Op de hoek van de Kroonstraat en Parkweg staat een voormalige kruidenierswinkel. Daarbij is opvallend, dat de huidige opschriften noch voorkomen op de foto uit de jaren 1946-1947, noch de foto gedateerd 1980 (zie hieronder).
Parkweg 86 opschrift (juni 2025)
Inzoomend op de foto van 1946-1947 zien we wel een reclame voor Maggi (links), Esso (het kleine zwarte bordje rechts van de ingang) en Persil (rechts). Daarbij staat er een man in de deuropening, met een liggend hondje. Door het linker raam is nog een deel van de winkel te zien.
Links boven het Maggi bord hangt nog een straatnaambord: “Doddendaal”. In 1982 is dit gedeelte van de Doddendaal hernoemd tot Kroonstraat (Straatnamenregister)
Een kruidenierswinkel op de hoek Kroonstraat – Parkweg, gezien vanuit de Pijkestraat, 1947-1948 (GN2046 RAN)
Een kruidenierswinkel op de hoek Kroonstraat – Parkweg, gezien vanuit de Pijkestraat, 1947-1948 (Detail GN2046 RAN)Links de Kroonstraat. Op het pleintje het beeld De Gouden Engel, gemaakt in 1980 door Ed van Teeseling, 1980 (Ber van Haren via F2515 RAN CC0 Auteursrechthouder: Gemeente Nijmegen)
Overigens komt het balkon in 1980 nog niet voor, op een foto gedateerd 1985 F6062 RAN inmiddels wel.
Het ontwerp van deze in 1881 gebouwde herenhuizen worden vaak toegeschreven aan Bert Brouwer. Rob Essers maakt op Noviomagus aannemelijk dat Brouwer niet de architect zal zijn geweest. Zie voor een uitgebreid artikel de hierbovenstaande link.
Rijksmonument
Parkweg 120-124, (Evert F. van der Grinten via F78953 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
Parkweg 120-124 is een Rijksmonument; op deze site staat tevens een uitgebreide beschrijving.
Met als waardering:
“HERENHUIZEN gebouwd in 1881 door architect, stedenbouwkundige en projectontwikkelaar Bert Brouwer.
– Van architectuurhistorisch belang als goed en gaaf voorbeeld van een bouwblok opgetrokken in een aan het neo-classicisme verwante stijl. Er is onder meer sprake van een evenwichtig gevelontwerp met bijzondere detaillering en materiaalgebruik. Van belang als onderdeel van het oeuvre van Bert Brouwer, de stedenbouwkundige die het uitbreidingsplan op de plaats van de gesloopte vestingwerken ontwierp en er vervolgens grond aankocht om er herenhuizen op te bouwen.
– Van stedenbouwkundig belang vanwege zijn ligging aan de Parkweg tegenover het Kronenburger park in het beschermde stadsgezicht. Het volumineuze bouwblok is prominent aanwezig in de gesloten gevelwand van de straat.
– Van cultuurhistorisch belang als een vroeg en goed voorbeeld van een rij herenhuizen die zijn gebouwd op door de ontmanteling van de vesting vrijgekomen percelen. Van belang als herkenbaar element uit een maatschappelijke ontwikkeling. De panden zijn gebouwd als huisvesting voor de nieuwe en kapitaalkrachtige stedelijke elite.”
Het Kronenburgerpark is vooral mooi vanwege een van de weinige restanten van de vestingmuur die heel Nijmegen ooit omsloot. Vooral de Kruittoren torent hoog boven de omgeving uit. Daarnaast maakt onder de hoogteverschillen het pand erg aantrekkelijk. Het is een van de plekken waar Nijmegenaren tijdens mooi weer op het gras gaan zitten.
Het gebouw staat bekend als het Belgisch Consulaat. Oorspronkelijk is het in 1887 gebouwd als huis en magazijn van zoutzieder J. van Roggen. Ook zullen veel mensen het herkennen vanwege de (vele) horeca-gelegenheden die in dit pand hebben gezeten. Het gebouw is ontworpen door J.W. Michielsen, die ook de Arksteestraat 2 en Kweekschool de Klokkenberg (op de Klokkenberg) ontworpen heeft.
