Burchtstraat; het pand met Primera en daarnaast zijn door architect Treur ontworpen (augustus 2025)
Architect G.B. Treur ontwerpt voor de dames- en kinderenhoedenwinkel J. van den Hoven de eerste winkel die in de Burchtstraat is gebouwd. Momenteel zit hier de Primera.
Vooraf: Houtstraat
De etalage van de Dameshoedenzaak J. van den Hoven-Folman, Houtstraat 84-86, 1936 (F14671 RAN)
Het bombardement van februari 1944 verwoeste de winkel voor dames- en kinderhoeden van J. van Hoven in de Houtstraat. De jaren daarop zit hij in noodwinkels.
Voorbereiding en eerstesteenlegging
In 1949 wordt begonnen met de voorbereiding van de nieuwbouw: architect G.B. Treur tekent in november het ontwerp voor de winkel van J. van Hoven, de onderdoorgang van de Burchtstraat en 2 bovenwoningen (zie het detail van de bouwtekening D12.410290 hieronder).
Plan voor winkel met bovenwoningen voor de Fa. J. v/d Hoven a/d Burcht, architect G.B. Treur, datum tekening 9-11-1949 (D12.410290)
De eerste steenlegging vond plaats op 32-12-1949 door mevrouw B. van den Hoven-Folman. De versierde steen werd daarbij uitgereikt door de aannemer H. Moed (beschrijving bij F53737 RAN )
1950: opening
In mei 1950 vindt de opening plaats: “Het eerste winkelhuis in de Burchtstraat, dat na de oorlogsramp weer werd herbouwd is dat van de fa. J. van den Hoven, dames- en kinderhoedenmagazijn. Het is een gelukkig begin, waardoor het stadsbeeld in de omgeving van het stadhuis aanmerkelijk is gewijzigd en verfraaid. Van de zijde, van het gemeentebestuur bestond dan ook voor deze gebeurtenis, gedachtig het gezegde “beter een goede buur dan een verre vriend” veel belangstelling. Moge deze fraaie winkelbouw, die onder architect G.B. Treur en aannemer H. Moed uit Bemmel tot stand kwam, spoedig door meerdere in deze omgeving worden gevolgd.” (De Gelderlander 27/5/1950)
Aan de Voorstadslaan 175 t/m 207 staat een rij woningen, allen gebouwd door J. Th. Weisscher. Behalve 175 zijn zij gebouwd in 1910-1911.
Voorstadslaan 185 t/m 191
Persoonlijk vind ik dit een van de mooiste huizen aan de Voorstadslaan, vooral door de ronding voor de balkons.
Gebouwd in 1911, in opdracht en voor rekening van J. Th. Weisscher. Hij woonde zelf een aantal jaren -vanaf ongeveer 1914- op nummer 183. Aangezien hij in de adresboeken tot 1920 voorkomt als “uitvoerder”, is het mij nog onduidelijk of hij daadwerkelijk de uiteindelijke opdrachtgever was, of dat hij werkte voor een firma.
Uiteindelijk is een heel rijtje in zijn opdracht gebouwd.
De nummers 177 t/m 183: zijn ontworpen in 1910
185 t/m 191: 1911
193 t/m 199: 1911 (bouwdossier juli 1911)
201 t/m 207: 1911 (bouwdossier november 1911)
175 in 1922
Voorstadslaan 177 – 183
Plan 2 Beneden en 2 Boven Burger woningen gelegen aan de Voorstadslaan Cadastraal bekend in sectie C no. 1730 Gemeente Neerbosch … Voor rekening van en uitgevoerd door J. Th. Weisscher, Burghardt v.d. Bergstr 143 (BOUWEN 2 BENEDEN- EN 2 BOVENWONINGEN (14-10-1910) D12.381886)BOUWEN 2 BENEDEN- EN 2 BOVENWONINGEN (14-10-1910) D12.381885
Bewoners volgens Adresboeken
Uitgave
183
Naam
Beroep
1913-1914
P.H. Eggels
Onderwijzer
1914
J. Th. Weisscher
Uitvoerder
1915
J. Th. Weisscher
Uitvoerder
1916
J. Th. Weisscher
Uitvoerder
1920
J. Th. Weisscher
Uitvoerder
1920
G. Cooke
1924
J. Th. Weisscher
Bouwkundige
1926
A. Strijbosch
Aannemer
1926
Mej. C.J.M. Strijbosch
1926
G. v. Exel
Timmerman
1928
A. Strijbosch
Aannemer
1928
Mej. C.J.M. en C.A. Strijbosch
1928
G. v. Exel
Timmerman
1932
Dames B.M.M. en E.C. Weisscher
Naaisters
1934
Dames B.M.M. en E.C. Weisscher
Naaisters
1938
Dames B.M.M. en E.C. Weisscher
Naaisters
Bewoners volgens Adresboeken
Begin augustus 1912 komt P.H. Eggels op nummer 183 te wonen. Hij is dan afkomstig uit Beuningen (PGNC 11/8/1912).
In ieder geval woont J.Th. Weisscher volgens het adresboek van 1914 op nummer 183. In het adres van 1913-1914 komt eerst de onderwijzer P.H. Eggels voor. In de gevonden adresboeken van 1914 t/m 1920 is zijn beroep ‘uitvoerder’. In 1924 is het ‘bouwkundige’.
Een advertentie in De Gelderlander 23/5/1915: Weisscher woont dan op Voorstadslaan 183; wat is zijn relatie met Walthman en Co.? Dit moet nog verder worden uitgezocht.
Een soortgelijke advertentie op De Gelderlander 17/6/1915
Waar woont Weisscher tussen 1926 en 1932?
PGNC 9/1/1932: Begin januari Nijmegen verhuist Weisscher naar Den Haag (Gouverneurslaan 309). Om zich begin augustus 1935 vanaf dit adres weer in Voorstadslaan 183 te vestigen ( De Gelderlander 10/8/1935). In de adresboeken komt hij echter op dit adres niet voor? Wel de dames B.M.M en E.C. Weisscher, naaisters (adresboeken 1932, 1934, 1938)
Op 18-10-1935 overlijdt Marcellina Marina (De Gelderlander 19/10/1935), ze is dan 64 jaar (De Gelderlander 26/10/1935). Begin mei 1936 verhuist Weisscher naar Hedel. Zijn beroep is dan nog steeds “bouwkundige” (PGNC 9/5/1936)
Tussen 8 en 14 december 1939 verhuist A.L. Antonissen, verpleger, naar nummer 183. Hij is dan afkomstig uit Velp (N.B., Boschweg 6b PGNC 16/12/1939)
Vervolg Strijbosch
A. Strijbosch en Mej. C.J.M. Strijbosch verhuizen na 1930 naar Burghardt v.d. Berghstraat 34: zij komen op dit adres voor in het adresboek van 1932. Op dit adres wonen dan tevens H.L. Strijbosch, teekenaar en J.H. Strijbosch, kantoorbediende.
In het adresboek van 1934 komen A. Strijbosch, Mej. C.J.M. Strijbosch en H.L Strijbosch, tekenaar nog steeds voor. J.H. niet meer; echter: A.J. Strijbosch, bouwkundig opzichter woont dan wel op dit adres.
In de adresboeken van 1936 en 1938 is A.J. inmiddels verhuisd naar Stijn Buysstraat 102. Hij is dan bouwkundige en makelaar.
