1977, Tweede Oude Heselaan 386 (Wijkcentrum Titus Brandsma)
Sculptuur Gerard Walraeven 1977 aan de Tweede Oude Heselaan 386
De sculptuur van Gerard Walraeven bestaat uit stalen platen met een roestlaag. Ze lijken er wat verloren bij te liggen, zeker nu er fietsenrekken omheen zijn geplaatst. Toch zijn deze platen er bewust zo neergezet. Elke plaat varieert in dikte en lijkt op een natuurlijke manier te buigen. Een ander sculptuur van Walraeven met gebogen platen staal staat in het Westerpark, evenals een aantal andere werken van hem.
Op F11341 RAN is een foto van het Wijkcentrum Titus Brandsma te zien met op de voorgrond de sculptuur, dan nog zonder fietsenrekken.
Zonder titel, Gerard Walraeven, 1976. In het Westerpark Nijmegen
Dit kunstwerk ‘zonder titel’ is een van de werken van Gerard Walraeven in het Westerpark. Na jarenlang in depot te hebben gestaan, is het beeld geplaatst in dit park.
Op de site The Story Behind it: “Het wordt in een vierkantcompositie tegen elkaar gelegd: drie kwadraten in staal en één kwadraat als leegte. Wat zijn de afwegingen van de kunstenaar geweest om het beeld zijn huidige vorm te geven? Het kunstwerk is in staat om deze vraag op te roepen; het is aan de toeschouwer te fantaseren over de mogelijke antwoorden….”
De geronde, verroeste platen doen tevens denken aan een ander werk, eveneens in Oud-West: het sculptuur uit 1977, bij Wijkcentrum Titus Brandsma, Tweede Oude Heselaan 386
Het hoofdgebouw van de R.K. Universiteit aan het Keizer Karelplein met beeld Thomas van Aquino, 1925-1930 (Dr. Jan Brinkhoff via D312 RAN)
August Falise maakte het standbeeld van Thomas van Aquino, een geschenk van de Dominicaanse orde: De viering dat het 600 jaar geleden was dat Aquino heilig werd verklaard viel vanwege de opening van de universiteit. Het heeft verschillende locaties gekend: aanvankelijk aan het Keizer Karelplein, daarna de Wilhelminasingel en tegenwoordig de Comeniuslaan.
Het standbeeld van Thomas van Aquino is gemaakt door August Falise. Het was een geschenk van de Dominicaanse orde aan de universiteit bij de opening van de universiteit in 1923; het beeld was op dat moment nog niet gereed. Vanaf 1 juni 1926 stond het beeld voor het hoofdgebouw van de R.K. Universiteit aan het Keizer Karelplein.
1946: Bij de onthulling bij het beeld van Thomas van Aquino
“Dies Natalis der R.K. Universiteit.
Overdracht Standbeeld van St. Thomas.
Nadat in de St. Augustinuskerk de tweede Dies Natalis van de R.K. Universiteit kerkelijk was herdacht, heeft voor het Universiteitsgebouw de overdracht aan de St. Radboudstichting plaats gehad van een standbeeld van St. Thomas van Aquino, dat haar is geschonken door de Nederlandsche provincie der Dominicanen. De schenkers wenschten met de oprichting van het standbeeld de herinnering te bewaren aan het zesde eeuwfeest van de Heiligverklaring van Thomas, welke samenviel met de stichting van de R.K. Universiteit.
Bij de plechtigheid waren o.m. aanwezig het bestuur der St. Radboudstichting, de Vicaris-Provincialis der Dominicanen, Pater Jurrius en de prior van het St. Dominicuscollege Pater Kolkman, de deken van Nijmegen, Mgr. van Son, het Curatorium en de Senaat van de R.K. Universiteit, vele hoogleeraren, de Senaat van het R.K. Studentencorps en de vervaardiger van het monument, de beeldhouwer Aug. Falise uit Wageningen.
In verband met het slechte weer werden de redevoeringen gehouden in de vestibule van het Universiteitsgebouw, met gezicht op het nog niet onthulde monument.
De Vicaris-Provincialis Pater Jurrius, schetste in het kort de voorgeschiedenis van de oprichting van het standbeeld. Hij wees op het gezaghebbend woord van vele opeenvolgende Pausen, die de studie van St. Thomas als grondslag der ware wetenschap hebben aanbevolen. Paus Leo XIII verklaarde hem tot patroon van alle katholieke scholen. Hij wordt beschouwd als doctor communis, wiens leer de Kerk tot de hare heeft gemaakt.
