Quack Monument (maart 2026)
#Nijmegen, Centrum, Kunstwerken

Quack-monument of Marie-Adolffontein

Quacksingel

Quack Monument (maart 2026)
Quack Monument (maart 2026)

Quack Monument

Het Quack-monument is vernoemd naar Quack was van 1902 tot 1919 wethouder van de gemeente. Bij zijn overlijden liet hij een legaat na aan de gemeente, op voorwaarde dat Nijmegen een fontein vernoemd naar hem en zijn zus zou oprichten. Het ontwerp was van Architect W. Bijlard.

Arnoldus Burchard Adolphus (“Adolf”) Quack

Adolf Quack als gemeenteraadslid 1910 detail F65766
Adolf Quack als gemeenteraadslid 1910 (detail F65766 RAN)

De bovenstaande foto is een detail van F65766 RAN, een foto met de leden van Gemeenteraad Nijmegen.

Arnoldus Burchard Adolphus Quack (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 11 november 1920)

Maria (Marie) Christina (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 15 maart 1905)

Adolf Quack en Maria Christina waren tweelingen, geboren in een dan al welgestelde familie. Zij werden in 1842 geboren op Huis Hoogenhuizen te Sint Anna. Jij zal ongehuwd blijven en altijd met zijn zus samen blijven wonen. Aanvankelijk op Hoogenhuizen, later op Villa Hundisburg bij de Batavierenweg.

Quack was ondernemer en had onder andere een groot grindbaggerbedrijf.

Hij wordt in 1889 lid van de gemeenteraad; van 1902 tot 1919 was hij wethouder.

Zoals voorgangers ook voor hem hadden gedaan, wilde hij iets nalaten ter verfraaiing van Nijmegen.

Ontwerp

Het ontwerp was van architect Willem Bijlard; er werd gekozen voor “den meest rationeelen weg: ze gaven den Adj. Directeur van Gemeentewerken, tot wiens werkkring het behoud van het stedelijk schoon behoort, de opdracht een ontwerp te maken. (De Gelderlander 2/2/1925)

Het is de vorm van een obelisk in art-decostijl. Het heeft 4 fonteinen. Een daarbij aan elke zijde onderaan een klok en bovenaan een lantaarn. Wikipedia: “In de jaren 1920 en 1930 deden ontwerpers inspiratie op uit de meest uiteenlopende exotische culturen. Naast de ‘art nègre’ (Afrikaanse kunst), de Maya- en Azteken-cultuur, Polynesië en Sumatra was dat voornamelijk de Egyptische beschaving van de farao’s. De directe aanleiding voor de Egypte-rage was de spectaculairste archeologische vondst van de eeuw: de ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922”.

De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)
De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)

Krantenartikel 1926

“De Maria-Adolf Fontein

Ontwerp van Architect W. Bijlard.

De voorgeschiedenis zal onen lezers bekend zijn: De heer A.B.A. Quack, oud-wethouder der gemeente Nijmegen, liet bij zijn overlijden een legaat na tot stichting eener monumentale fontein op een der pleinen onzer stad. Na heel veel moeilijkheden over de opvatting der bedoelingen van den erflater hakte het gemeentebestuur den knoop logisch door met de besluiten: dat het een fontein moest worden en geen beeldhouwwerk, waaruit water spuit. Daarbij werd als plaats aangewezen het vijfvoudig wegenkruispunt aan het einde der Spoorstraat, én ontwerp én uitvoering opgedragen aan den heer W. Bijlard.

Zoo’n opdracht is gauw gegeven en zoo’n plaats is gauw aangewezen, maar voor ’t eerste moet men een kunstenaar hebben en voor ’t laatste moet men rekening houden met de moeilijkheden, die uit zoo’n keuze voor den ontwerper groeien, en die soms zijn fantasie in een ijzeren keurslijf wringen, altijd tot groote schade van het schoon dat in een totaal vrije uiting tot stand zou komen.

In een ander blad is destijds op heldere wijze aangetoond, waarom de obeliskvorm gekozen, waarom als materiaal Zweedsch graniet gebruikt zou worden. Wij hadden niet de gelegenheid toen de maquette te zien, die onbegrijpelijk genoeg eerst nu geëxposeerd wordt, ofschoon een dergelijk stuk werk waarachtig niet onder de korenmaat behoefte gezet te worden.

Wij behoeven hier dus niet verder op in tegaan, maar wel meenen we in verband met den eisch van den schenker: het stichten eener monumentale fontein; en de door het gemeentebestuur aangewezen plaats te moeten wijzen op de bijna onoverkomenlijke moeilijkheid, waaraan men den ontwerper ketende. Hier kan nooit een flink spuitende fontein geplaatst worden, om de eenvoudige reden, dat op dit drukke verkeersplein zonder omringend plantsoen, een bruischende waterstraal bij den minsten wind den voorbijgangers een nat pak zou bezorgen; afgezien nog van de ongelukken, die schrikkende paarden zouden veroorzaken bij het onverwacht neerkletteren van het verstuivende water.

De vorm der watergeving lag dus door de opdracht al geheel aan banden, en de uitweg, dien de heer Bylaard gevonden heeft is zóó geniaal, zoo oorspronkelijk, dat hij zich hierdoor alleen reeds stempelt tot een kunstenaar.

De lastgeving spreekt van een monumentale fontein en in ieder monument moet spreken het “hic sto”; het materiaal moest dus “iets” beter zijn dan het zoogenaamde moderne fonteinensemble op den Schaeck Mathonsingel, waar onlangs heele stukken verweerd en verbrokkeld bij lagen, en dat nu reeds de gammelheid zijner constructie vertoont als een melaatsche Molokayer. Gelukkig, want men moest wel euneuch van kunst zijn om deze karakterlooze uitspatting op monumentaal gebied een welgemeend lang leven toe te wenschen.’

Thans nu de steigers en schuttingen gaandeweg rond het werk van Bylard verdwijnen, pakt ons al dadelijk de geweldig sprekende eenheid in zen arbeid. Wie zijn oogen kan gebruiken en dit ook doen wil, ziet terstond de ééne hand, die het schiep; de indeeling van het grondplan, de natuurlijk daaruit groeiende opstand, de bronzen versieringen, de bekroning, alles ontspringt aan ééne eerlijke fantasie.

Die eenheid in onderdeelen maakt de middeleeuwsche monumenten van bouwkunst zoo waardig, zoo rustig, zoo sterk sprekend en karaktervol. De bouwmeesters beheerschten toen de geheele stof, ziedaar de oorzaak.

