1903, Villapark Leeuwenstein Villa 2 Oud adres: Emmalaan 5
Emmalaan 10 Nijmegen voorheen Emmalaan 5. Achitect is Oscar Leeuw, gebouwd in 1902 1903
Wat tegenwoordig Emmalaan 10 is, is gebouwd als ‘Villa 2’ in het project Villapark Leeuwenstein. De voorgeschiedenis van Villa 1 en 2 staat weergegeven in het artikel over The Corner:
Kort samengevat: Op 31-12-1902 vindt aanbesteding plaats voor beide villa’s. De architect is Oscar Leeuw. De namen van de eerste bewoners zijn vooralsnog niet bekend. Op veiling van 16 en 30 juli 1907 vindt de veiling van het pand plaats: “De VILLA met TUIN, groot 6.09 A., aan de Emmalaan No. 5 hoek Prinsenlaan, bevattende benden: 2 Kamers (en Suite), Veranda, Keuken en Kelder; boven: 4 Kamers, Balcon, beschoten Zolder en Dienstbodenkamer.” (PGNC 8/7/1907).
Rond die tijd verkoopt M. Verdonck het pand aan Ph.A Knijff (spoorwegbeamte), die er gaat wonen.
Phillippus Antonius Knijff
Bevolkingsregister 1900
Phillippus Antonius Knijff (22-2-1860 Veenendaal). Hij is op 25-5-1893 in Nijmegen komen wonen, hij is dan afkomstig van Gouda. Hij komt te wonen in Lange Hezelstraat no 106. Zijn beroep is ‘Spoorbeambte SS’. Hierbij staat SS voor Staatsspoorwegen.
Hij is getrouwd met Lammigje Hellema (9-12-1864 Franeker, 13-1-1941 Nijmegen). Zij hebben 2 zonen:
Tjepke Siebern Ariën (8-12-1891 Gouda). Tjepke verhuist mee. Van 12-9-1914 tot 17?-11-1918 is hij naar Zierikzee gegaan. Bij zijn terugkeer staat als beroep onderwijzer. Op 2-5-1919 vertrekt hij naar Batavia, Nederlands Indië.
Phillippus Antonius Carolus Theodorus (13-2-1894 Nijmegen). Phillippus is dus geboren in de Lange Hezelstraat. Hij zal maar een paar jaar wonen op de Emmalaan: op 2-9-1910 vertrekt hij naar Amsterdam. Op 8-12-1920 komt hij weer te wonen op Emmalaan 5. Hij is dan afkomstig uit Batavia. Zijn beroep is “1e officier gouvernements Marine N. I.”
(Daarnaast woont van 2-3-1899 tot 23-4-1902 woont een nicht, Wilhelmina Knijff (15-12-1880) bij hen op de Lange Hezelstraat).
In het Bevolkingsregister 1900 is zijn beroep “1n stations assistent`Spoorbeambte te SS”. De ‘1n’ stations assistent is er bij gevoegd wanneer het adres Lange Hezelstraat no 106 is vervangen door Emmalaan 5. De ‘1n’ is nauwelijks leesbaar en een benadering; in het register van 1910 staat “1e“. In de opmerkingen staat E.C. 114, waarbij de 4 een vervanging lijkt te zijn. In het register van 1910 staat bovendien de datum 1-1-21: waarschijnlijk is de verandering naar Emmalaan 5 in het register 1900 ook van deze datum.
Emmalaan 10 (dan nog Emmalaan 50, Woningkaart 1920)
In de adresboeken 1908 t/m 1920 komt Knijff op Emmalaan 5 voor als spoorambtenaar. In het adresboek 1922 t/m 1928 is zijn beroep 1e stationsassistent N.S.. Soms komt hij in kranten voor. Zo is hij in 1918 is hij adjunct stationschef (PGNC 7/8/1918) en onderstationschef De Gelderlander 6/9/1921).
In het adresboek 1932 t/m 1938 staat geen beroep meer vermeld.
Zijn zoon Phillippus komt in 1922 tevens voor op Emmalaan 5, als 1e off. gouv. Marine N. Ind. (Algemeen adresboek van de stad Nijmegen en omliggende dorpen 1922). In de boeken 1924 en 1926 niet, maar in 1928 weer wel. Hij is dan “gezagh. gouv. mar. N.S.
In het Adresboek 1938 komt tevens P.G.H. Ritzer, machinist op dit adres voor.
Lammigje Knijff-Hellema overlijdt op 13-1-1941. Zij is dan 76 jaar (PGNC 14/1/1941).
Philippus Anthonius Knijff overlijdt op 23-8-1942. Hij is dan 82 jaar. (PGNC 29/8/1942)
Na de oorlog
Emmalaan 10, architect Oscar Leeuw, 1972 (Evert F. van der Grinten via F78194 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
In de adresboeken 1948 t/m 1963 zijn de volgende bewoners gevonden. Na 1963 is niet meer onderzocht:
1942 – De 2 zonen Philippe & Tjepke worden mede-eigenaar ( zaten beide sinds 1920 in Indië, de één als marine officier de andere als leraar). Tjepke keert in1930 terug en koopt diverse grondpercelen in Hees en laat er woningen op bouwen.
1948 – verhuurd aan C.N. Bootsman
1966 – De Knijff’s verkopen aan Niesten die er gaat wonen 1985 – Niesten verkoopt aan Frans Aarts/Nellie Breed, die er gaan wonen. Hr Aarts is enkele jaren geleden overleden. Familie Knijff is dus van 1908 tot 1966 dus maar liefst 56 jaar eigenaar geweest! De nazaten Knijff vertrokken naar Den Haag en bezaten tot voor enkele jaren nog diverse panden in Hees.”
Dubbel woonhuis van architect C.J. Ebing (Guido Gezellestraat 63), gebouwd in 1932 in opdracht van M.W. Lamers (Haps) en W.J.M. Horstink (Nijmegen), Emmalaan 7, 1955 (F88069 RAN)
In 1932 ontwerpt de architect C.J. Ebing Dubbel (Guido Gezellestraat 63) een dubbel woonhuis, Emmalaan 5 en 7. Dit in opdracht van M.W. Lamers (Haps) en W.J.M. Horstink (Nijmegen). Horstink zal zelf op nummer 5 gaan wonen. Lamers is makelaar van beroep en verkoopt nummer 7 aan B. Kistemaker.
Plan v/e dubbel landhuis a/d Emmalaan te Nijmegen Kad bek Neerbosch B3650, datum tekening 12-5-1932 (D12.398217 Detail)
Emmalaan 5
Naam
Beroep
Adresboeken
W.J.M. Horstink
Onderwijzer
1934, 1936, 1938, 1940
Wed. Th.E.A. Horstink geb. M. Hermsen
1936, 1938
Wed. M.W. Lamers, geb. J.J. Thijssen
1948, 1951, 1955
Horstink, wed. F.Th.J. geb. M.J.H. Lamers
1948, 1951, 1955, 1959, 1963, 1966, 1968
J.R.A. Lamers
1959
M.W.I.M. Horstink
1966
Gevonden namen en jaartallen in Adresboeken
Merk bij 1948 de weduwe Horstink-Lamers op. Mogelijk/waarschijnlijk waren de aanvragers Horstink en Lamers voor de bouwvergunning familie? Dit is nog niet verder onderzocht.
Emmalaan 7
advertentie 11/2/1933
Op 11-2-1933 plaatst Lamers de advertentie voor het in aanbouw zijnd Heerenhuis gelegen in de Emmastraat
Hieronder staan de gevonden bewoners weergegeven. Een aantal advertenties/krantenartikelen bieden daarbij verdere aanknopingspunten:
B. Kistemaker zal het huis tussen februari en juni 1933 hebben gekocht: Vanaf 3-6-1933 wordt mevrouw Kistemaker op Emmalaan 7 in advertenties van de “R.K. vereniging ter bescherming van meisjes, in Nederland”. (De Gelderlander 3/6/1933)
Diepenbroek, wed. F.B. geb. A.R.J. Vinke, oftewel Anna Regnera Joanna Vinke, weduwe van Ferdinand Bernard Diepenbroek, overlijdt op 23-7-1938 (rouwadvertentie De Gelderlander 23/7/1938)
In ieder geval is er ten aanzien van A.Th.A.K. Lange op 1-4-1939 een advertentie gevonden met Emmalaan 7 als adres (hij blijkt daarbij secretaris van de Nijmeegsche Zwemclub 1921 te zijn) (De Gelderlander 1/4/1939)
Gevonden in Adresboeken:
B. Kistemaker
Hoofd R.K. bijz. school
1934, 1936, 1938
Diepenbroek, wed. F.B. geb. A.R.J. Vinke
1934, 1936, 1938
A.Th.A.K. Lange
Scheik. Ing.
1940
KI.D. de Groot
reiziger
1948
A.Ph. Krijff
Chemicus
1951, 1955
J.P. Tazelaar
Arb. Analist
1959, 1963
Wed. P.J. van Bortel, geb. A.E. Weijkman
1959, 1963
P.J.H.M. Heijndaal
psycholoog
1968
Emmalaan 5 en 7 (September 2022, Google Streetview) architect Ebing
Het Florapark is een erg afwisselend park: een dierenweide, uitkijkplek, bosje, volkstuinen, trimbaan. Het park is aangelegd op een uitloper van de stuwwal. Het ligt deels in en deels op de helling van de Wolfskuil of de ‘Kuul’. Het hoogteverschil tussen het hoogste en laagste punt is 12 meter.
De panden Villanovastraat 2 – 6 en Derde van Hezewijkstraat 6, gezien vanaf de Floraweg; De voormalige Lagere School (de Mariaschool). In het linkerdeel van het pand zat de St. Jozefschool (de jongensschool) aan de Azaleastraat 21, 1970-1973 (Gemeente Nijmegen via KN15436-25a RAN CC0)
Het park ligt aan de Floraweg. Deze weg is zelf vernoemd naar twee bloemisten.
In 1994 had de gemeente plannen om de Graafseweg te verbreden, waarbij een aantal huizen aan de Looimolenweg zouden moeten verdwijnen. Bewoners, en met name de direct betrokkenen, richtten daarop een actiegroep op. Van daaruit ontstond het plan voor het Florapark en is de Stichting Florapark opgericht.
Het park is een samentrekking van een stuk grond van de bewoner/gebruiker van de Looimolen, Henk Amelink en een stuk achtertuin van Villa de Wolfskuyl.
Kabouter voor ingang dierenweide Kobus (april 2025)
Geit in dierenweide Kobus (april 2025)
Floraweg 51
De dierenboerderij is vernoemd naar Kobus Hendriks (Nijmegen 16 juni 1946 – Nijmegen 5 juli 1986). Op de plek waar nu de kinderboerderij staat, stond vroeger een gebouwtje dat “het groene gebouwtje” werd genoemd, sinds de jaren 60 het eerste wijkgebouw. Na sloop verhuisden de activiteiten mee naar de oude pastorie. In ieder geval was Hendriks in dit gebouw de beheerder; het is mij (RE) niet duidelijk of hij ook al beheerder was van het groene gebouwtje.
Mariakapel
Mariakapel Florapark (april 2025)
In dit Mariakapelletje hangen bewoners van de Wolfskuil een foto, bidprentjes of ander aandenken van hun overleden dierbaren op. Voor veel wijkbewoners een plek om even stil te staan. Foto’s variërend van baby’s tot ouderen. Van ‘serieuze’ portretten tot foto’s van de overledenen op een blije feest- of vakantiefoto.
Beeld Moeder met kind van Ed van Teeseling
Mariabeeld Florapark (april 2025)
Het beeld van moeder met kind is gemaakt door Ed van Teeseling. Hij maakte ook het reliëf van Sint Thomas van Villanova op de gesloopte Villanovakerk.
