Franciscus van Broeckhuijsen was een aannemer, die daarnaast ook zelf panden heeft ontwikkeld. Waaronder een aantal panden aan de Dominicanenstraat, op de percelen naast zijn eigen huis.
Een lezer schreef: “Heb je toevallig meer informatie over de F van Broeckhuijsen. Ik weet verder niet heel veel over deze architect alleen dat hij naar mijn mening 3 mooie werken heeft geleverd.
Uit de tot nu toe gevonden gegevens lijkt van Broeckhuijsen vooral aannemer te zijn geweest. Wel zijn inmiddels een aantal bouwtekeningen gevonden, waarbij van Broeckhuijsen (waarschijnlijk) de architect is geweest: zijn naam staat althans op de tekening.
Deze pagina zal in de loop der tijd worden aangevuld, waarbij gefocust zal worden op de panden die van Broeckhuijsen zelf heeft ontworpen.
Franciscus van Broeckhuijsen
Franciscus van Broeckhuijsen Dominicanenstraat 153 (Bevolkingsregister 1910)
Franciscus van Broeckhuijsen is geboren op 2-7-1854 te Winssen. Zijn ouders zijn Michiel Franciscus van Broeckhuijsen, zonder beroep en Petronella Croonen (OpenArchieven)
Op basis van de bouwtekening D12.377958 (voor Dominicanenstraat 137, zie hieronder) blijkt van Broeckhuijsen in ieder geval in 1901 al op de hoek van de Dominicanenstraat en de van Nispenstraat te wonen. Ter rechterzijde is er alleen een verwijzing naar het “R.K. Kerkhoff”.
Op 19 juli krijgt Broeckhuijsen een voorwaardelijke hinderwetvergunning voor: “ 19 Juli, voorwaardeliik aan F. van Broeckhuijsen, ten behoeve zijner timmerinricbting in het perceel Dominicanenstraat no. 153, kad. bek. Hatert, sectie A, no. 3874” (Gemeenteverslag 1910) … “eene door elektriciteit gedreven inrichting voor houtbewerking” (PGNC 23/7/1910)
Het gezin bestaat dan uit:
Franciscus van Broeckhuijsen (2-7-1854 Winssen – 13-3-1917), zijn beroep is dan “timmerman”
Antonetta Bernulij (11-5-1852 Druten), zijn vrouw
Petronella Helena (20-4-1887), dochter. Zij komt op 28-7-1900 naar Nijmegen vanuit Vlijmen en zal op 18-6-1919 vertrekken naar Druten
Egilius Petrus (2-6-1888), zoon. Hij heeft als beroep “timmerman” en trouwt op 29-7-1919
Dominicanenstraat
Van Broeckhuijsen zal in de beginjaren van 1900 een aantal panden bouwen op de nog lege ruimte tussen de panden van Lamers en zijn eigen huis op Domicanenstraat 153:
Dominicanenstraat 137
Dominicanenstraat 141
Dominicanenstraat 143-147a
Daarbij lijkt in ieder geval voor nummer 137 een “eigenaar” in de vorm van bakkerij Bernards; Domicanenstraat 139 is niet door van Broeckhuijsen uitgevoerd. Mogelijk zijn de nummers 141 en 143-147a voor eigen rekening gebouwd.
Dominicanenstraat 137 Bakkerij Bernards
Bouw van een winkel bakkerij en woonhuis Dominicanenstraat 137 (D12.377958)
Op 2-2-1900 heeft de gemeente het verzoek ontvangen voor de “vergunning tot het oprichten van eene bakkerij op het perceel aan de Domicanenstraat, kadastraal bekend Hatert, Sectie B, no. 23?6”.
De eigenaar is dan J.A. Bernards, de “uitvoerder” F. van Broeckhuijsen.
De deur links is de opgang naar een bovenwoning (zie hieronder). Daarnaast bevindt zich de winkel van de bakkerij, met de ingang in het midden. De winkel beslaat slechts een klein deel van de oppervlakte. Daarachter bevindt zich het woongedeelte en een open plaats.
Weer daar achter is de feitelijke bakkerij met bakkerij oven en tenslotte een kleine tuin.
Bouw van een winkel bakkerij en woonhuis, Dominicanenstraat 137, Eigenaar J.A. Bernards, uitvoerder F. van Broeckhuijsen, datum bouwdossier 26-1-1900 (D12.377958)
In het Adresboek van 1901 komt J.A. Bernards, broodbakker, voor op Dominicanenstraat 137. Afgaande op het Bevolkingsregister van 1910 had Bernards een groot gezin. Daarbij blijkt uit bouwtekening dat D12.377958 zowel de begane grond als de eerste verdieping een keuken heeft: was de bovenwoning in gebruik door een (deel)gezin van Bernards?
Familie Bernards, Dominicanenstraat 137, Bevolkingsregister 1910
In een advertentie van 1924 is het nog “Electr. Brood- en Beschuitbakkerij J. A. Bernards” (De Gelderlander 30/1/1924); in 1932 woont J.A. Bernards inmiddels op Hobbemastraat 28 en komt L.J.G. Bernards, bakker, voor op de Domincianenstraat. In De Gelderlander 26/7/1946 (advertentie voor de aankondiging van de vakantie voor bakkers) is het L. Bernards.
Dominicanenstraat 141
Bouwen van benedenwoning en bovenwoning, Dominicanenstraat 141, eigenaar F. van Broeckhuijsen, datum bouwdossier 29-6-1900 (D12.377956)
Dominicanenstraat 143-147A
Bouw 2 boven- en 2 benedenwoningen, Dominicanenstraat 143-147a (huidig), F. van Broeckhuijsen, datum bouwdossier 24-03-1903 (D12.378472)
Het blijkt dan om de percelen Sectie A No 2399 en 2400 te gaan (D12.382135)
“Op 24 maart 1903 werd aan F. van Broeckhuijsen vergunning verleend voor de 2 Boven- en 2 Benedenwoningen in de Dominicanenstraat” (huisnummers 143 t/m 147A) (Rob Essers op Noviomagus).
Postkantoor
1899 Dorpsstraat 16/18 Hees
Op Noviomagus.nl staat de bouwtekening weergegeven van de “Dorpsstraat 16/18” in Hees, welke in 1899 is gebouwd. Hetzij direct gebouwd als postkantoor, hetzij dat het pand al spoedig in gebruik is genomen als postkantoor. Op Noviomagus staat veel informatie over dit gebouw met daarbij een aantal foto’s.
Groesbeeksedwarsweg 175-183
Op de bouwtekening staat F. van Broeckhuijsen weergegeven. (D12.378526, Datum bouwdossier 14-7-1903, datum tevens in verso weergegeven op de tekening).
Bij de aanleg van de huisriolering (D12.383214, datum bouwdossier 12-11-1912) staat op bouwtekening “De Eigenaar F. van Broeckhuijsen” weergegeven. Het betreft “Gemeente Hatert, Sectie A 3266-3267-3268-3269-3460-3461-3462”
Daarnaast zijn een aantal vermeldingen gevonden, waarbij nog niet duidelijk is welke panden het betreft en welke rol van Broekhuijsen heeft gehad:
Aanvraag Bouwvergunning voor Dommer v. Poldersveldtweg- 4 Arbeiderswoningen (Gemeenteverslag 1901)
St. Geertruidastraat. 1 Met pakh en werkpl. (Gemeenteverslag 1902)
In april 1902 heeft van Broeckhuijsen de Bloemkwekerij “Koninginnelaan” gelegen onder Nijmegen en Hees aan de Voorstadslaan groot 54.84 A” voor f6400 gekocht (PGNC 23/4/1902). Waarschijnlijk/mogelijk relateert deze koop aan de bouw van de woningen op Voorstadslaan 51-53
De ULO-School, later het Karel de Grote College, op de hoek met de Wedren (Rechts), 18-3-1963 (Fotopersbureau Gelderland via F20143 RAN CCBYSA Auteursrechthouder J.F.M. Trum)
In september 1956 opent de U.L.O. aan de Wilhelminasingel. Het is een ontwerp van Charles Estourgie (jr.). Tegenwoordig is het gebouw onderdeel van het Karel de Grote College.
“Op de Wedren is geleidelijk-aan een uiterst belangrijk scholencentrum van de Zusters J.M.J. ontstaan” schrijft de Gelderlander bij de opening van de U.L.O. op de Wedren, welk op 11 september 1956 officieel wordt geopend. De Zuster J.M.J. zijn de “Zusters Sociëteit van JMJ, van Jezus, Maria en Jozef”, ook “Het zedelijk lichaam Vereniging van Vrouwen tot het geven van onderwijs” geheten. Foto’s uit 1956 zijn onder andere te vinden op:
In september 1956 (“vanmorgen”) zegende de Deken van Nijmegen, Mgr. C.J.E.N. van Dijck de nieuwe school aan de Wilhelminasingel in. Het is de nieuwe r.-k. ulo voor meisjes van de zusters van JMJ.
De school is bestemd voor 260 leerlingen. De architect is Charles Estourgie (Jr.) en de bouwer Gebr. Oosterhout uit Wijchen. Het is een zogenaamde gangschool in de stijl van de “shake hands” architectuur. Deze “ bestaat uit een lange gang met toiletten en garderobes aan de noordzijde, en een reeks leslokalen met grote ramen op het zonnige zuiden met links invallend daglicht. Een doelmatige maar ook kostbare opzet want relatief veel vierkante meters verkeersruimte.” Daarbij is het gebouwd in de stijl van de “shake hands” architectuur. (Schoolgebouwen 1945-1968)
De school kwam binnen een jaar tot stand. Ook zal hier het avondlyceum worden gevestigd. Op dat moment wachten de Zusters J.M.J. op de bouwvergunning om ook een kleuter- en Montessorischool te bouwen. Uiteindelijke zou het RK complex bestaan uit een klooster, kleuter-, lagere en U.L.O. school.
De U.L.O. zat nog op de Oude Stadsgracht, waar de kleuterschool en Montessorischool voorlopig nog gevestigd is. Bovendien is de opleiding voor Montessori-onderwijs en de school voor de Sint-Jorisstichting voor meisjes met leermoeilijkheden naar dit pand gegaan. De bedoeling is om het pand te slopen nadat het verlaten is.
Bouw
Boven de entree bevindt zich een beeldhouwwerk van Marius van Beek. Dit stelt de boom der wijsheid voor. Hier tegenaan staan leerlingen op een ladder, die door een leraar wordt ondersteund. Daarbij hoort de spreuk: “vervult u met de vruchten die ik draag’.
“Komt men het gebouw binnen, dan valt op hoe ruim en mooi alles is ingericht. Aan de trappenhal grenst een ruimte welke voor ouderavonden, voor recreatie en voor bijzondere gelegenheden wordt bestemd. Behalve de begane grond heeft het gebouw twee bovenverdiepingen, met in totaal zes klaslokalen en meerdere bijzondere lokalen. Op de eerste verdieping rechts is het natuurkundelokaal, dat uiterst modern en praktisch is ingericht. De leerlingen kunnen hier, dank zij de outillage, zelf proeven nemen. Dit lokaal zal ook voor het vertonen van films dienst doen.
Op de tweede verdieping is een groot, ruim lokaal voor handwerk en handenarbeid. Verder zijn er meerdere vertrekken voor de leerkrachten in het gebouw en een spreekkamer, welke tegelijk voor het hoofd van de school bestemd is.” (De Gelderlander 29/8/1956, tevens bron)
Bij de Opening
Van Dijck wijst er op, dat het belang van de school niet alleen ligt dat de meisjes hier “meer kennis op zouden doen, maar dat ook hun ziel er gevormd zou worden.”
De wethouder van onderwijs mr. J.J. de Haas noemt het grote tekort aan scholen. En hoopt dan ook, dat de plannen voor het complex van scholen op de Wedren snel gerealiseerd zullen worden. En niet langer hoeven de zusters “Zusters van de Oude Stadsgracht” genoemd te worden.
De inspecteur van onderwijs drs. J.G.L. Ackermans hoopt dat hij de warme en menselijke sfeer die hij op de school aan de Oude Stadsgracht zo prettig vond, ook in de nieuwe school zal vinden. Ook hij wijst op de ontwikkeling van de kinderen: “Het behalen van het diploma is niet langer het voornaamste, maar het brengen van de cultuur bij de kinderen, die uit alle lagen van de bevolking naar de ulo stromen, is een eerste taak van deze school geworden.” (De Gelderlander 11/9/1956)
De Sociëteit van Jezus, Maria en Jozef (kortweg de Zusters van J.M.J.) is een kloosteorde, welke in 1823 in Amersfoort is gesticht. Aanvankelijk hielden deze zusters zich bezig met ondewijs, voor ‘meisjes uit het volk’. Later kwam daar bejaarden- en gezondheidszorg bij.
Vervolg
Tegenwoordig is de school onderdeel van het Karel de Grote college. Zij breidde in 1993 en 2005-2006 uit en liet de school intern verbouwen. Naast de genoemde boom is er binnen een kunstwerk van een zaaiende boer.
Waardering
De Quickscan: “Van groot cultuurhistorisch belang vanwege de belevings- en herinneringswaarde voor grote groepen kinderen die hier zijn gevormd en vervolgonderwijs hebben genoten; als herinnering aan de verzuilde vroeg-naoorlogse samenleving (RK meisjes (M)ULO) en het werk van de Vereniging van Vrouwen tot het geven van Onderwijs; als toonbeeld van de verzorgingsstaat in opbouw waarin voorzieningen voor vervolgonderwijs gelijke tred moesten houden met de ongekende groei van de bevolking en sterke uitbreiding van de stad.
Van architectuurhistorisch belang als gangbaar voorbeeld van het type gangschool, uitgevoerd in een sobere maar verzorgde architectuur van Estourgie met geïntegreerde kunstuitingen; echter de uitbouw aan de achterzijde en de interne verbouw van de aula doen sterk afbreuk aan de gaafheid.
Van stedenbouwkundig belang vanwege de ligging binnen de beschermde 19de eeuwse stadsuitleg, als onderdeel van een scholencluster met voormalig klooster en als beeldbepalende straatwand”.
Oude postkantoor, hoek van Schevichavenstraat – van Broeckhuysenstraat, ontworpen door C.H. Peters 1908. Tegenwoordig een Albert Heijn (mei 2025)
In 1907 gaf de rijksoverheid opdracht tot de bouw van een nieuw hoofdpostkantoor in Nijmegen. Hiervan was Rijksbouwmeester Cornelis Peters de architect.