De bovengenomede moeilijkheid der watergeving is hier opgelost door een niet al te grooten waterstraal te laten ontspringen aan vier verlichte glazen zuilen, die op zich zelf in vorm en lijn zuiver ontwassen aan het geheel, en die met hun gegolfde transparante zijvlakken het afvloeiende water metamorphoseeren tot een respectabele hoeveelheid. Dat water vloeit terug in vier schelpvormige bekkens, wier grondvorm men terugvindt in de opalen lichtwerpers der bekroning. Deze bekken zijn een kunstwerk van handarbeid in granito, door den heer L.S. d’Agnolo, granietwerker alhier, ter plaatse gemaakt.

Daar, waar de ronde vorm van den voet overgaat in den vierkanten zuilvorm, zijn de wijzerplaten aangebracht, vastgehouden door een bronzen band. Dit bronswerk is zooe subtiel van ontwerp en schitterend van uitvoering, dat het een waar meesterstuk is.

De gedachte aan het eeuwig wentelend rad van den tijd is niet vreemd aan het ontwerp dezer wijzerplaat, die vastgehouden wordt door de schakels, van een breeden keten met oriëntatiemedaillions. De verlichting dezer wijzerplaten is zeer mystieken verhoogt zoo eigenaardig den glans van het meesterlijke bronswerk, dat wij geneigd zouden zijn, dit een gelukkig toeval te noemen: ware het niet, dat het geheele monument het aanzien draagt en een artistiek verantwoordelijkheidsgevoel. De heer P.G. Duchateau te Rotterdam en de gebrs. Arens, edelsmeden alhier, leverden dezen metaalarbeid en kunnen trotsch zijn op dit kunstwerk.

Merkwaardig is de behakking van het voetstuk onder de klokken; daar is onder den beitel van een eenvoudigen steenhouwer, den heer H. Litjes, werkzaam bij de firma Tournay en Zn., de rossige steen geworden tot een tapijt met inscripties en vlakversieringen zonder dat het materiaal verkracht is, en toch volkomen de kennelijke bedoeling van den ontwerper werd bereikt; een overgang te krijgen tusschen den druk bewerkten klokkenband en den onbewerkten steen.

De opstand van het geheel doet aan als een obelisk doordat de kantlijnen naar boven zich verbreeden; meteen is door dit architectonisch handigheidje vermeden, dat de zuil naar boven zwakker werd en over zijn diagonalen scheeve aspecten gaf, wat al weer door de plaatsing op een vijfsprong bijna niet te vermijden scheen.

De grondgedachte van alle versiering, die de heer Bylard aanbrengt, waar hij als kunstzinnig architect zijn stempel opdrukt is, zou ik zeggen, de zich rondende lijn in ontelbare variaties zonder ergens in passerkunst te vervallen. De soepel golvende lijnen vindt men terug in de geledingen, waaruit de zuil is opgetrokken, en spelend naderen ze elkaar in de bekroning der massale afdekking. Even edel als de klokkenband is de versiering en bouw der bronzen lichtdragers, die al hun licht gelukkig, door nauwkeurig berekenden reflectoren naar beneden werpen.

Wie maar een oogenblik de geweldige brokken steen bekijkt waaruit de zuil is opgetrokken (ik scat ze op 4 à 5 ton) zal moeten toegeven, dat de technische ambtenaar G. de Bruin en de heer L. Hirdes, die met de opstelling belast waren hun hoogste verantwoordelijken arbeid schitterend hebben volbracht, hierin terzijde gestaan door de practisch zeer ervaren vaklieden de heeren Moolenaar en v. Rosmalen.

Voor vele bouwkunstenaars schijnt er tegenwoordig maar één grondwet te bestaan: n.l. het naar voren brengen van andere lijnen, verhoudingen en kleuren, gepaard met het bruut negeeren van alle begrip van logische constructie. Deze richting demonstreert gaandeweg grooter armoede aan aesthetische beginselen en componeert luk-raak rhapsodieën zonder eenigen samenhang. De treurige gevolgen deezer architectuur, waarin ieder broekje, dat zijn eerste schootsvel nog niet versleet mag roepen “anch io sone pittore”! zullen op de komende tijden al heel spoedig drukken en ons eerste nageslacht zal deze werken bestempelen als producten van ongare geesten, voor wie architectuur en soliditeit heterogene zaken waren!

Bylard heeft zeker niet te kort gedaan aan den modernen geest der nieuwe lijn, hij is waar gebleven overal, waar iedere constructie is een weloverwogen onderwerp van studie en tegelijk een uiting van subtielen smaak. Nijmegen is straks een merkwaardige kunstvolle versiering rijker, die den ontwerper nog eeuwen zal loven, omdat waarachtige kunst is van alle tijden. En een waarachtig kunstenaar is Willem Bijlard, die duidelijk een kind van zijn tijd blijkt, maar wiens eigen weg rust op een ondergrond van diepgaande studie, rijpe en rijke ervaring en bovenal eerlijken kunstzin. A.Kr.” (PGNC 20/5/1926)

Afgebroken

Tijdens de oorlog waren de glazen gedeeltes en de klokken vernield. In 1958 werd de fontein afgebroken om ruimte te maken voor het verkeer. Wel werden veel onderdelen van de fontein opgeslagen. In 1994 vond het initiatief plaats om de fontein op dezelfde plaats weer op te bouwen en in 2000 vond de herbouw plaats. Sinds 2008 heet het plein het Quackplein.

Fallus

Veel mensen zien in het monument een fallus. Bij de Wereldaidsdag van 2004 werd er een “condoom” overheen getrokken.

Willem Bijlard

Willem Herman Petrus Bijlard (Utrecht, 6 april 1875 – Nijmegen, 10 augustus 1940) was een architect. Som wordt zijn naam als Bylard geschreven. In Nijmegen werd hij adjunct-directeur gemeentewerken en stadsarchitect. Het Quack-monument lijkt zijn enige monumentale werk te zijn.

Jeugd en opleiding

Bijlard was de zoon van banketbakker Hermanus Gerardus Bijlard (1843 – 1923) en Catharina Maria Pompe (1847 – 1914). Hij volgde een opleiding bij architect Willem Herman Petrus Bijlard (Utrecht, 6 april 1875 – Nijmegen, 10 augustus 1940) was een Nederlandse architect.

Benoeming Adjunct-directeur van Gemeenterwerken

Hij vertrok in 1910 naar Nijmegen: op 8 augustus 1910 stemt de gemeenteraad over de benoeming tot adjunct-directeur van Gemeentewerken (De Gelderlander 7/8/1910).