In 1940 Wonen alle 3 nog op nummer 34, H.L. is dan aannemer. A.J. woont op de Groesbeekscheweg 92a.
Voorstadslaan 185 t/m 191
BOUWEN TWEE BENEDEN- EN TWEE BOVENWONINGEN (07-04-1911) (12.382670)
Van 23-11-1909 tot en met 6-4-1910 wonen zij in Nijmegen, Jan van Galenstraat 64 (Bevolkingsregister 1910). In ieder geval Weisscher zelf is dan afkomstig uit Amersfoort. Als beroep staat “bouwkundige” en bij Marcellina “naaister”.
Op 29-10-1910 vestigen zij zich weer in Nijmegen en zijn dan afkomstig uit Arnhem. “Burgh. B. Str. 143” is op een later tijdstip doorgehaald en vervangen door Voorstadslaan 183. Als beroep van Weisscher staat aanvankelijk “uitvoerder” geschreven, bij de adreswijziging is hier “bouwkundig” toegevoegd. Het beroep van Marcellina is “naaister”.
In december 1909 zit hij in de Militie der Landweer, Lichting 1907 (ikv bericht verlofgangers PGNC 21/12/1909), eveneens in december 1910 (PGNC 11/12/1910)
Rond 16-10-1910 vestigt Weisscher zich in de Burgh. V.d. Berghstr. 143. Hij is dan afkomstig uit Arnhem (PGNC 16/10/1910)
Rond 13-12-1918 wordt Weisscher 2e secretaris van de Ned. R.K. Werkmeestersbond, een bond voor “werkmeesters, opperbazen, opzichters, enz.” (De Gelderlander 13/12/1918)
Suikeresdoorns, herinnering aan de Duitse capitulatie en het verblijf van het 1ste Canadese Leger in Nijmegen, Voerweg (september 2025)
De suikeresdoorns aan de Voerweg zijn het geschenk ter herinnering aan het Eerste Canadese Leger in Nijmegen. Wat betekent dit geschenk? En wat is het verhaal van dit Eerste Leger in Nijmegen en omgeving?
De bomen zijn een geschenk van het “We do remember” National Comittee, namens de provincie Ontario aan de gemeente Nijmegen. Het esdoornblad ofwel ‘maple leaf’ is het nationale symbool van Canada.
Dit monument is op 5 mei 1980 onthuld. Op 7 mei 1945 vond de Duitse capitulatie plaats, dus 35 jaar na “V-E Day”: Victory in Europe Day. De bomen zijn een herinnering aan deze dag en het verblijf van het 1ste Canadese Leger in Nijmegen.
Ik (RE) vermoed dat de schenking van de Provincie Ontario afkomstig is, omdat het 1ste Canadese Leger daar haar basis heeft.
Bord suikeresdoorns Voerweg (oktober 2022)
Op het bordje staat: ““These forty sugar maple trees are presented on behalf of the Province of Ontario Canada. To the City of Nijmegen by the “We do remember” National Committee on the occasion of the thirty-fifth anniversary of V-E Day 1945-1980”
Op het bordje staat dat er 40 geschonken zijn. Er blijken echter 32 esdoorns te staan (Zie ook Monumental trees). Wat de reden is van de ontbrekende acht bomen, is mij niet bekend: of er daadwerkelijk 32 in plaats van 40 zijn geplant of dat 8 van deze 40 bomen in de loop der jaren verloren zijn gegaan.
Het eerste Canadese Leger in de omgeving Nijmegen
De Britse Veldmaarschalk Bernard Law Montgomery en generaal Crerar bevelhebber van het eerste Canadese leger na een conferentie te Nijmegen, 2/1945 (reproductie uit “Pionier der Vrijheid”door Alan Moorehead via F71251 RAN)
Ze waren zichzelf al het Cinderalla Army (Assepoesterleger) gaan noemen: het 1ste Canadese Leger. Waar sinds de invasie in Normandië al talloze zware gevechten hadden plaats gevonden, was de rol van dit leger tot dan toe beperkt gebleven: bij de geallieerde opmars was hun rol vooral het bewaken van de linkerflank geweest. Met beperkte toewijzing van munitie en brandstof kregen ze vooral de weinig aansprekende opdracht om havensteden te zuiveren van Duitsers. Wat overigens niet betekende dat er zwaar werd gevochten om de Franse havensteden en de opening van de Schelde.
Het offensief stokte bij Market Garden. De brug bij Arnhem werd niet veroverd, Nijmegen wel. Vanaf dat moment was Nijmegen frontstad.
Bewaken
De Canadezen kregen de taak om van december 1944 tot februari 1945 de taak de frontlinie te bewaken. Dat betekende dat ze meer dan 360 kilometer moesten bewaken: van Duinkerken aan de Noordzeekust tot ten zuiden van Nijmegen. Ondertussen begonnen de voorbereidingen voor een groot voorjaarsoffensief.
Operation Veritable
Op de voorgrond Canadese soldaten ter hoogte van Villa Montana; op de achtergrond, aan de overkant van het Meertje rukken ze op richting de Ooij (F71261 RAN)
Dit offensief ging in op 8 februari van start. De Canadezen trokken vanuit de omgeving van Nijmegen naar het zuidoosten om de corridor tussen Rijn en Maas vrij te maken. Het 9de Amerikaanse leger zou optrekken naar het noordoosten, waarbij de legers elkaar bij Wesel zouden gaan ontmoeten. Voor de Canadezen betekende dit de strijd om het Reichswald, de Siegfriedlinie te doorbreken om vervolgens de verdediging van de Duitsers van het Hochwald te verslaan en daarna het gebied tot aan de Rijn veilig te stellen.
Canadese militairen van het 1ste Canadese Leger vuren hun Bofors 40mm kanonnen af in het Reichswald tijdens de operatie Veritable (Slag om het Reichswald) (GN10803 RAN)
Het eerste obstakel was de Ooijpolder. Op 6 februari hadden de Duitsers de dijk in de buurt bij Erlecom opgeblazen, waardoor de polder ondergelopen was. De 3e Canadese Divisie, die bij de Schelde met ondergelopen land veel ervaring had opgedaan, kreeg opdracht dit gebied, onder zware omstandigheden, te veroveren. Op 8 en 9 februari veroverden zij Kekerdom, Leuth en Millingen aan de Rijn. Daarna volgde de zware slag om het Reichswald, waar de Canadezen samen met de Britten vochten. Op 21 februari vond de doorbraak plaats. Een volgende slag vond plaats bij de Schlieffen-Stellung oftewel ‘Hochwald Layback’, welke 2 weken duurden. Niet alleen vanwege tegenstand, maar vooral vanwege slechte weer- en terreinomstandigheden.
Intussen hadden de Amerikanen onder de naam Operation Grenade hun opmars eindelijk kunnen beginnen.
Op 23 maart vindt de volgende fase plaats: Operation Plunder, waarbij de geallieerden tussen Rees en Wesel de Rijn oversteken. Daarmee begon de eindfase van de oorlog en werd ook Nederland weer front.
De bevrijding van Nederland
Suikeresdoorns/Maple Trees aan de Voerweg, oktober 2023
De Canadezen kregen de opdracht de Duitsers uit het oosten en noorden van Nederland te verdrijven.