Spreker wees er verder op, dat het nimmer de beteekenis eener R.K. hoogeschool zal kunnen zijn hare leerlingen enkel technisch te vormen. Haar streven is de synthese der wetenschap, welke alleen wordt verkregen door een volledige Roomsche cultuur. Daarom is St. Thomas de natuurlijke beschermer en patroon van het katholieke hooger onderwijs; daarom hield het samenvallen van het St. Thomas-jubileum met de stichting der Roomsch-Katholieke Universiteit zulk een gelukkig voorteeken in en wilde de Nederl. Provincie der Dominicanen die gelukkige coïncidentie herdenken door de schenking aan de St. Radboudstichting van dit standbeeld. Het is, aldus besloot spr. bestemd eenmaal te prijken voor het grooter en waardiger Universiteitsgebouw, dat naar wij hopen binnen afzienbaren tijd deze stad zal sieren. Daarom was het voor spr. een groote eer thans het beeld aan het curatorium der R.-K. Universiteit te mogen overdragen.
Namens het college van Curatoren, zeide de heer mr. Dr. J. Lubbers, dat het voor de R.K. Universiteit stellig een oorzaak van groote vreugde is, dat dit standbeeld is opgericht van den Heilige, die een haast bovenmenschelijk intellectueel en tegelijkertijd zoo diep en innig geloovige is geweest. Als vertegenwoordiger van het Curatorium dankte spr. hartelijk voor deze schenking en sprak hij de bede uit, dat de geest van den H. Thomas beschermend blijve zweven boven onze Universitas Carolina.
Daarna werd het standbeeld -dat is uitgevoerd in brons op een granieten voetstuk- onthuld en door de aanwezigen bezichtigd. Het stelt den H. Thomas in zittende houding voor, een vertoog houdend met de linkerhand rustend op een terzijde gelegen boek en het bovenlichaam, waarop de denkerskop, voorovergebogen. De heer Falise mocht na afloop van de plechtigheid vele gelukwenschen in ontvangst nemen met zijn welgeslaagden arbeid.” ( PGNC 31/5/1926)
Vervolg: locaties Wilhelminasingel en Comeniuslaan
Bij de gevechten rondom Market Garden werd het hoofdgebouw verwoest (het beeld bleef ongeschonden). Daarom werd gekozen voor een nieuwe locatie: in 1946 werd het beeld aan de Wilhelminasingel geplaatst, bij de aula van de universiteit.
Vanaf 1988 staat het bij de aula aan de Comeniuslaan.
Een mooie film van bijna 5 minuten is te vinden op:
Augustinus Franciscus Henri Falise (Wageningen, 26 januari 1875 – aldaar, 7 januari 1936) was een Nederlands beeldhouwer en medailleur. Hij volgde zijn opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Daarnaast kreeg hij les van prof. Albermann in Keulen in marmerhakken.
Als zelfstandig kunstenaar had Falise aanvankelijk medaillons en penningen gemaakt. Zijn eerste beeld, de Jonge Slaaf, uit 1901 is in het bezit van museum het Valkhof. Later maakte hij monumenten en standbeelden in opdracht. Hij was bevriend met Titus Brandsma, die hem meerdere opdrachten bezorgde.
Naast beeldhouwer was Falise leraar: in tekenen aan de Rijks H.B.S. in Wageningen en was hij leraar aan de Nijverheidsschool in Nijmegen. Bij zijn overlijden was hij leraar boetseren en anatomie aan de Middelbare Technische School van ’s-Hertogenbosch.
Naast het beeld van Aquino worden de volgende beelden bij zijn overlijden als “belangrijke werken” genoemd:
De Aula van de Universiteit aan de Wilhelminasingel is ontworpen door de architect Van Ooijen in 1931. Bij oplevering is de kritiek niet mals: “Ramp van Nijmegen”, “Pisbak”
Gezonde Vis Carla Dijs Westerpark oorspronkelijk bij school Aquamarijn 2008
De Gezonde Vis is een beeld van Carla Dijs. Tegenwoordig staat het in het Westerpark. Aanvankelijk stond het op het schoolplein van OWS Auquamarijn (Biezendwarsstraat).