Brand
In maart 2020 werd er brand gesticht in de kapel: foto’s waren van de muur gerukt en in een hoek gegooid. Gelukkig kon een deel gespaard blijven. Buurtbewoners waren verontwaardigd en gezamenlijk hebben ze de kapel weer opgeknapt.
Kaarslichtjes en eieren, Maria kapelletje, Pasen 2025 (april 2025)
Uitkijk
Mannetje met verrekijker en aktetas kijkt uit over het lager gelegen deel van de Wolfskuil (januari 2021)
Op het uitzichtspunt bevindt zich een beeld van een mannetje met verrekijker en aktetas. Het is een beeld van Erik Buijs uit 1999.
Buijs werd door Gemeente Nijmegen gevraagd een beeld te ontwerpen voor het Florapark. Bewoners van het hoger gelegen gedeelte van de Wolfskuil waren nauw betrokken bij de totstandkoming van het park en het beeld, terwijl het park vooral ook bedoeld was voor het benedengedeelte van de wijk (welke zeker op dat moment nog zeer stenig was). “Om de beide bewonersgroepen met elkaar te verbinden ontwierp Buijs een spion. Deze kijkt met zijn verrekijker de wijk in en controleert het reilen en zeilen. In beide lenzen van de verrekijker zitten lampjes. ’s Avonds als het donker wordt gaan deze aan. Je ziet dan het silhouet van een mannetje met twee oplichtende ogen.” (Kunst op Straat)
Beeld Florapark (april 2025)
Erik Buijs
Dirk Erik Buijs (3-11-1970 Rhenen) is een beeldhouwer van figuratieve beelden. Zijn vader is de kunstenaar Hedda Buijs. Hij groeide op in Echteld en studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten Sint-Joost in Breda en de Hogeschool voor Kunsten in Arnhem.
Hij is vooral bekend om zijn mensfiguren, welke zijn gegoten in beton, brons en aluminium. Hij noemt zichzelf beeldenmaker in plaats van beeldhouwer: hij maakt zijn beelden uit klei of was, of uit piepschuim gesneden. “Bij gebrek aan betere beeldmiddelen kies ik uiteindelijk toch altijd weer voor figuratieve beelden. Hiermee kan ik het beste mijn visie op een gegeven plek of opdracht weergeven. Mijn beelden hebben vrijwel dezelfde karaktereigenschappen als hun maker: vol zelfspot met een kritische houding naar hun omgeving. Mijn beelden zijn geen illustraties van een verhaal, het verhaal begint juist bij die beelden” (wikipedia, met tevens een overzicht van zijn werk)
Looimolen of Witte Molen in Florapark (april 2025)
Op het terrein staan de Looimolen en het Sfeerhuys.
Lindelaantje
Laantje bij Looimolen (januari 2021)
Een erg mooi stukje is het Lindelaantje, zie ook de foto bovenaan. Deze loopt achter de villa de Wolfskuyl langs.
Villa de Wolfskuyl (achterkant)
Achterkant villa Wolfskuyl, Florapark (februari 2023)
Het pand is in 1913 gebouwd als Villa de Wolfskuyl. Hiervan was C. de Groot uit Hilversum de architect. “De Groot liet zich bij dit ontwerp inspireren door invloeden uit de Engelse en Duitse landhuisarchitectuur.” (Rijksmonumenten) De eerste steen werd op 17 april 1913 gelegd door W.H. Hoijer.
Tussen 1933 en 1941 was het gebouw in gebruik door de Kanunnikessen van het Heilig Graf. Architect Charles Estourgie ontwierp rond 1935 een kapel tegen de linker zijgevel.
In 1948 kwamen de broeders van Oudenbosch die er tot 1989 bleven.
Rijksmonument
Het Kloosterpark in de jaren dertig toen in villa De Wolfskuyl het Instituut Maria Immaculata gevestigd was (van 1932 tot 1942 het klooster van de Zusters Kanunnikessen van het Heilig Graf); links de Looimolen, Graafseweg 232, 1935 (F65307 RAN)
Het gebouw is een Rijksmonument met als waardering:
VILLA uit 1913, ontworpen door architect C. de Groot onder invloed van de Engelse en Duitse landhuisarchitectuur en rond 1935 voorzien van een KAPEL door Ch. Estourgie.
– Van architectuurhistorische waarde als goed en gaaf bewaard voorbeeld van een grote villa, ontworpen aan één van de uitvalswegen van Nijmegen. De villa is zowel wat betreft exterieur als wat betreft het interieur gaaf bewaard gebleven en is gebouwd in een bouwstijl die onder invloed stond van de landhuisarchitectuur in Engeland en Duitsland. Opvallend is het zeer rijk gedetailleerde baksteenwerk en de forse kap met overstek. Het gaaf bewaard gebleven interieur versterkt de architectuurhistorische waarde. De in stijl aangebouwde kapel geeft tevens een cultuurhistorische meerwaarde. Zowel het woonhuis als de kapel vertolken een representatieve rol binnen het oeuvre van architecten C. de Groot en Ch. Estourgie.
– Van stedenbouwkundige waarde als oorspronkelijk onderdeel van de bebouwing aan deze uitvalsweg van Nijmegen en vanwege de opvallende situering in een parkachtige open omgeving, bekend onder de naam Wolfskuyl.
– Van cultuurhistorische waarde vanwege de aan het pand zichtbare functiewisseling die rond 1935 heeft plaats gevonden toen het in gebruik werd genomen als kloostergebouw voor de Kanunnikessen van het Heilig Graf. Hiermee verwijst het gebouw naar het rijke kloosterleven dat Nijmegen in die tijd kenmerkte. Tevens cultuurhistorische waarde als oorspronkelijke huisvesting voor een nieuwe en kapitaalkrachtige stedelijke elite, die zich bij voorkeur vestigde in kapitale herenhuizen in nieuw aangelegde straten rond de oude stad.”
Plaquette in reliëf op de voorgevel van Villa de Wolfskuyl, Graafseweg 232a, 2010 (Henk van Gaal via DF946 RAN CC0)
Bosje
Bosje bij Florapark (april 2025)
“De boomlaag bevat vooral zomereik, gemengd met robinia en een ondergroei van hulst, klimop en braam. Het bosje is onderdeel van een groene lint tussen de Graafse- en de Oude Graafseweg en daarmee van belang voor verspreiding van flora en fauna door het gebied.” (IntoNijmegen)
Kerstmarkt en Dag van het Florapark
Elk jaar vindt in mei de Dag van het Florapark en in december een kerstmarkt plaats. Zie voor aankondigingen terugblikken de Facebook pagina van Vrienden van het Florapark.
Dickmann’s Parapluiefabriek, van Oldenbarneveltstraat (Evert F. van der Grinten via F78502 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Een tekening van een terrein aan de Bottendaal, verkocht aan F.W. Dickmann, van Oldenbarneveltstraat, 1/1/1890-31/12/1890 (KPU-454 RAN)
Advertentie Parapluiefabriek “Bottendaal” (De Gelderlander 22/3/1898)
28-2-1889 vindt de aanbesteding plaats van “Het bouwen van een Woonhuis met afzonderlijke Parapluiefabriek op een terrein gelegen aan den Bottendaal aldaar. Een en ander voor rekening van den heer F.W. Dickmann. De architect is J.J. Weve. (De Gelderlander 10/2/1889). In november 1889 krijgt Dickmann telefoon (nummer 131, De Gelderlander 3/11/1889)
In de personeelsadvertentie van PGNC 27/9/1891 -voor een “Jongmensch van nette familie”, oftewel een leerling voor magazijn en kantoor- is het Dickmann-Schnitzler, Parapluiefabriek. Zij hebben een winkel op de Broerstraat No. 61.
In 1894 mogen zij zich Hofleverancier noemen (advertentie De Gelderlander 22/11/1894)
Parapluiefabriek Bottendaal van Dickmann-Schnitzler (PGNC 4/12/1892)
In maart 1909 vraagt Dickmann een hinderwetvergunning aan voor het plaatsen van electro-motoren in het perceel aan de Bottendaal No. 71, kadastraal bekend Nijmegen sectie B, No. 3774 (PGNC 20/3/1909), die ze op 20-4 verkrijgt (PGNC 25/4/1909).
Uitbreiding percelen Gerritzen
Koopacte van Oldenbarneveldtstraat Gerritzen door Dickmann, 1912 (Archiefnr 442, Inventarisnr 242, Actenr 6981)
“Parapluie-fabriek Dickmann-Schnitzler.
De parapluiefabriek der firma Dickmann-Schnitzler aan de van Oldenbarneveldtstraat heeft dezer dagen 40 jaren bestaan. Dit jubileum is gisteren herdacht door een uitstapje van het personeel onder geleide van den directeur, den heer F.W. Dickmann, met de electr. tram naar Kleef, waarbij zeer veel genoten is en het personeel een aangenamen dag heeft gehad.
De fabriek is opgericht door wijlen den heer F.W. Dickmann, den vader van den tegenwoordigen eigenaar, eveneens F.W. Schitzler genaamd. De parapluies worden niet alleen voor ons land gefabriceerd, doch de firma exporteert naar Oos- en West-Indië en andere vreemde gewesten. De zaak neem dan ook steeds in omvang toe en nadat in de laatste jaren de fabriek vergroot was, konden de vleugels niet verder worden uitgeslagen, omdat de fabriek ingebouwd was. Dit jaar evenwel werd de heer Dickmann, door aankoop, eigenaar van de rijwielfabriek, eveneens gelegen aan de van Oldenbarneveldtstraat en toebehoorende aan den heer M. Gerritzen. Dat pand grenst gedeeltelijk aan de fabriek der firma Dickmann-Schnitzler en door een der muren uit te breken heeft men reeds een paar lokalen in gebruik kunnen nemen. Dit alles is een bewijs, dat deze tak der nijverheid hier te Nijmegen steeds vooruitgaat. De verhouding tusschen het personeel en den patroon is van bijzonder goeden aard. Ook bovengenoemd feesttochtje heeft daarvan getuigenis afgelegd. Verschillende onder hen zijn reeds circa 25 jaar aldaar in betrekking.” (PGNC 22/8/1912)
In 1914:
“…Wat de productie onzer artikelen betreft, zoo deelt de firma Dickmann-Schnitzler mede, konden de eerste 7 maanden , “normaal” worden genoemd, ofschoon parasols hoe langer hoe minder worden verkocht.
Met het uitbreken van den oorlog kwam plotseling verandering: in de laatste 5 maanden stond de uitvoer naar overzeesche landen bijna geheel stil.
De verkoop in het binnenland had in de eerste maanden van den oorlog veel te lijden en verminderde belangrijk; mede ook tengevolge van het droge weder was er toen weinig behoefte aan parapluies.
Doordat er in het laatst van het jaar meer regen viel, kwam er wel verandering in voor het bedrijf gunstige richting, maar niet in die mate, dat de eenmaal geleden schade werd ingehaald.
Vermindering van personeel had niet plaats, dan tengevolge van de mobilisatie. Nieuw personeel werd niet aangenomen, wat andere jaren in den herfst, het regenseizoen, wel het geval was.
Ook de machines dezer fabriek worden door electrische kracht in beweging gebracht.” (Gemeenteverslag 1914)
Bij het 50-jarig jubileum
“Parapluiefabriek Dickmann-Schnitzler.
1872 – 16 mei – 1922.
Dinsdag 16 Mei a.s. herdenkt de firma Dickmann-Schnitzler, parapluiefabriek, van Oldenbarneveldtstraat 63a, alhier, haar 50-jarig bestaan. De firma werd in 1872 opgericht door den heer F.W. Dickmann Sr., die op 6 Mei 1907 overleed en in Nijmeegsche handelskringen zeer gezien was, hetgeen gebleken was uit zijne benoeming tot voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en van de Nijmeegsche Handelsvereeniging.
Na het overlijden van den oprichter ging de zaak over in handen van diens zoon, den heer F.W. Dickmann Jr., die thans de eenige firmant is.