Voorgeschiedenis
Tot 1848 waren de posterijen particulier initiatief. Dit veranderde met de Grondwetswijziging van 1848: de posterijen zijn gegroeid en de staat heeft hiervoor een dienende taak. Daarom wijst de staat vanaf 1850 ongeveer 90 postkantoren aan: meestal in de vorm van een dienstwoning voor de directeur die dienst doet als postkantoor. Echter: bij een nieuwe directeur was dan meestal een nieuwe locatie nodig. Daarom streeft het Rijk vanaf 1869 naar permanente vestigingen.
In deze periode gaan het post- en telegraafbedrijf steeds meer samen. Tot 1893, de oprichting van de PTT, blijven het echter aparte afdelingen.
Vooral in de jaren 80 en 90 groeit de dienstverlening sterk, mede door de invoering van nieuwe diensten.
In Nijmegen kwam in 1891 een hoofdpostkantoor in een oud herenhuis, op Lange Hezelstraat 14-16. Het telegraafkantoor dat voorheen in de Waag zat, kwam op het achtererf van een aanpalend nieuw gebouw, aan de Begijnenstraat.
Architect Peters en de bouw van een nieuw postkantoor
Postkantoor 1910 van Schevichavenstraat architect Peters
Het bestaande gebouw werd te klein en daarom werd besloten tot de bouw van een nieuw kantoor. Het ontwerp was van Cornelis Peters, Rijksbouwmeester.
“Postkantorengotiek”
Postkantoor van Schevichavenstraat Nijmegen architect Peters (F89703 RAN)
Peters zou 108 postkantoren ontwerpen. Hij was een leerling van Cuypers. Omdat veel ontwerpen van postkantoren op elkaar zouden lijken, wordt er regelmatig gesproken over ‘postkantorengotiek’. Terecht? Onder invloed van Cuypers, was zijn stijl neogotiek, met invloeden van de renaissance. Wikipedia noemt dat deze renaissance invloed afneemt, terwijl die van de “romanogotiek” steeds belangrijk wordt. Het PGNC 24/1/1907 over de stijl van het postkantoor: “De stijl -wij meenen Hollandsche renaissance- herinner aan verschillende in den laatsten tijd elders verrezen rijks-gebouwen“. Ook de tekst tot aanwijzing tot Gemeentelijk Monument noemt het “late neorenaissance”
In 2021 zijn 40 van de 108 postkantoren die Peters heeft ontworpen gesloopt. Een overzicht van 33 foto’s van deze gesloopte kantoren staat op “De gesloopte postkantoren van Rijksbouwmeester Peters” (tevens bron).
Indeling
Oude postkantoor, van Schevichavenstraat (mei 2025)
Op de begane grond bevond zich de afdeling ‘Posterijen’, op de bovenverdieping de ‘Technische Telefoondienst’ en de ‘Telefooncentrale’. Zie ook het verslag van de opening hieronder.
Cornelis Peters
Cornelis Hendrik Peters (Groningen, 1 januari 1847 – Den Haag, 19 december 1932), architect en architectuurhistoricus.
Hij is vooral bekend door zijn ontwerpen van 40 postkantoren en daarnaast van andere overheidsgebouwen als rijksbouwmeester. Ook schreef hij belangrijke pulicaties over architectuurgeschiedenis. Bekende gebouwen zijn het Hoofdpostkantoor in Amsterdam 1895-1899) en het Ministerie van Justitie in Den Haag (1876-1883). Hij trouwt in 1882 met Leentje Knoop, met wie hij 3 kinderen krijgt.
Jeugd en opleiding
Peters werd als enig kind geboren in Groningen. Hij bezocht het Stedelijk Gymnasium om dominee te worden, maar verliet de school voortijdig. Daarop werd hij in 1862 leerling van de architect A. Breunissen Troost in Sneek, die bovendien directeur was van de plaatselijke gasfabriek.
Op voorspraak van Breunissen Troost kon hij in 1867 zijn leertijd vervolgen bij P.J.H. Cuypers in Amsterdam. Daar was hij op dat moment de enige protestant. Hij leerde hier het neo-gotische werk van E.E. Viollet-le-Duc kennen. Al in hetzelfde wordt hij gestuurd als hoofdopzichter van de bouw van de Sint-Vituskerk in Blauwhuis.
In 1869 wordt Peters directeur van de gasfabriek in Bolsward. Daarnaast vestigt hij zich hier als architect. In 1870 is hij bij de bouw van de Sint-Martinuskerk in Sneek weer hoofdopzichter voor Cuypers. In 1873 gaat hij werken als bureauchef in het atelier voor kerkelijke kunst Cuypers & Stoltzenberg. Daar vertrekt hij in 1875, waarschijnlijk vanwege zijn gezondheid, om enkele maanden te gaan werken bij de behangfabriek Zeller & Co.
Post- en Telegraafkantoor gebouwd in 1908 naar een ontwerp van de architect Cornelis Hendrik Peters bekend door zijn vele ontwerpen van postkantoren en overheidsgebouwen; later is het pand bij het gemeentehuis getrokken, Berg en Dal Heerbaan 156 Millingen aan de Rijn, 1908-1920 (H. v.d. Velden, Millingen via F92646 RAN)
Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën
In 1876 wordt Peters benoemd tot Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën dankzij Cuypers en zijn medestander Victor de Stuers. Zij hoopten daarmee hun positie te versterken in hun streven naar een nationale bouwstijl. Deze zou een combinatie moeten zijn van neogotiek, met elementen van de neorenaissance.
Door de benoeming van een protestant konden ze daarmee beschuldigingen pareren dat de overheidsbouw beheerst werd door katholieken. De officiële taak van Peters was het ontwerpen van post- en telegraafkantoren. Bij de invoering van Postwet in 1870 was hier grote behoefte aan. Hij zou echter de eerste jaren vooral werken aan de bouw van het nieuwe ministerie van Justitie in Den Haag.
Rijksbouwkundige voor de Landsgebouwen bij het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid
Vervolgens wordt Peters in 1878 aangesteld als Rijksbouwkundige voor de Landsgebouwen bij het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Daarbij kreeg hij een bouwkundig bureau met assistenten. Ook zijn werkterrein wordt groter, waaronder dat van restauraties. Een belangrijk voorbeeld is de restauratie van de Ridderzaal in Den Haag. Bij de splitsing in 1884 in noord en zuid Nederland, krijgt Peters het noorden als werkgebied aangewezen. Hij is dan intussen Rijksbouwmeester.
“Zijn bureau was in het laatste kwart van de 19e eeuw verantwoordelijk voor het ontwerp van ongeveer veertig postkantoren, in eerste instantie steeds uitgevoerd in de door Cuypers bedoelde neogotische stijl met renaissance-invloeden. Geleidelijk liet hij zich steeds meer inspireren door de Groningse romanogotiek uit de 13e eeuw, wat vooral tot uiting kwam in met nissen versierde topgevels. De invloed van de renaissance nam af, al verdween deze nooit helemaal uit zijn werk.” (wikipedia, tevens belangrijke bron van deze paragraaf). Daarbij wordt het hoofdpostkantoor in Amsterdam, gebouwd tussen 1895-1899 gezien als zijn belangrijkste en “meest extravagante werk”
Naast zijn werkgebied, nam Peters een aantal andere opdrachten aan. Een daarvan was het station in Nijmegen. In 1915 gaat Peters met pensioen, hoewel hij actief blijft als schrijver, restauratie-architect en het geven van voordrachten. Peters overlijdt in 1932.
Verbouwing
oude postkantoor van Broeckhuysenstraat (mei 2025)
“In de loop der jaren werd het een en ander aan het grootse complex versleuteld. In 1935 viel de directeurswoning onder de slopershamer, later verdwenen de grote dakkapellen en een klokkentorentje op de binnenplaats. De gevel aan de Van Broeckhuysenstraat werd na de Tweede Wereldoorlog in dezelfde stijl verlengd.” (Noviomagus)
Gemeentelijk monument
Het gebouw is een Gemeentelijk monument sinds 16-10-1996. Formele tekst van het besluit tot aanwijzing: “…Markant gelegen monumentaal pand van goede verhoudingen. Interessant als één van de laatste voorbeelden van grote openbare gebouwen, met name postkantoren, in late neorenaissance stijl.”
In 2004 kocht woningcorporatie Talis het gebouw aan. Inmiddels hadden de ruimtes op de verdiepingen al 20 jaar leeg gestaan. Talis wilde het pand verbouwen tot 26 huurappartementen n de vrije sector. Daarbij kwamen 14 appartementen in het oude pand en 12 in een nieuw te bouwen deel. En daarnaast tot 2 winkels op de begane grond en in het souterrain. De commerciële was 2000 m2 groot.
De doelstelling was om zo veel mogelijk ruimte te geven voor de nieuwe gebruiksfunctie. Maar tevens met behoud van de cultuurhistorische waarde. Bovendien maakte de reeds bestaande bebouwing qua ruimte en gevoeligheid het project extra complex, waardoor er een zeer zorgvuldige benadering van dit project nodig was.
Na een bezwaarprocedure (over de maximum toegestane verhouding van de oppervlakte winkelruimte) kon uiteindelijk, zonder aanpassingen van het plan, in 2008 begonnen werden met de bouw.
Het ontwerp was afkomstig van Van de Looi en Jacobs architecten. De bouwer was Giesbers-Wijchen Bouw. De bouwkosten bedroegen 4,4 miljoen euro.
De gemeente Nijmegen verleende een subsidie in het kader van de regeling “Wonen boven winkels”. Deze subsidie werd gesaldeerd met het bedrag dat Talis zou moeten betalen aan het parkeerfonds van de gemeente, aangezien er op eigen terein onvoldoende mogelijkheden waren om parkeerplaatsen te maken.
Deze verbouwing werd genomineerd als BNA gebouw van het jaar en de Houtbouwprijs en de Architectuurprijs van Nijmegen 2009.
Overleg Monumentenzorg
Bij de realisatie van het project vond overleg met de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Nijmegen plaats: het oude gebouw moest zo veel mogelijk in oude staat worden hersteld. Aanbouwen aan de achterzijde, die een lage monumentale waarde hadden, mochten worden gesloopt om hier nieuwbouw te realiseren. “De nieuwbouw vormt een stijlvolle toevoeging aan het monument en doet recht aan de oorspronkelijke architectonische visie.”
14 appartementen oude gedeelte
In het oude gedeelte kwamen 14 huurappartementen. Zij hebben een stramien van vier meter, welke overeenkomt met het oorspronkelijke stramien. “In de monumentale voorbouw is een extra verdieping gerealiseerd door de bestaande verdiepingsvloer te verwijderen en twee verdiepingsvloeren terug te plaatsen.“ (Croes)
Wel bleef de “sloop van een deel van een gemeentelijk monument blijft een hachelijke onderneming, ook al heeft dat deel geen enkele architectonische, monumentale waarde (in dit project scheelde het weinig of de Commissie Beeldkwaliteit had bepaald dat een grote zaal behouden zou moeten blijven, vanwege de sociaal-culturele waarde).” (Herbestemming.nl)
Trillingen
Uiteindelijk was de bouw wat duurder en lastiger dan aanvankelijk gedacht.
Er moest rekening gehouden worden met het naastgelegen KPN-gbouw. Hier was belangrijke, trillinggevoelige apparatuur geïnstalleerd. Daarom moesten de verbindingen tussen beide gebouwen worden doorgezaagd, zodat deze apparatuur geen last had van contracttrillingen Ook het slopen moest voorzichtig gebeuren. Daarbij was het verzekeringsbedrag van het project, vanwege de hoge kosten van eventuele gevolgschade, zo hoog dat een middelgrote aannemer deze niet kan verzekeren.
Houtskeletbouw
Een andere moeilijkheid was, dat de exacte draagkracht van de fundering niet bekend was. Daarom werd voor de bouw van de 12 nieuwe appartementen op de bestaande fundering voor lichte houtskeletbouw gekozen. Deze moesten echter ter plekke in elkaar gezet worden, vanwege de beperkte grootte van de bouwplaats. De appartementen hebben 2 etages en hebben dezelfde stramienmaat als het oude gedeelte.
“Alle appartementen worden ontsloten vanuit een hofruimte gelegen op de 1e verdieping tussen de oudbouw en de nieuwbouw. In de bestaande wand langs deze hofruimte zijn de entrees naar de woningen ‘uitgesneden’ en zijn de aanhechtingen van het verwijderde deel zichtbaar, als ‘stille getuigen’ van de ingreep.” https://vandelooivanaken.nl/project/monument-herbestemming-transformatie-verbouw-renovatie-voormalig-postkantoor-nijmegen/ Bovendien vormt hout een mooi contrast met het bakstenen postkantoor.
Albert Heijn
Oude postkantoor, nu Albert Heijn, van Schevichavenstraat (mei 2025)
De winkels op de begane grond waren noodzakelijk om de kosten van de appartementen gedeeltelijk te dekken: de stichtingskosten van de appartementen waren met € 1600/m2 BVO excl. btw aan de hoge kant; zij bedroegen meer dan 8 maal de huur in 50 jaar. Op de begane grond kwam een Albert Heijn en een sportzaak.
Bij de opening van de Albert Heijn in september 2008 schrijft de Gelderlander: “Subtiele AH-belevenis – Geen overdaad aan reclame-uitingen op de eerbiedwaardig oude muren. Er is alleen een lichtbakje met het overbekende AH-logo.”
De winkel is ingericht als een stadssuper, dan (nog) gericht op een snelle doorstroming: met 700 vierkante meter een relatief kleine winkel. “Veel klanten op een dag, geen wagentjes, wel mandjes. Onze klanten hebben wat te besteden en hebben weinig tijd.”
Daarbij was de Albert Heyn in ieder geval in mei 2020 dicht vanwege een verbouwing “tot ‘het nieuwste winkelconcept van Albert Heijn met meer vers en de nieuwste snufjes’, heet het.” (Albert Heijn in centrum van Nijmegen gaat twee weken dicht, Jacqueline van Ginneken in de Gelderlander, 3-5-2020)
Van de Looi en Jacobs Architecten
Het bureau Van de Looi en Jacobs Architecten (tegenwoordig Van de Looi Van Aken Architecten) is in 1987 opgericht door Frans de Looi en Henk Jacobs en gevestigd in Huissen. “Het bureau werkt aan het ontwerpen van gebouwen en interieurs en aan het uitdenken van kleinschalige stedenbouwkundige plannen.” (Architectuur.org) Het bureau heeft tot 2018 bestaan. In 2019 ging van de Looi aanvankelijk verder als van Looi architecten.