In juli 2008 werd de Gezonde Vis onthuld op het schoolplein van de OWS Aquamarijn (Biezendwarsstraat). Op de website van Carla Dijs staat dat op de kop en staart 400 bronzen penningen zaten. Deze zijn vervangen door wit geverfde cirkels. Het beeld kwam tot stand als samenwerking tussen kunstenaars, school, wijkbewoners en bronsgieterij De olifant.
In het park staat een bronzen beeld van Petrus Canisius. Dit is een werk van Toon Dupuis uit 1927. Naar aanleiding van het eeuwfeest van de Jezuïeten (voluit Sociëteit van Jezus geheten) in 1914, wilde Nijmegen uit dankbaarheid een beeld oprichten van Petrus Canisius. Daarvoor begon een inzamelingsactie.
Petrus Canisius (1521-1597) was een theoloog en de eerste Jezuïet van Nederland. Het werd in 1864 zalig verklaard en in 1925 heilig. In 1925 kreeg hij daarbij de eretitel van kerkleraar van paus Pius XI. Naar aanleiding van de heiligverklaring werden in Nederland verschillende Canisiusfeesten georganiseerd. Dit zorgde tevens voor een nieuwe impuls om een standbeeld op te richten.
Toon Dupuis
Standbeeld van Petrus Canisius ontworpen door Toon Dupuis, foto gedatereerd 1924 (F65889 RAN)
Daartoe werd een prijsvraag uitgeschreven en aan een van de inzenders, Toon Dupuis, werd de opdracht verstrekt in het voorjaar van 1926. Het werk is gegoten bij Fonderie Nationale des Bronzes, Saint-Gillis. Op pinkstermaandag 6 juni 1927 werd het beeld op een kunstmatige heuvel in het park geplaatst.
Antonius Stanislaus Nicolaas Ludovicus Dupuis (Antwerpen, 18 februari 1877 – Den Haag, 13 oktober 1937) was een Nederlandse beeldhouwer en medailleur. Oorspronkelijk was hij van Belgische afkomst, maar werd in 1908 genaturalieerd.
Hij maakte tevens een borstbeeld van W.H. Nolens ter gelegenheid van zijn 40-jarig priesterfeest. Deze staat (of stond, daar ben ik niet zeker van) in het Katholiek Documentatie Centrum.
Het beeld is meer dan levensgroot, waarbij Canisius met zijn rechterhand op de leuning van een zogenaamde “curulische zetel” steunt. Met zijn linkerhand maakt hij een zegenend gebaar.
Met het zegenend gebaar is nog iets meer aan de hand. Deze vondst en foto van Hans van Meteren vind ik te leuk om ‘m over te nemen, daarom verwijs ik hier naar zijn site.
Het opschrift van de granieten sokkel luidt: ”
GEBOREN TE NIJMEGEN 8 MEI 1521
GESTORVEN TE FREIBURG 21 DECEMBER 1597
HEILIG VERKLAARD EN TOT KERKLERAAR VERHEVEN 21 MEI 1925″.
Locatie bij de Canisiussingel
Het standbeeld van Petrus Canisius in het Hunnerpark (Hunerpark), gemaakt in 1927 door beeldhouwer Toon Dupuis (Antwerpen, 18-03-1877 – Den Haag, 13-10-1937), 1929-1931 (I.J. Glaser via F91308 RAN)
Hoewel nog niet verder onderzocht, zal de plaatsing van het beeld in de omgeving van de Canisiussingel een logische zijn. Grappig detail daarbij is dat de straat officieel St. Canisiussingel heet sinds 1881. Dus 40 jaar voordat Canisius heilig werd verklaard. De gemeenteraad wilde uiteindelijk een aansprekende straat naar hem vernoemen, nadat het voorstel eerst was dat de huidige Van Welderenstraat zijn naam zou dragen. Om duidelijk maken welke “Canis” werd bedoeld, koos de gemeenteraad met 10 tegen 7 stemmen om hier “St” voor te zetten.