De fabriek, welke oorspronkelijk gevestigd was in de Broerstraat, werd in 1889 overgebracht naar de van Oldenbarneveldtstraat, waarna in 1912 uitbreiding volgde door aankoop van een complex gebouwen onmiddellijk grenzende aan de bestaande fabriek, zoodat de gezamenlijke ruimten thans eene oppervlakte van circa 2000M2 beslaan.
Behalve dat de firma Dickmann-Schnitzler hier te lande met haar gerenommeerd fabricaat een belangrijk afzetgebied heeft, vinden haar producten hun weg over nagenoeg de geheele wereld.
De firma heeft zich van hare oprichting af steeds in een krachtigen bloei mogen verheugen, al zijn ook haar de gevolgen van den oorlog niet bespaard gebleven.
Aan tal van Nijmeegsche gezinnen heeft de firma Dickmann-Schnitzler in den loop der jaren een arbeidsveld opgeleverd en naar ons van de zijde van het personeel wordt medegedeeld, is de verhouding tusschen directie en personeel steeds van bijzonder goede aard geweest. De firma kan dan ook wijzen op een groot aantal employés dat reeds meer dan 25 jaar bij haar in betrekking is of is geweest.
Moge de firma Dickmann-Schnitzler hare belangrijke plaats in de rij der Nijmeegsche industrieele ondernemingen nog lange jaren met eere blijven innenmen.
Naar wij vernemen zal het gouden jubileum op Dinsdag 16 Mei a.s. feestelijk worden herdacht en zal derwegen de zaak op dien dag den geheelen dag gesloten zijn, in verband waarmede wij nog verwijzen naar de advertentie, welke elders in dit blad voorkomt.” (PGNC 13/5/1922)
Muurreclame Harpol Nieuwe Marktstraat,
1993 (RAN foto Toon Opsteegh CCBYSA)
Op de hoek van de Nieuwe Marktstraat is een muurschildering te zien van een collega van 3 verschillende reclameschilderingen die hier ooit hebben gezeten.
Let aan het einde van het blok ook nog even op de schildering boven de voormalige kapperij Vos. In 2006 is deze schildering aangebracht door Ger van Zetten en Sarah Wilson. Het betreft een mengeling van 3 reclameschilderingen die hier ooit hebben gezeten. Er is gekozen om de schildering te behouden zoals die op dat moment was, oftewel voor een restauratie.
Initiatief kapper Vos
Muurschildering Nieuwe Marktstraat (oktober 2022)
Kapper de Vos nam het initiatief tot de restauratie. Het liefst had hij iets anders gezien: “Ik vind het jammer dat het zo’n ratjetoe is. Liever had ik gewild dat er was gekozen voor één reclame en die was opgeknapt, zodat die eruit zou zien zoals die was. Maar het is beter dan het was.”
Harpol, Brasso, Solo en Koster
De muur met reclameschilderingen Nieuwe Marktstraat, 1920-1930 (E.F. van der Grinten via F78365 CCBYSA)
Hierin zijn 4 namen verwerkt:
Harpol (Moderne Hygiene Harpol reinigt en ontsmet uw toilet)
Solo (margarine)
Brasso (zilverpoets)
Koster, de naam van de schilder van de laatste schildering
Op onderstaande foto’s zijn (een deel van de) afzonderlijke reclames te zien.
Brasso
Zoals de Gelderlander het al zegt: “in de linkerbovenhoek een schemering van Brasso”.
Op bovenstaande foto uit 1915-1920 is de reclame van Brasso goed te zien. Daarboven en onder staan een aantal andere reclames:
Brasso is een merk polijstmiddel voor metaal, oftewel koperpoets. Het is bedoeld om aanslag van messing, koper, chroom en roestvrij staal te verwijderen. De naam zal afgeleid zijn van het engelse woord voor messing: “brass”. In het engels wordt de term “metal polish” voor “koperpoets” gebruikt; dus niet iets als “copper polish”
Reckitt and Sons
Brasso werd in of rond 1905 in Groot-Brittannië geïntroduceerd door Reckitt and Sons, een grote fabrikant van huishoudelijke middelen, opgericht in Hull. Haar agent, W. H. Slack, ontdekte het gebruik van een dergelijk middel in Australië, toen hij op bezoek was bij de Australische tak van dit bedrijf. Vervolgens ging Brasso in 1905 bij Reckitt and Sons in productie, waarvoor ze een nieuwe fabriek had laten bouwen.
wikipedia: “in eerste instantie verkocht aan de spoorwegen, ziekenhuizen en aan grote winkels.”
Brasso is nog steeds te koop.
Brasso in Nijmegen
Het is mij (RE) nog onbekend wie de oorspronkelijke Brasso muurschildering heeft laten plaatsen. Wel waren Reckitt’s Zakje Blauw als Brasso merken van dezelfde fabrikant.
(Het is niet waarschijnlijk dat het 1 grote advertentie van L.A. Moll was: mogelijk Brasso als metaalpoetsmiddel nog wel, maar het Zakje Blauw was bedoeld om de was witter te laten lijken).
Gevonden advertenties
Advertentie Poetsartikelen Drogisterij Keizer Karel (De Gelderlander 6/3/1908)
De op dit moment eerstgevonden advertentie in Nijmegen is in De Gelderlander 6/3/1908: dan verkoopt Drogisterij “Keizer Karel” in de Lange Burchtstraat 17 dit product.
Hieronder is een lijst weergegeven van gevonden advertenties voor Brasso. Er is echter niet naar volledigheid gestreefd; mogelijk betrof het een andere winkelier of heeft (de Nederlandse agent van) Brasso zelf laten aanbrengen. Welk lijkt het beeld te zijn dat Brasso oorsponkelijk werd verkocht door drogisterijen. Toen de levensmiddelenwinkeliers opkwamen, vinden we vanaf dat moment ook daar advertenties van het poetsmiddel.
Firma F.J. van Pelt, drogisterij, Lagemarkt 47 en Kort Hezelstraat 28 (PGNC 22/12/1909, PGNC 22/2/1912)
Wed. W.H.M. v. Crimpen, Molenstraat 52 (De Gelderlander 6/7/1913); Van Crimpen’s
“Het Goedkoope Warenhuis, Broerstraat 8-10; als “Extra Reclame” (De Gelderlander 19/9/1915)
Drogisterij, Molenstraat 52 (en Hamburgerstraat 28 Doetinchem; De Geld]erlander 9/8/1919)
Th. Hendriks Pz., St. Annastraat 58/60 (PGNC 5/1/1918)
J.J. Hofman J.R, drogist, Elst (De Gelderlander 3/5/1919)
Drogisterij “De Nieuwe Gaper”, D. Katje, Ganzenheuvel 33 (De Gelderlander 4/10/1919)
Firma H.M. v. Haaren, Levensmiddelen, winkels in Nijmegen: Molenstraat, Smidstraat, Daalscheweg, Burghardt v.d. Berghstraat en Marialaan en in 30 andere plaatsen. Brasso: links onder, 15 cent (De Gelderlander 22/5/1920 Brasso: links onder, 15 cent)
Henri v.d. Velden & Co., Hezelstraat 84b, De Gelderlander 10/10/1922
Albert Heijn, levensmiddelen, Lange Burchtstraat 27 en Burghardt v.d. Berghstraat 54 (De Gelderlander 22/3/1923, 13 cent)
Muurreclame Harpol Nieuwe Marktstraat,
1993 (RAN foto Toon Opsteegh CCBYSA)
Op de foto uit 1993 blijkt alleen de Harpol reclame nog goed leesbaar te zijn. Aan de andere kant zijn tegenwoordig de overig muurschilderingen op het pand verdwenen.
In de Limburger uit 1956 is de volgende advertentie gevonden:
“Nieuw! HARPOL reinigt en ontsmet Uw toilet!
Het naarste werkje wordt nu voor u gedaan!
Wat is Harpol? Het nieuwe, zelfwerkende reinigingsmiddel in poedervorm voor Uw toiletpot. Ruikt aangenaam. Speciaal gemaakt om U dat naarste van alle werkjes uit handen te nemen!” (De nieuwe Limburger 27-09-1956).
Net als Brasso en Reckitt’s Zakje Blauw is Harpol een merk van Reckitt’s (Reckitts N.V. in de Bilt). Het merk Harpic werd geïntroduceerd in 1932 en is vernoemd naar haar uitvinder Harry Pickup. Sinds wanneer en waarom het merk in Nederland Harpol heet is mij niet bekend, maar mogelijk omdat de 2e lettergreep iets te veel associatie met een toilet oproept.
Het voormalige St. Jozefklooster, Kerkstraat is oorspronkelijk gebouwd als Studiehuis voor de Priesters van het H. Hart. Het is In 1930 gebouwd naar ontwerp van architect Deur op het terrein van villa Andelshof. Rond 1970 is van het studiehuis een bejaardenoord voor kloosterlingen gemaakt, waarbij het de naam St. Jozefklooster kreeg.
Op 14-9-1929 vond de aanbesteding plaats. De laagste inschrijver, C.H.M. Arts te Nijmegen was de laagste inschrijver (f264.800). (PGNC 16/9/1929)
Priesters van het H. Hart
Leon Dehon
De oprichter van de Priesters van het H. Hart, oorspronkelijk Oblaten van het Hart van Jezus, was Leon Dehon (La Capelle, 14 maart 1843 — Brussel, 12 augustus 1925).
“De congregatie van de Priesters van het H. Hart werd in 1878 gesticht door kanunnik Leon Dehon, een man, die er een carrière en vermogen voor over had zijn roeping te volgen en die het klooster boven kerkelijke ereambten verkoos. “Jammer; hij had kardinaal kunnen worden”, aldus uitte er een Frans priester-socioloog zijn spijt over, dat Pater J.L. Dehon ooit zijn H. Geloften had afgelegd. Een geleerde, zo mag hij gerust heten om zijn verschillende doctoraten, en toch toont hij zich soms oppervlakkig; innige vroomheid kenmerkte zijn leven, maar het hield hem niet terug van vergaderlokalen en verstrooiende reizen. Hij reisde de hele wereld rond; publiceerde daarbij boeken en artikelen; was paedagoog. Een veelzijdig iemand met honderd interessen, maar tenslotte slechts een enkel levensbelang: de vestiging van het Rijk van het H. Hart. Daar ligt het eenheidgevende princiep van dit overvolle leven. Uit dit ideaal kwamen ook zijn stichtingsplannen voort.” (De Gelderlander 25/5/1950)
Nederlandse provincie
In 1911 werd de afzonderlijke Nederlandse provincie van de Priesters van het H. Hart opgericht. In 1912 vond de oprichting van het Groot-Seminarie in Liesbosch plaats. Deze locatie is al gauw te klein. In 1922 werd als noodoplossing nog een vleugel aangebouwd. Daarom besloot de orde tot de oprichting van een 2e Groot Seminarie.
Nijmegen had daarbij de voorkeur: een klooster daar zou tevens woongelegenheid geven aan paters die aan de universiteit hun opleiding kregen. De aanbiedingen die de orde kreeg, voldeden echter niet. Daarom betrok de “Hoogeerwaarde Pater Provinciaal toch met enige universiteits-studenten een huis aan de “Berg-en-Dalseweg, vlakbij de St. Stephanuskerk. Achteraf lijkt het, alsof hij niet langer heeft willen wachten, al was niet alles naar wens”
Villa Andelshof
Villa Andelshof. Vóór 1930: deze foto is nog zonder het studiehuis, maar met het mooie park (F21623 RAN)
De kans kwam toen In 1928 mevrouw Rijckevorsel-van Kessel-Bonnike de villa Andelshof met grond en bijbehorende gebouwen wilde verkopen. Aanvankelijk betrokken de paters, broeders en theologiestudenten de villa en het koetshuis. Deze villa was rond 1885 gebouwd, het koetshuis rond 1889. Vooral het park moet erg mooi zijn geweest: “Oudere bewoners van Hees, die het oorspronkelijke “Andelshof” gekend hebben roemen er nog over. Trouwens, de kopers zelf wisten het te waarderen: zo drong een van hen er bij zijn eerste bezoek in het pasgekochte huis op aan, dat de nieuwe bouw, die gezet moest worden, zover mogelijk van de straat af zou komen: het park moet intact blijven.” Op grond van technische bezwaren heeft men deze raad niet opgevolgd: in het park werd grondig gerooid en einde 1929 begon men met de bouw van het tegenwoordige huis, dat op de villa aansloot.” (De Gelderlander 25/5/1950)
Het nieuwe Studiehuis
Het Studiehuis St. Jozef, rechts Huize Andelshof (van 1927 tot 1944 het klooster van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus), 1935 (F18910 RAN)
“Priesters van het H. Hart.
