerskroon rond is). Juiste weergave of interpretatie?
De stadwal en de Kronenburgertoren (Kruittoren) , een doek van Pieter Franciscus Peters Sr. ( 27-11-1787 – 10-1-1867), datering 1840 (F56790 RAN)
Het gezicht op de stadswal bij de Hezelpoort en de Kronenburgertoren (Kruittoren) : een tekening van Jan Willem van Druijnen (16-5-1790 – 21-4-1854), datering 1850 (F19244 RAN)
De Kruittoren (Kronenburgertoren) (uit 1425-1426) , met daarvoor schaatsenrijders op een bevroren gracht, de walmuur met de Hezelpoort (links) en de St. Hubertusmolen (Havenmolen) (op de achtergrond) ; een doek van Peter Martinus Post (Nijmegen 17 oktober 1819 – 2 juni 1860), datering 1850 (F56789 RAN)
De Kronenburgertoren (Kruittoren) (uit 1425-1426) ; een aquarel van Gerrit van Druijnen (22-2-1825 – 25-6-1876), datering 1850 (F56793 RAN)
Naam Kruittoren
Het dak van de Kruittoren (Monumentendag 10-9-2024)
Naast Kronenburgerpark toren wordt de toren ook Kruittoren genoemd. Opvallend dat de toren maar enkele tientallen jaren deze functie heeft gehad: vanaf 1850 was de Kronenburgertoren de plaats waar het kruit in vredestijd was opgeslagen.
Zoals Schevichaven opmerkt, is de naam “Kruittoren” gebonden aan deze functie. En kan deze naam in de loop der tijd verschuiven, op het moment dat in een andere toren het kruit wordt opgeslagen. Tot 1815 had de toren, die wij vooral kennen onder de naam Belvedère, deze functie.
Eigendom Rijk en huur Tuinonderhoud
Om te voorkomen dat de toren zou worden gesloopt, bleef deze eigendom van de Staat. Tot 15 januari 2016 was de Rijksgebouwendienst eigenaar. Vanaf 2016 is de Stichting Monumentenbezit eigenaar van de toren.
In 1883 huurt de gemeente de Kronenburgertoren van de Staat voor f1, aanvankelijk om hier het tuingereedschappen voor het onderhoud van de park te kunnen bergen. ( PGNC 31/7/1883). Deze regeling zal tussen het Rijk en de gemeente jarenlang blijven gelden en wordt elke 5 jaar vernieuwd. In ieder geval tot in de jaren 50 vindt de betaling van 1 gulden plaats.
(PGNC 15/11/1887, PGNC 5/1/1893, PGNC 6/2/1898, De Gelderlander 28/6/1903, De Gelderlander 13/5/1908; in 1913, PGNC 13/1/1913, PGNC 17/8/1918, PGNC 12/5/1923, PGNC 13/6/1928, PGNC 22/3/1933, PGNC 1/3/1939)
Onderhoud 2022
Kronenburgertoren ingepakt vanwege onderhoud, oktober 2022
Na de restauratie van Cuypers zijn er nog verschillende onderhoudswerkzaamheden geweest, in ieder geval in 1941 en begin van de jaren 50.
Vorig jaar, 2022, vonden de laatste onderhoudswerkzaamheden plaats: loszittend of ontbrekend metselwerk aan de kantelen wordt hersteld, waar nodig het voegwerk en herstel van natuursteen en de dakbedekking van de omloop werd gerenoveerd. Daarnaast vonden er verfwerkzaamheden plaats, waarbij de windvaan opnieuw werd verguld.
Zoals te zien op de foto, was de toren in die tijd opvallend rood ingepakt.
Huidig gebruik: Atelier en museum
Grootmoeders keuken in de Kronenburgertoren (september 2024)
De kunstenaar Johan van Dinteren heeft hier ongeveer 40 jaar zijn atelier. Daarnaast is Grootmoeders keuken er gevestigd, waar je bij een kop koffie allerlei oude keukenspullen kunt bekijken.
Beeld, liggend op de omloop van de Kruittoren (september 2024)
Bronnen
Weerspiegeling Kruittoren in de vijver (oktober 2024)