Het belang van oosten en noorden van Nederland was het beschermen van de linkerflank van de hoofdopmars en de bevoorradingsroute van de geallieerden. Daarnaast zouden de Duitsers hun V1- en V2- raketten niet meer vanuit Nederland kunnen lanceren. En om te voorkomen dat de Duitsers konden ontsnappen uit (west-) Nederland. Deze opmars was niet zozeer bedoeld om de eigen bevolking te bevrijden.
De opmars liep aanvankelijk naar het oosten van Nijmegen, zo’n 50 kilometer. Daarvan. Begin april 1945 trok het Canadese leger, dus uiteindelijk met een bocht, de Achterhoek in. Half april bereikte het Canadese en Poolse leger het noorden van Nederland, waaronder de Afsluitdijk. De Duitsers in West-Nederland konden niet meer ontsnappen.
Bij de Grebbelinie stokt de aanval: in het westen bevonden zich 120.000 Duitsers. Te zwak en een te groot samenraapsel voor een uitbraakpoging, maar aan de andere kant een groot aantal soldaten. Hitler had bevolen om tot de laatste man stand te houden. De Duitsers zetten daarbij de Wieringermeerpolder onder water om luchtlandingen te voorkomen. De grond werd te drassig geacht voor een aanval. Daarnaast was het gebied te dicht bevolkt om de eigen vuurkracht optimaal in te zetten. Eind april waren de gevechten in Nederland sowieso wat geluwd en het wachten was daarom op het einde van de oorlog.
Dansen en sjansen
Op de foto met ingekwartierde Canadese bevrijders. De Canadezen hadden een gaarkeuken in de garage van nr. 9 aan de Surinameweg. Rechts op de achtergrond Melanie klomp en voor Fons de Groot, 5/1945, (A.F. de Groot via F39076 RAN CC-BY-SA)
Op de Canadese Erebegraafplaats (Zevenheuvelenweg, Groesbeek) liggen de meeste Canadese soldaten begraven, die tijdens Operation Veritable gesneuveld zijn. Hierbij kwamen meer dan 5.000 Canadese soldaten om het leven. Op een gedenkteken staan meer dan 1.000 namen van Canadesen, Britten en Zuid-Afrikanen die gesneuveld zijn vanaf de invasie van Normandië en waarvan de lichamen nooit gevonden zijn.
Een ander monument dat mede voor de Canadezen is opgericht is bij Klein Amerika, welke herinnert aan het feit dat de Canadese troepen eind 1944 de frontlinie hebben bewaakt.
http://bevrijdingsbos.nl/060_0001.htm geeft de achtergronden weer van Canadese soldaten die in Groningen zijn gesneuveld. Een aantal keren wordt Nijmegen en omgeving expliciet genoemd. Ook zullen veel soldaten in de omgeving zijn geweest, zonder dat Nijmegen wordt genoemd.
Het Spoorwegmonument met de beeltenis van de godin Victoria, opgericht in 1884 ter herinnering aan de totstandkoming van de spoorlijn Nijmegen-Kleef, ontworpen door gemeentearchitect ir. Jan Jacob Weve. Links, nog net zichtbaar, Sociëteit Burgerlust, 1884-1886 (Foto Wilhelm Ivens, F88894 RAN)
Het Spoorwegmonument is ter herinnering aan de aanleg van de eerste spoorweglijn, door initiatief en kapitaal van Nijmeegse ingezetenen. Het monument is een ontwerp van architect Weve, waarbij het beeld van Victoria een afgietsel is van een beeld van Christian Daniel Rauch.
Op 8 augustus 1865 werd de spoorlijn Nijmegen-Cleve geopend. In 1884 werd de Nijmeegse Spoorweg Maatschappij geliquideerd. Daar Nijmegen meerdere verbindingen had gekregen, was het logisch dat het Staatsspoor ook de lijn naar Kleef zou overnemen. In de laatste vergadering der aandeelhouders, waarin met algemene stemmen de verkoop van de aandelen aan het Staatsspoor werd goedgekeurd, gingen ook stemmen op om de directie een huldeblijk aan te bieden. De directie wilde echter geen persoonlijke hulde. Daarom werd gekozen voor een monument, dat totstandkoming van het spoor Nijmegen-Kleef in herinnering zou houden.
Beeld Victoria
Spoorwegmonument Victoria, Hoogstraat/Kelfensbos, oktober 2023
Het monument is ontworpen door de gemeente-architect J.J. Weve.
Bovenaan staat het beeld van de godin Victoria (en niet van een Engel, zoals het wel eens wordt genoemd). Victoria is de Romeinse godin van de overwinning. Zij wordt meestal afgebeeld als gevleugelde jonge vrouw op een bol met een lauwerkrans in haar hand.
De Gelderlander 10/5/1884 geeft aan dat het beeld de “Faam” voorstelt (en noemt het tevens ‘engel’). De Faam wordt traditioneel echter afgebeeld met 2 bazuinen.
Christian Daniel Rauch
Christian Daniel Rauch (Arolsen, 2 januari 1777 – Dresden, 3 december 1857) was een Duitse neoclassicistische beeldhouwer. Hij maakte veel bustes, maar ook groter werk zoals grafmonumenten en standbeelden. Zijn bekendste werk is het ruiterstandbeeld van Frederik de Grote aan Unter den Linden in Berlijn. Wikipedia: “This work was inaugurated with great pomp in May 1851, and is regarded as one of the masterpieces of modern sculpture, the crowning achievement of Rauch’s work as a portrait and historic sculptor. Princes decorated Rauch with honors and the academies of Europe enrolled him among their members.”
Nadat hij uit Carrera (Italië) was teruggekomen, richtte hij het “Lagerhaus” op, een belangrijke schakel voor de Berlijnse School voor Beeldhouwkunst. De Berlijnse School was de naam voor een generatie kunstenaars waartoe ongeveer 400 kunstenaars worden toe berekend. Beginnend bij Johann Gottfried Schadow rond 1785 en zijn leerling Rauch en eindigend rond 1915.
4e Victoria/Viktoria
Kranzwerfende Viktoria, Original in der Walhalla bei Regensburg (Ingo Steinbach, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons)
Het beeld van Victoria die een krans werpt is een zinken afgietsel van het beeld dat Rauch maakte voor het Walhalla in Regensburg. Dit beeld is de 4e variant van de 6 Victoria beelden welke hij voor het Walhalla heeft gemaakt. De firma A. Castner uit Berlijn heeft het afgietsel gemaakt.
Daarnaast zijn van dit beeld zelf een aantal kopieen gemaakt, waaronder het beroemde beeld voor het Berliner Stadtschloss, welke nu in Alte Nationalgalerie staat. (Hoewel bronnen nadrukkelijk refereren naar het Regensburg beeld, welke het uiteindelijk ook is, is het mij momenteel nog niet gelukt te achterhalen of het beeld in Nijmegen daadwerkelijk dit beeld betreft, of een latere exacte kopie daarvan).
A. Castner, Berlin
Veel Nederlandse bronnen vermelden dat A. Cassner uit Berlijn de gieterij zou zijn. Het betreft echter A. Castner uit Berlijn.