… Dit missiehuis, dat gebouwd is naar de plannen van onzen stadgenoot den heer Ir. J.G. Deur, is reeds eenige maanden uitwendig voltooid, en is bestemd voor studiehuis (theologie) der E.E.P.P. priesters van het H. Hart (Liesbosch-Princenhage). De toekomstige missionarissen voltooien hier hun laatste studies voor het priesterschap. Deze missie congregatie heeft haar juvenaten te Bergen op Zoom en te Bakel bij Helmond- dat laatste studiehuis is toegewijd aan Christus-Koning.
Het nieuw missie-studiehuis te Hees is gebouwd op het vroegere goed Andelshof van de familie van Rijckevorsel van Kessel “ (De Gelderlander 24/2/1931)
“Na een jaar konden de theologie-studenten met hun paters professoren het nieuwe klooster betrekken, en liep dus het aantal bewoners van het Groot-Seminarie te Liesbosch naar wens in voldoende mate terug. De zes jaren hogere studie, die de toekomstige priester moet maken, waren voortaan zo gesplitst, dat de tweejarige philosophie-cursus en het eerste jaar theologie in Lieshout gevolgd werden en de resterende drie jaar in Nijmegen.
Hier ontleende het oude “Andelshof” voortaan zijn sfeer en karakter van regelmaat van het Scholasticaatsleven. Een leven, dat door de buitenstaander gewaardeerd mag worden naar wandelende fraters of een feestelijk klinkende bel, maar dat voor de insider is opgebouwd uit een harmonisch geheel van gebed, studie en ontspanning, totaal ingesteld op het feitelijk berieken van het bestreefde doel: het H. Priesterschap.” (De Gelderlander 25/5/1950)”
Oorlog
Het door wegtrekkende Duitsers in brand gestoken Huize Andelshof rechts, en links het Studiehuis St. Jozef, van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, 1944 (F19110 RAN)
Het door wegtrekkende Duitsers in brand gestoken Huize Andelshof rechts, en links het Studiehuis St. Jozef, van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, 1944 (F19110 RAN)
In 1942 vorderden de Duitsers het studiehuis, inclusief inventaris. De paters ging verder met haar opleiding in 5 “fililiaal-huizen”, meestal uitgewoonde villa’s. Toen de Duitsers zich in september 1944 terugtrokken, staken zij het hoofdgebouw en de villa in brand. Het hoofdgebouw kon behouden blijven, de villa niet. De inventaris was door de Duitsers meegenomen.
Na de bevrijding was het studiehuis gevorderderd door Engelse en Canadese militairen. “…Veel goeds is er niet van te zeggen. Het gebouw is sinds de bevrijding meer uitgewoond dan anders in een zeer groot aantal jaren.” (De Gelderlander 11/7/1945)
Herstel
Na de oorlog begon de congregatie met het herstel. Daarbij werd tevens besloten een nieuwe kapel te laten bouwen: er was behoefte aan een grotere kapel, zodat plechtige gelegenheden beter kon worden opgeluisterd. Daarnaast kon de oude kapel worden ingericht als woonruimte. Deze kapel uit 1950 is eveneens van de hand van architect Deur (Architectenbureau Ir. Deur- Ir. Pouderoyen).
St. Jozefklooster
Door ontkerkelijking daalde het aantal studenten en kloosterlingen. Daarop besloot de congregatie rond 1970 om van het studiehuis een bejaardenoord voor kloosterlingen te maken. Deze was bestemd voor de Priesters van het Heilig Hart en voor de Zusters van de H. Carolus Borromeus. De naam werd veranderd in St. Jozefklooster.
Verder
Het in renovatie zijnde Klooster van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus, voorheen het Studiehuis St. Jozef. Hier een gedeelte van de achterzijde, rechts is zichtbaar de nieuwbouw van het Klooster, 1987 (foto Anton van Roekel, CC-BY-SA via F18913 RAN)
Het koetshuis is vanaf 1968 in gebruik als peuterspeelzaal. Aanvankelijk als de Kleuterhof, later als de Vlindertuin.
De renovatie eind jaren 80 werd uitgevoerd door Pouderoyen, de opvolger van architectenbureau Deur-Pouderoyen. Daarbij vond herindeling van het hoofdgebouw plaats en werd de interieurafwerking vernieuwd. De kapel uit de jaren 50 is in 1986 gesloopt . Hier staan nu een gebouw met kapelruimte en ontvangstzaal en daarnaast een aantal wooneenheden.
De kapel van Studiehuis St. Jozef, 1935 (F50619 RAN)
Duitse militair op wacht voor wachthuisje voor studiehuis St. Jozef, 1942 (F56079 RAN)
Het kantoor en pompstation van het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf en links daarvan de Ambachtsschool; op de voorgrond de rails van de kolentram die cokes aanvoerde van de Waalkade naar de gasfabriek, Nieuwe Marktstraat 10-12, 1936 (F46605 RAN)
In 1879 opent het gemeentelijk waterleidingbedrijf aan de Nieuwe Marktstraat. Na een grote verbouwing herinnert nog weinig aan het oorspronkelijke gebouw. In 1984 wordt het nieuwe pompstation opgeleverd, dat tot 2016 dienst doet. Momenteel (2025) heeft Doornroosje en Gemeente Nijmegen het plan om hier de nieuwe locatie voor poppodium Merleyn te bouwen.
Zowel het witte gebouw als het lage gebouw met grijze tegels hebben te maken met de waterwinning van Nijmegen. Het witte gebouw van het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf is oorspronkelijk gebouwd in 1879. Het complex bestaat uit een pompstation met kantoren, magazijnen en een opzichterwoning.
1875: De wens van een gemeentelijk waterwinbedrijf
Pompstation van de Openbare Nutsbedrijven, Nieuwe Marktstraat 8, 1920 (F29000 RAN)
In 1875 werd begonnen met het onderzoek naar de wenselijkheid van een gemeentelijk waterwinbedrijf. Een van de onderzoekers was J. Paijens, directeur van de Gemeentelijke Gasfabriek. De eerste drinkwaterleidingbedrijven waren Amsterdam (1853) en Den Helder (1856).
In de bovenstad was er een gebrek aan pompen. Daarnaast was de kwaliteit van het grondwater slecht door verontreiniging, veroorzaakt doordat mensen dicht op elkaar gepakt woonden en mestvaalten die vlak bij de putten lagen. Een van de gevolgen daarvan waren cholera-epidemieën. Daarnaast hoorde een waterleidingbedrijf bij een moderne gemeente.
Na de eerste 2 In de periode 1870-1880 zouden naast Nijmegen Den Haag, Leiden en Rotterdam een drinkwaterleidingbedrijf krijgen. Vanaf 1880 zou het aantal waterleidingbedrijven in Nederland toenemen.
1879: Eerste pompstation en uitbreidingen
In 1879 werd het waterleidingbedrijf aan de Nieuwe Marktstraat geopend. Een logische plek, aangezien het op een laag punt van de stad lag, maar bovendien dicht bij het afzetgebied.
Het witte gebouw aan de Nieuwe Marktstraat is het eerste pompstation. Nadat het gebouw in 1928 aan de Ambachtsschool was afgestaan, is deze verhoogd met een verdieping en flink verbouwd.
Riolering
In 1885 werd begonnen met de aanleg van een rioleringsstelsel. Daarbij werden waterpompen weggehaald een poelen gedempt. Tegelijkertijd verdwenen de waterpompen uit het straatbeeld en werden poelen gedempt.
Na 1879 vonden een aantal uitbreidingen plaats. Jarenlang herinnerde een tegeltableau ‘1909’ bij het grijze gebouw aan de eerste uitbreiding: een pompgebouw. Daarmee had Nijmegen een primeur in Nederland, doordat de pompen elektrisch werden aangedreven. Dit gebouw was tevens een waterzuiveringsinstallatie.
1984 Nieuw pompstation met waterzuiveringsinstallatie
In 1984 werd het nieuwe pompstation in gebruik genomen. Deze had bovendien een zuiveringsinstallatie.
Herkomst Water
Oorspronkelijk werd het water opgepompt onder het Kronenburgerpark.
In de wijk Kwakkenberg stond een waterreservoir, dat zorgde voor druk op de leiding. Daardoor was de bouw van een watertoren niet nodig.
Vanaf 1915 werd het water tevens opgepompt uit Heumensoord. Aanvankelijk als proefstation en vanaf 1937 als productiebedrijf, waarbij een leiding rechtstreeks naar deze watercentrale liep.
2016 Einde Waterwinning Nieuwe Marktstraat
Watercentrale Nieuwe Marktstraat
Een foto van het pompstation uit 1990 is te zien op F60568 RAN.
In 2016 is de waterwinning aan de Nieuwe Marktstraat gestopt. Volgens de Europese Regelgeving zou de verontreiniging in de buurt van de het Kronenburgpark gesaneerd moeten worden. Tot dan toe waren deze verontreinigingen met beschermende maatregelen tijdens de winning tegengehouden. Aangezien sanering te duur werd geacht, besloot Vitens tot de sluiting van de waterwinning aan de nieuwe Marktstraat. De waterwinning werd overgenomen door het bedrijf Fikkersdries uit Driel.
2020 – nu: Poppodium Merleyn (?)
Rond 2010 (“al negen jaar” in het artikel van de Gelderlander uit 2021; in 2023 noemt Doornroosje zelf “15 jaar”) is Doornroosje op zoek naar een nieuwe locatie voor Merleyn, aangezien het pand aan de Hertogstraat verouderd is. Daarbij is het huidige pand “lastig te exploiteren is vanwege geluidsoverlast. Isolatie is geen optie, aangezien de steunbalken door buurpanden lopen.” (vpt)
Op zoek naar locatie
Daarom ging Doornroosje op zoek naar een nieuwe locatie. Doornroosje: “Met een capaciteit van 200 bezoekers is het de perfecte plek om opkomend (inter)nationaal talent een podium te geven, experimentele genres te programmeren en nieuwe dance-concepten te laten pionieren.”
In januari 2020 kocht de gemeente Nijmegen het oude waterpompstation aan om dit nieuwe poppodium te kunnen bouwen; naast de Nieuwe Markstraat waren 17 andere locaties bekeken. “Bij deze zoektocht is het van belang om te weten dat het realiseren van een zogenaamde ‘box-in-box’ constructie essentieel is om de directe geluidsoverlast naar de belendingen te voorkomen.” (Gewijzigde) vaststelling bestemmingsplan Nijmegen Centrum – Stationsomgeving – 4 (Nieuwe Marktstraat 52, poppodium), 28 februari 2023)
Dit terrein ligt bovendien op een steenworp afstand van Doornroosje zelf. In januari 2020 wordt er nog van uit gegaan dat de nieuwbouw in begin 2022 gereed kan zijn.