Kruittoren
De Kronenburgertoren met links op de achtergrond de Spoorbrug, en rechts het voormalig Belgisch Consulaat (Parkweg 100) (uit 1887, architect J.W. Michielsen), 1890 (F22088 RAN)
Het enorme pand werd gebouwd als woonhuis met magazijn voor de zoutzieder J. van Roggen. Het gebouw is groot en opvallend door de bijzonder rijke detaillering, de dakvorm en het forse bouwvolume. Maar het heeft ook te maken met de rest van de omgeving: bij de restauratie van de Kruittoren had P.J.H. Cuypers de wens geuit ‘geen gebouwen in de nabijheid van de Kronenburgertoren op te richten’. Dat had tot dan toe geresulteerd in de bouw van een aantal kleinere woningen. J.W. Michielsen ging met zijn ontwerp echter aanmerkelijk tegen deze wens van Cuypers in.
Johannes van Roggen
(29-9-1860 Nijmegen – 24-7-1934 Calgary, Canada)
Zijn ouders waren Matthijs Adolph van Roggen (1826-1886), advocaat en later kantonrechter en Catharina Noorduijn (1832-1919).
In 1884 neemt hij de zoutziederij van Salomon Blom (1837-1890) over. Een oom van hem en de echtgenoot van Johanna Elisabeth Noorduijn (1841-1928). Hij trouwt op 2-9-1885 met Helena Catharina Blomhert (14-7-1866 Nijmegen – 6-3-1940 Wassenaar). Wanneer het gezien de woning aan de Parkweg betrekt, zijn ze afkomstig van de Verlengde Hezelstraat No 71 (Waarschijnlijk is er binnen de jaren 1880 nog een verhuizing daarvoor geweest: van Roggen heeft bij “vorige woonplaats Hezelstraat B no 59; Blomhert Grootestraat 70). Bevolkingsregister 1880) Opvallend in hetzelfde Bevolkingsregister 1880 is dat bij “Opmerkingen” 74 staat vermeld, later is door “het blauwe potlood” Parkweg N 76 erbij gezet).
In mei 1884 vraagt J. van Roggen “om vergunning in het centrum van zijne Zoutziederij, grenzende aan de Pikkegas en Parkstraat, een Stoommachine van 12 paardenkracht te plaatsen om met behulp van die beweegkracht ruw zout te maken.” (PGNC 11/5/1884)
Johannes is van Roggen is van 1890-1898 “Heer van Duckenburg”, Rond 1907 vertrekt hij naar Canada (Noviomagus). Daar is hij in ieder geval “koopman” in 1908 en na 1920 “landontginner” (Geneologieonline en Nederland’s Patriciaat, 1945).
Blomhert en hun dochter blijven achter in Nederland. Zijn dochter trouwt in 1908. Daarna zal Blomhert verhuizen naar de Staringstraat. Zij heeft tot juli 1911 nog bij haar dochter op de Oude Stadsgracht ingewoond. In juli 1911 vertrekt Blomhert naar Utrecht. (Noviomagus). Op 24-6-1920 vindt de scheiding tussen van Roggen en Blomhert plaats (Genealogieonline).
Het gebouw als Franciscus Patronaat (uit 1887) van architect J.W. Michielsen, 1930 (F31589 RAN)
Het gebouw als Franciscus Patronaat (uit 1887), 1930 (F31589 RAN)
Daarna had het een groot aantal bestemmingen waaronder:
de huisvesting voor de Wereldlijke Derde Orde van de Heilige Fransiscus van Assisi (ca. 1914)
het kantoor en toonzaal van de Nijmeegse baksteenfabrikant N.V. Metselsteen (vh. Antoon Geldens, 1932), zie hiervoor het artikel op Noviomagus
het Belgisch consulaat
Noodkerk voor parochie van de heilige Franciscus van einde oorlog tot begin jaren 50
De Nijmeegse Muziekschool koopt het pand eind jaren 60. In 1972 verhuist ze naar de Lindenberg
Ook heeft er de nodige horeca in gezeten en heeft het tijden van leegstand gekend.
Belgisch Consulaat
De eigenaar van de firma NV Metselsteen, de heer Geldens, was tevens ereconsul van België. Daarom zat waarschijnlijk tot in 1965 ook het Belgisch Consulaat in dit pand. Het pand dankt hieraan zijn naam.
Lord Nelson en de vele horeca zaken
J. van Deutekom koopt in 1972 het pand van de Nijmeegse Muziekschool. Hij laat de benedenverpieding grondig verbouwen: Zo liet hij een ruimte voor de dansvloer maken en vensters afsluiten. De eerste bar schijnt de Pasja bar te zijn geweest (Facebook je bent een echte Nijmegenaar als en Facebook Nijmegen Toen); het is mij niet bekend of de verbouwing als discotheek op de de Pasja bar betrekking heeft op zijn opvolger: de bekende Lord Nelson.