Daarvóór had op verzoek van W. van der Waarden uitstel van de stemming plaatsgevonden: naast Bijlard staan -op basis van de initialen- niemand minder dan W.M. Dudok te Uithoorn en G. Diehl te ’s-Gravenhage op de lijst. (PGNC 14/7/1910). Hij zegt dat er “o.a. een bij uitstek theoretisch en practisch candidaat op de aanbeveling staat. Nu dient onderzocht, wat hier het best is, vooral in verband om de benoemde langer hier te kunnen houden”. (Deze personen worden niet bij naam genoemd). Dat laatste lijkt een belangrijke overweging te zijn; in de bepaling ook staat dat de nieuwe adjunct-directeur vijf jaar lang zal moeten blijven. Echter zijn er stemmen die vinden dat iemand die van “buiten” komt, sowieso 2 jaar nodig zal hebben om zich in te werken; een periode van 5 jaar is dan vrij kort. Aan de andere kant zijn er stemmen dat als ze een goed persoon willen hebben, verwacht mag worden dat deze carrière zal willen maken, zodat niet verwacht kan worden dat hij voor altijd zal blijven (PGNC 17/7/1910 en PGNC 19/7/1910).

Daarnaast is er de vraag of de nieuwe adjunct vervanger van de directeur zal zijn of dat hij een deel van het bureauwerk overneemt.

Op 8 augustus vindt dus de stemming plaats: Bijlard krijgt 13 stemmen ten opzichte van Dudok 9. In oktober 1910 vestigt hij zich in Nijmegen, hij is afkomstig uit Utrecht, Spaenstraat 15. (PGNC 22/11/1910)

Nevenactiviteiten

Naast het zijn werkzaamheden als adjunct-directeur, waarbij hij geregeld aanwezig is bij openingen van gebouwen, verschijnt Bijlard regelmatig in kranten als lid van een aantal comité’s. Zonder naar volledigheid te streven:

Nijmeegsche Kunstkring “In Consten Een”

In 1920 was Bijlard verkozen tot bestuurslid van de Nijmeegsche Kunstkring “In Consten Een” (De Gelderlander 24/2/1921 en PGNC 24/2/1921). In ieder geval is hij in 1922 secretaris. (PGNC 19/3/1923). Ook in 1928 is hij nog secretaris, wanneer I.C.E. zich beijvert voor een Toorop-tentoonstelling naar aanleiding van het overlijden van deze kunstenaar. (De Gelderlander 23/5/1928). En tevens in 1932 (1e) secretaris (De Gelderlander 8/12/1932).

Bestuurslid Door Eendracht Sterk (D.E.S.)

In 1930 is Bylard bestuurslid van “Door Eendracht Sterk” of kortweg D.E.S. Voor de Oranjefeesten verzorcht hij het ontwerp om van de vluchthaven aan de Lindenberg een zwemwedstrijdbaan te maken “welke zelfs op een Olympisch zwemfeest geen slechten indruk zou maken.” (De Gelderlander 20/8/1930). In 1936 wordt hij genoemd een van de “trouwe leiders”  die “maar steeds de middelen weet te vinden om nog een vuurwerk te geven” op het Bijleveldterrein. (De Gelderlander 1/9/1936)

Overig?

In 1931 is Bijlard lid van het “Comité voor Huisvlijt”. Zijn adres is dan Berg en Dalscheweg 14 (De Gelderlander 9/11/1931).

In 1933 maakt hij het ontwerp voor het inrichten van de Grote Markt voor het opvoeren van de openluchtvoorstelling Marieken van Nieumeghen, waarbij hij Comité-lid is. (De Gelderlander 25/7/1933)

Ontwerp voor de Midwinter kermis in de Vereeniging (De Gelderlander 23/12/1937)

Ontwerp voor de Optocht Katholiekendag (De Gelderlander 12/7/1938); in dit artikel wordt tevens verwezen dat hij “destijds” de optocht voor het eeuwfeest tot het verkrijgen van stadsrechten had ontworpen.

25-jarig jubileum

De Gelderlander kondigt zijn 25-jarig jubileum op 1 september 1935 aan als: “De heer W.H.P. Bijlard is een der meest verdienstelijke ambtenaren der gemeente Nijmegen, die zich ook buiten zijn dagelijkschen werkkring, waaraan hij al zijn kunde en krachten gaf, ook nog wijdt aan verenigingen van algemeen belang.” (De Gelderlander 14/8/1935)

Overlijden

Bijlard overlijdt op 65-jarige leeftijd. In De Gelderlander 31/12/1940 https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=0-1&index=49&imgid=328289554&id=302026347 staat een portret van Bijlard, in een overzicht van de in dat jaar overleden personen.

Voortzetting architectenbureau van Eduard Cuypers door broer

De broer van Bijlard, Henricus Joannes Antonius (1889 – 1947), heeft samen met Klazienis Van Geijn (1876 – 1956) het architectenbureau van Eduard Cuypers voortgezet. Toen kreeg het de naam ‘Eduard Cuypers Amsterdam’ en verhuisden van de Jan Luijkenstraat 2 naar de Beethovenstraat 59.

(Overige) Bronnen

Quack Monument en Nimbus (maart 2026)
Quack Monument en Nimbus (maart 2026)

(Overige) Bronnen en verder lezen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Bijlard

https://nl.wikipedia.org/wiki/Quack-monument

https://www.noviomagus.nl/h1.php?p=var14.htm

https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Stichting_Herstel_Quack-Monument

https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=4-1&index=0&imgid=616211040&id=3655734: een mooie film over de heroprichting van het monument.         

Victor Vroomkoning noemt Het Quack Monument als favoriete gebouw van Nijmegen. Lees hier zijn verhaal en tevens een gedicht van hem:

Nassausingel

Tegenwoordig is de Nassausingel een drukke verkeersweg met aan beide kanten van het park een tweebaansweg. Het is echter ontworpen…

Flora Lente Moreau Nassausingel 20240325
#Nijmegen, Centrum, Kunstwerken

De Geschiedenis van de beelden De Vier Jaargetijden aan de Nassausingel

1889 Nassausingel Rijksmonument

Flora, beeld van Mathurin Moreau, Nassausingel (april 2025)
Flora (Lente), beeld van Mathurin Moreau, Nassausingel (april 2025)

De beelden aan de Nassausingel stellen de Vier Jaargetijden voor, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau. In 1889 was het een geschenk van de Vereeniging ter Verfraaiing van Nijmegen. De bekostiging werd mede mogelijk gemaakt door een schenking van 400 gulden door het Baron Paulus Straalmanfonds.

Sokkel Verfraaiings Vereeniging Nassausingel (maart 2024)
Sokkel Verfraaiings Vereeniging Nassausingel (maart 2024)

4 Jaargetijden, 4 godinnen

De beelden hebben alle vier ongeveer dezelfde klassieke lichaamshouding, hetzelfde opgestoken haar en dezelfde gewaden. Rijksmonumenten: “De vrouwenfiguren zijn classicistisch geïnspireerd, waarbij de gewaden aansluiten bij de Griekse natte stijl.” Zij houden hun attribuut steeds in de rechterhand vast, terwijl de linkerhand iets is opgeheven.