Vrees voor Geluidsoverlast
Bewoners van omliggende panden zijn niet blij met het voornemen. “De Vereniging van Eigenaren (VvE) van een nabijgelegen appartementencomplex is hier niet blij mee. Zij vrezen onder andere geluidsoverlast. Tegenover de Stentor laten zij weten een beroep bij de Raad van State te overwegen. Bewoners voelen zich volgens de krant ‘slecht betrokken bij de plannen’. Een sentiment dat ondersteund wordt door verschillende Nijmeegse raadsleden.” (entertainmentbusiness). “De gemeente en Doornroosje willen de mogelijke problemen ondervangen met een plan over vaste routes en een calamiteitennummer – iets waar de omwonenden geen vertrouwen in lijken hebben. “Ze zeggen wel te gaan handhaven op overlast, maar dat heeft geen zin. Dan is het te laat, ik ben dan al wakker gemaakt.” Ook Vesteda, verhuurder van een aantal panden aan de Nieuwe Markstraat, is niet overtuigd.
In 2023 keurt de gemeente het bestemmingsplan goed. Wel is dan nog de mogelijkheid om bezwaar te maken bij de Raad van State.
De ambachtsschool was de eerste technische school van Nijmegen, door de gemeente opgericht. Door de opkomst van de industrie was er in Nijmegen een grote behoefte aan technisch personeel ontstaan.
Op het stationsplein kwam in 2014 de nieuwe locatie van Doornroosje. Het gebouw is zo open mogelijk vormgegeven. Daarnaast kent het een aantal innovaties: een “doos in doos” om geluidsoverlast te voorkomen en een draailift voor vrachtwagens. Tevens zit in het gebouw een fietstransferium en een studentenflat.
Een blauwe ruithoek staand op betonnen zuilen met daarop glazen piramides: het politiebureau van Nijmegen. Deze is gebouwd als het hoofdgebouw voor het regionale korps Gelderland-Zuid. Het is in 1994 ontworpen door Jeanne Dekkers. In de volksmond kreeg het de bijnaam ‘Wiebertje’. In 1998 is het opgeleverd.
Bart van Hove, 1902, huidige locatie: Bisschop Hamerstraat 21 Nijmegen
Onthulling van het standbeeld van Bisschop Hamer, gemaakt door Bart van Hove in 1902, 1902 (F53878 RAN)
In de Bisschop Hamerstraat, aan het Keizer Karelplein, staat het standbeeld van Bisschop Ferdinand Hamer. Hij werd in 1900 als missionaris in China tijdens de Bokseropstand vermoord.
Wie was Bisschop Hamer?
Ferdinandus Hubertus Hamer (Nijmegen, 21 augustus 1840 – To Tsjeng (huidige Togtoh, Binnen-Mongolië), 25 juli 1900) was een Nederlandse missionaris.
Hamer werd geboren in de Molenstraat, op het (in ieder geval huidige) huisnummer 122. Hij was de zoon van kruidenier Henricus Hamer en Aleida van Aernsbergen, als 8ste van 10 kinderen. Aan zijn geboortehuis hangt een plaquette, ontworpen door Bernard Fokkinga.
Hij gaat naar het kleinseminarie van de Jezuïeten. Daar wordt hij echter niet geschikt gevonden om tot deze orde toe treden. Vervolgens gaat hij naar het grootseminarie Rijsenburg bij Driebergen. In augustus 1864 ontvangt hij zijn priesterwijding.
Daarbij sluit Hamer zich aan bij de Scheutisten (of eigenlijk: de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria/ Congregatio Immaculati Cordis Mariae), een congregatie van missionarissen. Scheut verwijst naar de plaats waar de congregatie is opgericht, vlakbij Brussel (tegenwoordig is Scheut een onderdeel uit van Anderlecht).
Hamer had in 1864 de Vlaamse priester Theophiel Verbist (1823-1868) ontmoet, toen deze in Rijsenburg kwam spreken. Verbist had in 1862 de congregatie van Scheut gesticht, welke in 1865 wordt belast met de missie van de Chinese provincie Binnen-Mongolië (de Chinese provincie die van het zuiden tot aan het noord-oosten van het huidige Mongolië grenst).
In augustus 1865 vertrekt Hamer met de eerste groep naar Binnen-Mongolië. Naast Hamer 4 Belgen: naast Verbist de scheutisten Vranckx en Van Segveldt en de knecht Paul Splingaerd. Hamer is 25, de overige 3 missionarissen van “middelbare leeftijd” (Knippenberg).
De Missie in Binnen-Mongolië
Beeld bisschop Hamer (april 2023)
In december 1865 komen zij aan in Xiwantsi, een katholiek dorp. Daar nemen ze de missie over van de Franse Lazaristen, die de naam O.-L.-V. ten Pijnbomen krijgt. De missie richt zich niet zozeer op de Mongolen, maar op de Chinese boeren die naar dit gebied getrokken waren om de onrust en slechte economische omstandigheden te ontvluchten. Van Segveldt wordt pastoor van dit gebied. In januari 1866 zendt algemeen-overste en pro-vicaris Verbist Hamer samen met een chinese priester naar oostelijk missiegebied, om daar het gebied te verkennen en een missie te stichten.
Het was voor de missionarissen wennen om in dit gebied te leven: een ander taal en gewoontes, een ander klimaat (extreem koude en lange winters en hete, korte zomers) en andere kleding en eten. Vooral de oudere missionarissen pasten zich weinig aan, Hamer is daar beter toe in staat. Segvelt overlijdt aan vlektyfus. Daarna overlijdt Verbist, mogelijk aan dezelfde ziekte.
Hamer werd in 1869 benoemd tot waarnemend vicaris; daarvoor was Antoon Smoordenburg dat tijdelijk geweest. In 1871 komt Bax aan als de nieuwe vicaris; op 1874 wordt hij als eerste Scheutist tot bisschop benoemd.
De Scheutisten verwerft landbouwgronden, welke zij ter beschikking stelt aan de zeer arme boeren, mits zij zich bekeren.
Benoeming tot Apostolisch vicaris Gansu en Tititulair Bisschop Themithus
Rome breidt in 1878 het missiegebied van de Scheutisten uit tot de huidige Chinese provincies Gansu, Qinghai en Sinkiang (feitelijk het gehele noord-westen van China). Feitelijk was dit een slecht moment: daarvoor was er een moslim-opstand geweest met vele doden tot gevolg. Bovendien was China met Rusland op dat moment in oorlog. De regering had onderkoning Zuo aangesteld om met harde hand op te treden, om zo de rust te herstellen.
Hamer wordt daarbij op 21-6-1878 benoemd tot apostolisch vicaris van Gansu: een vicaris is een soort bisschop over een (missie) gebied dat nog niet als bisdom is vastgesteld. En tevens als titulair bisschop van Tremithus: een bisschop zonder eigen bisdom.
De missie was geen groot succes: het gebied was te groot met te weinig mensen; de Chinese overheid werkte tegen en Hamer kreeg onvoldoende steun van de Europeanen in Peking. Wel was Hamer steun en toeverlaat voor zijn mensen.
1889 Apostolisch vicaris Ordos
In 1883 wordt het missiegebied opgesplitst in drie bisdommen. Op 15-2-1889 wordt hij benoemd tot apostolisch vicaris van zuid-west Mongolië, Ordos, een zeer groot woestijngebied tussen de grote bocht van de Gele Rivier en de westelijke uitlopers van de Chinese Muur. Hij volgt daarbij Alfons de Vos op, die op 21-7-1888 was overleden. De Vos was minder succesvol geweest: hij had schulden gemaakt en er waren de nodige conflicten. Omdat Hamer de eenheid onder paters zou kunnen herstellen en goed met geld kon omgaan, was hij tot opvolger benoemd.
1890 onthaald in Nijmegen, conflict in België
Bezoek van bisschop-martelaar Ferdinand Hamer t.g.v. het feest van St. Dominicus; in het midden: Ferdinand Hamer, links Pius vsan der Geest o.p. rechts Franciscus Heijs o.p., achter hem v.l.n.r. Henri Hamer, kapelaan Hyacinthus van Erp o.p. pater Cajetanus, kapelaan Grapel en pater Suermondt beiden o.p., 1890 (F65276 RAN)
Vanwege gezondheidsproblemen, een maagzweer die niet in China behandeld kan worden, maakt hij echter eerst een reis naar Europa. In 1890 wordt hij in Nijmegen groots onthaald, waar hij een half jaar zal verblijven.
In België heeft hij met de algemeen overste van de congregatie een conflict over het te voeren beleid: overste van Aertselaer had ingestemd met het verzoek van koning Leopold II om missionarissen naar de Congo te sturen. Bovendien was er sprake van een tekort aan instroom van nieuwe Scheutisten, waardoor Hamer waarschijnlijk zonder nieuwe missionarissen naar China zou moeten terugkeren.
Buiten medeweten van Hamer, wordt vervolgens Alfons Bermijn tot missieprovinciaal benoemd. Dat betekende tevens, dat een groot gedeelte van het missiegeld bij Bermijn terecht kwam. Hamer komt steeds meer geïsoleerd te staan en in 1892 dient hij zijn ontslag in aan Rome. 3 jaar later bereikt hem het antwoord van Rome: het ontslag is geweigerd.
Spanning loopt verder op
In China loopt de spanning steeds verder op, enerzijds ten aanzien van de westerse landen in het algemeen. Westerse landen zetten China steeds meer onder druk om concessies af te dwingen.
Daarnaast was er de weerstand tegenover de missie. In hoeverre deze weerstand gevoed werd door de algemene teneur over het westen is onderwerp van discussie. Behalve dat missionarissen waren binnengekomen via de met geweld afgedwongen opengestelde havens en andere verdragen, speelden aspecten een rol:
Gevoel van superioriteit, zowel bij de missionarissen als bij de chinese elite: de missionarissen wilden “beschaving” brengen; de chinese elite vond de westerse denkbeelden barbaars en vond het confusianisme ver verheven boven het christendom
Wrok, dat zich uitte in de vorm van de verspreiding van pamfletten tegen de christenen en missionarissen, waarin het christelijk geloof op een verwrongen manier werd weergegeven en de missionarissen van allerlei abjecte misdrijven werden beschuldigd.
De houding van de missionarissen: onbeschoft gedrag en een agressieve houding bij meer zakelijke aspecten; zo wil Bermijn afdwingen dat er grote stukken land aan de missie worden afgestaan, die bewerkt kunnen worden door bekeerde boeren. Maar het kon ook zakelijke conflicten tussen christelijke en niet-christelijke Chinezen betreffen.
Daarnaast is er in 1876-1881 een grote hongersnood in het noorden van China, waarbij 10 miljoen mensen omkomen.
De Boksers
In 1900 zou de Bokseropstand uitbreken waarbij veel westerlingen, in het bijzonder zendelingen en missionarissen waaronder Hamer, de dood zouden vinden.
Directe aanleiding: Natuurrampen, sociale onrust en vooral de westerse inmenging
In 1898 heeft Noord-China te maken met een aantal natuurrampen: waaronder overstromingen van de Gele Rivier en droogtes, die de Boksers toeschreven aan het westen en de Chinese missionarissen. Daarnaast waren de Chinezen in het noord-oosten na de afloop van de -verloren- eerste Chinees-Japanse oorlog (1894-1895) in 1895 bang voor een toenemende invloed van buitenlandse mogendheden.
Duitsland gebruikte de moord op 2 katholieke missionarissen in 1897 in de provincie Shandong (in het oosten van China) als voorwendsel om de Jiaozhou Baai in deze provincie te bezetten. Dit leidde uiteindelijk tot een concessie die zou gelden voor 99 jaar. Daarop volgden ook andere mogendheden om concessies af te laten dwingen.
In 1898 had keizer Guangxu tussen juni en september de allerlei edicten laten uitgaan, die het land moesten hervormen (”100 Dagen van Hervorming”). Na de mislukking daarvan nam keizerin Cixi de regering weer op haar.