Het is niet het enige afgietsel van Victoria door Castner: in de Rauch catalogus worden in ieder geval al 4 beelden genoemd (Nummers 66.1 t/m 66.4 Katalog Berliner Zinkguß des 19. Jahrhunderts, Nicola Vösgen, 1997 via SMB Museum)
De sokkel: een weerzuil
De zandstenen sokkel is in de vorm van een weerzuil. De Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij wilde geen verheerlijking van personen als gedenkteken. Daarom werd gekozen voor wat in Duitsland een “Wettersaule” (Weerzuil) werd genoemd. (PGNC 11/5/1884)
In de 3 nissen waren een barometer, thermometer en een weerwijzer aangebracht. Op de achterzijde van het paneel was daarbij de verklaring van de wijzerstanden weergegeven.
Verwijdering weerinstrumenten
Mogelijk zijn de weerinstrumenten in 1936 afgebroken: Het monument verkeert dan in vervallen toestand. De gemeenteraad vraagt zich af wat zij met het ‘gedenkteken’ moet doen. Afbreken en naar elders verplaatsen, waarbij het beeld en opschrift behouden blijven? Weve adviseert dat als er geen geld is om het gedenkteken te restaureren, het het beste kan worden afgebroken: het gedenkteken is te zwaar gehavend en heeft sowieso te weinig waarde. Zo besluit de Gemeenteraad. (PGNC 20/3/1936).
In ieder geval zijn de weerinstrumenten er in 1955 niet meer (De Gelderlander 9/12/1955).
Op de sokkel staat aan de voorzijde een opschrift, om de datum 8 augustus 1865 levendig te houden:
“Eendracht maakt macht – ter herinnering aan den bouw van den spoorweg Nijmegen-Cleve door Nijmeegs Burgerij – geopend 8 augustus 1865”
Plaats van het Beeld
Op 29 september 1883 bespreekt de Gemeenteraad de plaats waar het monument moet komen te staan. De Commissie voor de oprichting van het monument heeft de gemeente verzocht het beeld te mogen plaatsen op gemeentegrond. Daarbij heeft het een voorkeur voor het Valkhof.
De gemeente vindt het Valkhof een weinig geschikte plaats: het past niet bij de oude gebouwen en zou door de bomen te weinig in het zicht staan. B. en W. geven de voorkeur aan plaatsing op de Nassausingel of aan de Stationsweg, bij het Keizer Karelplein. B. en W. stelt daarom voor om daar mallen van het beeld te plaatsen om te beoordelen hoe het monument daar zou staan.
De heer Berends, die naast gemeenteraadslid tevens lid van de Commissie is, geeft aan dat ook de commissie aanvankelijk dacht aan het nieuwe gedeelte (wat onder andere de Nassausingel en Stationsweg op dat moment zijn). Rosseels had daarop echter verkllaard, dat een gedenkteken met dergelijke afmetingen nergens kon worden geplaatst. Daarop was de Commissie op het Valkhof gekomen, waarvoor een grote meerderheid van de leden voor zou zijn. Het beeld kan zo geplaatst worden, dat deze geen invloed heeft op de beleving van de oude gebouwen. Daarnaast krijgt het beeld instrumenten om het weer te meten en deze moeten in de schaduw staan, welke de bomen van het Valkhof bieden. Tot slot moet het monument een plek krijgen waar veel mensen komen: ter bescherming van het beeld en omdat zoveel mogelijk mensen gebruik kunnen maken van de weerinstrumenten. (PGNC 3/10/1883)
De mallen werden gemaakt en geplaatst. Op basis daarvan wordt uiteindelijk besloten het monument voor het Valkhof te plaatsen.
PGNC 24/11/1886
Rijksmonument
Het beeld is een Rijksmonument vanwege haar architectuurhistorische, stedebouwkundige en cultuurhistorische waarde, “als goed en gaaf voorbeeld van een herdenkingsmonument uit het laatste kwart van de negentiende eeuw”.
Bronnen
Krantenartikelen: PGNC 3/10/1883, De Gelderlander 10/5/1884, PGNC 11/5/1884, PGNC 20/3/1936, De Gelderlander 9/12/1955
In 1915 schonk het Straalmansfonds een fontein voor het plantsoen aan de de Van Schaeck Mathonsingel en in 1916 twee bloemenschalen. Bij de vernieuwing van het park in 2002 bleek de fontein niet meer te redden. Daarvoor in de plaats kwam de fontein met de glazen koepel. De twee schalen konden nog wel worden gerestaureerd. De fontein en de schalen waren een ontwerp van Willem C. Brouwer. Het Straalmansfonds had de verfraaiing van Nijmegen tot doel.
Willem Coenraad Brouwer
Fontein, ontworpen in 1915 door Willem Coenraad Brouwer, in het plantsoen, van Schaeck Mathonsingel, 1950 (F32233 RAN)
Willem Coenraad Brouwer (19-10-1877 Leiden – 23-5-1933 Zoeterwoude) was een beeldhouwer en keramist.
De ouders van Brouwer waren Nicolaas Brouwer, hoofd van een lagere school in Leiden en Antonia Coert. Hij ging in Leiden naar de Teekenschool. Vervolgens werkte hij van 1894-1898 in het atelier voor boekversiering en lettersnijden van Johannes Aanout Loubèr, zijn zwager.
Brouwer vertrekt naar Gouda. Daar gaat werken bij de Koninklijke Hollandse Pijpen- en Aardwerkfabriek Goedewaagen. In 1899 heeft hij zijn eerste tentoonstelling, in Leiden. In 1900 wordt hij medewerker aan “Het Binnenhuis” te Amsterdam.
In 1901 richt hij een eigen keramisch bedrijf op: Fabriek van Brouwer’s Aardewerk in het pand Vredelust in Leiderdorp. In 1905 wordt het bedrijf omgezet naar N.V. Brouwers Aardewerk.
“Hij gebruikt diverse traditionele decoratietechnieken -sgrafitto, ringeloren, groefversiering en intersa of inlegwerk- in een bewust sobere en eenvoudige stijl, waarin ook de invloed van de oosterse sierkunst is te herkennen.” (Capriolus)
Vanaf 1906 maakt hij tevens bouwaardewerk en tuinkeramiek. “Hij wordt beschouwd als vernieuwer op dit gebied” (wikipedia). Hij werkt onder andere samen met de architecten Berlage, Oud, Dudok en Wils. De fabriek zal worden voortgezet door zijn zonen Klaas en Coen.
Brouwer was lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers.