Rijksmonument
Het beeld is een Rijksmonument sinds 2007. Als waardering:
“van kunsthistorisch belang als goed en gaaf voorbeeld van een standbeeld uit de tweede helft van de jaren twintig, die opvalt vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het standbeeld in samenhang met de monumentale, Art-Decoachtige sokkel; van stedenbouwkundige waarde als karakteristiek onderdeel van het Hunnerpark. Het beeld staat op de oorspronkelijke plek, op een terp in het park en is daardoor beeldbepalend vanaf de aan- en oprit naar de Waalbrug en vanaf de Sint Jorisstraat; van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van het katholieke verleden van Nederland, als monument voor een zestiende-eeuwse Nijmegenaar die werd heiligverklaard in een belangrijke periode van de emancipatie van het katholieke volksdeel.”
Het Spoorwegmonument met de beeltenis van de godin Victoria, opgericht in 1884 ter herinnering aan de totstandkoming van de spoorlijn Nijmegen-Kleef, ontworpen door gemeentearchitect ir. Jan Jacob Weve. Links, nog net zichtbaar, Sociëteit Burgerlust, 1884-1886 (Foto Wilhelm Ivens, F88894 RAN)
Het Spoorwegmonument is ter herinnering aan de aanleg van de eerste spoorweglijn, door initiatief en kapitaal van Nijmeegse ingezetenen. Het monument is een ontwerp van architect Weve, waarbij het beeld van Victoria een afgietsel is van een beeld van Christian Daniel Rauch.
Op 8 augustus 1865 werd de spoorlijn Nijmegen-Cleve geopend. In 1884 werd de Nijmeegse Spoorweg Maatschappij geliquideerd. Daar Nijmegen meerdere verbindingen had gekregen, was het logisch dat het Staatsspoor ook de lijn naar Kleef zou overnemen. In de laatste vergadering der aandeelhouders, waarin met algemene stemmen de verkoop van de aandelen aan het Staatsspoor werd goedgekeurd, gingen ook stemmen op om de directie een huldeblijk aan te bieden. De directie wilde echter geen persoonlijke hulde. Daarom werd gekozen voor een monument, dat totstandkoming van het spoor Nijmegen-Kleef in herinnering zou houden.
Beeld Victoria
Spoorwegmonument Victoria, Hoogstraat/Kelfensbos, oktober 2023
Het monument is ontworpen door de gemeente-architect J.J. Weve.
Bovenaan staat het beeld van de godin Victoria (en niet van een Engel, zoals het wel eens wordt genoemd). Victoria is de Romeinse godin van de overwinning. Zij wordt meestal afgebeeld als gevleugelde jonge vrouw op een bol met een lauwerkrans in haar hand.
De Gelderlander 10/5/1884 geeft aan dat het beeld de “Faam” voorstelt (en noemt het tevens ‘engel’). De Faam wordt traditioneel echter afgebeeld met 2 bazuinen.
Christian Daniel Rauch
Christian Daniel Rauch (Arolsen, 2 januari 1777 – Dresden, 3 december 1857) was een Duitse neoclassicistische beeldhouwer. Hij maakte veel bustes, maar ook groter werk zoals grafmonumenten en standbeelden. Zijn bekendste werk is het ruiterstandbeeld van Frederik de Grote aan Unter den Linden in Berlijn. Wikipedia: “This work was inaugurated with great pomp in May 1851, and is regarded as one of the masterpieces of modern sculpture, the crowning achievement of Rauch’s work as a portrait and historic sculptor. Princes decorated Rauch with honors and the academies of Europe enrolled him among their members.”
Nadat hij uit Carrera (Italië) was teruggekomen, richtte hij het “Lagerhaus” op, een belangrijke schakel voor de Berlijnse School voor Beeldhouwkunst. De Berlijnse School was de naam voor een generatie kunstenaars waartoe ongeveer 400 kunstenaars worden toe berekend. Beginnend bij Johann Gottfried Schadow rond 1785 en zijn leerling Rauch en eindigend rond 1915.
4e Victoria/Viktoria
Kranzwerfende Viktoria, Original in der Walhalla bei Regensburg (Ingo Steinbach, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons)
Het beeld van Victoria die een krans werpt is een zinken afgietsel van het beeld dat Rauch maakte voor het Walhalla in Regensburg. Dit beeld is de 4e variant van de 6 Victoria beelden welke hij voor het Walhalla heeft gemaakt. De firma A. Castner uit Berlijn heeft het afgietsel gemaakt.