Dick van Aken was bij dit bureau als architect werkzaam tussen 1999-2013, waarbij hij lid was van het projectteam bij het oude postkantoor van Nijmegen. In 2014 begon Dick van Aken zijn eigen bureau Dick van Aken Architectuur. Aanvankelijk bestond de relatie tussen van Looi architecten en van Dick van Aken Architectuur uit 2 afzonderlijke bureaus die veel met elkaar samenwerkten, totdat ze fuseerden tot Van de Looi Van Aken Architecten. Dit bureau is nu (mei 2025) gevestigd in Arnhem.
Wanneer het bureau in 2010 exposeert worden, naast het oude postkantoor de projecten van de nieuwbouw van het “medisch centrum met appartementen te Hatert en de herstructurering van het wijkcentrum Horstacker met nieuwbouw Gezondheidscentrum Lindenholt”.
Prijzen en nominaties
In 2010 worden een aantal prijzen en nominaties genoemd. Daarbij is het overzicht aangevuld met andere gevonden prijzen:
Prijzen
1993 de Stadsontwikkelingsprijs van de Gemeente Huissen
Een omlaaghangende en een nog hangende W op het postkantoor van Schevichavenstraat (mei 2025)
2 hangende W’s aan het oude postkantoor, van Broeckhuysenstraat (mei 2025)
Een van de bijzonderheden aan het gebouw is de al jaren omlaaghangende “W” aan de kant van de van Schevichavenstraat.
De Van Broeckhuysenstraat laat zien dat het óók mogelijk is dat beide recht kunnen hangen.
Wat de betekenis van deze ‘W’s’ is, is mij (RE) nog niet bekend.
Verslag opening in 1908
Het PGNC schrijft bij de opening in 1908:
“Het nieuwe Postkantoor
De leden van de Nijmeegsche Handelsvereeniging zullen door de welwillendheid van heeren direceteuren van Posterijen en Telegrafie-Telefonie, morgenmiddag om 2 uur worden toegelaten tot bezichtiging van het nieuwe gebouw aan de van Schevichavenstraat, dat thans geheel gereed is om in gebruik te worden genomen en ten deele, wat betreft de lokalen bestemd voor den Rijkstelefoondienst, reeds in gebruik genomen is. Bij de opening van de Rijkstelefoon-exploitatie, hebben wij reeds eene uitvoerige beschrijving gegeven van het practisch ingerichte, ruime lokalen voor dezen dienst bestemd, die op de eerste etage in den rechtervleugel van het gebouw gelegen zijn. Daarop behoeft thans dus niet te worden teruggekomen. Doch de geheele inrichting van Post- en Telegraafkantoren, die in het beneden-gedeelte zijn gelegen, is wel een extra woord van waardering waard.
Het uitwendige van het uitgebreide gebouw, dat gelegen is op den hoek van Broekhuijzenstraat en de van Schevichavenstraat, met den hoofd-gevel aan deze laatste straat, doet aangenaam aan. Het is niet een van die monumentale paleizen, zooals men die in het buitenland vaak voor den openbaren dienst ziet opgericht, doch een kloek en toch eenvoudig gebouw, opgetrokken in denzelfden stijl als vele elders opgerichte rijksgebouwen, van frissche baksteen en in aangenaam aandoende verhoudingen. De toren, die voor den Telefoondienst bestemd is, geeft aan den indruk van het geheel een gewenschten afwisseling.
De hoofdingang voor het publiek ligt in de van Schevichavenstraat. Treedt men door de ruime deuren binnen, dan komt men in een gang, die met glazen tochtdeuren leidt naar de ruime hal, voor het publiek bestemd, waaraan de linkerzijde de loketten voor den dienst der Posterijen en ter rechterzijde die voor de Telegrafie uitkomen, terwijl de postpakkettendienst aan achter- en rechterzijde zijne loketten heeft. De hal is met bovenlicht uitstekend helder en in het midden daarvan staat een ruime lessenaar met vakken voor correspondentie. De vloer is afwisselend met groote witte en blauwe steenen belegd, terwijl de eikenhouten betimmering aangenaam aandoet. Een goede maatregel voor orde en netheid is de plaatsing van manden, waarin men papier werpen kan. In deze hal zijn ook de nette koperen loketjes aangebracht met nummers er op, voor het afhalen van brieven door hen, die daarvoor het vereischte recht betalen. Dit is dus het gedeelte wat het publiek ziet, doch wat men niet ziet, neemt een veel grootere ruimte in.
De diensten van Posterij en Telegrafie zijn geheel van elkaar gescheiden en hebben elk hun afzonderlijke ingangen voor personeel enz., die op de plaats, welke ter rechterzijde van het gebouw ligt, uitkomen.
De Posterijen-afdeeling bevat, behalve een afzonderlijk gedeelte voor de Postspaarbank met een wachtkamer, die in de hal uitkomt, een fraaie directeurskamer, een ruim lokaal voor de ambtenaren achter de loketten, eene zaal voor het ontvangen en verzenden der posten, een afzonderlijk lokaal met vakken rondom voor den Pakketdienst, een ruim lokaal, waar de bestellers hun loopen uitzoeken, wachtkamer voor de bestellers, garderobes enz. Alles keurig gemeubeld met eikenhouten kasten, schrijftafels, loketten enz, al te gader zaken om een gemakkelijken, vluggen en geregelden gang van zaken te bevorderen.
De afdeeling van de Telegrafie, uit den aard der zaak van kleiner omvang, heeft een directeurskamer, een lokaal voor de telegrafisten, een ander lokaal voor het technische materiaal, een ruime wachtkamer voor de boden enz. enz., alles eveneens op keurigen voet ingericht.
Het geheele gebouw is van electrische verlichting en centrale verwarming voorzien. De stook-inrichting hiervoor bevindt zich in het ruime sousterrain, wat ook de bezichtiging overwaard is, omdat men hier ziet hoe de draden voor Telegrafie en Telefonie zijn binnengeleid en gevoerd naar de verschillende afdeelingen.
Door het geheele gebouw zijn automatische klokken aangebracht.
Als geheel maakt het inwendige van ons nieuwe Postkantoor een flinken indruk en wij gelooven wel, dat het ook bij toename van het verkeer, wat hier niet uitblijven kan, langen tijd in de behoefte zal voorzien. Ook voor h.h. ambtenaren en beambten komt het ons voor een aangenaam werklokaal te zijn.
De dag der opening zal nader bepaald worden. Wij vernemen medio December. Dit houdt verband met de verlichting, waarvoor door de Gemeentelijke Centrale stroom geleverd zal worden.
Deze nieuwe inrichting voor een zoo drukke en in het verkeer diep ingrijpende zaak als Posterij, Telegrafie en Telefonie is een groote aanwinst voor onze stad- waarom wij het totstand komen daarvan met vreugde begroeten.” (PGNC 18/11/1908)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Vergaarbak aan het oude postkantoor, van Broeckhuysenstraat (mei 2025)
Hoek Lange Hezelstraat-Bottelstraat, voormalige Framy (april 2025)
Jarenlang zat op de hoek van de Lange Hezelstraat en de Bottelstraat de meubelwinkel Framy. Daarvóór was Coöperatieve Centrale Handelsvereeniging een belangrijke gebruiker, die bovendien een grote silo liet bouwen. Na het vertrek van Framy raakte het pand langzaam in verval. Na herstel, mede door het creëren van een hofje, werden oude elementen als de oude kloostermuur beter zichtbaar.
Middeleeuws
Restant oude kloostermuur, Halve Gas (april 2025)
Gezien vanaf de oude Hezelpoort in de richting van de Korte Hezelstraat (Thans Stikke Hezelstraat) in het midden de St. Stevenstoren. Links de Bottelstraat, 1874-1876 (F19170 RAN)
In de 15e eeuw stond hier het Kloosterhof Gravendael van de Cisterciënzer nonnen. Zij had meerdere woningen, die werden gebruikt als logeerverblijf voor ordeleden die de stad bezochten. Ook waren er stadsboerderijen. En was er een rentmeester, die de bezittingen beheerde. De toegang van het kloosterhof was aan de Bottelstraat.
Gezien richting Korte Hezelstraat later( Stikke Hezelstraat). Links de Bottelstraat, 1900-1906 (Collectie J.M.G.M Brinkhoff via D243 RAN)
Coöperatieve Centrale Handelsvereeniging
Coöp Centrale Handelsvereeniging G.A., Bottelstraat 10 (De Gelderlander 8-11-1945)
In de jaren 20 vestigt zich de Coöperatieve Centrale Handelsvereeniging (onstaan als inkooporganisatie voor mengvoer en mest van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond). De ligging was goed: dicht bij de haven. Daarnaast had Nijmegen veel stadsboerderijen. En ook was de Bottelstraat goed bereikbaar voor de boeren uit de omgeving.
In 1923 werd het pakhuis gebouw en de graansilo volgde in 1927. Al snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog begon Nijmegen haar belang als agrarisch centrum al snel te verliezen, vooral doordat de landbouw door de uitbreiding van de stad verdween. Daarop verhuisde de Boerenbond in de jaren 60 naar Grave.
De oorsprong van Framy lag in Geffen, waar de slager Frans van der Heijden tijdens of vlak na de Tweede Wereldoorlog in de meubelhandel terecht komt. Begonnen als een soort marskramer, was hij later een halletje begonnen in Geffen. Daar zou hij in de loop der jaren uitbreiden, totdat Geffen te klein werd.
Bovendien hoorde van der Heijden in 1967 van een voedervertegenwoordiger dat het gebouw van de Boerenbond vrij zou komen. Daarom begint hij Framy in Nijmegen: een samentrekking van zijn eigen naam Frans en van zijn vrouw Miet, waarbij de “ie” vervangen werd door een “y”. In de loop der jaren zal hij ook de naastliggende panden kopen.
Zijn opvolger, zoon Piet van der Heijden zal vervolgens in Nijmegen een 2e zaak openen -die in vlammen opgaat- en een zaak in Arnhem beginnen. “De zaken gingen voortvarend en vrijwel alle familieleden en aangetrouwden hadden een functie in het bedrijf. Als directeur, bedrijfsleider, verkoper, inkoper of als chauffeur. En zoals in de beste families, ging het ook bij Van der Heijden mis. Pierre: „Toen oma overleed ging de lucht er een beetje uit.”” (De Gelderlander) Daarna werden de winkels nog een tijdlang verhuurd.
Winkelcomplex van Framy Meubelen met woningen (op achtergrond de Lange Hezelstraat). (P.S. Wordt in 2017 gedeeltelijk gesloopt en gedeeltelijk verbouwd tot appartementen), 1970-1975 (Evert F. van der Grinten via F78227 RAN)
Een mooie foto van Framy uit 1975 is te zien op F63904 RAN.
Silo
Van der Heijden kon de silo niet gebruiken. Deze werd daarom dichtgemetseld. Wel zou de Radio Rataplan tijdens de Piersonrellen illegaal een antenne bovenop de silo plaatsen, om krakers op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
2008: vertrek naar meubelboulevard
In 2008 vertrekt Framy naar de meubelboulevard: het was steeds moeilijker geworden om een meubelzaak in het centrum te hebben. Klanten konden het centrum steeds moeilijker met de auto bereiken en konden niet meer parkeren. Daarnaast was het steeds moeilijker geworden de winkel te bevoorraden.
Steen opgedragen aan Framy, Bottelstraat (april 2025)
Atelier en leegstand
Na het vertrek van Framy hadden Jos van Riswick en Vincent Boelaarts hier vanaf 2010 nog een tijdlang hun atelier. Zie hun site: “Het oude pand van de Chr. Boerenbond met de markante graantoren uit 1920 die boven de bebouwing van de benedenstad uittorent, biedt genoeg ruimte om te werken en om werk te exposeren.”. Vaak was er in de etalage een filmpje te zien hoe een schilderij, meestal een stilleven, tot stand was gekomen (eigen herinnering).
Doordat het niet lukte om het gebouw te verkopen, raakte het pand steeds meer vervallen. Het werd daarbij genomineerd voor het lelijkste gebouw van Nijmegen. In 2015 was het gebouw naast het hierboven genoemde atelier in gebruik als meubelopslag (Mariken 2015 nr 5)
Verbouwing Het Magazijn
Bewaard gebleven onderkant van silo’s, Halve Gas (april 2025)
Dan volgt de verbouwing van de graansilo en de pakhuizen naar appartementen. Een aantal elementen worden weer zichtbaar gemaakt, zoals oude muren. En de onderkant van de graansilo’s blijft behouden. Hoewel de buitenkant van de gebouwen niet bijzonder waren en wat in verval begonnen te raken, kent het complex bijzondere historische elementen als kelders, oude muren, kapconstructies en gietijzeren zuilen. Het is dan ook een bouwhistorisch monument van de Gemeente Nijmegen.
Het Magazijn, Bottelstraat (april 2025)
Bij de herinrichting van het complex wordt een doorgang gemaakt naar het binnenterrein, welke de naam Halve Gas krijgt. Daarbij wordt deze doorgang en het binnenterrein overgedragen aan de gemeente als openbare weg (Staatscourant 2018, 20319). Een aantal vervallen panden zijn gesloopt en vervangen door nieuwbouw in de vorm van koopwoningen.
Het ontwerp was van Sven Dyckhoff van Flow Architecten. De opdrachtgever was D&M Properties-Bottelstraat BV en het project duurde van 2015 – 2019. Op haar site: “De ingrepen in de bestaande bebouwing zijn zo gedaan dat de waardevolle delen bewaard konden blijven en nu weer tot hun recht komen.”
Bottelstraat (april 2025)
Op basis van historisch onderzoek was bepaald welke elementen behouden moesten worden en waar mogelijk, zo veel mogelijk zichtbaar gemaakt worden. Op basis daarvan werd het plan steeds verder uitgewerkt, ook om te kunnen voldoen aan de monumentale eisen. In totaal kwamen er 31 huurappartementen, 8 koopwoningen en 2 bedrijfsateliers (Propertynl)
Daarbij waren de silo’s een van de grootste uitdagingen: om deze te kunnen verbouwen was het nodig om veel gaten in dit gebouw voor ramen aan te brengen. Daarbij was het de vraag in hoeverre deze gaten van invloed zouden zijn op de stabiliteit. Hier kwamen 6 appartementen met balkons en een lift.
“Dyckhoff vond het een uitdaging om in de nieuwbouw niet alleen de restanten van middeleeuwse muren op te nemen, maar ook de industriële herinnering van deze plek. Zo blijven de trechtermonden van de oude meeltoren waaronder vroeger de bakkers met hun karren stonden om meel op te halen, behouden. ,,Die tegenstelling is fantastisch, een gotische wand versus een industriële werkplek.’’ en over gehele project: “”Het is een uitdagende en tegelijk lastige opgave. Wat kun je behouden, wat willen we nog tonen van het verleden?”” (Gelderlander)
Detail van oude kloostermuur Halve Gas (april 2025)
Bovendien is de 15e-eeuwse muur van het klooster nu goed zichtbaar geworden. Daarnaast is er een 13e-eeuwse muur in een van de voormalige werkplaatsen.