Gevonden werken
1909- 1913 Beeldhouwwerk aan het Vredespaleis, Den Haag
1912 -1913 Keramisch beeldhouwwerk aan de Kennemergarage, Alkmaar
1914 Ornamenten voor de kerk van Scharsterbrug
1915 Van Karnebeekbron, Den Haag
1916 Twee apen met voetbal met veter, voorgevel Spartastadion Het Kasteel, Rotterdam
1917 Ornamenten voor Gebouw Leidsch Dagblad, Leiden
1917 Kariatiden voor Huis De Lange, Alkmaar
1920 Gijselaarsbank, Rapenburg, Leiden
1920 Gevelornamenten van het Christelijk Internaat, Krakelingweg 10, Zeist
1920 Betegelde schouw met effen keramische tegels en een fries van dieren, die per twee op weg zijn naar Ark van Noach, voormalig Restaurant ’t Wilhelminapark Utrecht
1923 Vier gebakken steenornamenten, voorstellende Kasper de mijngeest, boven in de gevel van het voormalig hoofdkantoor Staatsmijn Maurits, Geleen
1928-1930 Gevelbeelden Hermes en Neptunus voor Atlantic Huis, Rotterdam
Drie gevelbeelden voorstellende een oogstende boer, een wanhopige boer, die zijn oogst opgegeten ziet worden door vogels en een roeiboot genaamd Meeuw omring door meeuwen, in de Trompenburgstraat en de Lekstraat, Amsterdam-Zuid
1930 Vijf terracotta gevelornamenten voor het Wilhelminaziekenhuis, Assen
Niet gesigneerd portret van Paulus Baron Straalman (29-3-1753 Amsterdam-15-4-1828 Nijmegen), militair (hoogste rang luitenant-kolonel cavalerie) en politicus (lid raad Nijmegen, lid Provinciale Staten, 2e en 3e burgemeester Nijmegen, buitengewoon lid Staten Generaal voor Gelderland en lid van de Raad van State in buitengewone dienst). Stichter van het Straalmanfonds ter uitbreiding en verfraaiing van openbare wandelingen; er werd ook een straat naar hem vernoemd (GN11637 RAN)
Paulus Straalman (Amsterdam, 29 maart 1753 – Nijmegen, 15 april 1828), Nederlands militair en politicus. Hij stamde af van een Amsterdamse regentenfamilie. Hij was heer van Duist, de Haar en Zevenhuizen. In 1796 trouwt hij met Petronella Jacoba Smits. Ze kregen geen kinderen. In juli 1816 kreeg Straalman adellijke titel van baron.
Straalman woonde ”op den Doddendaal in het -nu vervallen- dubbele heerenhuis naast de Chr. Bewaarschool” (PGNC 29/1/1905)
Hij had aanvankelijk een militaire loopbaan:
vanaf 1772 was het hij luitenant van de garde dragonders
vanaf 1779 ritmeester regiment Van Stockum
1789-1795 luitenant-kolonel der cavalerie
Straalman was orangist.
Lid Nijmeegse stadsraad
1814-1827: lid Provinciale Staten van Gelderland voor Nijmegen
1815 buitengewoon lid van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden voor Gelderland
1820 -1828: lid Raad van State in buitengewone dienst.
Hij was tussen 1816 en 1818 als derde burgemeester lid van het driehoofdig burgermeesterschap, samen met J.W. Pels en A.F. van der Steen. In 1819 was hij tweede burgemeester.
Straalman en zijn broer Anne Willem waren lid van de notabelenvergadering, die in 1814 over de nieuwe Grondwet beslisten.
In Nijmegen Oost is een van straten naar hem vernoemd.
In 1826 richt hij een fonds van 2500 gulden op ‘verfraaijing en uitbreiding der openbare wandelingen binnen deze stad’. De rente van het fonds, 100 gulden per jaar, moest voor dit doel worden besteed. Het mocht niet voor gewoon onderhoud van de openbare wandelingen worden besteed, deze kosten bleven voor rekening van de stad (Huis van de Nijmeegse Geschiedenis);
Schevichaven noemt overigens een bedrag van 2000 gulden. Ook het PGNC 29/1/1905 noemt het bedrag van f2000, “rentende 5pCt, welke rente aangewend moest worden ter verfraaiing van het Valkhof.”
Beeld van de Stationsweg (vanaf 1923 Van Schaeck Mathonsingel), gezien in de richting van het station, met in het midden het plantsoen met de fontein, ontworpen en uitgevoerd in terracotta in 1915 door beeldhouwer en keramist Willem Coenraad Brouwer (Leiden, 19/10/1877 – Zoeterwoude, 23/05/1933), 1917-1919 (Jacob Krapohl via F91530 RAN)
Straalmanlaantje
In 1915 schrijft het PGNC dat Straalman een legaat had nagelaten, waarbij de rente gebruikt moet worden voor het onderhoud van “laantje, dat van het begin van den Voerweg ten den hoofdingang van de wandelplaats “het Valkhof” voert”, Straalmanlaantje wordt genoemd.
Aangezien er weinig te onderhouden valt, hadden de beheerders van het fonds besloten een spaarpotje te maken, waaruit zo nu en dan versieringen van de stad kunnen worden bekostigd.
Bij het verschijnen van het artikel in 1915 is het fonds “eene stichting die misschien velen niet bekend is”. De aanleiding van het artikel is de bekostiging van het hekwerk rond de Mariakerk (de huidige Mariënburgkapel), dat ingericht is als Gemeentelijk Museum. (PGNC 17/1/1915)
Gevonden bijdragen van het Straalmanfonds
“Wij vernemen dat HH. Commissarissen van het fonds van het zoogenaamde Straalmans Laantje voornemens zijn met toestemming van het bestuur dezer stad aan de Oostzijde van de wandelplaats het Hof een koepel te doen plaatsen die hoofdzakelijk dienen zal de wandelaars die door eene regenbui overvallen worden voor het nat worden te beschermen” (De Gelderlander 14/9/1856)
In 1833 wordt het beeld Flora van Jean-Baptist Xavery in het Valkhofpark geplaatst, waarbij het Straalmanfonds het beeld heeft geschonken aan gemeente Nijmegen. Dit beeld reaakt in de Tweede Wereldoorlog beschadigt en ging rond 1954 geheel verloren.
In 1938 verleent het Straalmanfonds een bijdrage aan het de restauratie van het spoorweg-moment op het Valkhof (PGNC 11/8/1938)
In 1938 neemt het Straalmanfonds de materiaalkosten van f885 op zich voor de bouw van nacht- en winterhokken voor de dieren van het Kronenburgerpark. De Vereeniging tot verfraaiing van Nijmegen en Omstreken was eigenaresse van deze beesten en had het aantal verdubbeld van 44 naar 90 dieren. Zij beschikte echter niet over de middelen om voor deze nachthokken te zorgen. (De Gelderlander 3/4/1939)
In 1939 kunnen 2 reeën aangekocht worden voor Stadspark de Goffert dankzij een voorschot van f60,- door het Straalmanfonds (PGNC 18/3/1940)
Het Straalmanfonds schenkt in juli 1940 -dus in de oorlog- f100 aan de Verfraaiingsvereniging voor de aankoop van extra veevoer voor de dieren in het Kronenburgerpark en de Goffert. Veevoer is schaars en duur en ook het publiek is op dat moment niet genegen om bij te springen: het is niet in de stemming en bovendien zijn haar middelen, ook vanwege broodrantsoenering, beperkt. Uit het krantenartikel blijkt tevens dat het Straalmanfonds de materiaalkosten voor de volière op zich genomen heeft (PGNC 15/7/1940)
Na de oorlog bezit de Vereniging Verfraaiïng Nijmegen, nadat deze in de oorlog “ontzettend veel geleden had” tijdens de viering van haar 70-jarig bestaan weer over 100 dieren (De Gelderlander 30/4/1951)
Geen fontein in het Valkhof?
Niet alle verfraaiingen werden gerealiseerd: in ieder geval kwam er aanvankelijk geen fontein in het Valkhofpark: “Nijmegen, 4 Februari. Naar wij vernemen heeft de Commissie van beheer over het zoogenaamde Straalmanfonds het voornemen gehad een sierlijke fontein op het Valkhof te plaatsen, welk voornemen zij echter heeft moeten opeven, even als in der tijd het bestuur der Vereeniging tot verfraaiing van Nijmegen en het Schependom, omdat het dagelijksch bestuur zich niet met het plan kon vereenigen. Velen zullen het betreuren dat het aanbod niet is aangenomen, daar toch een fontein op een wandelplaats als het Valkhof als het ware omisbaar is, even als het algemeen bejammerd wordt dat er aan het onderhoud van dit heerlijke, door het geheele land als eenig bekende lustoord niet beter de hand gehouden wordt.” (PGNC 5/2/1881)
Straalmanstraat
In juni 1891 besluit de Gemeenteraad om een straat naar Straalman te vernoemen in plaats van Geldenhauer (ook tegenwoordig de Straalmanstraat in Nijmegen-Oost).