Daarnaast zijn van dit beeld zelf een aantal kopieen gemaakt, waaronder het beroemde beeld voor het Berliner Stadtschloss, welke nu in Alte Nationalgalerie staat. (Hoewel bronnen nadrukkelijk refereren naar het Regensburg beeld, welke het uiteindelijk ook is, is het mij momenteel nog niet gelukt te achterhalen of het beeld in Nijmegen daadwerkelijk dit beeld betreft, of een latere exacte kopie daarvan).
A. Castner, Berlin
Veel Nederlandse bronnen vermelden dat A. Cassner uit Berlijn de gieterij zou zijn. Het betreft echter A. Castner uit Berlijn.
Het is niet het enige afgietsel van Victoria door Castner: in de Rauch catalogus worden in ieder geval al 4 beelden genoemd (Nummers 66.1 t/m 66.4 Katalog Berliner Zinkguß des 19. Jahrhunderts, Nicola Vösgen, 1997 via SMB Museum)
De sokkel: een weerzuil
De zandstenen sokkel is in de vorm van een weerzuil. De Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij wilde geen verheerlijking van personen als gedenkteken. Daarom werd gekozen voor wat in Duitsland een “Wettersaule” (Weerzuil) werd genoemd. (PGNC 11/5/1884)
In de 3 nissen waren een barometer, thermometer en een weerwijzer aangebracht. Op de achterzijde van het paneel was daarbij de verklaring van de wijzerstanden weergegeven.
Verwijdering weerinstrumenten
Mogelijk zijn de weerinstrumenten in 1936 afgebroken: Het monument verkeert dan in vervallen toestand. De gemeenteraad vraagt zich af wat zij met het ‘gedenkteken’ moet doen. Afbreken en naar elders verplaatsen, waarbij het beeld en opschrift behouden blijven? Weve adviseert dat als er geen geld is om het gedenkteken te restaureren, het het beste kan worden afgebroken: het gedenkteken is te zwaar gehavend en heeft sowieso te weinig waarde. Zo besluit de Gemeenteraad. (PGNC 20/3/1936).
In ieder geval zijn de weerinstrumenten er in 1955 niet meer (De Gelderlander 9/12/1955).
Op de sokkel staat aan de voorzijde een opschrift, om de datum 8 augustus 1865 levendig te houden:
“Eendracht maakt macht – ter herinnering aan den bouw van den spoorweg Nijmegen-Cleve door Nijmeegs Burgerij – geopend 8 augustus 1865”
Plaats van het Beeld
Op 29 september 1883 bespreekt de Gemeenteraad de plaats waar het monument moet komen te staan. De Commissie voor de oprichting van het monument heeft de gemeente verzocht het beeld te mogen plaatsen op gemeentegrond. Daarbij heeft het een voorkeur voor het Valkhof.
De gemeente vindt het Valkhof een weinig geschikte plaats: het past niet bij de oude gebouwen en zou door de bomen te weinig in het zicht staan. B. en W. geven de voorkeur aan plaatsing op de Nassausingel of aan de Stationsweg, bij het Keizer Karelplein. B. en W. stelt daarom voor om daar mallen van het beeld te plaatsen om te beoordelen hoe het monument daar zou staan.
De heer Berends, die naast gemeenteraadslid tevens lid van de Commissie is, geeft aan dat ook de commissie aanvankelijk dacht aan het nieuwe gedeelte (wat onder andere de Nassausingel en Stationsweg op dat moment zijn). Rosseels had daarop echter verkllaard, dat een gedenkteken met dergelijke afmetingen nergens kon worden geplaatst. Daarop was de Commissie op het Valkhof gekomen, waarvoor een grote meerderheid van de leden voor zou zijn. Het beeld kan zo geplaatst worden, dat deze geen invloed heeft op de beleving van de oude gebouwen. Daarnaast krijgt het beeld instrumenten om het weer te meten en deze moeten in de schaduw staan, welke de bomen van het Valkhof bieden. Tot slot moet het monument een plek krijgen waar veel mensen komen: ter bescherming van het beeld en omdat zoveel mogelijk mensen gebruik kunnen maken van de weerinstrumenten. (PGNC 3/10/1883)
De mallen werden gemaakt en geplaatst. Op basis daarvan wordt uiteindelijk besloten het monument voor het Valkhof te plaatsen.
PGNC 24/11/1886
Rijksmonument
Het beeld is een Rijksmonument vanwege haar architectuurhistorische, stedebouwkundige en cultuurhistorische waarde, “als goed en gaaf voorbeeld van een herdenkingsmonument uit het laatste kwart van de negentiende eeuw”.