De Boksers
De “Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid” was een van de geheime genootschappen die ontstonden uit onvrede over de slechte sociaal-economische situatie en sociale onrust. Het waren half politiek-half religieuze organisaties van verarmde boeren. Omdat de aanhangers vechtsporten beoefenden, kregen ze de naam “Boksers”. Het genootschap richtte zich zowel tegen het westen, maar aanvankelijk ook tegen de zwakke Chinese keizerlíjke regering, die niets kon uitrichten tegen deze inmenging. Daarbij kregen de Boksers in het geheim bescherming van de gouverneur van Shandong.
Begin van de opstand
De Boksers begonnen in 1899 met het vernielen van buitenlandse eigendommen zoals spoor- en telegraaflijnen en met het aanvallen en vermoorden van missionarissen en Chinese christenen. Aanvankelijk in Shandong, waarna het verspreidde over Noord-Chinese vlakte en vervolgens over andere delen van China.
Vervolg
De uitgebreide bespreking van de houding ten opzichte van het westen, missionarissen en de Bokseropstand was vooral bedoeld om inzicht te verkrijgen in wat de oorzaak waren van het vermoorden van bisschop Hamer.
Om kort te gaan over het vervolg van de Bokseropstand: deze zou aanvankelijk nog krachtiger worden doordat het samen ging met delen van het Keizerlijk Leger. De diplomatenwijken in de steden Tianjin en Peking werden belegerd. Uiteindelijk was de moord op de Duitse gezant in Peking de aanleiding om een internationale “interventiemacht” te sturen: op 14 juli 1900 werden de opstandelingen bij Tianjin verslagen, op 14 augustus bij Peking.
1900 Overlijden
De lont in het kruitvat bij de missie van Ordos is een actie van de groep van Bermijn: op 8-5-1900 verdrijft de “Ijzeren Brigade”, de groep van Bermijn, samen met een groep christenen een aantal Chinese boeren van hun land. Hierbij vallen tevens een aantal doden. Dit wekt de boosheid van de bevolking en stimuleert de aanhang voor de Boksers in dit gebied. Het gebeurt vlakbij Ershisiqingdi, waar Hamer in 1900 zijn bisschopszetel naar toe had verplaatst.
Hamer ziet het gevaar dat de bevolking wraak zal willen nemen en beveelt 6 naaste medewerkers om te vluchten. Zelf blijft hij met ongeveer 1.000 Chinese christenen. Hamer wil na 35 jaar de missie niet in de steek laten, ook al weet hij dat hij bij een aanval van de Boksers waarschijnlijk de dood zal vinden.
Voor de Boksers is dit inderdaad de aanleiding om zich ook in de Ordos tegen de missie te keren. De eerste aanval weten de christenen af te slaan. De volgende, waarbij de Boksers steun krijgen van een Chinese generaal en zijn scherpschutters, niet meer. De bewoners worden gedood, behalve meisjes die verkocht worden. Hamer zelf wordt na zijn gevangenneming dagenlang gemarteld en vervolgens levend verbrand op 23-7-1900.
Het beeld van Bisschop Hamer door Bart van Hove
Onthulling van het standbeeld van Bisschop Hamer, gemaakt door Bart van Hove in 1902, 1902 (F53878 RAN)
De dood van Hamer maakt grote indruk op de katholieken in Nijmegen en de rest van Nederland. De Scheutisten nemen het initiatief voor de oprichting van een standbeeld, waarbij door de Nijmeegse bevolking een comité wordt opgericht.
Naast de herdenking van hun medebroeder hadden de Scheutisten ook belang bij het standbeeld: op dat moment had de congregatie moeite om nieuwe seminaristen te vinden. Hamer als martelaar leverde veel aandacht op. Vanuit het hele land stromen giften binnen, waaronder van de koninklijke familie.
Ontwerp van Hove: moment afscheid Bisschop Hamer
Rond begin maart 1902 keurt de commissie het ontwerp van van Hove goed. Dan is inmiddels meer dan 10.000 gulden opgehaald, terwijl de kosten ongeveer 12.000 gulden zullen bedragen.
“Met name was de heer jhr. Victor de Stuers vol lof voor de opvatting van den kunstenaar, die voor zijn voorstelling het plechtig moment gekozen heeft, waarop de bisschop-martelaar afscheid nam van zijn trouwe medehelpers, die hij, in het belang van hunner veiligheid heenzond, terwijl hij zelf besloot te blijven, als een trouw herder, die zijn schapen in nood niet verlaat, maar zijn leven geeft voor zijn kudde.
Overeenkomstig die opvatting is Mgr. Hamer afgebeeld in kalme, vastberaden houding, met de rechterhand zijn bisschoppelijk kruis aan de borst drukkend, de linkerhand licht vooruitgestoken in het gebaar van vastbesloten, kalme berusting, waamee hij de woorden uitspreekt: “ik blijf, gij gaat.”
Die woorden zullen tegen het voetstuk gebeiteld worden ter plaatse, waar dit gesierd is met den palm van het martelaarschap.
Daar het beeld in de open lucht moet komen te staan en dus van alle zijden een sierlijk silhouet behoort te bieden, was het vraagstuk der kleeding van groot belang.
De gewone toog, die Mgr. Hamer in het dagelijksch leven droeg, zou een wel wat poovere vertooning maken voor een standbeeld.
Daarom heeft de beeldhouwer den bisschop afgebeeld, bekleed met de cappa magna, die hem statige plooien van de schouders daalt en zelfs van achter nog een weinig afhangt over de verhooging, waarop het eigenlijke beeld zich zal verheffenen waartegen aan de voorzijde tusschen lauwertakken het bisschoppelijk wapen is aangebracht.
Doordat beide handen zijn opgeheven, worden gelukkige motieven voor de drapeering ook aan de voorzijde van het beeld verkregen. Het hoofd is met de bisschoppelijke baret bedekt.” (De Gelderlander 5/3/1902)
Eerstesteenlegging en onthulling
Op 9-9-1902 vindt de eerstesteenlegging plaats. Deze zou echter eerder hebben plaats gevonden, maar juist op die dag overleed G.A. Hamer, de broer van de bisschop (De Gelderlander 10/9/1902)
Op 28-9-1902 onthult bisschop Wilhelmus van de Ven het standbeeld, welke is ontworpen door Bart van Hove. Het verslag van de onthulling is te lezen in De Gelderlander 30/9/1902.
Op de voorzijde van de sokkel staat de inscriptie:
“DE NEDERLANDSCHE MARTELAREN VAN CHIN. MONGOLIË GEHULDIGD DOOR HET VADERLAND 28 SEPTEMBER 1902
Z.D.H. MGR. FERDINANDUS HAMER BISSCHOP VAN TREMITE APOST. VIC. VAN Z.W. MONGOLIË GEB. 21 AUG. 1840 TE NIJMEGEN † 25 JULI 1900 BIJ TÓ TSJÉNG“
Bart van Hove
De beeldhouwer Bart van Hove in zijn atelier met rechts vooraan een ontwerp voor het beeld van Bisschop Hamer, gefotografeerd door voorheen toegeschreven aan Sigmund Löw / Mogelijk Henri Jan Bordes – Amsterdam in 1903 [Rijksmuseum object RP-F-00-2590 , Publiek domein, Wikimedia)
Bartholomeus Johannes Wilhelmus Maria (Bart) van Hove (Den Haag, 18 maart 1850 – Amsterdam, 10 februari 1914) was Nederlandse beeldhouwer. Hij was vooral bekend vanwege zijn bustes en standbeelden.
Hij volgde zijn opleiding aan de Haagse Tekenacademie en daarna van van 1870 tot 1874 aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. Vervolgens had hij tot 1878 les van P.J. Cavelier in Parijs, waarvoor hij een Koninklijke subsidie had gekregen. Hij maakt in 1881 een studiereis naar Italië.
In 1883 gaat hij in Amsterdam wonen. Daar werkt hij op verzoek van Pierre Cuypers mee aan decoratief beeldhouwwerk voor het Rijksmuseum. Als zelfstandig kunstenaar maakte hij vooral bustes en standbeelden.
Van 1949 tot 1999 stond het standbeeld van Ferdinand Hamer aan de andere kant van het Keizer Karelplein, op het middenplantsoen van de Van Schaeck Mathonsingel: in 1949 was het beeld verplaatst om niet verloren te staan bij de noodwinkels.
Rijksmonument
Het beeld is een Rijksmonument met als waardering:
“Het standbeeld werd in 2002 als rijksmonument in het Monumentenregister opgenomen, het is “van kunsthistorische waarde als gaaf en goed voorbeeld van een standbeeld uit omstreeks 1900. Het beeld valt op vanwege de idealistische heroïsche gestalte, vanwege de toepassing van portretreliëfs en vanwege de vormgeving van de sokkel met rijke, maar strenge decoratie; van stedenbouwkundige waarde vanwege de huidige ligging aan het keizer Karelplein, waar het aan de kop van het plantsoen een grote beeldbepalende waarde heeft. Voorheen had het beeld een soortgelijke plaatsing aan de Bisschop Hamerstraat; van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming van het monument binnen de geschiedenis van de Rooms-Katholieke missie.”
Raymakers had in juli een lijst opgesteld van de aanwezige missionarissen: De Gelderlander 17/7/1900: “In de hachelijke omstandigheden, waarin thans de missiën in het verre oosten verkeeren, is het niet van belang ontbloot, de lijst te geven der Nederl. Missionarissen van Scheut, daar werkzaam.”
In november 1900 blijken de gezellen van Ramakers naar Nederland te zijn teruggekeerd (De Gelderlander 18/11/1900).
In 1915 nam de afdeling Nijmegen van de Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde het initiatief tot oprichting van een winterschool voor jonge tuinders. In 1920 werd deze Rijks Winter Tuinbouwschool in gebruik genomen. Het gebouw werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw afgebroken, Voorstadslaan 327, afgbroken, 1920-1930 (GN9490 RAN)
“Tuinbouw-Winterschool.
Men kan een inrichting van algemeen nut, b.v. een school, waaraan behoefte is gevoeld en waarvan het onderwijs velen den weg zal wijzen naar hun plaats in de maatschappijk, op verschillende wijzen openen. De nuchterste is, dat men in den besloten kring van leeraren, leerlingen en schooltoezicht letterlijk de deur opent en haar direct daarna weer potdicht sluit; dat men dan de wijsheidskraan opendraait en… dan is de zaak in orde. Het groote publiek zal wel bemerken, dat de machine draait.
Men kan ook anders doen en in zijn vreugde, dat er iets tot stand is gekomen, waarnaar al lang verlangend werd uitgezien en dat een zegen voor velen zal zijn, het publiek, welks belang hier behartigd zal worden deelgenoot maken van zijn voldoening over het bereikte.
De eerste weg is, meenen wij, gevolgd bij de opening der Handelsdagschool, maar de Commissie van Toezicht en de Directeur van de Rijks-Tuinbouwwinterschool aan de Voorstadslaan onder Heers, hebben aan de laatstbedoelde methode voorkeur gegeven.
Wij althans werden uitgenoodigd tot “bijwoning der officiëele overdracht van de Tuinbouw-Winterschool te Nijmegen door de Gemeente aan het Rijk”.
Met graagte hebben wij aan die uitnoodiging voldaan, omdat wij overtuigd zijn van het groote belang van deze nieuwe inrichting voor een streek, waarin de tuinbouw in al zijn onderdeelen telkens meer beoefenaars vindt en een welvaartsbron belooft te worden voor honderden in deze gemeente en haar wijden omtrek.
De plechtigheid, die gisteren plaats had, was in den grond der zaak niet de opening der school als inrichting van onderwijs. Immers de lessen zijn reeds in 1919 begonnen, maar werden, zoolang de school, het gebouw, niet gereed was, gegeven in een lokaal van de Kweekschool voor Onderwijzers.
Nu echter de nieuwe school aan de Voorstadslaan gereed is, moest de overdracht van het door de gemeente opgerichte gebouw met de daarbij behoordende 2 H.A. tuingrond aan het Rijk worden overgedragen en het was de wensch van den Minister van L., N. en H., dat dit met zekere plechtigheid gebeurde.