Zoals Berends het verwoordt: “…aan de straat liever den naam te geven van een ander nuttig Nijmegenaar, die iets voor het belang der stad heeft opgeofferd, zooals b.v. Straalman, die een fonds heeft gesticht, waaruit wij alle jaren nog een bedrag putten.” Daarna volgt -naast een discussie of het weg of straat moet worden- een bespreking of er geen mogelijke naamsverwarring met het Straalmanlaantje mogelijk is. Berends is daarvoor echter niet bang: “het is geen laantje meer, sedert de boomen naar den Voerweg zijn verplaatst en de burgerij kent de naam niet meer.” (De Gelderlander 9/6/1891)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Blik op de van Schaeck Mathonsingel met op de achtergrond het station, 1910-1920 (GN12911 RAN)
Parfumerie Au Printemps van L.F. Vosveld van Boeckholt, Broerstraat op de hoek met de Korte Nieuwstraat, 1910 (F15276 RAN)
Vooraf: parfumerie-kraam
Advertentie Au Printemps (De Gelderlander 6/10/1880)
Advertentie tandpoeder van L.F. Vosveld van Boeckholt (Leidsch Dagblad 22-1-1883)
L.F. Vosveld van Boeckholt heeft in oktober 1880 en 1881 -waarschijnlijk tijdens de najaarskermis- zijn standplaats van zijn parfumerie-kraam op de Burchtstraat “recht tegenover de Harmonie” (De Gelderlander 6/10/1880, De Gelderlander 5/10/1881). Hij is afkomstig uit ’s-Gravenhage, waar hij zijn fabriek heeft staan.
Vlak voor Sinterklaas 1890 heeft hij bovendien een tijdelijke winkel in de Houtstraat no 5.: “Van Maandag 24 November tot na St. Nicolaas met een spotgoedkoope partij Parfumeriën, Galanteriën, Japansche Artikelen, Speelgoed, Surprises enz. voor oud en jong. Een voetstaps daarheen zal uwe moeite ruimschoots beloonen, daar door grooten aankoop van goederen al deze artikelen beneden fabrieksprijzen zullen worden opgeruimd.” (Advertentie PGNC 21/11/1890; ook PGNC 30/11/1890).
In september 1891 is een advertentie gevonden dat de kraam op de Burchtstraat is te vinden (PGNC 2/9/1891). Terwijl hij in december 1891 een (tijdelijke) winkel heeft op Groote Markt no. 7, hoek Scheidemakersgas (De Gelderlander 25/12/1891) waar hij nu “Kerstpakketten à f 0,25” verkoopt: afgaande op de advertentie een verrassingspakket. Ook is er onder andere een kerstboom te zien.
Broerstraat No. 41
Advertentie Au Printemps Broerstraat (PGNC 28/2/1892)
Begin maart opent Au Printemps op Broerstraat No. 41. Daarbij is de advertentie ondertekent met J.F. – in plaats van L.F. – Vosveld van Boeckholt.
In het Bevolkingsregister 1900 komt zij voor als (stief) dochter van Johannes Hendrik van Boeckholt (1-1-1851 Brouwershaven), deurwaarder Rijks.dir.bel. of Carolina Aurelia van Boeckholt (3-2-1857 Batavia). Daarbij is waar Johannes weduwnaar en vervolgens voor de 2e keer getrouwd met Carolina.
Maria Christina Johanna heeft dan als beroep “winkelierster” en verhuist in die periode naar Broerstraat 45.
In de Adresboeken van 1924, 1926, 1928, 1932, 1934, 1936, 1938, 1940 komt Mej. M.C.J. Vosveld, parfumeriën, toiletartikelen voor op Broerstraat 45.
1930: Estourgie
““Au Printemps”
De hoogst moderne pui, ontworpen door architect Estourgie en uitgevoerd door aannemer Langeveld van maison “Au Printemps” aan de Broerstraat 14, zou reeds voldoende zijn om deze zaak te plaatsen in de rij der 1e klassers, doch met takt en smaak heeft mej. M.C. Vosveld bovendien het interieur zoo laten inrichten, dat “Au Printemps” zich geheel aanpast bij de artikelen zooals odeur, parfums en Eau de Cologne, die er worden verkocht.
Alles ademt daar een Franschen geest en de wijze waarop de installatie tot stand kwam, verraadt een deskunidigheid, die gepaard gaat aan een goed begrip van comfortabiliteit.
Aan dit laatste heeft de fa. Alewijnse medegwerkt met de installatie der verlichting.
De betimmering geschiedde door de fa. v. Lommersen.
Veger uit de Molenstraat waarborgde de entourage en het behang in kleur cerise.
De marmeren gevel met letters leverde de firma Erkens.” (De Gelderlander 28/6/1930)
Vanaf de Grote Markt via de Broerstraat, in de richting van de Molenstraat; de panden tussen de Korte Nieuwstraat, namelijk die van “Au Printemps” en Van Campen, op de hoek van de Gruitberg; met daar tussenin de fa. Hömmen en Co; in juli 1944, Broerstraat 45-53 (GN3812 RAN)
Na de oorlog
Gezicht op de oostzijde van de Broerstraat met de winkelpanden van o.a. (v.r.n.l.) Slagerij Brinke (op de hoek met het Kerkegasje), Parfumerie Au Printemps, Schoenenzaak Gebrs. Raemakers, Herenmodezaak Oostvogel en de bouw van de panden van Jamin en Schoenenzaak BATA ; bovenaan het nieuwbouwpand van de Herenmodezaak Van Dijk & Witte (Burchtstraat 2, geopend op 21 september 1955), 1955 (GN3877 RAN)
Na de oorlog ontwerpt W.Th. Reynen de nieuwe winkel voor Parfumerie Au Printemps. Lees hier het artikel:
Het in de volksmond geheten Hof van Xanten, vormgegeven in classicistische stijl; van hieruit werden de bezittingen van dit Hof in de omgeving van Nijmegen bestuurd. De Jezuïeten hadden er een kleine 150 jaar een schuilkerk en tijdens de Vrede van Nijmegen verbleef er een buitenlandse delegatie. Inmiddels (anno 2021) heeft het pand weer een symmetrische gevel en is de hijsbalk verdwenen, Lage Markt 36, 1920 (F19000 RAN)
Jezuïetenhuis
Het Hof van Xanten wordt ook wel het “Jezuïetenhuis” genoemd, vernoemd naar de schuilkerk die hier lang gevestigd was.