Ceres Zomer Moreau Nassausingel 20240325
Ceres (Zomer) (maart 2024)

Het zijn:

  • Flora:  godin van de bloei, de lente, met uibottende tak
  • Ceres: godin van de akkerbouw, de zomer, met korenaren
  • Pomona: godin van tuinen en vruchtbomen, de herfst, met druiventros
  • Vesta: godin van het huis en het haardvuur, de winter, met vuurpot.

De beelden zijn gegoten bij de Parijse gieterij Societé des Fonderies du Val d’Osne. De maker van de sokkel is Mathijs Roggen, van oorsprong uit Nijmegen die in Luik eigenaar van een steengroeve was.

Over Ceres en Pomona schrijft Marc Maison (zie ook hieronder): “We learn that our statues, presented on the foundry’s catalog, depict Ceres, goddess for harvests, agriculture and fertility, and Pomona, nymph and divinity of fruits. Both are wearing an antique tunic, falling down their bodies, underlining their breasts, with the drapery following their leg’s movements. According to the mythology, Ceres, the one holding a wheat sheaf, is supposed to be the origin for the four seasons, putting the ground’s fertility on hold during the four months when her daughter Proserpina is meant to be in the underworld next to her husband Pluto. Meanwhile, Pomona is the divinity of fruits : following the mythology, she did not like wilderness but preferred instead a well-nurtured garden. The artist represented her offering grapes with her right hand, and holding her tunic’s drapery, filled with fruits, with her other hand. Creating these two cast iron statues, the artist celebrates generosity and nature’s beauty following the neoclassical ideals of his times.”

Mathurin Moreau en de samenwerking met Val d’Osne

Plaza de Valparaíso 01, Rodrigo Cartagena Armijo (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 01, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 02, Rodrigo Cartagena  Armijo Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 02, Rodrigo Cartagena Armijo Armijo, Chili
(via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 03, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0) {{Information |Description=Estatuas de la plaza de Valparaíso. |Source=[http://www.flickr.com/photos/daidaros/321983909/ Plaza de Valparaíso 03] |Date=2006-10-24 14:00 |Author=[http://www.flickr.com/photos/82121357@N00 Rodrigo Cartagena Armijo] from San
Via https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Estatua_Plaza_Victoria_3.jpg?uselang=fr
Plaza de Valparaíso 03, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili
(via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
Plaza de Valparaíso 04, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)
{{Information |Description=Estatuas de la plaza de Valparaíso. |Source=[http://www.flickr.com/photos/daidaros/321984762/ Plaza de Valparaíso 04] |Date=2006-10-24 14:00 |Author=[http://www.flickr.com/photos/82121357@N00 Rodrigo Cartagena Armijo] from San
Plaza de Valparaíso 04, Rodrigo Cartagena Armijo, Chili (via Flickr/WikiCommons cc-by-sa-2.0)

(Vrijwel) identieke beelden van Moreau, eveneens gegoten door de Societé des Fonderies du Val d’Osne zijn te vinden in Valparaíso (Chili).

Mathurin Moreau (18-11-1822 Dijon – 14-2-1912 Parijs) was een Franse beeldhouwer. Zijn vader Jean-Baptiste-Louis-Joseph Moreau, een beeldhouwer. Zijn moeder Anne Marianne Richer was dochter van de beeldhouwer Mathieu Richer. Ook de broers van Moreau, Hyppolyte en Auguste, waren beeldhouwers. Hij volgde zijn opleiding aan de École des Beaux-Arts in Parijs in 1841 en had lessen bij Jules Ramey en Auguste Dumont.

Succesvol kunstenaar

In 1842 behaalde hij de tweede prijs in Rome en in 1848 deed hij voor het eerst mee aan Salon des artistes français. Hij behaalde een aantal medailles op de wereldtentoonstelling in Parijs: medaille tweede in 1855, medaille eerste klasse in 1878 en een gouden medaille in 1889. In 1897 kreeg hij een eremedaille van de Salon en op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs was hij jurylid. Hij maakte “academische neoklassieke en Art Nouveau beelden in marmer en brons” (wikipedia)

Een aantal beelden zijn nog in Parijs te zien, onder andere:

  • Cologne, façade van Gare du Nord
  • L’Océanie, Musée d’Orsay
  • Zénobe Gramme, begraafplaats Père Lachaise

Samenwerking met Kunstgieterij Val d’Osne

Hij is daarnaast over de hele wereld bekend met de (serie) werken die hij in samenwerking met kunstgieterij Val d’Osne maakte tussen 1849 en 1879. Hij werd daar tevens een van de aandeelhouders en 1 van de beheerders.

Voor Val d’Osne maakte hij veel modellen voor beelden en decoratieve voorwerpen. Waaronder religieuze beelden, grafmonumenten, fonteinen maak ook kandelaars en tafellampen. De meeste beelden zijn in gietijzer, met een coating van imitatiebrons. Zijn fonteinen en beelden zijn niet alleen in veel Franse steden te vinden, maar ook in de rest van de wereld. Vooral ook in Zuid-Amerika.

Naast Val d’Osne maakt hij ook modellen voor de “Compagnie des Bronzes de Bruxelles”.

Vanaf 1879 was hij tevens burgemeester van het 19e arrondissement van Parijs.

Een afbeelding van de 4 “Nijmeegse” beelden is te vinden in de catalogus van Val d’Osne uit 1877. En zie ook de site van Marc Maison, waar kopieën te koop zijn. In haar publicatie gaat ze vanaf pagina 9 meer in over een serie van soortgelijke werken.

Het krantenartikel bij de onthulling

Pomona op de Nassausingel, 1889-1895 (Gérard Stoof via F30938 RAN)
Pomona op de Nassausingel, 1889-1895 (Gérard Stoof via F30938 RAN)

“Door de Nijmeesche Verfraaiings-Vereeniging zijn dezer dagen aan de Gemeente aangeboden en op den Nassausingel geplaatst vier bronzen beelden op hardsteenen voetstukken. Tot het geven van dit kostbaar geschenk was de vereeniging in staat ten eerste door hare eigen fondsen en verder door den welwillend aangeboden finantieelen steun van de directie van het Straalmansfonds. Beide vereenigingen die hetzelfde doel beoogen, namelijk het verfraaiien der parken en wandelingen onzer stad, hebben daardoor weder niet weinig bijgedragen om aan een der schoonste punten in de onmiddelijke omgeving der stad een nog sierlijker aanzien te geven. De beelden, voorstellende Flora (de lente), Ceres (de zomer), Pomona (de herfst), en Vesta (de winter), zijn van Mathurin Moreau en vervaardigd door de Société des fonderies du Val d’Osne te Parijs. De voetstukken, met inscriptie, van het zuiverste hardsteen zijn afkomstig uit de Carrières de Correux van onzen vroegeren stadgenoot, den heer Math. van Roggen te Sprimont bij Luik, aan wien nog onlangs de eer te beurt viel op de Internationale Tentoonstelling te Brussel met de gouden medaille bekroond te worden, zijnde de hoogste onderscheiding aan Petit granit Belge verleend.