Een uitgezocht gezelschap kwam dan ook op het aangegeven uur in de school bijeen: de Directeur-Generaal van Landbouw, de heer v. Heek, als vertegenwoordiger van den Minister; de Commissaris der Koningin in Gelderland met leden van Gedeputeerde Staten; de Burgemeester en Wethouders van Nijmegen met den Secretaris en eenige raadsleden; de Inspecteur van het Landbouwonderwijs, Dr. v.d. Zande; Directeur en leeraren van de school; de Commissie van Toezicht, waarvan echter de voorzitter buitenlands was; vertegenwoordigers van de Vereeniging Proef- en Schooltuin en van de Verschillende takken van tuinbouw uit dezen omtrek; en een groot aantal genoodigden die geacht werden de nieuwe inrichting een goed hart toe te dragen.
Na een vriendelijk en hartelijk welkomstwoord van den heer J.A.H. Steinweg, secretaris van de Commissie van Toezicht, die bij afwezigheid van den voorzitter, den heer K. de Jong Mzn., de genoodigden ontving, voerde allereerst de Burgemeester van Nijmegen het woord. Spr. gaf in ’t kort een overzicht van de besprekingen en onderhandelingen, die aan de aanwijzing van Nijmegen als plaats van vestiging eener Rijkstuinbouwwinterschool en de oprichting van het nu voltooide gebouw zijn voorafgegaan en getuigde daarbij van de groote belangstelling van B. en W. en van den Gemeenteraad voor een inrichting als deze, die, naar spr. hoopte, veel zal kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van het tuinbouwbedrijf, dat in deze gemeente en haar omtrek reeds zulk een vlucht heeft genomen. Spr. verzekerde, dat al het mogelijke was gedaan om het gebouw aan het doel der oprichting te doen beantwoorden, waartoe de Wethouder v.d. Waarden en de Directeur van Gemeentewerken verschillende plaatsen hadden bezocht. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in tekening en bestek van den heer Weve en de uitvoering daarvan is opgedragen aan den heer Offermans als aannemer. Spr. verzocht den heer Directeur-Generaal van Landbouw als vertegenwoodiger der Regeering het gebouw over te nemen, dat de gemeente in bruikleen aanbiedt.
Gaarne voldoet de heer Van Hoek aan dit verzoek namens den Minister van L., N. en H. waar de wetenschappelijke grondslagen zullen worden gelegd voor een verbeterde beoefening dezen tak van nijverheid. In den oorlogstijd hebben land- en tuinbouw evenals vele andere takken van bestaan geleden en de toekomst is nog verre van helder. Om vergrooting en verbetering der productie te verkrijgen en oude afzetgebieden te herwinnen en nieuwe daarbij te verwerven, is groote inspanning noodig en moet er hard gewerkt worden. De reeds lang bestaande Wintertuinbouwcursussen hebben al veel goeds gedaan, maar wat de toekomstige bedrijfsleiders noodig hebben, konden deze niet geven. De Nijmeegsche afdeeling van de Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde heeft dat ingezien. Zij heeft aangeklopt bij de gemeente Nijmegen en daar een open oor gevonden, want ook zij besefte het belang van een Middelbare onderwijsinrichting op tuinbouwgebied, en de gemeente vond op haar beurt gehoor bij den Minister. Sedert de school te Tiel tot een Landbouwschool was veranderd hadden alleen de beide Hollanden tuinbouwwinterscholen en bij uitbreiding van dat aantal, was Nijmegen de aangewezen plaats. De kweekers hadden het bedrijf reeds door eigen kracht op een hoog peil gebracht en de ontwikkeling van den tuinbouw in dezen omtrek was heel sterk. Had de omtrek van Nijmegen in 1895 reeds 4500 H.A. voor fruitteelt in gebruik, in 1919 was dat gestegen tot 6900 H.A., terwijl zoo goed als overal onderplanting was ingevoerd. In 1895 werd voor de groenteteelt zoo goed als geen plat glas gebruikt; in 1906 besloeg het platte glas een oppervlakte van 45100 vierk. Meter en in 1912 (het laatste jaar waarvan officiciëele cijfers bekend zijn) besloeg het platte glas 95200 vierk. Meters; zeker is het na dien tijd nog toegenomen. Wat de bloemisterij aangaat kan deze streek met Aalsmeer en Boskoop wedijveren, al heeft ook elk van deze drie centra zijn bijzondere cultures. Uit alles blijkt, dat een middelbare tuinbouwschool hier op haar plaats is.
In 1919 is de school begonnen in de Kweekschool voor Onderwijzers. Aanvankelijk werd alleen aandacht geschonken aan fruitteelt, groenteteelt en bloemisterij, maar toen bij de Regeering gewezen werd op het belang van onderwijs in bloembinden en -schikken en tuinarchitectuur werd er besloten deze vakken aan het programma van deze school als proef toe te voegen en zoo is Nijmegen de eerste plaats, waar daarin onderwijs wordt gegeven. Van groot belang voor de school en voor de omgeving is de proef- en schooltuin, die onder toezicht staat van de Vereeniging “Proef- en Schooltuin voor Nijmegen en Omstreken”. Die tuin, waarvoor de gemeente 2 H.A. beschikbaar stelde, is allereerst schooltuin voor de leerlingen, verder het terrein voor practische werkzaamheid en zoo ook leerschool voor de kweekers, ten slotte is hij een gelegenheid voor het nemen van proeven met minder bekende gewassen, nieuwe behandelingswijzen en onderzoekingen of eenig gewas hier gedijt. Natuurlijk werkt zulk een tuin met verlies, het Rijk zal door subsidie het tekort helpen aanvullen en het is te verwachten, dat ook de Provincie, die reeds van haar belangstelling getuigde, ook hierin niet zal achterblijven: het geldt hier ook een provinciaal belang.
Achtereenvolgens brengt spr. aan de gemeente Nijmegen voor de offers, die zij bracht en de ruime opvatting van het belang der school; aan den bouwmeester voor de plannen voor het gebouw en de uitwerking daarvan; aan de Commissie van Toezicht, waarvan velen in andere functie reeds zooveel deden en van wie nog zooveel verwacht wordt; aan de Vereeniging Proef- en Schooltuin en vooral aan haar Voorzitter, den heer K. de Jong Mzn. Spr. richt nog een woord tot den Inspecteur van het Landbouwonderwijs, den heer van der Zande, tot Directeur en leeraren en tot de leerlingen. Met de beste wenschen voor den bloei der school en haar zegenrijke werking, aanvaardt spr. het nieuwe gebouw.
De Commissaris der Koningin in Gelderland, Jhr. Mr. v. Citters, verzekert de aanwezigen van de groote belangstelling van het provinciaal bestuur in deze school, getuige o.a. de aanwezigheid van heeren Gedeputeerde Staten. Spr. is overtuigd, dat dit en gelukkige dag moest zijn voor den heer Directeur-Generaal van Landbouw, voor de gemeente Nijmegen, maar vooral ook voor den Burgemeester van Nijmegen, onder wiens veeljarig bestuur al zóóveel goeds tot stand is gekomen, dat Nijmegen een bijzondere plaats inneemt onder de steden van ons vaderland. Wel doorleeft de tuinbouw een moeilijken tijd en er is wat optimisme noodig om aan de moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden, want de tuinbouw moet leven van export en de export vindt overal hinderpalen. Er is heel wat zorg noodig om den tuinbouw op de been te houden en dat kan naar sprekers meening geschieden, als land- en tuinbouw elkaar steunen en samenwerken. Spr. besluit met de hoop, dat de nieuwe onderwijsinrichting een goeden naam zal krijgen en houden, maar vooral, dat de leerlingen dien naam zullen steunen. Als het een eer wordt te zijn opgeleid aan deze school, dan zal dat een zegen zijn voor Nijmegen en voor het heele gewest.
De heer Valeton, secretaris van de Tuinbouwraad, getuigt van zijn belangstelling voor hetgeen hier bereikt is. Spr. weet, dat de geschiedenis van den tuinbouw, hier vooral, is een aaneenschakeling van pogen en proberen; ondanks tegenslagen heeft men ’t hier niet opgegeven; deze omtrek telt stoere werkers en mannen van volharding en spr. vertrouwt, dat de praktische tuinbouwers dankbaar zullen zijn, dat deze inrichting hier is verrezen en dat zij het hunne zullen doen om Directeur en leeraaren en daardoor de school te steunen, die ook voor hen een steun kan zijn.
Namens de afdeeling Nijmegen van de Maatschappij van Tuinbouw en Plantkunde spreekt de heer Lodder. Spr. gaat de voorgeschiedenis van de oprichting na en memoreert, dat reeds in 1915 door den heer Monhemius het denkbeeld van de oprichting eener school als deze werd opgeworpen; hoe een Commissie uit de afdeeling, bestaande uit de heer Monhemius, Leenders en spr., met den heer v.d. Veen (nu Directeur) en met het gemeentebestuur van Nijmegen overlegde en hoe van alle zijden het denkbeeeld met ingenomenheid werd begroet. Spr. brengt dank en hulde aan allen, die tot de oprichting hebben meegewerkt en uit de beste wenschen voor de school en haar personeel.
De heer R. v.d. Veen, Directeur der School en Rijkstuinbouwconsulent voor het zuidelijk gedeelte van ons land, wijst op de verschillende vormen van tuinbouwondewij: het hooger onderwijs van Wageningen, het lagere van de wintercursussen en het tusschenliggende middelbare, dat nu ook hier gegeven staat te worden. De wintercursussen zijn al een kleine 20 jaar oud en hebben veel nut gesticht, maar voor patroons, bedrijfsleiders en buitenlandsche handelaren is meer noodig dan zulk een cursus kan geven. De Middelbare School bepaalt zich niet tot avondlessen, maar geeft het onderwijs overdag en breidt de lijst van onderwijsvakken uit. Maar dat onderwijs regelt zich naar de streek, waar de school gevestigd is; zoo staat te Aalsmeer de bloemisterij, te Lisse de bloembollenteelt, te Boskoop de boomkweekerij voorop. Hier echter kan de zaak veelzijdiger worden opgevat, dank zij de veelvuldigheid der onderdeelen van het tuinbouwvak. Want den streek is een belangrijk centrum, waar fruitteelt en groenteteelt extensief en intensief worden beoefend ook naar de meest moderne methoden. Spr. brengt op zijn beurt hulde aan allen, die tot de totstandkoming der school hebben meegewerkt, vooral ook aan het gemeentebestuur van Nijmegen en geeft ook namen de leeraren de verzekering, dat allen, die aan de school verbonden zijn, het hunne zullen doen om haar tot bloei te brengen.
De plechtigheid was hiermee ten einde en namens den heer K. de Jong Mzn. Bood de heer Steinweg den genoodigden den eerewijn aan, waarna de Directeur de aanwezigen uitnoodigde tot een rondwandeling door de school en over de terreinen.
Het gebouw mag er zijn; de lokalen zien er keurig uit, de inrichting er van bewijst dat er advies is gegeven door mannen van de praktijk. Voorloopig is er zeker ruimte genoeg, maar mocht, zooals ook wij hopen, de toeloop van leerlingen sterker, zeer sterk zelfs, worden, dan zou het kunnen zijn, dat de behoefte werd gevoeld aan een ruimer lokaal dat- om een dik woord te gebruiken- als aula dienst zou kunnen doen. De ontvangst van gisterenmiddag had plaats in de met planten getooide hal.
In den tuin keur van planten en kruiden en bloemen en struiken en platte bakken en een ruime flinke kweekkas voor druiven, perziken en wat de tijd en de cultuur eischen.