Ook het hoekpand van de Bottelstraat-Lange Hezelstraat is gerenoveerd. Op de begane grond kwam weer een winkel. Daarboven kwamen appartementen.
Nominatie Architectuurprijs 2019
Het kan verkeren: waar in 2024 het complex nog werd genomineerd als “lelijkste gebouw van Nijmegen”, werd het project van de verbouwing genomineerd voor de Nijmeegse Architectuurprijs 2019.
De Cultuurhistorische waardenkaart van 2023, de vervanging van de cultuurhistorische beleidskaart uit de Nota Cultureel Erfgoed uit 2013, noemt Framy als geslaagd voorbeeld van: “Vele voorbeelden laten zien dat het benutten en hergebruiken van erfgoed bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, deze gebieden kwaliteit geven. Een andere sfeer. … De vernieuwing van het oude Framy-complex aan de Bottelstraat, met de voormalige silo en het 15e-eeuwse gotische huis.”
Waar tegenwoordig het ouderencomplex Insulinde op de hoek van de Voorstadslaan en Schependom staat, stond daarvoor Huize Insulinde, oorspronkelijk opgericht als opvanghuis voor oud-Indië gangers. Daarvóór had het een beroemde bewoner: circusdirecteur Oscar Carré.
Welgelegen/Villa Carré
Rond 1860 werd in de buurt van de hoek Voorstadslaan en Schependomlaan de Villa Welgelegen gebouwd (Bron: Noviomagus). Op 21/9/1870 koopt Conraad van Erpers Rooijaards de villa Welgegelen van Cornelis van Sonsbeek: ““Het buitenverblijf, genaamd “Welgelegen” te Hees, gemeente Nijmegen gelegen, bestaande ene(?) heerenhuis, koetshuis en stal, erf en tuin, voorkomende op den perceelsgewijze kadastralen legger van Neerbosch in Sectie B Nommers 58(?) huis en erf, groot vier aren drie en dertig centiaren/43 tuin, groot een hectare negen aren zeven en zestig centiaren.” Hij betaalt hiervoor 16.000 gulden. Van Erpers Rooijaard is dan “zonder beroep”.
De verkoper Cornelis van Sonsbeek had zelf de villa het jaar daarvoor, op 1 september 1869, gekocht. (Actenr 1386, Archiefnr 440, Inventarisnr 67).
De familie Rooyaards woonde hier 40 jaar (Noviomagus. Daarna woonde er een gepensioneerd kolonel Roloff (Noviomagus en Hees bij Nijmegen.).
Villa Carré
Een replica met foto’s van de verschillende onderdelen van het Koninklijk Nederlands Circus O.Carré: Villa Carré Hees, Farm in Hees, Magazijn en werkstellen Hees en het Circus Amsterdam met interieur dat in 1887 werd gebouwd, 1887-1900 (1000.2539 RAN)
Daarna kocht de beroemde circusdirecteur Oscar Carré het landgoed op 2-9-1901. Wilhelm Roloff was intussen, op 23-11-1900, overleden (Archiefnr 450, Inventarisnr 182, Actenr 7107).
Hij gebruikt het landgoed als winterverblijf. In ieder geval wordt er begin 1903 al gerefereerd naar Villa “Carré” (of Nero terug is gevonden, is niet bekend). Voorstellingen worden er echter niet gegeven, blijkt uit een artikel uit 1904:
Villa “Carre”, advertentie verdwenen hond (De Gelderlander 1-1-1903)
“Kon. Nederl. Circus Oscar Carré.
De heer Oscar Carré, die zooals men weet eigenaar is van eene fraaie villa te Hees, heeft na een verblijf vol succes te Bremen, alhier zijn winterkwartieren betrokken. Tengevolge van een veranderde wijze van exploitatie- er is n.l. dit jaar niet meer gereisd met de houten tenten, doch met de in enkele uren verplaatsbare linnen dito’s, waarmee veel meer plaatsen kunnen worden bezocht dan vroeger het geval was – rust het circus gedurende den winter uit om in het voorjaar opnieuw zijne reizen door Europa te hervatten. Met het oog hierop is te Hees door den heer Carré een uitgebreid terrein gekocht, waarop een groot houten gebouw is verrezen, dat dient tot stalling der paarden en tot berging van het materiaal. Daaraan is verbonden een manége voor de dresseur der paarden, welk vermoeiend werk geen enkelen dag mag stilstaan. Slechts het stalpersoneel is in dienst gebleven, alle artiesten zijn thans elders werkzaam. De heer Albert Carré, de als schoolrijder en dressuur zoo terecht hoog geroemde zoon van den directeur, treedt deze winter op in het circus Schumann te Berlijn.
Men heeft het gerucht verspreid dat de heer Carré gedurende den winter te Hees voorstellingen zou geven. Niets is minder waar, hetgeen uit bovenstaande duidelijk blijkt.” (PGNC 19/11/1904)
Hij zou er zijn laatste levensjaren doorbrengen, om in 1911 te overlijden. Daarna bleef zijn vrouw Elisa Maud Adams samen met zijn dochter Wilhelmina tot 1919 in de villa wonen.
In 1918 kocht de ‘Stichting Verblijf van de Oud-Indische Militairen’ de villa aan. De stichting had als doel het “oprichten en het exploiteeren van een verblijf voor den Oud-Indische Militair, tevens een Doorgangs- tevens Kosthuis, waarin gevestigd een Arbeidsbeurs en een Voorschotbank, daarmede hoofdzakelijk beoogde van een algemeen maatschappelijk belang.”
Arie van Boxtel
Registratie van Arie van Boxtel, Nationaal Archief, Stamboek
Stamboeken Bronbeek, Den Haag, folio 117; 549
De oprichter was Arie van Boxtel (1876-1954). Hij was als 13-jarige het Indische ingegaan en was op dat moment onderluitenant. (IndischHistorisch.nl). Aanvankelijk opende de Stichting het voormalige Hotel de Doelen op de Varkensmarkt. Er was voor Nijmegen gekozen, omdat hier het opleidingscentrum van de KNIL was. Daarbij was de Varkensmarkt geschikt, omdat deze niet al te ver van de kazerne af lag. Hier ving de stichting gerepatrieerde en gepensioneerde KNIL-militairen en hun gezinnen op. Veel oud-soldaten en lagere officieren hadden slechts een beperkt pensioen opgebouwd. Voor vrijgezellen of degenen die invalide waren geraakt was Huize Bronbeek opgericht. Huize Insulinde bood echter plaats voor militairen met hun gezin.
1931 opening Huize Insulinde
In 1931 werd het tehuis na een verbouwing geopend. Daarbij kreeg de villa de naam Huize Insulinde. Er was plaats voor vijfenvijftig inwoners. Duizenden bewoners hebben hier kortere of langere tijd gewoond.
Bouwtekening van Huize Insulinde, gebouwd op de plek van de voormalige villa Welgelegen. Deze villa werd rond 1860 gebouwd voor de oud kolonel Rooijaards. In 1900 werd het pand aangekocht door circuseigenaar Oscar Carré, die de villa omdoopte in Villa Carré. In 1931 verwierf de Stichting Verblijf Oud-Indisch Militairen het pand en werd het Huize Insulinde tot in 1973 de sloop volgde, 1930-1940 (F63555 RAN)
In de Tweede Wereldoorlog vorderden de Duitsers Insulinde. Van 1944 tot 1946 verbleven hier daarna geallieerde soldaten. “Van de inventaris was niet veel overgebleven en het interieur was danig beschadigd” (bijschrift F92929 RAN).
Na de oorlog en de Indonesische onafhankelijkheid kwamen ook burgers in Insulinde terecht. In de loop der jaren kwamen steeds meer “gewone” burgers in het Huis: er kwamen immers geen repatrianten meer en er was sprake van vergrijzing.
“De stichting bleef lange tijd afhankelijk van giften en pensiongelden totdat de komst van AOW en de bejaardenzorg gestalte kreeg.” (bijschrift F92929 RAN); de AOW ging in 1956 in (wikipedia).
In 1969 ging Insulinde op in de Stichting bejaardenhuizen Nijmegen.
Op de foto staat een groep bewoners op het bordes voor de villa Insulinde, 1948 (F92929 RAN)
Zie hieronder voor een uitgebreid verslag van de opening in oktober 1931.
1970: Sloop en Bejaardencomplex
In 1970 werd de gesloopt en op deze plek kwam het bejaardencomplex Insulinde. Daarbij waren de laatste bewoners van Insulinde ondergebracht in Nieuw Maldenborgh in Hatert. Het hek rond de tuin bleef echter behouden en hier is ook de naam Insulinde te lezen.
Bij de opening van het Huis voor Oud-Indisch Militairen
De Gelderlander bij de opening in oktober 1931: “Huis voor oud indisch militairen
“Voor Oud-Indisch Militairen.
De Opening der Nieuwe Stichting.
Een rustig, gezond verblijf te Hees bij Nijmegen.
Hedenmiddag werd officieel geopend de nieuwe stichting: Verblijf voor den Oud-Indisch Militair, gevestigd in de voormalige villa Carré aan de Voorstadslaan onder Hees, tegenover het pleintje waar vroeger de traditionele “Dikke Boom” in den weg stond.
Wie zich Hees nog denkt als voor vijftien jaar terug, stelt zich de stichting voor te midden van een landelijke omgeving van tuinen en boomgaarden, van stadsboerderijtjes en lange landelijke wegen.
Hees is hier stadskwartier geworden, dank zij een lange lintbouw, welke voorstad met middenstad verbindt.
Huize Insulinde met tuin, Voorstadslaan, 1935-1940 (F5537 RAN)
En het nieuwe Verblijf voor de Oud-Indisch Militair, op den driesprong Breedestraat-Heeschelaan, zou ook inderdaad in het voortadsbedrijf gestaan hebben als het niet zóó landelijk weggelegen was in een grooten, schaduwrijken tuin, welke door de tuinarchitecten der firma Gerretsen en Valeton (Martin en Zonen) nog voornamer aanzien kreeg door den aanleg van een uitgestrekt gazon voor het grijze gebouw.
Dat rijst er nu kloek en strak op den achtergrond- een afbeelding op onze fotopagina geeft eenige indruk van dit massieve huis, dat binnen een gezellig home is voor de honderden Oud-Indische gasten, die uit den Oost of den West naar het vaderland terugkeeren en in afwachting van een vast tehuis het Verblijf in Hees als eerste en op-hun-gemak stemmende Doorgang waardeeren naar vaste huisvesting.
Het verblijf is een uitstekende uitkijkpost voor hen, die uit de tropen komen, eigenlijk wildvreemd staan tegenover een milieu van andere levensgewoonten en opvattingen dan in Indië en die eerst willen acclimatiseeren, voor zich voor vast nergens neer te zetten.
En om dan de Stichting werkelijk aan haar doel te doen beantwoorden, moet zij het comfort bieden van goede huisvesting, gezellig verkeer en gezondheidsbevorderende verzorging van den inwendigen mensch, die zich physiek geheel moet kunnen restaureeren.
Aan dit alles is gedacht.
Trouwens den overgang van stad naar buiten van Oude Varkensmarkt naar Hees, was zoo wijd en zoo groot, dat er veel aan in- en uitwendige reorganisatie kon gedaan worden.
En met stuwkrachten als de heeren van Boxtel en Lucas en anderen daar achter- werd er ook veel gedaan en bereikt.
Wie den toestand van het oude Tehuis in het Vroegere Oude Doelen op de Oude Varkensmarkt kent en nu de nieuwe stichting betreedt, staat verbaasd en is vol bewonderende waardeering voor de mannen van het initiatief en de daad.
De gasten vinden er een goed home- met uitzicht naar alle kanten op een verfrisschende natuur.
De ingang tot het huis is- zoo op den eersten indruk- aan de achterzijde van het gebouw. Dat heeft het groote voordeel, dat de kamers en zalen beneden naar den kant van den hoofdweg een ongehinderd uitzicht hebben.
De entree is eenvoudig. Men komt door de rustige vestibule langs portiersloge, wachtkamer voor de arbeidsbeurs voor Oud-Indische militairen, vor wier rechten en belangen de heer A. van Boxtel steeds op de bres staat, in de kern van het Verblijf.
Een rustige, gezellige sfeer hangt er in leeszaal, ontspanningszaal en eetkamer. In soberen toon en toch harmonisch is iedere hoofdzaal gehouden.
De Oud-Indische gasten moeten zich hier thuis gevoelen in deze gezellige zalen, welke ook stemmig zijn ingericht met de parketvloeren, de cellotex plafonds en in warmen toon geschilderde wanden. De meubileering is niet luxueus, maar comfortabel. De drie hoofdzalen eet-, lees- en ontspanningszalen loopen als in elkaar en sluiten onmiddellijk aan op het restauratiebuffet, op de frissche keukens en provisiekamer. Tevens is hier nog een kantoor voor den directeur der Stichting, den heer Lucas, geprojecteerd.
Op de eerste verdieping, bereikbaar langs een makkelijken trap, zijn ingericht negen dubbele zit-slaapkamers voor gezinnen met of zonder kinderen.
Hygiënisch en comfortabel is ieder gezinsverblijf op zich zelf.
Het woonvertrek is eenvoudig maar aantrekkelijk gemeubileerd. De slaapkamer met opklapbare bedden en voorzien van vaste waschtafels met koud- en warmstroomend water, kan zoonoodig, wanneer de opgeklapte bedden als weggescholen staan achter de gordijnen, nog dienen als zitkamer.
Het tuigt van zuiver sociaal gevoel van de leiders der stichting, dat hier ook gedacht is aan de belangen van groote gezinnen, welke natuurlijk ook hier opname vinden.
De Oost-Indische gasten vinden op hun étage een droogkamer, een strijkkamer, badkamers en douches en ook een waschgelegenheid, waar de Indische vrouwtjes, die gewoon zijn iederen dag haar waschje te doen, de gewoonte van eigen land niet vaarwel behoeven te zeggen.
De opzet was- en de leiding is naar best vermogen geslaagd- om de Indische gasten, in hun vaak moeilijke overgangstijd, in het nieuwe Tehuis geheel op hun gemak te stellen en hen niet te veel te laten gevoelen het gemis van zon en van gemak, dat de Tropen biedt.
Gaan wij nog een verdieping hooger, dan komen wij in het nieuw aangebouwd gedeelte van het oorspronkelijk buiten.