Pomona Herfst Moreau Nassausingel 2024032
Pomona (Herfst) (april 2024)

De beelden, met de voetstukken bijna 3 meter hoog, doen op den Nassausingel een uitmuntend effect en de opschriften der gevers zullen naar wij hopen de aandacht vestigen, aan welke men ook den leeuw in het Kronenburgerpark, een meesterstuk van beeldhouwkunst van den heer H. Leeuw Sr., de fontein aan den Stationsweg, de bank om den dikken boom, vele andere banken, de zwanen en de prachtige collectie eenden van de zeldzaamste soorten in den vijver van genoemd park, enz. te danken heeft, en die zeker nog meer tot verfraaiing der wandelingen zou bijbrengen, indien zij beter door de ingezetenen gesteund werd. Het is toch bedroevend dat deze Vereeniging niet meer dan ongeveer 325 leden telt van de meer dan 30.000 inwoners, terwijl de contributie jaarlijks slecht f1,50 bedraagt, en ieder die zulk een kleine bijdrage schenkt toch de voldoening kan smaken mede te werken om onze stad, ook in het oog der vreemdelingen, nog aantrekkelijker te maken dan zij thans reeds is.

De pogingen door het Bestuur der Vereeniging om het ledental te doen toenemen, waartoe zij dezer dagen lijsten zal doen aanbieden, zullen dan ook ongetwijfeld met een goed gevolg bekroond worden.” (PGNC 14/4/1889)

Nassausingel

Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)
Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)

Tegenwoordig is de Nassausingel een drukke verkeersweg met aan beide kanten van het park een tweebaansweg. Oorspronkelijk is het aangelegd in 1880 door tuinarchitect Jan Copijn en maakte het onderdeel uit van een groene gordel: het liep (en loopt) tussen het Keizer Karelplein naar de aansluiting met het Quackplein/de Kronenburgersingel en Kronenburgerpark – tot 2008 was het huidige Quackplein onderdeel van de Nassausingel.

Aan deze singel kwamen statige panden. Waaronder de oude burgemeesterswoning, naar een ontwerp van Bert Brouwer. De westzijde van deze singel brandde in september 1944 af.

Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de 'De vier jaargetijden', vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)
Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de ‘De vier jaargetijden’, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)

Naar het Hunnerpark en terug naar de Nassausingel

De Vier Jaargetijden in het Hunnerpark 2010 Henk van Gaal DF948 CC0 Moreau
De Vier Jaargetijden in het Hunnerpark, 2010 (Henk van Gaal via DF948 RAN CC0)

Omdat het midden van de Nassausingel als parkeerplaats werd ingericht, zijn de beelden begin jaren 60 verplaatst naar het Hunnerpark. Hier hebben ze tot eind 2012/begin 2013 gestaan: na de opening van de parkeergarage aan het Keizer Karelplein werd het groen op de Nassausingel hersteld en keerden de beelden terug.

Rijksmonument

Vesta (Winter), Mathurin Moreau, Nassausingel (januari 2026)
Vesta (Winter), Mathurin Moreau, Nassausingel (januari 2026)

De beeldengroep is een Rijksmonument. Als waardering:

“-Van kunsthistorische waarde als gaaf en goed voorbeeld van beelden uit het vierde kwart van de negentiende eeuw, bedoeld ter verfraaiing van de openbare ruimte. De classicistisch geïnspireerde beelden verbeelden een classicistisch thema, kenmerkend voor de ontstaanstijd van de beelden en hun functie.

-Van stedenbouwkundige waarde als onderdeel van de groenstrook bij de Nassausingel.

-Van cultuurhistorische waarde als uiting van een technische en van een stedenbouwkundige ontwikkeling, als gietijzeren beelden een voorbeeld van het toenemend gebruik van gietijzer voor gebruiks- en kunstvoorwerpen in de negentiende eeuw, en als voorbeeld van het gebruik van verfraaiingselementen in Nederlandse openbare stadsparken en plantsoenen die na de slechting van stadswallen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in veel steden werden aangelegd.”

(Overige) Bronnen en verder lezen:

Flora Lente Moreau Nassausingel 20240325
Flora (Lente) (maart 2024)

De Vier Jaargetijden in het Hunnerpark, Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Rijksmonunmentenregister

Kunst op Straat

Nassausingel, wikipedia

Meer over Mathurin Moreau:

https://nl.wikipedia.org/wiki/Mathurin_Moreau

https://fr.wikipedia.org/wiki/Mathurin_Moreau, in het Frans, maar uitgebreider dan de Nederlandse.

https://www.artnet.com/artists/mathurin-moreau/, met veel foto’s van geveilde objecten

https://www.invaluable.com/artist/-xq3wp3zz3g/sold-at-auction-prices/?page=8&srsltid=AfmBOoq1g_7Uy1vC6bbMKwzR2UrY2yYP1iTtQ7zGG0tW1n2ON3FlRAo9 met veel foto’s van geveilde objecten

Vesta Winter Moreau Nassausingel 20240325
Vesta (Winter) (maart 2024)

Kronenburgerpark

Het Kronenburgerpark is vooral mooi vanwege een van de weinige restanten van de vestingmuur die heel Nijmegen ooit omsloot. Vooral…

Kronenburgersingel 223-225 architect Gielen

Kronenburgsingel 223 en 225, rijksmonumenten. Uit 1897, architect Gielen. Een van de opvallende elementen is het tableau “JHM”, mogelijk afkomstig…

Nassausingel 2 en 4 (april 2025)
#Nijmegen, Centrum, Gebouw van de dag

Nassausingel

Nassausingel 2 en 4 (april 2025)
Nassausingel 2 en 4 (april 2025)

Tegenwoordig is de Nassausingel een drukke verkeersweg met aan beide kanten van het park een tweebaansweg. Het is echter ontworpen als onderdeel van de gronde gordel rond Nijmegen, waaraan statige woningen lagen.