Na de Reductie van Nijmegen bleven vooral de Jezuïeten actief. “Vanaf 1616 waren er structureel twee missionarissen namens de orde in Nijmegen aanwezig. De eerste missionaris die gezonden werd en die we dus als de grondlegger van een vaste Jezuïetenstatie te Nijmegen mogen beschouwen, was de Haarlemse pater Augustinus Bloemert (Blommert). In een paar met elkaar verbonden panden aan de Lage Markt onderhielden de Jezuïeten niet alleen een schuilkerk, maar ook een schooltje voor katholieke kinderen.” (https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?id=2162348063, met een uitgebreid artikel)
Rond en na de Franse tijd kregen katholieken weer een aantal van hun voormalige bezittingen terug. Wel bleven de Stevenskerk protestants, waarvoor in de plaats de Broederenkerk of Regulierenkerk aan de katholieken werd gegeven. “Deze laatste viel toe aan de Jezuïeten, bij gebrek aan belangstelling van de andere orden. In 1820 verdeelde bisschop Van Velde de Melroy de katholieke gemeente Nijmegen in vier parochies en verhief de bestaande missiekerken tot parochiekerken, waarmee feitelijk een eind kwam aan de statie. Pas in 1820 ook verlieten de Jezuïeten de Lage Markt en betrokken de St. Ignatiuskerk aan de Molenstraat (voorheen de St. Catharinakerk der Reguliere Kanunniken van de Heilige Augustinus, de Regulierenkerk).”
Rijksmonument
Het Hof van Xanten is sinds 1973 een Rijksmonument met als omschrijving:
“PATRICIERSHUIS met twee verdiepingen en schilddak, breedte vijf vensterassen, midden 17e eeuw.
De voorgevel bezit bakstenen pilasters van de kolossale orde met natuurstenen basementen en Dorische kapitelen.
De zij en achtergevel van het Jezuïetenhuis (Hof van Xanten), voor de restauratie, Lage Markt 32, 5/1948 (Fotopersbureau Gelderland via F19046 RAN CCBYSA Auteursrechthouder J.F.M. Trum)
Hof van Xanten Lage Markt (juni 2024)
Hof van Xanten zijingang
2017: Verbouwing appartemten
In 2017 is het Hof van Xanten door Hermon Heritage verbouwd tot appartementen:
“16 september 2017 –
Met enige trots heeft HERMON Heritage 8 september jl. de sleutels van de eerste zeven opgeleverde studio’s in de voormalige Hof van Xanten (aan de Lage Markt 20-32) overgedragen aan Stichting Veste.
Binnen de bestaande structuur van het gebouw heeft een inpandige herverdeling plaatsgevonden en zijn een drietal studio’s met entresol op de zolderverdieping gerealiseerd. Op de eerste en tweede verdieping zijn in totaal vier twee-kamerappartementen gerealiseerd. Op de begane grond wordt nog volop gewerkt aan de overige negen studio’s. “ (https://hermonheritage.nl/oplevering-eerste-studios-nijmegen/, zie tevens de inwendige foto’s van de appartementen, waarbij de inwendige takel bewaard is gebleven)
Links de Priemstraat. Het huis In de Olifant. Rechts daarvan het Jezuietenhuis (Hof van Xanten); merk op dat de olifant is verdwenen, 1969, Lage Markt 36-32 (Dr. Jan Brinkhoff via D563 RAN CC0)
Ruiters van de Koloniale Reserve poseren voor de Stalhouderij en ‘verhuring’ van paarden en rijtuigen van J.H.W. van Bon, tevens eigenaar van Hotel Café Bar ‘de Beurs’ in de (Lange) Hezelstraat op de hoek met de Bottelstraat, Nieuwe Markt 8, 1910-1913 (F26519 RAN)
Centraal Garage
Eigenaar J.H.W. van Bon (met hoed) van Autobedrijf Van Bon poseert met zijn drie zoons Antoon (rechts), Herman en Theo (links), de chauffeurs van taxi-onderneming Novitax en personeelsleden van de Centraal-Garage voor de ingang. Op de achtergrond rechts (auto)monteur Gijs Nas, Nieuwe Markt 8. 1934 (F26525 RAN Auteursrechthouder B. van Bon)
De tot nu toe eerst gevonden advertentie is in PGNC 5/3/1920, waarin een goed onderhouden Laudaulette Carrosserie te koop wordt gevraagd.
Blijkens achterstaande advertentie zal morgenmiddag te 2 uur nabij den Hunerberg een demonstratie wordne gegeven met het auto-paard. Dit zal geschieden vanwege de Centraal-Garage, Nieuwe Markt 9. Belangstellenden zullen zeer zeker niet verzuimen het mechanische lastdier te gaan bezichtigen.” (PGNC 30/6/1920)
Advertentie Garage Centraal voor Automobielen Imperia (PGNC 30/5/1925)
In de loop der jaren zijn advertenties gevonden voor meerdere automerken. Bovenstaande, de Imperia, is voor Nijmegen een bijzondere: deze was eigendom van Mathieu van Roggen jr. (Sprimont, 1 november 1890 – Schaarbeek, 4 januari 1980). Zijn ouders Mathieu van Roggen (1863–1909) en Jeannette-Françoise-Joséphine Blom (1868-1956) waren afkomstig uit Nijmegen.
De Centraal-Garage J.H.W. van Bon komt in ieder geval voor in de Adresboeken 1926, 1928, 1932, 1934, 1936, 1938.
Daarnaast is er het autobedrijf Novitax, welke gevonden is in de Adresboeken 1934, 1936, 1938, 1940.
In 1992 stond het carillon aan de overkant van de straat; Augustijnenstraat gezien vanaf Plein 1944, links de Houtstraat, 1992 (Toon Opsteegh via F6118 RAN CCBYSA)
Sociëteit De Vereeniging in de winter, 1898 (dr. Jan Brinkhoff via RAN D301)
Voordat de huidige schouwburg werd gebouwd, stond op dit terrein de concertzaal van Sociëteit de Vereeniging. In 1881 verkrijgt Lambertus Augustus (Bert) Brouwer een terrein in erfpacht om een renbaan en een sociëteit op te richten: “Aan den heer L. A. Brouwer werd ten zuiden der stad 13 H.A. grond ad f 4,- per cA. en 3 H.A. in erfpacht ad/ 100,- ’s jaars afgestaan mits hij op het gereserveerde militaire terrein eene renbaan en eene buiten-societeit met terrein van vermaak aan den weg naar Groesbeek daarstelle. Voorts dat de verschillende bebouwing met villa’s en woonhuizen volgens kleurteekening plaats hebbe.” (Gemeenteverslag 1881)
Op 30 mei 1882 vond de opening van Sociëit de Vereeniging plaats. Het PGNC schreef daarover:
“Nijmegen, 30 Mei.
De Pinksterdagen warden alhier door de feestelijke opening van de societeit De Vereeniging tot ware feestdagen gemaakt, vooral omdat een groot, zoo niet het grootste gedeelte der inwoners in deze nieuwe onderneming het levendigst belang stelt. Het Vauxhall-Concert op Zondag-avond door het muziekkorps der dd. Schutterij te Utrecht, onder directie van den Luitenant-kapelmeester C. Coenen en met medewerking van Nijmeeg’s Mannenkoor, was dan ook druk bezocht en blijkbaar was een ieder even ingenomen met de geheele inrichting. De schoone aanleg van het uitgestrekte park met zijne ontelbare gas-ballons, de prachtige rijk verlichte concertzaal, de gezellige dagelijksche societeitszaal, het cocquette biljartzaaltje, de ruime waranda’s aan alle zijden van het gebouw, dat alles vormt een geheel dat aan de strengste eischen zou voldoen, zelfs van eene veel grootere stad dan Nijmegen. Met de meeste zorg is getracht den geabonneerden het meest mogelijke comfort aan te bieden, waartoe de keurige meubels in zalen en park niet weinig bijdragen. Algemeen was men het hierover eens, en niemand kon zich een juist denkbeeld maken, hoe een geheel afgewerkt gebouw van dien omvang met alles wat daaraan annex is, in vijf maanden is kunnen tot stand komen.