Deze bijbouw is economisch benut voor vrijgezellenverblijf. Hier zijn drie en twintig kamers ingericht voor alleenstaande personen. Deze kamers bieden hetzelfde comfort als die van de eerste verdieping. Ook hier zijn badkamers, bergkamers, droogkamers, enze doen, de gewoonte van eigen land niet vaarwel behoeven te zeggen.
De opzet was- en de leiding is naar best vermogen geslaagd- om de Indische gasten, in hun vaak moeilijke overgangstijd, in het nieuwe Tehuis geheel op hun gemak te stellen en hen niet te veel te laten gevoelen het gemis van zon en van gemak, dat de Tropen biedt.
Gaan wij nog een verdieping hooger, dan komen wij in het nieuw aangebouwd gedeelte van het oorspronkelijk buiten.
Deze bijbouw is economisch benut voor vrijgezellenverblijf. Hier zijn drie en twintig kamers ingericht voor alleenstaande personen. Deze kamers bieden hetzelfde comfort als die van de eerste verdieping. Ook hier zijn badkamers, bergkamers, droogkamers, enz.
De geheele indeeling is zoo, dat ieder op eigen kamer volkomen vrij is- een breede gang loopt langs alle afdeelingen boven en beneden, waar in het gebouw nog gezellige rusthoekjes zijn, bij wijze van kleine vestibule. Op de eerste verdieping is een overdekt balcon, waar herstellenden kunnen genieten van de frissche lucht.
Aan veiligheid is ook zorg besteed- door het aanbrengen van nooduitgangen in het groote gebouw, dat in ieder opzicht hygiënisch is ingericht.
Zoo is er o.m. een koker in huis van boven naar beneden, waardoor alle gebruikte goederen en ook wasch naar beneden gestransporteerd kan worden.
Naast het hoofdgebouw staat aan den rechtervleugel de directeurswoning van den heer Lucas, die langs een overdekte gang in de stichting kan komen.
Het geheel Verblijf is naar alle zijden door groen omgeven, op een eigendom van ruim een H.A. tuin en boschage, terwijl men van alle kamers op eerste en tweede verdieping een vrij uitzicht heeft op omringende tuinen en akkers, met op de achtergrond de stad Nijmegen.
Wij zeiden het reeds, dat dat meubileering van het huis eenvoudig is en toch gezellig. Meerdere vereenigingen en firma’s schonken hun aandeel aan de aankleeding van het home der Oud-Indische gasten.
Zoo trof het ons, dat de gangen een aangename afwisseling bieden door fraaie foto’s van Ned-Indië en zijn bevolking. Deze tweehonderd ingelijste Indische foto’s zijn een geschenk van de Vereeniging van Oud-Korporaals en Soldaten “Voorwaarts”.
Verder werden geschenken ontvangen van het korps der Koloniale Reserve een staande klok; van de vereeniging van oud- en actief diendende O.O. “Madjoe” een schrijfbureau met kantoorstoel voor directeurskamer; van de O.O.-vereeniging “Ons Aller Belang” een hangklok; van v. Bendegoms bouwbureau een hangklok; van den Bond van Ridders der Mil Willemsorde beneden den rang van officier een portret van wijlen Z. Exc. luit.-generaal J.B. van Heutsz; van de firma Pollmann een collectie muurborden; van het electronisch bureau de Hing twee electrische strijkijzers en 23 aschbakken; van de firma Vroom & Dreesman drie teekeningen Oud-Nijmegen; van de cartonnagefabriek J.P.A. Kilsdonk een partij stapeldoozen; van het advertentie- en reclamebureau “De Atlas” een brievenweg; van het Vreemdelingenverkeer Nijmegen Vooruit muurborden; van de firma Eekhoff aschbakken, kalender en een stapel houtblokken voor de haard, welke het zoo sierlijk en gezellig doet in de ontspanningszaal.
Verschillende firma’s werkten met den bekwamen architect, den heer Willem Gerretsen uit Arnhem, mede aan de verbouwing en voltooiing van dit nieuwe gebouw.
Bendegoms Bouwbureau te Nijmegen voerde de verbouwing uitstekend uit.
Het geheele gebouw is natuurlijk centraal verwarmd- de centrale verwarming werd aangelegd door de firma Lamers te Hees, de electrische installatie door de firma Derksen te Nijmegen, terwijl de firma Reijers te Nijmegen kamers, gangen en vestibules in harmonieerende en warmaandoende kleuren zette. Het meubilair werd geleverd door de firma Vroom en Dreesmann te Nijmegen en het glaswerk door de firma Polmann te Nijmegen.
Vanmiddag om twee uur werd het gebouw officieel geopend in tegenwoordigheid van regeerings-, gemeentelijke- en militaire autoriteiten.
Daar werd gesproken door den voorzitter der Stichting, den heer F. Dieleman gepensioneerd kapitein van het O.I. Leger, door den heer De Jongh als vertegenwoordiger van den minister van Koloniën en door den heer A. van Boxtel, de ziel der stichting, die hulde bracht aan den voorzitter, den heer F. Dieleman, den penningmeester, den heer A.J. Slabbekoorn en Overste Barendsen, commandant der Koloniale Reserve.
Nog meerdere autoriteiten en vertegenwoordigers van vereenigingen, welke verband houden met het Indisch Leger, voerden het woord- allen prezen als om strijd het werk hier tot stand gebracht.
Het is een stichting, de verwezenlijking van de ideëele plannen van den gep. 2e luitenant-titulair O.I. L. de heer A. van Boxtel, waarop de leiders en ook de gemeente trotsch mag gaan.” (De Gelderlander 31/10/1931)
Niet alleen een van de qua uiterlijk markanste gebouwen van Nijmegen, maar ook qua ligging: het Estel gebouw.
Het Estel gebouw is een ontwerp van architect Alexander Bodon (1906-1993) uit 1972. Het is ontworpen als het hoofdkantoor van Estel, het Duits-Nederlandse fusieconcern Hoesch Hoogovens. Dit is een fusie vvan Nederlandse Hoogovens (nu: Tata Steel) in IJmuiden en Hoesch in Dortmund. Er is dan een nieuw hoofdkantoor nodig en aangezien Nijmegen ongeveer halverwege Ijmuiden en Dortmund ligt, is dit een logische locatie.
Ontwerp
“Kenmerkend zijn onder meer de getrapte terrassen en doorzichten. In het ontwerp zijn invloeden zichtbaar van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright, zoals de uitgestrekte gelaagdheid in acht verdiepingen. Het transparante gebouw kenmerkt zich door hoge en lichte binnenruimten, riante terrassen, daktuinen en balkons.
Het ontwerp heeft 1 hoofdgebouw met 4 kantoorvleugels. Bij elke verdieping laat hij het gebouw verder inspringen, waardoor terrassen en dakoverstekken ontstaan. De kantoorgevels worden zo veel mogelijk open gehouden. “Door deze opzet zijn exterieur en interieur van het gebouw met elkaar in dialoog. Bovendien vormt het gebouw als geheel een even treffende als vanzelfsprekende bekroning van zijn locatie: een stuwwal met uitzicht op de Waal en De Ooypolder.” (Bouwen met staal)
In 1974 begint de bouw. Aangezien de eigenaar en toekomstig gebruiker van het pand een staalfabrikant is, is het logisch dat staal een belangrijke rol speelt. “De hoofddraagconstructie van het achtlaagse gebouw is een innovatie binnen de Nederlandse bouw van dat moment: een staalskelet, gecombineerd met stabiliteitskernen van gestort beton. Het staalskelet rust op twee ondergrondse parkeerlagen van gewapend beton. De parapluvormige staalkolommen op de begane grondvloer zorgen voor reductie van het aantal dragende constructiedelen en daarmee voor openheid en transparantie.” (Bouwen met staal)
Estel (oktober 2024)
Daarnaast is er nog een innovatie: het is het eerste gebouw in Nederland met een geïntegreerd gevelsysteem van Josef Gartner & Co. Dit systeem bestaat al 9 jaar in Duitsland. De stijlen van de stalen kozijnen worden daarbij gebruikt voor het transport van warm water voor het energiebesparend verwarmen van het kantoor.
Staalprijs
In 1977 werd het pand in gebruik genomen. Het gebouw ontving de Nationale Staalprijs (1977) en de Europese Staalprijs (1979).
5 jaar later, in 1982, viel het bedrijf echter uiteen. Daarop kwam het gebouw leeg te staan.
Haskoning
Nadat de Provincie Gelderland nog enige tijd hier een kantoor had, vestigde in 1990 Royal Haskoning in het gebouw, waarbij het gebouw Haskoning-gebouw werd genoemd.
Eind 2014 verliet Haskoning (Royal HaskoningDHV) het gebouw.
Estel Residence
Daarop werd het pand verbouwd tot het appartementencomplex Estel Residence. Teake Bouma architectuur/stedenbouw en Weusten Liedenbaum Architecten maakten hiervoor het ontwerp. Daarvoor werd het hele gebouw gestript. Alleen de karakteristieke elementen als bouwlagen, liftkoker en de staalconstructie bleven behouden.
Vervolgens volgde de verbouwing tot 62 appartementen, waarvan de eerste in 2016 in gebruik werden genomen. Het gehele pand werd in 2018 opgeleverd.
Nijmeegse Architectuurprijs 2019
De verbouwing ontving de Nijmeegse Architectuur 2019. Dat jaar kostte het de jury weinig moeite om een winnaar te kiezen: “‘Architect Teake Bouma heeft van een druilerig gebouw een gewaardeerd, fris appartementencomplex gemaakt’, staat in het juryrapport over Estel Residence. ‘Het gebouw straalt een vanzelfsprekendheid uit die te danken is aan de perfectionistische transformatie en het respect voor het originele ontwerp. Bewonderenswaardig en een voorbeeld van hoe we met jonge monumenten moeten omgaan.’” https://www.gelderlander.nl/nijmegen/bijzondere-transformatie-estel-beloond-met-architectuurprijs~a1e401e8/
Gemeentelijk Monument
Het gebouw heeft de status van Gemeentelijk Monument.
Flora (Lente), beeld van Mathurin Moreau, Nassausingel (april 2025)
De beelden aan de Nassausingel stellen de Vier Jaargetijden voor, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau. In 1889 was het een geschenk van de Vereeniging ter Verfraaiing van Nijmegen. De bekostiging werd mede mogelijk gemaakt door een schenking van 400 gulden door het Baron Paulus Straalmanfonds.
De beelden hebben alle vier ongeveer dezelfde klassieke lichaamshouding, hetzelfde opgestoken haar en dezelfde gewaden. Rijksmonumenten: “De vrouwenfiguren zijn classicistisch geïnspireerd, waarbij de gewaden aansluiten bij de Griekse natte stijl.” Zij houden hun attribuut steeds in de rechterhand vast, terwijl de linkerhand iets is opgeheven.
Ceres (Zomer) (maart 2024)
Het zijn:
Flora: godin van de bloei, de lente, met uibottende tak
Ceres: godin van de akkerbouw, de zomer, met korenaren
Pomona: godin van tuinen en vruchtbomen, de herfst, met druiventros
Vesta: godin van het huis en het haardvuur, de winter, met vuurpot.
De beelden zijn gegoten bij de Parijse gieterij Societé des Fonderies du Val d’Osne. De maker van de sokkel is Mathijs Roggen, van oorsprong uit Nijmegen die in Luik eigenaar van een steengroeve was.
Over Ceres en Pomona schrijft Marc Maison (zie ook hieronder): “We learn that our statues, presented on the foundry’s catalog, depict Ceres, goddess for harvests, agriculture and fertility, and Pomona, nymph and divinity of fruits. Both are wearing an antique tunic, falling down their bodies, underlining their breasts, with the drapery following their leg’s movements. According to the mythology, Ceres, the one holding a wheat sheaf, is supposed to be the origin for the four seasons, putting the ground’s fertility on hold during the four months when her daughter Proserpina is meant to be in the underworld next to her husband Pluto. Meanwhile, Pomona is the divinity of fruits : following the mythology, she did not like wilderness but preferred instead a well-nurtured garden. The artist represented her offering grapes with her right hand, and holding her tunic’s drapery, filled with fruits, with her other hand. Creating these two cast iron statues, the artist celebrates generosity and nature’s beauty following the neoclassical ideals of his times.”
Mathurin Moreau en de samenwerking met Val d’Osne
Plaza de Valparaíso 01, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 02, Rodrigo Cartagena Armijo Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 03, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 04, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
(Vrijwel) identieke beelden van Moreau, eveneens gegoten door de Societé des Fonderies du Val d’Osne zijn te vinden in Valparaíso (Chili).
Mathurin Moreau (18-11-1822 Dijon – 14-2-1912 Parijs) was een Franse beeldhouwer. Zijn vader Jean-Baptiste-Louis-Joseph Moreau, een beeldhouwer. Zijn moeder Anne Marianne Richer was dochter van de beeldhouwer Mathieu Richer. Ook de broers van Moreau, Hyppolyte en Auguste, waren beeldhouwers. Hij volgde zijn opleiding aan de École des Beaux-Arts in Parijs in 1841 en had lessen bij Jules Ramey en Auguste Dumont.
Succesvol kunstenaar
In 1842 behaalde hij de tweede prijs in Rome en in 1848 deed hij voor het eerst mee aan Salon des artistes français. Hij behaalde een aantal medailles op de wereldtentoonstelling in Parijs: medaille tweede in 1855, medaille eerste klasse in 1878 en een gouden medaille in 1889. In 1897 kreeg hij een eremedaille van de Salon en op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs was hij jurylid. Hij maakte “academische neoklassieke en Art Nouveau beelden in marmer en brons” (wikipedia)
Een aantal beelden zijn nog in Parijs te zien, onder andere:
Cologne, façade van Gare du Nord
L’Océanie, Musée d’Orsay
Zénobe Gramme, begraafplaats Père Lachaise
Samenwerking met Kunstgieterij Val d’Osne
Hij is daarnaast over de hele wereld bekend met de (serie) werken die hij in samenwerking met kunstgieterij Val d’Osne maakte tussen 1849 en 1879. Hij werd daar tevens een van de aandeelhouders en 1 van de beheerders.
Voor Val d’Osne maakte hij veel modellen voor beelden en decoratieve voorwerpen. Waaronder religieuze beelden, grafmonumenten, fonteinen maak ook kandelaars en tafellampen. De meeste beelden zijn in gietijzer, met een coating van imitatiebrons. Zijn fonteinen en beelden zijn niet alleen in veel Franse steden te vinden, maar ook in de rest van de wereld. Vooral ook in Zuid-Amerika.
Naast Val d’Osne maakt hij ook modellen voor de “Compagnie des Bronzes de Bruxelles”.