Park

Oorspronkelijk is het park aangelegd in 1880 door tuinarchitect Jan Copijn en maakte het onderdeel uit van een groene gordel: het liep (en loopt) tussen het Keizer Karelplein naar de aansluiting met het Quackplein/de Kronenburgersingel en Kronenburgerpark – tot 2008 was het huidige Quackplein onderdeel van de Nassausingel.

Twee (thans nog steeds bestaande) villa's aan de Nassausingel 4 (links) en Nassausingel 2 (rechts), 1905 (Uitg. Firma J.F. Kloosterman via F27915 RAN)
Twee (thans nog steeds bestaande) villa’s aan de Nassausingel 4 (links) en Nassausingel 2 (rechts), 1905 (Uitg. Firma J.F. Kloosterman via F27915 RAN)

Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)
Plantsoen Nassausingel, 1895 dr. Jan Brinkhoff via D430 RAN)

Statige panden

Luchtfoto van het Keizer Karelplein en omgeving ; linksonder (tussen Stationsweg en Nassausingel) de villa van het gezin van de Baksteenfabrikant A.P.A. Terwindt (Keizer Karelplein 10) ; daarboven de villa's aan de Nassausingel 3 en Nassausingel 5 (het woonhuis van J.G. Jurgens, directeur van de Maas en Waalsche Bank). Op de plek van deze drie villa's is in 1960 de Stadsschouwburg gebouwd. Aan de overzijde de (thans nog steeds bestaande) villa's aan de Nassausingel 2 en 4 ; rechts daarvan (op de hoek met de Bisschop Hamerstraat) de witte villa van de margarinefabrikant Arnoldus Jurgens (Keizer Karelplein 11, het latere Universiteitsgebouw waar tegenwoordig de ABN/AMRObank staat) ; rechts van de Bisschop Hamerstraat de villa's Keizer Karelplein 1 en 2 (hier werd later de Boerenleenbank / Rabobank gebouwd) ; linksboven het Kolpinghuis (de Gezellenvereniging) tussen de Van Berchenstraat en de Smetiusstraat ; ervoor wordt de Marie-Adolffontein gebouwd., 1925-1926 (F58044 RAN)
Luchtfoto van het Keizer Karelplein en omgeving ; linksonder (tussen Stationsweg en Nassausingel) de villa van het gezin van de Baksteenfabrikant A.P.A. Terwindt (Keizer Karelplein 10) ; daarboven de villa’s aan de Nassausingel 3 en Nassausingel 5 (het woonhuis van J.G. Jurgens, directeur van de Maas en Waalsche Bank). Op de plek van deze drie villa’s is in 1960 de Stadsschouwburg gebouwd. Aan de overzijde de (thans nog steeds bestaande) villa’s aan de Nassausingel 2 en 4 ; rechts daarvan (op de hoek met de Bisschop Hamerstraat) de witte villa van de margarinefabrikant Arnoldus Jurgens (Keizer Karelplein 11, het latere Universiteitsgebouw waar tegenwoordig de ABN/AMRObank staat) ; rechts van de Bisschop Hamerstraat de villa’s Keizer Karelplein 1 en 2 (hier werd later de Boerenleenbank / Rabobank gebouwd) ; linksboven het Kolpinghuis (de Gezellenvereniging) tussen de Van Berchenstraat en de Smetiusstraat ; ervoor wordt de Marie-Adolffontein gebouwd., 1925-1926 (F58044 RAN)

Aan deze singel kwamen statige panden. Waaronder de oude burgemeesterswoning, naar een ontwerp van Bert Brouwer. De westelijke kant ging echter in 1944 verloren. Op deze plek staat tegenwoordig de schouwburg.

Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de 'De vier jaargetijden', vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)
Beeld van de singel, eerste helft jaren zestig, gezien in de richting van het Keizer Karelplein, met de gietijzeren beelden van de ‘De vier jaargetijden’, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mathurin Moreau in 1889. Van voor naar achter achtereenvolgens Vesta (Winter), Pomona (Herfst), Ceres (Zomer) en Flora (Lente), 1964 (Gemeentepolitie Nijmegen via F88463 RAN CC0)

De Vier Jaargetijden

Mathurin Moreau

Flora (Lente), Moreau, Nassausingel (maart 2024)

De Geschiedenis van de beelden De Vier Jaargetijden aan de Nassausingel

De beelden aan de Nassausingel stellen de Vier Jaargetijden voor, vervaardigd door de Franse beeldhouwer Mahurin Moureau. In 1889 was het een geschenk van de Vereeniging ter Verfraaiing van Nijmegen. De bekostiging werd mede mogelijk gemaakt door een schenking van 400 gulden door het Baron Paulus Straalmanfonds.

Lees verder

Hotel Restaurant Nassau

Muurschilderij voormalig Hotel Pension Nassau, hoek Smetiusstraat – Nassausingel (november 2024)

Hotel Restaurant Nassau

In 1922 opende hier het Hotel-Pension-Restaurant Nassau, waarvan J.N.E. Esser de uitbater was. De muurschildering aan de Smetiusstraat herinnert hier nog steeds aan

Lees verder

Quack-monument of Marie-Adolffontein

Quacksingel

Quack Monument (maart 2026)
Quack Monument (maart 2026)

Quack Monument

Het Quack-monument is vernoemd naar Arnoldus Burchard Adolphus Quack (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 11 november 1920) en zijn tweelingzus Maria (Marie) Christina (Nijmegen, 6 april 1842 – Nijmegen, 15 maart 1905). Quack was van 1902 tot 1919 wethouder van de gemeente. Bij zijn overlijden liet hij zijn erfenis na aan de gemeente, op voorwaarde dat Nijmegen een fontein vernoemd naar hem en zijn zus zou oprichten.

Ontwerp

Het ontwerp was van architect Willem Bijlard. Het is de vorm van een obelisk in art-decostijl. Het heeft 4 fonteinen. Een daarbij aan elke zijde onderaan een klok en bovenaan een lantaarn. Wikipedia: “In de jaren 1920 en 1930 deden ontwerpers inspiratie op uit de meest uiteenlopende exotische culturen. Naast de ‘art nègre’ (Afrikaanse kunst), de Maya- en Azteken-cultuur, Polynesië en Sumatra was dat voornamelijk de Egyptische beschaving van de farao’s. De directe aanleiding voor de Egypte-rage was de spectaculairste archeologische vondst van de eeuw: de ontdekking van het graf van Toetanchamon in 1922”.

De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)
De Spoorstraat gezien naar het westen richting het NS-Station, met op de voorgrond het Marie-Adolffontein (in de volksmond bekend als het Quackmonument), gemaakt in 1925 door Willem Bijlard (Brinkhoff, J.M.G.M. 1920-1986 via D606 RAN)

Krantenartikel 1926

“De Maria-Adolf Fontein

Ontwerp van Architect W. Bijlard.