Bij het ophalen van herinneringen aan dit pand noemen veel Facebookgebruikers, onder andere bij bovenstaande pagina’s, juist Lord Nelson als uitgaansgelegenheid. Na Lord Nelson kwamen de nodige opvolgers. Met wisselend succes, waarbij de meeste zaken slechts een tijdelijk bestaan hadden: Keizerstad, Labyrint, De Drang (zie de foto uit 1991 F38684 RAN), Discotheek België, Danserij de Revolutie, De Revo en Trendies.
Zeldzaam voorbeeld van het internationaal eclecticisme
De Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed ziet in dit gebouw een zeldzaam voorbeeld van het internationaal eclecticisme in Nederland. Met name de voorgevel is bijzonder met een combinatie van hardsteen, pleisterwerk en baksteen. Daarbij zijn er invloeden uit de Neo-renaissance.
Studio’s
Belgisch Consulaat in verbouwing juni 2025
Verbouwing Belgisch Consulaat (juni 2025)
In juni 2025 is er een verbouwing gaande, waarbij het pand wordt omgebouwd tot studio’s. Zie voor het project HermonHeritage en
Bronnen
Nu (weer) in de verbouwing, het vroegere Belgisch Consulaat (Augustus 2023)
Op de hoek van de Parkweg en Pijkestraat staat het beeld van de Gouden Engel. Beeldhouwer Fred van Teeseling liet zich inspireren door de Nijmeegse legende van de Gouden Engel uit 1600: het verhaal over een tragische liefde en over een engel van puur goud die ergens in de binnenstad van Nijmegen begraven zou moeten liggen.
Echter: in hoeverre klopt het verhaal van deze legende?
Over het beeld
De opdracht werd verstrekt in verband met de bouw van de parkeergarage aan de Pijkestraat. Ed van Teeseling heeft het beeld dan ook specifiek voor deze plek ontworpen. Toen hij de opdracht in 1980 kreeg, was hij op dat moment bezig met engelen.
Kos: “Hij liet zich inspireren door de Nijmeegse legende van de Gouden Engel uit 1600: het verhaal over een tragische liefde en over een engel van puur goud die ergens in de binnenstad van Nijmegen begraven zou moeten liggen”. Doordat het beeld al op een natuurlijke verhoging staat, is deze niet op een sokkel geplaatst.
Oude legende
Eens in de zoveel tijd duikt ie op: de legende van de Gouden Engel. De oudste vermelding die ik heb gevonden is uit 1857, waaruit blijkt dat de legende van de Gouden Engel volksgeloof betreft, dat al lang bestaat:
De legende van verborgen schatten is algemeen. Bij ons heerscht immers ook het volksgeloof dat er in den Hunnenberg een gouden engel verborgen is, terwijl verzekerd wordt dat dit mede het geval is met den Duivelsberg. Aan het vinden dier schatten is, zoo als overal, als eerste stilzwijgendheid geboden. Zoo vindt men in verschillende streken hetzelfde volksgeloof verspreid
Europa. Verzameling van in- en Uitlandsche Lettervruchten, ter bevordering van wereldkennis en aangenaam onderhoud met platen, Dordrecht”, bij H. Lagerweij, 1857:
Bij opgravingen komt de gouden Engel regelmatig bovendrijven. De eerste door mij gevonden vermelding is bij de slechting der Vestingwerken ter hoogte van de Belvedère: “De legende wil, dat in den Hunnerberg een gouden Engel zou begraven zijn, dien men nu bij de ontgravingen van den berg denkt te vinden.”(Arnhemsche Courant, 21-10-1882)
Aanleg Waalbrug: “De gouden engel zal zeer waarschijnlijk tevoorschijn komen”.
P. Dobbelmann eist de Gouden Engel in de Eerste Kamer maar vast op, nu er plannen zijn om bij de Belvedère de brug aan te leggen: “Volgens een oude legende moet daar in de buurt een levensgroote engel, vervaardigd uit zuiver goud, begraven liggen. Bij het afgravingswerk en vooral bij het maken van den hollen weg, welke naar de nieuwe Waalbrug moet leiden, zal de gouden engel zeer waarschijnlijk tevoorschijn komen. Namens mijn geboortestad Nijmegen reclameer ik nu reeds van deze plaats alle rechten op deze kostbare vondst. -Din intusschen entre parenthèse. (De Gelderlander 27/4/1928). C.A.P. Ivens had in zijn voordracht over de Waalbrug voor het departement Nijmegen van de Ned. Maatschappij voor Nijverheid en Handel al eerder gerefereerd dat door de graafwerkzaamheden die nodig zouden zijn, de engel dan ook wel gevonden zou worden (PGNC 8/12/1927).