De tweede houten brug buiten de Molenpoort over de droge gracht ter hoogte van het huidige Keizer Karelplein, met links het Station van de spoorlijn Nijmegen-Kleef, de ‘Kleefschebaan’ (op de plek van het huidige Concertgebouw de Vereeniging), 1875 (Gerard Korfmacher, RAN F23031)
Wie hiervan de eer toekomt, de talrijke bezoekers vernamen uit het den monde van een der oprichters, den heer Mr. J.C.J. Riveaux, die in sierlijke bewoordingen namens zijne medebestuurders de leden welkom heette. In de eerste plaats aan den heer Bert Brouwer, aan wiens onvermoeide werkzaamheid, helderen blik en zeldzame energie Nijmegen reeds zooveel te danken heeft en, getuigde de aanstaande wedrennen, nog zooveel zal te danken hebben en verder aan de aannemers de heeren Weijers en Van Eykelen, die het werk met een boven allen lof verheven ijver en accuratesse uitvoerden. Ook werd door den heer Riveaux hulde gebracht aan de medewerking van het Gemeentebestuur en aan allen die hun steun hadden verleend om de zaak tot stand te brengen. Met algeemene instemming werden deze woorden begroet; ook wij beamen het gesprokene ten volle, doch wat de heer R. niet kon zeggen meenen wij niet te mogen zwijgen; naar onze meening komt namelijk de meeste eer toe aan de heeren aandeelhouders. Zij hebben zich door de stichting van dit groote vereenigingspunt den gansche Nijmeegsche burgerij, tegenover stad en stadgenooten verdienstelijk gemaakt. Moge de voortdurende bloei der onderneming hun lang een ware voldoening schenken, en mogen zij nog eenmaal zien, dat wat thans zoo groot schijnt, voor het welvarende Nijmegen nog te klein zal zijn.
Tot laat bleven de talkrijke leden onder het genot der heerlijke muziek van bovengenoemd muziekcorps en de flink gezongen stukken van Mannenkoor te zamen. Wel moest men door een zware onweersbui onverwachts het Park verlaten, doch de ruime concertzaal was daar, om aan allen een veilige schuilplaats aan te bieden en het concert ongestoord te vervolgen.
Ook gisteren waren de Matinée en het Concert, waarwij weder Coenen’s kapel haar gevestigden naam zoo waardig ophield, druk bezocht. Wij zouden op verschillende nummers kunnen wijzen die bijzonder de aandacht trokken, maar wij noemen slechts de beroemde Marce funèbre van Chopin, de Ouverture Egmond van Beethoven, het Intermezzo van Coenen en de Solo voor Saxophone, die het sprekend bewijs leverden dat het muziekkorps der Utrechtse schutterij met de besten uit ons land kan wedijveren.
Een schitterend vuurwerk, vervaardigd aan de Koninklijke Nederlandsche Pyrotechnische fabriek, firma G.J. Ruijsch te Utrecht, besloot den avond. Op het punt van vuurwerk zijn wij tot heden alhier zeer weinig verwend, maar al ware ook het tegenovergestelde het geval, dan nog zou zeker niemand onvoldaan geweest zijn. Voor de slotdecoratie, in wier midden de vuurletters De Vereeniging, omgeven door fonteinwerk en bouquetten en eindigende met canonades, deed een prachtig effect.
Ten slotte wijzen wij er gaarne op dat de bediening, die den eersten avond nog uit volkomen goed geregeld scheen, gisteren reeds veel beter was en de consumptie niets te wenschen overliet.
De heer G.A. Roelofs, die als pachter aan het hoofd der zaak staat, is in ons oog juist de rechte persoon om steeds de beste pogingen aan te wenden ten einde den leden het verblijf in zijne lokalen zoo aangenaam mogelijk te maken.” (PGNC 31/5/1882)
Vervolg
Een bazaar in de zaal van sociëteit De Vereeniging (RAN F29178)
Er is nog niet uitputtend onderzocht wat het vervolg is geweest.
“Dit ‘Feestgebouw’, later ‘De Vereeniging’ geheten, zou als buitensociëteit in de beginjaren de bestaande sociëteiten geenszins overvleugelen en had bovendien in de eerste jaren aan kinderziekten te lijden” (Dongelmans, 1988 via Huis van de Nijmeegse Geschiedenis). “Zij verwierf zich binnen enkele jaren echter een positie in het stedelijk culturele leven, die later de afbraak en een nieuwbouw rechtvaardigde.”
Al in 1915 is deze Vereeniging vervangen door de huidige, waarvan de bouw in 1914 was begonnen. Wikipedia: “Nadat rond 1900 de oude Nijmeegse concertzaal zijn beste tijd bleek te hebben gehad, kwamen er plannen voor een nieuwe. Dat deze plannen geen overbodige luxe waren, bleek uit de houding van dirigent Willem Mengelberg. Hij zou, naar verluidt, na afloop van een orkestoptreden hebben geweigerd Nijmegen nog langer aan te doen zolang de accommodatie niet drastisch op de schop ging.”
De Gelderlander schrijft bij de opening van de nieuwe Vereeniging in 1915: “Eindelijk zal dan hedenavond het nieuwe Concertgebouw de “Vereeniging” zijne deuren voor het kunstlievende publiek openen. Lang reeds, terwijl, het oude, lage gebouw nog in gebruik was, werd er geklaagd over zijn ondoelmatigheid en de wensch uitgesproken dat Nijmegen toch eenmaal in het bezit mocht worden gesteld van een concertgebouw, deze vooruitstrevende, zich gestadig uitbreiddende en ook op kunstgebied zich steeds meer ontwikkelende stad waardig.” (De Gelderlander 7/2/1915)
Bert Brouwer
Lambertus Augustus (Bert) Brouwer (Amsterdam, 2-2-1844 – Nijmegen, 3-5-1891) was een Nederlands architect en stedenbouwkundige. In Nijmegen is hij bekend voor de plannen van de stadsuitleg.
De raadscommissie voor de uitleg van de Gemeente Nijmegen vroeg hem om een advies vroeg bij het plan van W.J. Brendis à Brandis. Een logische keuze: op dat moment was Brouwer betrokken bij de stadsuitleg van Groningen. Belangrijke veranderingen in het plan waren dat de hoofdwegen breder waren en hij daarbij minder wegen opnam.
In juni 1879 vestigt Brouwer zich definitief in Nijmegen. Daarbij richt hij de N.V. Nijmeegsche Maatschappij tot Exploitatie van Bouwterreinen: hij kocht van de gemeente oude vestinggrond, die hij verdeeld over kleinere percelen al dan niet met nieuwbouw bebouwd weer doorverkocht. Met natuurlijk de hierboven genoemde Wedren en de Vereeniging. Ook nam hij in 1884 het initiatief tot de aanleg van de eerste Nederlandse wielrenbaan, achter de Vereeniging. Brouwer overleed in 1891 op 47-jarige leeftijd.