De voorgeschiedenis zal onen lezers bekend zijn: De heer A.B.A. Quack, oud-wethouder der gemeente Nijmegen, liet bij zijn overlijden een legaat na tot stichting eener monumentale fontein op een der pleinen onzer stad. Na heel veel moeilijkheden over de opvatting der bedoelingen van den erflater hakte het gemeentebestuur den knoop logisch door met de besluiten: dat het een fontein moest worden en geen beeldhouwwerk, waaruit water spuit. Daarbij werd als plaats aangewezen het vijfvoudig wegenkruispunt aan het einde der Spoorstraat, én ontwerp én uitvoering opgedragen aan den heer W. Bijlard.

Zoo’n opdracht is gauw gegeven en zoo’n plaats is gauw aangewezen, maar voor ’t eerste moet men een kunstenaar hebben en voor ’t laatste moet men rekening houden met de moeilijkheden, die uit zoo’n keuze voor den ontwerper groeien, en die soms zijn fantasie in een ijzeren keurslijf wringen, altijd tot groote schade van het schoon dat in een totaal vrije uiting tot stand zou komen.

In een ander blad is destijds op heldere wijze aangetoond, waarom de obeliskvorm gekozen, waarom als materiaal Zweedsch graniet gebruikt zou worden. Wij hadden niet de gelegenheid toen de maquette te zien, die onbegrijpelijk genoeg eerst nu geëxposeerd wordt, ofschoon een dergelijk stuk werk waarachtig niet onder de korenmaat behoefte gezet te worden.

Wij behoeven hier dus niet verder op in tegaan, maar wel meenen we in verband met den eisch van den schenker: het stichten eener monumentale fontein; en de door het gemeentebestuur aangewezen plaats te moeten wijzen op de bijna onoverkomenlijke moeilijkheid, waaraan men den ontwerper ketende. Hier kan nooit een flink spuitende fontein geplaatst worden, om de eenvoudige reden, dat op dit drukke verkeersplein zonder omringend plantsoen, een bruischende waterstraal bij den minsten wind den voorbijgangers een nat pak zou bezorgen; afgezien nog van de ongelukken, die schrikkende paarden zouden veroorzaken bij het onverwacht neerkletteren van het verstuivende water.

De vorm der watergeving lag dus door de opdracht al geheel aan banden, en de uitweg, dien de heer Bylaard gevonden heeft is zóó geniaal, zoo oorspronkelijk, dat hij zich hierdoor alleen reeds stempelt tot een kunstenaar.

De lastgeving spreekt van een monumentale fontein en in ieder monument moet spreken het “hic sto”; het materiaal moest dus “iets” beter zijn dan het zoogenaamde moderne fonteinensemble op den Schaeck Mathonsingel, waar onlangs heele stukken verweerd en verbrokkeld bij lagen, en dat nu reeds de gammelheid zijner constructie vertoont als een melaatsche Molokayer. Gelukkig, want men moest wel euneuch van kunst zijn om deze karakterlooze uitspatting op monumentaal gebied een welgemeend lang leven toe te wenschen.’

Thans nu de steigers en schuttingen gaandeweg rond het werk van Bylard verdwijnen, pakt ons al dadelijk de geweldig sprekende eenheid in zen arbeid. Wie zijn oogen kan gebruiken en dit ook doen wil, ziet terstond de ééne hand, die het schiep; de indeeling van het grondplan, de natuurlijk daaruit groeiende opstand, de bronzen versieringen, de bekroning, alles ontspringt aan ééne eerlijke fantasie.

Die eenheid in onderdeelen maakt de middeleeuwsche monumenten van bouwkunst zoo waardig, zoo rustig, zoo sterk sprekend en karaktervol. De bouwmeesters beheerschten toen de geheele stof, ziedaar de oorzaak.

De bovengenomede moeilijkheid der watergeving is hier opgelost door een niet al te grooten waterstraal te laten ontspringen aan vier verlichte glazen zuilen, die op zich zelf in vorm en lijn zuiver ontwassen aan het geheel, en die met hun gegolfde transparante zijvlakken het afvloeiende water metamorphoseeren tot een respectabele hoeveelheid. Dat water vloeit terug in vier schelpvormige bekkens, wier grondvorm men terugvindt in de opalen lichtwerpers der bekroning. Deze bekken zijn een kunstwerk van handarbeid in granito, door den heer L.S. d’Agnolo, granietwerker alhier, ter plaatse gemaakt.

Daar, waar de ronde vorm van den voet overgaat in den vierkanten zuilvorm, zijn de wijzerplaten aangebracht, vastgehouden door een bronzen band. Dit bronswerk is zooe subtiel van ontwerp en schitterend van uitvoering, dat het een waar meesterstuk is.

De gedachte aan het eeuwig wentelend rad van den tijd is niet vreemd aan het ontwerp dezer wijzerplaat, die vastgehouden wordt door de schakels, van een breeden keten met oriëntatiemedaillions. De verlichting dezer wijzerplaten is zeer mystieken verhoogt zoo eigenaardig den glans van het meesterlijke bronswerk, dat wij geneigd zouden zijn, dit een gelukkig toeval te noemen: ware het niet, dat het geheele monument het aanzien draagt en een artistiek verantwoordelijkheidsgevoel. De heer P.G. Duchateau te Rotterdam en de gebrs. Arens, edelsmeden alhier, leverden dezen metaalarbeid en kunnen trotsch zijn op dit kunstwerk.

Merkwaardig is de behakking van het voetstuk onder de klokken; daar is onder den beitel van een eenvoudigen steenhouwer, den heer H. Litjes, werkzaam bij de firma Tournay en Zn., de rossige steen geworden tot een tapijt met inscripties en vlakversieringen zonder dat het materiaal verkracht is, en toch volkomen de kennelijke bedoeling van den ontwerper werd bereikt; een overgang te krijgen tusschen den druk bewerkten klokkenband en den onbewerkten steen.

De opstand van het geheel doet aan als een obelisk doordat de kantlijnen naar boven zich verbreeden; meteen is door dit architectonisch handigheidje vermeden, dat de zuil naar boven zwakker werd en over zijn diagonalen scheeve aspecten gaf, wat al weer door de plaatsing op een vijfsprong bijna niet te vermijden scheen.

De grondgedachte van alle versiering, die de heer Bylard aanbrengt, waar hij als kunstzinnig architect zijn stempel opdrukt is, zou ik zeggen, de zich rondende lijn in ontelbare variaties zonder ergens in passerkunst te vervallen. De soepel golvende lijnen vindt men terug in de geledingen, waaruit de zuil is opgetrokken, en spelend naderen ze elkaar in de bekroning der massale afdekking. Even edel als de klokkenband is de versiering en bouw der bronzen lichtdragers, die al hun licht gelukkig, door nauwkeurig berekenden reflectoren naar beneden werpen.