Vanaf 1879 was hij tevens burgemeester van het 19e arrondissement van Parijs.
Een afbeelding van de 4 “Nijmeegse” beelden is te vinden in de catalogus van Val d’Osne uit 1877. En zie ook de site van Marc Maison, waar kopieën te koop zijn. In haar publicatie gaat ze vanaf pagina 9 meer in over een serie van soortgelijke werken.
Het krantenartikel bij de onthulling
Pomona op de Nassausingel, 1889-1895 (Gérard Stoof via F30938 RAN)
“Door de Nijmeesche Verfraaiings-Vereeniging zijn dezer dagen aan de Gemeente aangeboden en op den Nassausingel geplaatst vier bronzen beelden op hardsteenen voetstukken. Tot het geven van dit kostbaar geschenk was de vereeniging in staat ten eerste door hare eigen fondsen en verder door den welwillend aangeboden finantieelen steun van de directie van het Straalmansfonds. Beide vereenigingen die hetzelfde doel beoogen, namelijk het verfraaiien der parken en wandelingen onzer stad, hebben daardoor weder niet weinig bijgedragen om aan een der schoonste punten in de onmiddelijke omgeving der stad een nog sierlijker aanzien te geven. De beelden, voorstellende Flora (de lente), Ceres (de zomer), Pomona (de herfst), en Vesta (de winter), zijn van Mathurin Moreau en vervaardigd door de Société des fonderies du Val d’Osne te Parijs. De voetstukken, met inscriptie, van het zuiverste hardsteen zijn afkomstig uit de Carrières de Correux van onzen vroegeren stadgenoot, den heer Math. van Roggen te Sprimont bij Luik, aan wien nog onlangs de eer te beurt viel op de Internationale Tentoonstelling te Brussel met de gouden medaille bekroond te worden, zijnde de hoogste onderscheiding aan Petit granit Belge verleend.
Pomona (Herfst) (april 2024)
De beelden, met de voetstukken bijna 3 meter hoog, doen op den Nassausingel een uitmuntend effect en de opschriften der gevers zullen naar wij hopen de aandacht vestigen, aan welke men ook den leeuw in het Kronenburgerpark, een meesterstuk van beeldhouwkunst van den heer H. Leeuw Sr., de fontein aan den Stationsweg, de bank om den dikken boom, vele andere banken, de zwanen en de prachtige collectie eenden van de zeldzaamste soorten in den vijver van genoemd park, enz. te danken heeft, en die zeker nog meer tot verfraaiing der wandelingen zou bijbrengen, indien zij beter door de ingezetenen gesteund werd. Het is toch bedroevend dat deze Vereeniging niet meer dan ongeveer 325 leden telt van de meer dan 30.000 inwoners, terwijl de contributie jaarlijks slecht f1,50 bedraagt, en ieder die zulk een kleine bijdrage schenkt toch de voldoening kan smaken mede te werken om onze stad, ook in het oog der vreemdelingen, nog aantrekkelijker te maken dan zij thans reeds is.
De pogingen door het Bestuur der Vereeniging om het ledental te doen toenemen, waartoe zij dezer dagen lijsten zal doen aanbieden, zullen dan ook ongetwijfeld met een goed gevolg bekroond worden.” (PGNC 14/4/1889)
Nassausingel
Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)
Tegenwoordig is de Nassausingel een drukke verkeersweg met aan beide kanten van het park een tweebaansweg. Oorspronkelijk is het aangelegd in 1880 door tuinarchitect Jan Copijn en maakte het onderdeel uit van een groene gordel: het liep (en loopt) tussen het Keizer Karelplein naar de aansluiting met het Quackplein/de Kronenburgersingel en Kronenburgerpark – tot 2008 was het huidige Quackplein onderdeel van de Nassausingel.
Aan deze singel kwamen statige panden. Waaronder de oude burgemeesterswoning, naar een ontwerp van Bert Brouwer. De westzijde van deze singel brandde in september 1944 af.
Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de ‘De vier jaargetijden’, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)
Naar het Hunnerpark en terug naar de Nassausingel
De Vier Jaargetijden in het Hunnerpark, 2010 (Henk van Gaal via DF948 RAN CC0)
Omdat het midden van de Nassausingel als parkeerplaats werd ingericht, zijn de beelden begin jaren 60 verplaatst naar het Hunnerpark. Hier hebben ze tot eind 2012/begin 2013 gestaan: na de opening van de parkeergarage aan het Keizer Karelplein werd het groen op de Nassausingel hersteld en keerden de beelden terug.
De beeldengroep is een Rijksmonument. Als waardering:
“-Van kunsthistorische waarde als gaaf en goed voorbeeld van beelden uit het vierde kwart van de negentiende eeuw, bedoeld ter verfraaiing van de openbare ruimte. De classicistisch geïnspireerde beelden verbeelden een classicistisch thema, kenmerkend voor de ontstaanstijd van de beelden en hun functie.
-Van stedenbouwkundige waarde als onderdeel van de groenstrook bij de Nassausingel.
-Van cultuurhistorische waarde als uiting van een technische en van een stedenbouwkundige ontwikkeling, als gietijzeren beelden een voorbeeld van het toenemend gebruik van gietijzer voor gebruiks- en kunstvoorwerpen in de negentiende eeuw, en als voorbeeld van het gebruik van verfraaiingselementen in Nederlandse openbare stadsparken en plantsoenen die na de slechting van stadswallen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in veel steden werden aangelegd.”
Tegenwoordig is de Nassausingel een drukke verkeersweg met aan beide kanten van het park een tweebaansweg. Het is echter ontworpen als onderdeel van de gronde gordel rond Nijmegen, waaraan statige woningen lagen.
Park
Oorspronkelijk is het park aangelegd in 1880 door tuinarchitect Jan Copijn en maakte het onderdeel uit van een groene gordel: het liep (en loopt) tussen het Keizer Karelplein naar de aansluiting met het Quackplein/de Kronenburgersingel en Kronenburgerpark – tot 2008 was het huidige Quackplein onderdeel van de Nassausingel.
Twee (thans nog steeds bestaande) villa’s aan de Nassausingel 4 (links) en Nassausingel 2 (rechts), 1905 (Uitg. Firma J.F. Kloosterman via F27915 RAN)Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)
Statige panden
Luchtfoto van het Keizer Karelplein en omgeving ; linksonder (tussen Stationsweg en Nassausingel) de villa van het gezin van de Baksteenfabrikant A.P.A. Terwindt (Keizer Karelplein 10) ; daarboven de villa’s aan de Nassausingel 3 en Nassausingel 5 (het woonhuis van J.G. Jurgens, directeur van de Maas en Waalsche Bank). Op de plek van deze drie villa’s is in 1960 de Stadsschouwburg gebouwd. Aan de overzijde de (thans nog steeds bestaande) villa’s aan de Nassausingel 2 en 4 ; rechts daarvan (op de hoek met de Bisschop Hamerstraat) de witte villa van de margarinefabrikant Arnoldus Jurgens (Keizer Karelplein 11, het latere Universiteitsgebouw waar tegenwoordig de ABN/AMRObank staat) ; rechts van de Bisschop Hamerstraat de villa’s Keizer Karelplein 1 en 2 (hier werd later de Boerenleenbank / Rabobank gebouwd) ; linksboven het Kolpinghuis (de Gezellenvereniging) tussen de Van Berchenstraat en de Smetiusstraat ; ervoor wordt de Marie-Adolffontein gebouwd., 1925-1926 (F58044 RAN)
Aan deze singel kwamen statige panden. Waaronder de oude burgemeesterswoning, naar een ontwerp van Bert Brouwer. De westelijke kant ging echter in 1944 verloren. Op deze plek staat tegenwoordig de schouwburg.
Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de ‘De vier jaargetijden’, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)
De beelden aan de Nassausingel stellen de Vier Jaargetijden voor, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mahurin Moureau. In 1889 was het een geschenk van de Vereeniging ter Verfraaiing van Nijmegen. De bekostiging werd mede mogelijk gemaakt door een schenking van 400 gulden door het Baron Paulus Straalmanfonds.
In 1922 opende hier het Hotel-Pension-Restaurant Nassau, waarvan J.N.E. Esser de uitbater was. De muurschildering aan de Smetiusstraat herinnert hier nog steeds aan
Het Quack-monument is vernoemd naar Arnoldus Burchard Adolphus Quack (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 11 november 1920) en zijn tweelingzus Maria (Marie) Christina (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 15 maart 1905). Quack was van 1902 tot 1919 wethouder van de gemeente. Bij zijn overlijden liet hij zijn erfenis na aan de gemeente, op voorwaarde dat Nijmegen een fontein vernoemd naar hem en zijn zus zou oprichten.
Ontwerp
Het ontwerp was van architect Willem Bijlard. Het is de vorm van een obelisk in art-decostijl. Het heeft 4 fonteinen. Een daarbij aan elke zijde onderaan een klok en bovenaan een lantaarn. Wikipedia: “In de jaren 1920 en 1930 deden ontwerpers inspiratie op uit de meest uiteenlopende exotische culturen. Naast de ‘art nègre’ (Afrikaanse kunst), de Maya- en Azteken-cultuur, Polynesië en Sumatra was dat voornamelijk de Egyptische beschaving van de farao’s. De directe aanleiding voor de Egypte-rage was de spectaculairste archeologische vondst van de eeuw: de ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922”.
De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)
Krantenartikel 1926
“De Maria-Adolf Fontein
Ontwerp van Architect W. Bijlard.
De voorgeschiedenis zal onen lezers bekend zijn: De heer A.B.A. Quack, oud-wethouder der gemeente Nijmegen, liet bij zijn overlijden een legaat na tot stichting eener monumentale fontein op een der pleinen onzer stad. Na heel veel moeilijkheden over de opvatting der bedoelingen van den erflater hakte het gemeentebestuur den knoop logisch door met de besluiten: dat het een fontein moest worden en geen beeldhouwwerk, waaruit water spuit. Daarbij werd als plaats aangewezen het vijfvoudig wegenkruispunt aan het einde der Spoorstraat, én ontwerp én uitvoering opgedragen aan den heer W. Bijlard.
Zoo’n opdracht is gauw gegeven en zoo’n plaats is gauw aangewezen, maar voor ’t eerste moet men een kunstenaar hebben en voor ’t laatste moet men rekening houden met de moeilijkheden, die uit zoo’n keuze voor den ontwerper groeien, en die soms zijn fantasie in een ijzeren keurslijf wringen, altijd tot groote schade van het schoon dat in een totaal vrije uiting tot stand zou komen.
In een ander blad is destijds op heldere wijze aangetoond, waarom de obeliskvorm gekozen, waarom als materiaal Zweedsch graniet gebruikt zou worden. Wij hadden niet de gelegenheid toen de maquette te zien, die onbegrijpelijk genoeg eerst nu geëxposeerd wordt, ofschoon een dergelijk stuk werk waarachtig niet onder de korenmaat behoefte gezet te worden.
Wij behoeven hier dus niet verder op in tegaan, maar wel meenen we in verband met den eisch van den schenker: het stichten eener monumentale fontein; en de door het gemeentebestuur aangewezen plaats te moeten wijzen op de bijna onoverkomenlijke moeilijkheid, waaraan men den ontwerper ketende. Hier kan nooit een flink spuitende fontein geplaatst worden, om de eenvoudige reden, dat op dit drukke verkeersplein zonder omringend plantsoen, een bruischende waterstraal bij den minsten wind den voorbijgangers een nat pak zou bezorgen; afgezien nog van de ongelukken, die schrikkende paarden zouden veroorzaken bij het onverwacht neerkletteren van het verstuivende water.
De vorm der watergeving lag dus door de opdracht al geheel aan banden, en de uitweg, dien de heer Bylaard gevonden heeft is zóó geniaal, zoo oorspronkelijk, dat hij zich hierdoor alleen reeds stempelt tot een kunstenaar.
De lastgeving spreekt van een monumentale fontein en in ieder monument moet spreken het “hic sto”; het materiaal moest dus “iets” beter zijn dan het zoogenaamde moderne fonteinensemble op den Schaeck Mathonsingel, waar onlangs heele stukken verweerd en verbrokkeld bij lagen, en dat nu reeds de gammelheid zijner constructie vertoont als een melaatsche Molokayer. Gelukkig, want men moest wel euneuch van kunst zijn om deze karakterlooze uitspatting op monumentaal gebied een welgemeend lang leven toe te wenschen.’
Thans nu de steigers en schuttingen gaandeweg rond het werk van Bylard verdwijnen, pakt ons al dadelijk de geweldig sprekende eenheid in zen arbeid. Wie zijn oogen kan gebruiken en dit ook doen wil, ziet terstond de ééne hand, die het schiep; de indeeling van het grondplan, de natuurlijk daaruit groeiende opstand, de bronzen versieringen, de bekroning, alles ontspringt aan ééne eerlijke fantasie.
Die eenheid in onderdeelen maakt de middeleeuwsche monumenten van bouwkunst zoo waardig, zoo rustig, zoo sterk sprekend en karaktervol. De bouwmeesters beheerschten toen de geheele stof, ziedaar de oorzaak.
De bovengenomede moeilijkheid der watergeving is hier opgelost door een niet al te grooten waterstraal te laten ontspringen aan vier verlichte glazen zuilen, die op zich zelf in vorm en lijn zuiver ontwassen aan het geheel, en die met hun gegolfde transparante zijvlakken het afvloeiende water metamorphoseeren tot een respectabele hoeveelheid. Dat water vloeit terug in vier schelpvormige bekkens, wier grondvorm men terugvindt in de opalen lichtwerpers der bekroning. Deze bekken zijn een kunstwerk van handarbeid in granito, door den heer L.S. d’Agnolo, granietwerker alhier, ter plaatse gemaakt.
Daar, waar de ronde vorm van den voet overgaat in den vierkanten zuilvorm, zijn de wijzerplaten aangebracht, vastgehouden door een bronzen band. Dit bronswerk is zooe subtiel van ontwerp en schitterend van uitvoering, dat het een waar meesterstuk is.
De gedachte aan het eeuwig wentelend rad van den tijd is niet vreemd aan het ontwerp dezer wijzerplaat, die vastgehouden wordt door de schakels, van een breeden keten met oriëntatiemedaillions. De verlichting dezer wijzerplaten is zeer mystieken verhoogt zoo eigenaardig den glans van het meesterlijke bronswerk, dat wij geneigd zouden zijn, dit een gelukkig toeval te noemen: ware het niet, dat het geheele monument het aanzien draagt en een artistiek verantwoordelijkheidsgevoel. De heer P.G. Duchateau te Rotterdam en de gebrs. Arens, edelsmeden alhier, leverden dezen metaalarbeid en kunnen trotsch zijn op dit kunstwerk.