Burchtpoort: “we gaan de gouden engel vinden”
Ook in 1936 is het weer raak, nu bij de afgraving van de fundamenten van de Burchtpoort: “Dat is een mysterieuze geschiedenis, die telkens wordt opgehaald als er ergens op historische plaatsen graafwerk wordt verricht. Of eigenlijk is het heelemaal geen geschiedenis. Men heeft het hier louter te doen met een oud volksgeloof, dat er ergens in Nijmegen een schat, in den vorm van een gouden engel begraven moeten zijn. Eenigen grond voor het bestaan van zoo’n schat is er niet aan te voeren, maar er zijn te allen tijde menschen geweest, die er rotsvast in gelooven, ook nu nog. Daarvan zouden zelfs frappante staaltjes aan te voeren zijn. Nog onlangs heeft er zich een gegadigde opgedaan, die in allen ernst met de wichelroede naar den schat wilde gaan zoeken. Als hij zijn voornemen heeft uitgevoerd moet dat in elk geval in het diepste geheim gebeurd zijn, want er is althans niets van uitgelekt. En onder de grondwerkers, is de legende van den gouden engel steeds weer het onderwerp van gesprek. “We gaan den gouden engel vinden”- zeggen ze dikwijls spottend tot elkaar, maar misschien toch met de hoop in ’t hart, dat het waar mag zijn. Dat de legende heeft kunnen ontstaan behoeft overigens niet te verwonderen in een stad als Nijmegen, waar bij verschillende gelegenheden zooveel oudheden gevonden worden.” (PGNC 21/4/1936)
1954: de gouden engel gevonden?
Dan is er op 11 januari 1954 nieuws: er is een engel van goud gevonden op de Burchtstraat. De Gelderlander: “Vanzelfsprekend spoedden wij ons onmiddellijk naar de plek des heils.” En tot hun verbazing zag ze inderdaad een silhouet van een engel in het zand, evenals een rij van toeschouwers. Ondertussen is het nieuws met zo’n snelheid verspreid, dat de Gelderlander wordt gebeld door verschillende mensen uit geheel Nederland, vooral musea, voor meer informatie. De gemeentesecretaris verklaart, dat alles wat in de bodem zit aan de gemeente behoort en dat bovendien de grond nog niet aan de eigenaar van de Bijenkorf was overgedragen.
Al gauw blijkt het niet om dé Gouden Engel te gaan: de directeur van het Gemeentemuseum beoordeelt dat het beeld ongeveer honderd jaar oud zou kunnen zijn in plaats van vele eeuwen. En bovendien is het beeld verguld, in plaats van geheel goud te zijn. (De Gelderlander 11/1/1954)
Bij de opening van de Bijenkorf blijkt definitief dat het beeld een PR-stunt in verband met de bouw van de nieuwe Bijenkorf was, waarbij de Bijenkorf zelf het beeld in de grond heeft laten stoppen. (De Gelderlander 7/10/1954). Een foto van de “opgraving” is te zien op GN4016 RAN).
Legende van de Gouden Engel: historisch?
Enkele dagen na de ‘vondst van de engel schrijft A. Delahaye: “Bestaat er kans dat de echte gouden engel nog ooit zal gevonden worden?” (De Gelderlander 13/1/1954) Daarin betoogt hij dat er is geen historisch aanknopingspunt te vinden. àls de gouden engel zou bestaan, zou dit beeld pas na de komst van het Christendom gemaakt kunnen zijn. Als de stad Nijmegen of de St. Stevenskerk ooit een dergelijk beeld in het bezit hadden gehad, zou dit vanwege de grote waarde wel historisch bekend zijn geweest. (Ook geeft hij aan dat de Gouden Engel mogelijk een verbastering van een perceelsnaam Gouden Eng is. Delahaye heeft echter vanuit verschillende kanten kritiek gekregen over zijn plaatsnaam/gebeurtenis verklaringen).
Hoewel ik het nog niet in handen heb gehad, is er het boekje “De Legende van de Gouden Engel”, waarbij de legende rond 1600 zou stammen. Deze blijkt echter geschreven te zijn door de Bijenkorf. Hoofdpersoon is de Geertrude, de beeldschone dochter van Antonius Keijser, waarbij geheel toevallig de eigenaar van de winkel ook Keijser heet. Zie ook het verhaal op Levendweb.
Mijn conclusie is dat dat de legende van de Gouden Engel slechts bestaat uit het ‘verhaal’ dat er ergens een gouden beeld begraven zou liggen, zonder dat er verder een verhaal aan vast zit.