Wie maar een oogenblik de geweldige brokken steen bekijkt waaruit de zuil is opgetrokken (ik scat ze op 4 à 5 ton) zal moeten toegeven, dat de technische ambtenaar G. de Bruin en de heer L. Hirdes, die met de opstelling belast waren hun hoogste verantwoordelijken arbeid schitterend hebben volbracht, hierin terzijde gestaan door de practisch zeer ervaren vaklieden de heeren Moolenaar en v. Rosmalen.

Voor vele bouwkunstenaars schijnt er tegenwoordig maar één grondwet te bestaan: n.l. het naar voren brengen van andere lijnen, verhoudingen en kleuren, gepaard met het bruut negeeren van alle begrip van logische constructie. Deze richting demonstreert gaandeweg grooter armoede aan aesthetische beginselen en componeert luk-raak rhapsodieën zonder eenigen samenhang. De treurige gevolgen deezer architectuur, waarin ieder broekje, dat zijn eerste schootsvel nog niet versleet mag roepen “anch io sone pittore”! zullen op de komende tijden al heel spoedig drukken en ons eerste nageslacht zal deze werken bestempelen als producten van ongare geesten, voor wie architectuur en soliditeit heterogene zaken waren!

Bylard heeft zeker niet te kort gedaan aan den modernen geest der nieuwe lijn, hij is waar gebleven overal, waar iedere constructie is een weloverwogen onderwerp van studie en tegelijk een uiting van subtielen smaak. Nijmegen is straks een merkwaardige kunstvolle versiering rijker, die den ontwerper nog eeuwen zal loven, omdat waarachtige kunst is van alle tijden. En een waarachtig kunstenaar is Willem Bijlard, die duidelijk een kind van zijn tijd blijkt, maar wiens eigen weg rust op een ondergrond van diepgaande studie, rijpe en rijke ervaring en bovenal eerlijken kunstzin. A.Kr.” (PGNC 20/5/1926)

Afgebroken

Tijdens de oorlog waren de glazen gedeeltes en de klokken vernield. In 1958 werd de fontein afgebroken vanwege het verkeer. Wel werden veel onderdelen van de fontein opgeslagen. In 1994 vond het initiatief plaats om de fontein op dezelfde plaats weer op te bouwen en in 2000 vond de herbouw plaats. Sinds 2008 heet het plein het Quackplein.

Fallus

Veel mensen zien in het monument een fallus. Bij de Wereldaidsdag van 2004 werd er een “condoom” overheen getrokken.

(Overige) Bronnen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Quack-monument

Quack Monument en Nimbus (maart 2026)
Quack Monument en Nimbus (maart 2026)

Openbare Leeszaal

1950 Nassausingel 4

Openbare Leeszaal, Nassausingel 4, 1950 (GN5477 RAN)
Openbare Leeszaal, Nassausingel 4, 1950 (GN5477 RAN)

Op 24-1-1950 werd de Openbare Leeszaal aan de Nassausingel 4 ingezegend. Deze zou hier tot 18-10-1971 blijven. Een aantal maanden daarna zou de bibliotheek op de Lindenberg open gaan (Bron en verder lezen: Huis van de Nijmeegse Geschiedenis)

Bibliotheek van de Openbare Leeszaal, Nassaustingel 4, 1952 ( GN5488 RAN)
Bibliotheek van de Openbare Leeszaal, Nassaustingel 4, 1952 ( GN5488 RAN)
Muurschilderij voormalig Hotel Pension Nassau, hoek Smetiusstraat - Nassausingel (november 2024)
#Nijmegen, Centrum, Gebouw van de dag

Hotel Restaurant Nassau

Muurschilderij voormalig Hotel Pension Nassau, hoek Smetiusstraat - Nassausingel (november 2024)
Muurschilderij voormalig Hotel Pension Nassau, hoek Smetiusstraat – Nassausingel (november 2024)
Hotel Restaurant Nassau opende op 22 april 1922 haar deuren in het statige pand dat werd bewoond door de steenfabrikant Löben Sels; uitbater was de heer J.N.E. Esser; links is nog een glimp van het Kolpinghuis zichtbaar. De foto is genomen vanaf de Nassausingel, 1922-1930 (Uitg. P.M. Eenennaam via F30655 RAN)
Hotel Restaurant Nassau opende op 22 april 1922 haar deuren in het statige pand dat werd bewoond door de steenfabrikant Löben Sels; uitbater was de heer J.N.E. Esser; links is nog een glimp van het Kolpinghuis zichtbaar. De foto is genomen vanaf de Nassausingel, Smetiusstraat 2, 1922-1930 (Uitg. P.MJ. Eenennaam via F30655 RAN)

Het grote gebouw op de hoek van de Smetiusstraat en Nassausingel is in 1880 gebouwd. De architect was C. Wagtho.

In 1922 opende hier het Hotel-Pension-Restaurant Nassau, waarvan J.N.E. Esser de uitbater was. De muurschildering aan de Smetiusstraat herinnert hier nog steeds aan:

“Hotel

Pension

Nassau

Restaurant”

Tegenwoordig zijn het bedrijfsruimtes met bovenwoningen (bijschrift DF4153 RAN)

Hotel Restaurant van J.M. Devenijns, voorheen Esser op de hoek In de Betouwstraat met de Smetiusstraat, 1930 (F58579 RAN)
Hotel Restaurant van J.M. Devenijns, voorheen Esser op de hoek In de Betouwstraat met de Smetiusstraat, 1930 (F58579 RAN)
Zicht op het pand op de hoek met de Nassausingel met Broodjeszaak en Cafetaria Le Casse Croute en Hotel Café Restaurant Cascade van G. Verasdonck (adres Smetiusstraat 2 / Nassausingel 6), 1970-1975 (Evert F. van der Grinten via F78886 RAN CCBYSA Auteursrechthouder RAN)
Zicht op het pand op de hoek met de Nassausingel met Broodjeszaak en Cafetaria Le Casse Croute en Hotel Café Restaurant Cascade van G. Verasdonck (adres Smetiusstraat 2 / Nassausingel 6), 1970-1975 (Evert F. van der Grinten via F78886 RAN CCBYSA Auteursrechthouder RAN)

Afgaande op F86794 RAN zat de Familie Verasdonck in het Hotel café-restaurant Verasdonck 1925-1974

Hoek Smetiusstraat - Nassausingel, voormalig Hotel-Restaurant Nassau (november 2024)
Hoek Smetiusstraat – Nassausingel, voormalig Hotel-Restaurant Nassau (november 2024)