Merkwaardig is de behakking van het voetstuk onder de klokken; daar is onder den beitel van een eenvoudigen steenhouwer, den heer H. Litjes, werkzaam bij de firma Tournay en Zn., de rossige steen geworden tot een tapijt met inscripties en vlakversieringen zonder dat het materiaal verkracht is, en toch volkomen de kennelijke bedoeling van den ontwerper werd bereikt; een overgang te krijgen tusschen den druk bewerkten klokkenband en den onbewerkten steen.
De opstand van het geheel doet aan als een obelisk doordat de kantlijnen naar boven zich verbreeden; meteen is door dit architectonisch handigheidje vermeden, dat de zuil naar boven zwakker werd en over zijn diagonalen scheeve aspecten gaf, wat al weer door de plaatsing op een vijfsprong bijna niet te vermijden scheen.
De grondgedachte van alle versiering, die de heer Bylard aanbrengt, waar hij als kunstzinnig architect zijn stempel opdrukt is, zou ik zeggen, de zich rondende lijn in ontelbare variaties zonder ergens in passerkunst te vervallen. De soepel golvende lijnen vindt men terug in de geledingen, waaruit de zuil is opgetrokken, en spelend naderen ze elkaar in de bekroning der massale afdekking. Even edel als de klokkenband is de versiering en bouw der bronzen lichtdragers, die al hun licht gelukkig, door nauwkeurig berekenden reflectoren naar beneden werpen.
Wie maar een oogenblik de geweldige brokken steen bekijkt waaruit de zuil is opgetrokken (ik scat ze op 4 à 5 ton) zal moeten toegeven, dat de technische ambtenaar G. de Bruin en de heer L. Hirdes, die met de opstelling belast waren hun hoogste verantwoordelijken arbeid schitterend hebben volbracht, hierin terzijde gestaan door de practisch zeer ervaren vaklieden de heeren Moolenaar en v. Rosmalen.
Voor vele bouwkunstenaars schijnt er tegenwoordig maar één grondwet te bestaan: n.l. het naar voren brengen van andere lijnen, verhoudingen en kleuren, gepaard met het bruut negeeren van alle begrip van logische constructie. Deze richting demonstreert gaandeweg grooter armoede aan aesthetische beginselen en componeert luk-raak rhapsodieën zonder eenigen samenhang. De treurige gevolgen deezer architectuur, waarin ieder broekje, dat zijn eerste schootsvel nog niet versleet mag roepen “anch io sone pittore”! zullen op de komende tijden al heel spoedig drukken en ons eerste nageslacht zal deze werken bestempelen als producten van ongare geesten, voor wie architectuur en soliditeit heterogene zaken waren!
Bylard heeft zeker niet te kort gedaan aan den modernen geest der nieuwe lijn, hij is waar gebleven overal, waar iedere constructie is een weloverwogen onderwerp van studie en tegelijk een uiting van subtielen smaak. Nijmegen is straks een merkwaardige kunstvolle versiering rijker, die den ontwerper nog eeuwen zal loven, omdat waarachtige kunst is van alle tijden. En een waarachtig kunstenaar is Willem Bijlard, die duidelijk een kind van zijn tijd blijkt, maar wiens eigen weg rust op een ondergrond van diepgaande studie, rijpe en rijke ervaring en bovenal eerlijken kunstzin. A.Kr.” (PGNC 20/5/1926)
Afgebroken
Tijdens de oorlog waren de glazen gedeeltes en de klokken vernield. In 1958 werd de fontein afgebroken vanwege het verkeer. Wel werden veel onderdelen van de fontein opgeslagen. In 1994 vond het initiatief plaats om de fontein op dezelfde plaats weer op te bouwen en in 2000 vond de herbouw plaats. Sinds 2008 heet het plein het Quackplein.
Fallus
Veel mensen zien in het monument een fallus. Bij de Wereldaidsdag van 2004 werd er een “condoom” overheen getrokken.
Op 24-1-1950 werd de Openbare Leeszaal aan de Nassausingel 4 ingezegend. Deze zou hier tot 18-10-1971 blijven. Een aantal maanden daarna zou de bibliotheek op de Lindenberg open gaan (Bron en verder lezen: Huis van de Nijmeegse Geschiedenis)
Bibliotheek van de Openbare Leeszaal, Nassaustingel 4, 1952 ( GN5488 RAN)
Goedkoope Bazar rechts, Bloemerstraat in de richting van de Smetiusstraat, 1910-1915 (F12876 RAN)
De Bloemerstraat heeft sinds 1812 officieel haar naam, hoewel vóór die tijd al een aantal eeuwen varianten op deze naam voor komen. In 1770 komt de Bloemer straat voor en ook in 1552 is de Bloemerstraat al bekend.
In de 16e eeuw was deze straat vermeld als Bloemeborchschestraat. Daarbij was de straat vernoemd naar een verdedigingstoren: de Blommerthorn of Bloemberger toren. In 2011 zijn resten van deze toren gevonden.
De naam lijkt afgeleid te zijn van de “Bloem” is mogelijk afgeleid van de Bloemenborch, een huis dat in 1525/1526 is gesloopt. “Bloem” is een familienaam. De naam ging daarbij waarschijnlijk over naar de verdedigingstoren die Blommerthorn (1584) of Bloemberger toren (1591) werd genoemd.
Het stuk van Plein 1944 dat in het verlengde van de huidige Bloemerstraat ligt, behoorde ook een aantal eeuwen tot de Bloemerstraat. Daarvoor heette het stuk Zes Huysen (1718) en varianten daarop. Bij de aanleg van Plein 1944 ging dit stuk van de Bloemerstraat op in het plein.
De straat loopt door tot het kruispunt met de Eerste Walstraat. Daarna gaat de weg verder als Smetiusstraat.
Deze pagina verzamelt artikelen over de Bloemerstraat en zal van tijd tot tijd worden aangevuld.
Hoek Eerste Walstraat/Bloemerstraat
Hotel-Café-Restaurant ’t Rondeel van A.J.J van Kempen met twee koetsen en mensen op het balkon en in de deuropening; links oude huisjes aan de Eerste Walstraat, nu een grieks restataurant, 1895-1900 (dr. Jan Brinkhoff via D41 RAN CC0)
Al jarenlang zit Grieks restaurant Dionysos op de hoek van de Eerste Walstraat en de Bloemerstraat. Waarschijnlijk was de eerste horecazaak het hotel, café-restaurant ’t Rondeel van A.J.J. v. Kempen
Het interieur van het Hotel Pension Café Restaurant “’t Rondeel”,
thans Grieks restaurant., 1920-1925 (F14881 RAN)Bloemerstraat omstreeks de eeuwwisseling, gezien vanaf de kruising met (links en rechts) de Houtstraat, in de richting van de Smetiusstraat, 1898-1902 (J.H. Schaefer via F89839 RAN)
De Bloemerstraat gezien vanuit de Houtstraat, Van links en rechts zijn opschriften te zien van “Biersalon” (met daarboven een uithangbord van Hotel Café Restaurant en dan een onleesbare naam); “Hoeden Petten”, waarbij waarschijnlijk op een later tijdstip het naastgelegen pand is bijgetrokken (met een hoge hoed als uithangbord); “Vleeschhouw(erij) Spekslager” met onder Spekslager een onleesbare naam; “Constant Dietvors in Gemaakte goederen”, 1905 (GN663 RAN)
Wanneer C.P.H. (Constant) Dietvors zijn winkel precies is begonnen, is nog niet bekend. Wél dat hij zijn winkel “De Zon” begin 1895 in Houtstraat no. 6 heeft (Advertentie in De Gelderlander 24/2/1895, Adresboek 1895). Midden 1895 plaatst hij advertenties van een grote opruiming vanwege het verplaatsen van zijn zaak (onder andere De Gelderlander 2/6/1895). In De Gelderlander 8/9/1895 is zijn adres van Magazijn De Zon “Hoek Houtstraat-Bloemerstraat), oftewel Bloemerstraat 151 (De Gelderlander 1/5/1898).
Advertentie kleermaker Dietvors Bloemerstraat 151 (De Gelderlander 19-6-1898)
De panden van de Groenten & Vruchtenhandel, annex Vishandel van J. Hendriks, nr.: 16; B.H. Klaasen, nr.: 18; Banketzaak L.M. Leenders, nr.: 20; P.van Dijk, nr.: 22; Brood & Banketzaak A.J. Wieland, nr.: 26, 1910-1915 (F12813 RAN)De “Vereenigde Vischhandel”, Bloemerstraat 41, 1910-1915 (F12812 RAN)Slagerij van Gerard Tesser, Bloemerstraat 156, 1910 (F66411 RAN)Verlichte etalage van de vleeshouwerij van P.J. Cornelissen bij avond (Installatie A. Speelman). Reproductie uit: Gebruikt Electriciteit! Reclame uitgave der Gemeente-Electriciteitswerken te Nijmegen, eerste serie no. 3 ‘Onze Winkels’, Nijmegen 1910 (P.H. Kouw via F47584 RAN)Bloemerstraat 46-48-50: Café-Restaurant A.A. Janssen rechts, logement H. Joosten in het midden en schoenmakerij H.J. de Winkel links, 1913 (F19034 RAN)De kapperszaak van H. van Hulst, Bloemerstraat, 1915 (F12815 RAN)Hotel-café-restaurant-billard “In de IJsbeer”; op 17-09-1921 opende de heer J.W. Wolff, fabrikant van vanille ijs (Parkdwarsstraat) zijn nieuwe zaak als melk, bier en ijssalon met voornoemde naam.
Eind 1922 verschijnt een advertentie als hotel-café-restaurant-billard “De IJsbeer” waar ook gedanst kan worden.
Kennelijk gaan de zaken niet goed want op 4 december 1934 wordt de inventaris geveild.
Op 5 januari 1935 staat een aankondiging in ‘De Gelderlander’ dat ook het pand ‘met woonhuis, vergaderzaal en erf’ geveild gaat worden.
Op zaterdag 11 mei 1935 opent hier “Hotel Café Restaurant Unicum”.
Ruim een jaar later, op 9 juli 1936, wordt ook Unicum alweer failliet verklaard.
Op 2 oktober 1937 adverteert Harry van den Dungen met “Café De Kroon”.
In 1941 verkoopt van den Dungen zijn zaak, maar blijft echter onder de naam “De Kroon” bestaan tot ver na de oorlog, uitgebaat door ene P.J. Vermeulen, Bloemerstraat 21-23, 1925-1930 (F12849 RAN)nterieur van hotel-café-restaurant-billard “In de IJsbeer”; op 17-09-1921 opende de heer J.W. Wolff, fabrikant van vanille ijs (Parkdwarsstraat) zijn nieuwe zaak als melk, bier en ijssalon met voornoemde naam.
Eind 1922 verschijnt een advertentie als hotel-café-restaurant-billard “De IJsbeer” waar ook gedanst kan worden.
Kennelijk gaan de zaken niet goed want op 4 december 1934 wordt de inventaris geveild.
Op 5 januari 1935 staat een aankondiging in ‘De Gelderlander’ dat ook het pand ‘met woonhuis, vergaderzaal en erf’ geveild gaat worden.
Op zaterdag 11 mei 1935 opent hier “Hotel Café Restaurant Unicum”.
Ruim een jaar later, op 9 juli 1936, wordt ook Unicum alweer failliet verklaard.
Op 2 oktober 1937 adverteert Harry van den Dungen met “Café De Kroon”.
In 1941 verkoopt van den Dungen zijn zaak, maar blijft echter onder de naam “De Kroon” bestaan tot ver na de oorlog, uitgebaat door ene P.J. Vermeulen, 1921-1934 (F93633 RAN)Het Café-Restaurant A.H. Janssen, Bloemerstraat 78-78a, 1930 (F18767 RAN)Café H. Pilet – Maastrichts Bierhuis. Eigenaar Huub Pilet poseert met echtgenote Annie Raafs, zoon Huub jr. en dochter Corrie (midden) voor de horeca-gelegenheid. Joop, de jongste van de drie kinderen, ontbreekt op de foto. De naam van het meisje links is niet bekend. Vanwege zijn kleine postuur – hij is van Italiaanse komaf – heeft Pilet sr. plaatsgenomen op de (verhoogde) drempel van de deuropening om het verschil in lengte met zijn vrouw te compenseren!, Bloemerstraat 101 (F26771 RAN)
De Hollandsche Kaasboer G. Rebel Bloemerstraat 84. In de etalage zijn Teuntje Rebel-Bout en zoon Jan Rebel te zien (Collectie en Auteursrecht: C. Rebel)
Rond januari 1929 opent G. Rebel zijn kaashandel “De Hollandsche Kaasboer” op Bloemerstraat 84. Daarbij is hij zowel detail handelaar als grossierder. Hij is dan afkomstig van de Weurtscheweg 83.
Advertentie De Hollandsche Kaasboer G. Rebel opening Bloemerstraat 84 (De Gelderlander 8/1/1929)
“Nieuwe zaak.
De heer G. Rebel, die tot dusverre zijn zaken dreef aan den Weurtschenweg 83, heeft deze sinds heden overgebracht naar de Bloemerstraat 84. In dit nieuwe pand heeft de heer R. ruimere gelegenheid tot het uitstallen van zijn waren, waaronder het artikel kaas een eerste plaats inneemt.
De grossierderij is bij de wederverkoopers wel bekend. Naast kaas worden boter, eieren, enz. in geregelde voorraad gehouden.
Het interieur is door nieuwe beschildering geheel vervroolijkt. Voor de Bloemerstraat is de vestiging van deze zaak wederom een aanwinst.” (De Gelderlander 8/1/1929).
In februari 1933 komt nog een advertentie voor op Bloemerstraat 84. “Naast het artikel Kaas en Boter (overbekenden) bevelen wij thans ook aan alle fijne Vleeschwaren en Vischconserven. Betere kwaliteit is er niet. Wel duurder. Neemt proef! Neemt proef! In al deze artikelen En Gros En Detail.” (PGNC 6/2/1933).
Dan verhuist hij rond 1933: In het Adresboek 1934 komt hij voor als G. Rebel, kaashandel, op Berg en Dalscheweg 272. Vanaf 1936 is dit nummer 286, wat mogelijk een hernummering is geweest. Vervolgens komt hij nog jarenlang, in ieder geval in het Adresboek 1971, voor.