Voor volledigheid vermelden wij ten slotte nog, dat de bouw plaats had onder leiding van den heer Offermans; dat voor de centrale verwarming en ventilatie werd gezorgd door P.H. Lamers te Hees; voor het schilderwerk door B. Fooy te Hees; voor de electrische installatie door P. Megens te Nijmegen; voor het stucadoorswerk door Otten te Nijmegen en dat de keurig afgewerkte schoolbanken werden geleverd door de fabriek van schoolbanken van den heer Kooymans te Wijchen.” (PGNC 6/10/1920)
Het Park Leeuwenstein was vroeger de tuin van Villa Leeuwenstein. Het lijkt wat verborgen te liggen door de bebouwing van de Marialaan en de Bosduifstraat. Dat het park mogelijk wat onbekend is, is onterecht: er staan veel verschillende bomen, waaronder bijzondere soorten.
Ruine st Walrick met echte of onechte koortsboom (april 2023)
Een ruïne met veel lapjes aan de boom en tegenwoordig zelfs aan 2 bomen. De St. Walrickkapel is in de 15e eeuw gesticht. Daarbij is het vanaf die tijd mogelijk een bedevaartsplaats voor St. Walrick geworden.
Kapel
De kapel behoorde oorspronkelijk bij de kloosterboerderij van St. Valéry-sur-Somme, een benedictijnse abdij. Zij was sinds 952 rechthebbende op het grondbezit en stichtte daar een uithof met een kapel. Deze werd later tot priorij verheven.
Vanaf 1389 raakte het Overasseltse klooster in geval, waarop in de 15e eeuw een nieuwe kapel werd gesticht. Deze kapel werd vernoemd naar St. Walrick, die rond 611 de abdij St Valéry had geticht.
Wie was St. Walrick?
In Nederland kent men St. Walrick, oftewel de heilige Walricus (Auvergne, 565 – Leuconay, 1 april 619 of 622, daarin verschillen de gevonden bronnen)
Hij trok predikend door het land en was stichter van de abdij Saint-Valéry-sur-Somme
Daarbij zijn er een aantal legenden aan hem verbonden. Hij zou iemand die was opgehangen door middel van een gebed weer tot leven hebben gewekt. Bovendien zou hij mensen hebben kunnen genezen van koorts en andere ziektes. Rond zijn tombe ontstond een cultus.
Hij is een beschermheilige van zieken en vooral van lijders aan koorts. Zijn feestdag is 1 april.
Verering St. Walrick
Oorspronkelijk werd St. Walrick vereerd. Een beeld of iets dergelijks van hem zijn echter niet bekend. Ook werd St. Willibrord een tijdlang vereerd.
Het Meertens Instituut: “Mogelijk was de verering van deze heilige, patroon van zieken en dan vooral koortslijders, in Overasselt groeiende. De nieuwe kapel kon als centrum voor de pelgrimages dienen.” In ieder geval heeft er nooit een relatie met Willibrord bestaan, zoals de “legendes” verhalen.
Van kapel naar koortsboom
Wanneer de verering verschuift van de kapel naar de koortsboom is nog niet geheel duidelijk.
Meertens: “In 1846 schetste de geschiedschrijver Van Schevichaven hoe vooral tussen de verschillende Mariafeesten door talrijke gelovigen naar de kapel trokken om er te bidden en hun offer te brengen. Hij maakte melding van de bijzondere intentie van hun gebeden, namelijk gevrijwaard blijven van ziekten die met koorts gepaard gaan, of hiervoor genezing vinden. Aan menige struik bij de kapel werd toen een stuk kousenband of lint gebonden. Vanaf deze periode werd de kapel in toenemende mate met St. Willibrord geassocieerd en verdween de heilige Walrick steeds verder naar de achtergrond. In deze periode zal ook de legende rond het ontstaan van de koortskapel ontstaan zijn, waarin een hoofdrol voor Willibrord was weggelegd.“
Het Meertens Instituut noemt dat in de loop van de 19e eeuw verschoof de verering van de ruïne naar de naastgelegen struiken en bomen.
Meertens: “In 1740 werd de ruïne nog door ‘de Roomschgezinden met veel eerbied bezogt’.”
Het KN schrijft: ““Afgoderij dat vermeden dient te worden”, is hoe het genoemd werd in officiële stukken van protestantse kerkgemeentes uit de zeventiende eeuw. Ze refereren hiermee aan zogenaamde koortsbomen die in deze periode overal in de Republiek der Verenigde Nederlanden te vinden zijn: van Alphen tot aan Overasselt.”
Ten aanzien van Bergharen is de Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods boom beken. De verering op de Molenberg, die tegenwoordig Kapelberg wordt genoemd, dateert daar bij uit de 14e eeuw. De Provinciale Synode in Nijmegen meldt in 1606 daarover: “dat er weder nieuwe affgoderye ende bedevaert opgerecht ijs tot [Berg-] Haeren in Mas ende Wael, aldaer een Lieve Vrouwe gestelt ijs ende die op verleden Maendagh na Pynxsteren van een grooten aentael volcx ende eenighe notable (die dese afgooderije na landtsz recessen behooren te verhinderen) besocht ende gheehrt gewest ijs.” (Wikipedia).
Zowel het Meertens Instituut als de Atlas van de Leefomgeving noemen de 19e eeuw: mogelijk dat vanaf dat moment de “hernieuwde” verering plaats vond?
Het KN noemt dat koortsbomen gebruikt werden als herkenningspunt om katholieke erediensten in het geheim te kunnen houden in de tijd dat de openbare eredienst was verboden.
Het KN: “Een koortsboom (of ‘lapjesboom’) is een zomereik of linde waarin stukjes textiel gehangen worden om te bidden voor een persoon die ernstig ziek is. Het volksgebruik ontstond vaak bij een boom die al betekenis had vanwege een heiligenverering. Veel Brabantse koortsbomen hebben bijvoorbeeld een connectie met Maria, maar lokale devoties zoals Sint-Walrick (Overasselt) en Sint-Odrada (Eersel) komen ook voor.”
Huidige koortsboom
De huidige -grote- koortsboom is een zomereik die geplant is tussen 1910 en 1920.
Reformatie en begin verval
Een ruïne van de St. Walrick-kapel; een sepiatekening, 18e eeuw (GN15044 RAN)
Bij de Reformatie wordt de katholieke eredienst verboden en komt er een eind aan de priorij van St. Valéry. De protestanten nemen de kerk over en de eerste predikant wordt in 1609 benoemd. De goederen van de priorij komen in handen van de protestante adel, die vooral ook in het tiendrecht geinteresseerd zullen zijn geweest. Hans Willem van Randwijck en Joest Vlaming kopen de goederen aanvankelijk in erfpacht in 1617, in 1648 verkrijgen zij het volledige eigendom.
Achtereenvolgens zijn de families Van der Moelen, Rengers, Ten Hove en Munter eigenaar.
De laatste particuliere eigenaar was A.D.M. Munter van Sleeburg. Hij liet bij zijn overlijden de kapel en de bijbehorende grond na aan De Algemeene Armen te Overasselt. Mogelijk was deze schenking ingegeven doordat er vanouds een offerblok voor de armen in de kapel aanwezig was. Met een grote veiling in 1852 eindigt het grootgrondbezit.
Verbouwingen
In de loop der tijd zijn er een aantal verbouwingen aan de kapel uitgevoerd. In de 17e eeuw, na het overgaan op de nieuwe eigenaar, zijn er herstelwerkzaamheden verricht. Een opvallende was het opnieuw optrekken van een deel van de westgevel. Hiervoor zijn stenen gebruikt uit de zijmuren, waardoor de kapel werd versmald.
Ruïne van de kapel Sint Walrick,1903 (F74038 RAN)
Een restauratie uit 1903 waarbij rollagen en steunberen werden aangebracht, werd in 1940 weer teruggedraaid. In 1940 werden de muren recht opgezet en met kloostermoppen tot manshoogte gebracht. Daarbij werd tevens de fundering voor het altaar en de dat van de oorspronkelijke westgevel teruggevonden.
Het huidige aanzicht dateert vooral van de werkzaamheden in de jaren 50: de oostgevel werd verlaagd en vervlakt, de flankmuren tot op borsthoogte gemetseld.
Staatsbosbeheer
Bezoek van Jhr. mr. C.G.C. Quarles van Ufford, Commissaris van de Koningin in Gelderland en burgemeester van Overasselt Walraed (W.J.F.M) baron van Hugenpoth tot Aerdt (rechts, beiden in donkere jas) bezoeken met verkenners de ruïne van de St. Walrickkapel. Rechts de zgn. koortsboom, 1953-1955 (GN42113 RAN)
Staatsbosbeheer draagt in 1986 werd het beheer van de ruïne overgedragen aan de Monumenten Stichting Baet en Borgh.
Een mooie foto uit 1977 vóór de restauratie is te zien op F21805 RAN.
De ruïne van de Sint Walrickkapel en de koortsboom in de Hatertse en Overasseltse Vennen. De foto is gemaakt nadat de achterwand door vandalisme is omgeduwd en vóór het herstel ervan, 27/8/1985 (Ger Loeffen via F37857 RAN CCBYSA)
Bij de restauratie was de koortsboom bijna omgehakt, omdat deze te dicht bij de kapel stond. Na protesten werd hiervan afgezien. De kapel werd gerestaureerd naar de situatie uit 1904 op basis van beeldmateriaal uit die tijd. Wel zijn de laagste takken van deze boom gesnoeid, zodat er geen nieuwe lapjes aan deze boom kunnen worden opgehangen. Daarvoor in de plaats is iets verderop een nieuwe eik geplant, die de taak van de “oude” boom overneemt.
Vergetelheid
St. Walrick zelf raakt, in ieder geval in Nederland, in de 19e eeuw in vergetelheid. Bedevaartgangers begonnen de kapel met Sint Willibrord te identificeren, de vaderlandse heilige. Behalve offers te brengen in het offerblok, hingen pelgrims ook een lapje in de boom om de koorts “af te binden”.
Het Meertens Instituut constateert daarbij dat vooral vanaf de jaren 90 deze gewoonte weer is toegenomen.
Beelden
In de kapel zitten in de oostelijke muur 2 nissen. Oorspronkelijk waren deze bedoeld voor lampen. In de linker nis staat een beeld van O.L. met kind. Het is gemaakt door Peter Rovers. Daarvoor had de Lourdes-groep van de Katholieke Verkenners opdracht gegeven, om te vieren dat het 100 jaar geleden was dat het beeld van de Zoete Lieve Moeder vanuit Brussel naar ’s-Hertogenbosch was teruggekeerd. Daarbij zijn de stangen aangebracht om te voorkomen dat het beeld gestolen wordt. De steen die onder het beeld is ingemetseld is afkomstig uit Lourdes.
Daarnaast staat nog de stenen tronk, waar vroeger de collectebus was voor de de Stichting van De Algemene Armen te Overasselt.
Verzonnen legendes
Rondom de koortsboom zijn 2 “legendes” bekend, die in beide gevallen zijn verzonnen. De onderwijzer Gomarius Mes publiceerde deze in de de 19e eeuw, in de Katholieke Illustratie (1885-1886).
Haarband
De eerste “legende” is het verhaal dat de dochter van een heidense roverhoofdman ziek wordt. De vader was hoofdman van de “Hoemannen”, die het gebied rond Heumen onveilig zouden maken. Zij leven in een hut. Wanneer de dochter aan de koorts dreigt te bezwijken, gaat haar vader naar Willibrord, die op dat moment op missie was in dit gebied. Willibrord probeert de hoofdman tot inkeer te brengen en geeft tevens opdracht om een haarband van de dochter aan een struik te binden. De vader gehoorzaamt en de dochter geneest. Daarop bekeren ze zich beiden tot het christendom, waarop ze door de Hoemannen worden gedood. Sindsdien is dit een plek waar koortslijders en andere zieken op voorspraak van Sint Willibrord genezen hopen te vinden.
Keizer Karel
Keizer Karel zou de genezende kracht in 777 ervaren hebben door in de boom een zijden snoer opgehangen te hebben en daarna in gebed te zijn gegaan. Als dank zou hij een kapel hebben laten bouwen, gewijd aan St. Willibrord.