Tweede Wereldoorlog
De Bloemerstraat gezien vanaf het midden van de Augustijnenstraat, na bombardement, 1944 (GN212 RAN)
Ook de Bloemerstraat werd bij het bombardement van februari 1944 zwaar getroffen. Een deel van de linkerzijde, tot de huisnummers 35 bleven staan en zijn nog steeds te zien. Ook de panden tot huisnummer 42 overleefden het bombardement, maar zijn eind jaren 50 (1959?) alsnog gesloopt.
Hieronder staat een foto van de gesloopte panden.
Op Noviomagus vertelt Gerard Eickmans zijn herinneringen aan bakkerij Eickmans.
De oostzijde van de Bloemerstraat met o.a. v.l.n.r. Café W. Smolders (Bloemerstraat 34) , Thom’s Verfhandel (van Th. A. van Cleef) (Bloemerstraat 28A), de winkel in groente en fruit van P. Holleman (Bloemerstraat 26) en (tweede van rechts) Brood- en Banketbakkerij J. Eickmans (Bloemerstraat 14), 1954-1955 (F12830 RAN)
Jaren 50: Wederopbouw
Bij de Wederopbouw werd de Bloemerstraat ontworpen als een moderne winkelstraat.
Bovendien was het de aanrijroute voor auto’s: men zou via de Tunnelweg in 1 rechte weg naar Plein 1944 kunnen rijden, om daar te parkeren. En om vervolgens de horeca te bezoeken, te winkelen of naar de bioscoop te gaan.
De eerste herbouw in de Bloemerstraat: Kapperszaak de Vries, architect Hendriks
Wanneer kapperszaak de Vries en de firma Courbois in juli 1950 open gaan, blijkt dit het eerste pand te zijn, dat in de Bloemerstraat is herbouwd:
“Pioniers in de Bloemerstraat
Pioniers in de Bloemerstraat kunnen we ze noemen, de twee eerste zaken, die daar, na van oorlogsramp te zijn hersteld, hebben heropend. Het is de heer Jan de Vries, die herbouwde en twee zakenpanden met bovenhuizen liet zetten, die een fraai complex vormen en de toekomstige drukke verkeersweg, welke de Bloemerstraat gaat worden, alle eer aandoen. Op no. 39 is de kapperszaak van de heer J. de Vries weer voortreffelijk ingericht, met een fraaie kapsalon (gisteren had deze veel van een bloemensalon weg, zo groot was de in bloemen betoonde belangstelling); op no. 37 vond de firma H. Courbois, (goud en zilver), die wordt gedreven door de heer en mevrouw P.J. Kuiltjes, na veel rampspoed en meerdere door de oorlog bewerkte omzwervingen, eindelijk een standvastig rustpunt. En ook hier ontbrak het niet aan blijken van sympathie met bloemen en felicitaties.
Ons gemeentebestuur was niet in gebreke gebleven om van zijn vreugde over deze eerste herbouw in de toekomstige Bloemerstraat te getuigen, Burgemeester Hustinx zou zelf de opening van dit mooie winkelcomplex hebben verricht, indien hij niet in verband met de komst van het Koninklijk Echtpaar naar Gelderland, verhinderd ware geweest. Nu was het de wethouder van Publieke Werken de heer M. Duives, die met groot genoegen voor de gemeente de honneurs waarnam en een woord van hulde sprak tot de heer J. De Vries en het echtpaar Kuiltjes. Spr. had bewondering voor de ondernemingsgeest en het doorzettingsvermogen, waarmee deze bouw was tot stand gekomen. En grote lof had de wethouder voor de aannemers Gebr. Detmers en de architect, de heer Th. Hendriks en alle ondernemers. Weer een belangrijke bijdrage is geleverd tot het stadsherstel, want het zijn juist de middenstandszaken, die de echte sfeer aan de city moeten teruggeven, aldus spr. De wethouder had groot vertrouwen in de toekomst van de Bloemerstraat, welke aan de kant, die op zijn plaats blijft, met zulk een fraai winkelpand is verrijkt, terwijl de andere kant voor de grote verkeersweg vanaf de tunnel tot aan de Markt zal achteruitgaan om ruimte te maken voor een brede rijweg. Aan de heer de Vries, die hier als eerste herbouwde, bracht de wethouder hulde voor de goede blik in de toekomst, die hem ook in de wijze waarop hij zijn zaak, thans een kwarteeeuw bestaande, thans opgebouwd, kenmerkte.” (De Gelderlander 11/7/1950)
Luxor Bioscoop
Het Luxor-theater, rechts de Doddendaal, 1955 waarschijnlijk rond de opening. Architecten Meerman en Jansen (Commissariaat Politie Nijmegen Afd. Fotografie F31806 RAN CCO)
Een aantal jaren voordat het gebouw gesloopt werd, had het de titel “lelijkste gebouw van Nijmegen” gekregen. In de loop der jaren was het pand steeds meer vervallen en was het een “rotte kies” geworden. En dat, terwijl er de Luxor bioscoop in 1955 als een fris uitziend pand begon.
De hoek Bloemerstraat-Plein 1944 in aanbouw: Gezien in de richting van het Luxortheater op de hoek met de Bloemerstraat en Doddendaal. Links de zuidzijde van Plein 1944 met o.a. Chinees Restaurant Tai Tong ; in het midden de bouw in 1957 van de woon-winkelflat op de hoek van Plein 1944 en de Bloemerstraat ; rechts het woon-winkelcomplex aan de westzijde van Plein 1944 met o.a. de winkel van Heijmans. 1957-1958 (J.F.M. Trum via f20209 RAN CCBYSA)
Hyuro (Tamara Djurovic, 1974 Argentinië). Waarschijnlijk is ze in de jaren 90 naar Valencia verhuisd, waar ze aan de technische universiteit heeft gestudeerd. Ze overleed op 19 november 2020 aan leukemie. In 2019 maakte ze deze muurschildering van 8 vrouwen die met keukengerei muziek maken. Zie verder het leuke artikel van Dorsoduro (tevens bron)
Pierson rellen
Pierson rellen; Boven de kauwgomballenautomaten: “Zeigelhof nooit! Wij blijven!”, februari 1981 (J.N. via F54213 RAN CC0)
21ste eeuw
Vanaf in ieder geval het begin van de 21e eeuw raakte de straat gaandeweg in verval.
Het eigentijdse Nijmegen uit 2008: “Door de toenemende spreiding van de winkels en het steeds groter wordende oppervlak van het winkelgebied zijn enkele straten onder druk komen te staan: Bloemerstraat, In de Betouwstraat, Hertogstraat en Kelfkensbos. Daar vertrekken winkels, het niveau daalt, de horecasector dringt op. Andere straten weten zich te handhaven of hun positie zelfs te verbeteren.”
“De afgelopen twee decennia kwam de klad er echter in. Winkels liepen en bleven leeg, bewoners vertrokken en gewone horeca maakte plaats voor coffeeshops en shisha-lounges. Er was overlast van hardrijdend verkeer en er waren veel openbare-ordeproblemen, onder meer door geluidsoverlast, agressie en handel in en gebruik van drugs. De Bloemerstraat kreeg een ronduit slechte reputatie.” (Overheidvannu.nl, tevens belangrijke bron van deze paragraaf)
Daarop besluiten de provincie Gelderland en de gemeente Nijmegen in de jaren 2010 om 750.000 euro extra in de straat te investeren. In 2019 was de straat weer sterk opgeknapt.
Eerste maatregelen in 2011
In 2011 wordt er begonnen met een tijdelijke opknapbeurt, vooruitlopend op de herinrichting. Maatregelen zijn dan:
Net als de ringstraten krijgen de trottoirs rode klinkers
Bestaande verlichting wordt vervangen door hangverlichting
Het trottoir van de Smetiusstraat wordt verbreed.
Ook wordt de bushalte verplaatst
Het is dan wachten op de afronding van de bouw op Plein 1944, die waarschijnlijk in 2013 klaar is. Dan zal de Bloemerstraat geheel opnieuw worden ingericht.
Grote herinrichting
Maatregelen van de grote herinrichting waren:
Aanleggen van bredere trottoirs
Aanplanten van nieuw groen werd
Meer ruimte voor terrassen
De straat werd een 30 kilometer-zone
Aan de stationszijde, de entree van de straat kwam een grote muurschildering van een vogel
Een straatmanager werd aangesteld om de lege winkels te vullen met jonge ondernemers
Aanpak veiligheidsproblemen: Stegen achter de winkelpanden werden zijn afgesloten met hekken, en de politie is vaker en sneller aanwezig
Overheidvannu.nl noemt het werk van de straatmanager een succes: “Die zijn er inmiddels massaal neergestreken. Opvallend is de bundeling van functies in één pand, zoals de lunchzaak die ook een yogastudio herbergt. Daar is bewust voor gekozen om de leegstand zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Er staat vrijwel niets meer leeg. Ook de veiligheidsproblemen worden aangepakt. Stegen achter de winkelpanden werden zijn afgesloten met hekken, en de politie is vaker en sneller aanwezig.”
2017 “Heropening”
In mei 2017 vindt de “heropening” van de Bloemerstraat plaats.
Een leuk en uitgebreid artikel vanwege deze heropening staat in de Mariken:
Overheidvannu.nl constateert dat winkeliers in 2019 “matig tot behoorlijk” tevreden zijn. Hoewel winkeliers positief zijn van de snelle aanpak door politie, wordt de overlast en het onveilige gevoel, voor ’s avonds, nog steeds als een van de pijnpunten gezien. Daarbij is er de overlast van de hardrijders.
Ook de Gelderlander constateert in 2018 -wanneer het project al jaren loopt en vrijwel is afgerond- het onveilige gevoel, vooral van de (drugs)overlast. Daarbij worden de maatregelen die de gemeente ten aanzien van de Tweede Walstraat en de Vlaamsegas als reden gezien als mogelijke oorzaak, waardoor de overlast zich naar de Bloemerstraat heeft verplaatst.
Gedenksteen Dick van den Heuvel
Bij de heropening van 2017 is een gedenksteen voor Dick van den Heuvel geplaatst, bij een boom ter hoogte van Bloemerstraat 79.
Op 20 juni 2024 opende de Albert Heijn op Bloemerstraat 133, op de hoek van de Bloemerstraat en Plein 1944. Jarenlang was deze locatie een van de lelijkste plekken van Nijmegen. Waar bij de wederopbouw een frisse bioscoop was gebouwd, was dit gebouw -na vele verbouwingen- en na leegstand in verval geraakt: in 2014 werd het uitgeroepen tot lelijkste gebouw van Nijmegen. Na sloop in 2019 was hier midden in het centrum jarenlang een leeg gat te zien.
In de nieuwbouw is in 2024 een tijdscapsule geplaatst: verhalen van “dromen en hoop voor 2069. Honderden bewoners hebben toekomstverhalen geschreven, mede ingegeven door de verwoeste dromen als gevolg van het bombardement van 1944. In 2069 zal deze capsule worden geopend, 125 jaar na dit bombardement.
Deze pagina verzamelt de artikelen die over de Dominicanenstraat zijn verschenen.
Vanaf de Berg en Dalseweg in de richting van de Daalseweg. Rechts de St. Canisius MAVO in het voormalige St. Vincentiusklooster, dat later plaats maakte voor het appartementencomplex de Dominicaan, 1987 (Anton van Roekel via F67261 RAN CCBYSA)
Tegenwoordig zit hier sinds 1994 de Vrouwenschool. De geschiedenis van het klooster en de Vrouwenschool is te lezen op haar site.
Achterzijde van het St. Vincentiusklooster met de kapel en de tuin van de Dominicanessen van de Congregatie van de Heilige Catharina van Siena uit 1904 van architect W.J.H. van der Waarden (Nijmegen, 15/11/1860 – Nijmegen, 25/09/1930), Dominicanenstraat, 1929-1931 (Brinio via F89865 RAN)
Dominicanenstraat 1
Vanaf (ongeveer) 1972 zat de SP jarenlang op Dominicanenstraat 1. Zie voor haar geschiedenis de site van de SP. En een interview met Hans van Hooft Sr. op Nijmegen-Oost; en een interview met Sr. en Jr. op Binnenlands Bestuur.
In dit gebouw zat in ieder geval in jaren 70 de PTT, zie de foto uit 1977 op F17188 RAN. Tegenwoordig (oktober 2024) is het gebouw deels in gebruik door Studentenhuisvesting, deels door Kinderopvang KION.
Franciscus van Broeckhuijsen was een aannemer, die daarnaast ook zelf panden heeft ontwikkeld. Waaronder een aantal panden aan de Dominicanenstraat, op de percelen naast zijn eigen huis.
Kruidenierswinkel op de hoek van de Daalseweg (rechts) en de Dominicanenstraat (links), 1934-1938 (F88027 RAN)
Een mooie foto van Rijwielzaak van Sloos (eigenaar A.T. Evers) uit 1979 is te vinden op F16247 RAN.
Dominicanenstraat 42
… voor het bouwen van een Woonhuis met boven Woningen Heer W.(?) G. Berkhof, Dominicanenstraat 42, datum bouwdossier 1-1-1897 (D12.377704)
De bouw tekening van Dominicanenstraat 42 heeft als datum bouwdossier bouwdossier 1-1-1897. De opdrachtgever is W.G. Berkhof(f).
Helaas is de naam van de uitvoerder niet goed te lezen:
10 dubbele woningen
Op 3-9-1897 vindt de aanbesteding plaats van 10 dubbele woonhuizen aan de Dominicanenstraat door de bouwkundige M. Louman, Hugo de Grootstraat 63. De laagste inschrijving was f 30725 door J.C. Kropman (PGNC 5/9/1897).
Momenteel is nog onbekend welke woningen dit zijn.
Marinus Louman
Marinus Louman is geboren op 16-1-1861 in Zwolle. Hij vestigt zich op 8-9-1894 vanuit Roermond op Hugo de Grootstraat 63. Zijn beroep is dan “Teekenaar”.
In het Adresboek 1895 en 1896 komt hij voor als tekenaar op Groote straat 92. In het Adresboek 1898, 1899 als bouwkundige op de Hugo de Grootstraat. Ook staat hij in 1899 onder de kop “architecten” en in 1901, 1902 onder “architecten en bouwkundigen”, in 1903 “architecten, bouwkundigen en teekenaars”.
In 1901, 1902 is zijn adres Hugo de Grootstraat 77 (wat mogelijk een hernummering is geweest); in 1903, 1905 Vondelstraat 64.
Hij is getrouwd met Johanna Sophia Loman (9-3-1862 Tiel); in de De Gelderlander 13-5-1896 en De Gelderlander 19-5-1896 staat het bericht dat ze in ondertrouw zijn gegaan. (Dan als L. Louman, maar dat zal een zetfout zijn). Als beroep staat “bouwkundige”. Zij vestigt zich op 3-7-1896 vanuit Tiel.