Bronnen
Krantenartikelen: PGNC 3/10/1883, De Gelderlander 10/5/1884, PGNC 11/5/1884, PGNC 20/3/1936, De Gelderlander 9/12/1955
In 1915 schonk het Straalmansfonds een fontein voor het plantsoen aan de de Van Schaeck Mathonsingel en in 1916 twee bloemenschalen. Bij de vernieuwing van het park in 2002 bleek de fontein niet meer te redden. Daarvoor in de plaats kwam de fontein met de glazen koepel. De twee schalen konden nog wel worden gerestaureerd. De fontein en de schalen waren een ontwerp van Willem C. Brouwer. Het Straalmansfonds had de verfraaiing van Nijmegen tot doel.
Willem Coenraad Brouwer
Fontein, ontworpen in 1915 door Willem Coenraad Brouwer, in het plantsoen, van Schaeck Mathonsingel, 1950 (F32233 RAN)
Willem Coenraad Brouwer (19-10-1877 Leiden – 23-5-1933 Zoeterwoude) was een beeldhouwer en keramist.
De ouders van Brouwer waren Nicolaas Brouwer, hoofd van een lagere school in Leiden en Antonia Coert. Hij ging in Leiden naar de Teekenschool. Vervolgens werkte hij van 1894-1898 in het atelier voor boekversiering en lettersnijden van Johannes Aanout Loubèr, zijn zwager.
Brouwer vertrekt naar Gouda. Daar gaat werken bij de Koninklijke Hollandse Pijpen- en Aardwerkfabriek Goedewaagen. In 1899 heeft hij zijn eerste tentoonstelling, in Leiden. In 1900 wordt hij medewerker aan “Het Binnenhuis” te Amsterdam.
In 1901 richt hij een eigen keramisch bedrijf op: Fabriek van Brouwer’s Aardewerk in het pand Vredelust in Leiderdorp. In 1905 wordt het bedrijf omgezet naar N.V. Brouwers Aardewerk.
“Hij gebruikt diverse traditionele decoratietechnieken -sgrafitto, ringeloren, groefversiering en intersa of inlegwerk- in een bewust sobere en eenvoudige stijl, waarin ook de invloed van de oosterse sierkunst is te herkennen.” (Capriolus)
Vanaf 1906 maakt hij tevens bouwaardewerk en tuinkeramiek. “Hij wordt beschouwd als vernieuwer op dit gebied” (wikipedia). Hij werkt onder andere samen met de architecten Berlage, Oud, Dudok en Wils. De fabriek zal worden voortgezet door zijn zonen Klaas en Coen.
Brouwer was lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers.
Gevonden werken
1909- 1913 Beeldhouwwerk aan het Vredespaleis, Den Haag
1912 -1913 Keramisch beeldhouwwerk aan de Kennemergarage, Alkmaar
1914 Ornamenten voor de kerk van Scharsterbrug
1915 Van Karnebeekbron, Den Haag
1916 Twee apen met voetbal met veter, voorgevel Spartastadion Het Kasteel, Rotterdam
1917 Ornamenten voor Gebouw Leidsch Dagblad, Leiden
1917 Kariatiden voor Huis De Lange, Alkmaar
1920 Gijselaarsbank, Rapenburg, Leiden
1920 Gevelornamenten van het Christelijk Internaat, Krakelingweg 10, Zeist
1920 Betegelde schouw met effen keramische tegels en een fries van dieren, die per twee op weg zijn naar Ark van Noach, voormalig Restaurant ’t Wilhelminapark Utrecht
1923 Vier gebakken steenornamenten, voorstellende Kasper de mijngeest, boven in de gevel van het voormalig hoofdkantoor Staatsmijn Maurits, Geleen
1928-1930 Gevelbeelden Hermes en Neptunus voor Atlantic Huis, Rotterdam
Drie gevelbeelden voorstellende een oogstende boer, een wanhopige boer, die zijn oogst opgegeten ziet worden door vogels en een roeiboot genaamd Meeuw omring door meeuwen, in de Trompenburgstraat en de Lekstraat, Amsterdam-Zuid
1930 Vijf terracotta gevelornamenten voor het Wilhelminaziekenhuis, Assen
Niet gesigneerd portret van Paulus Baron Straalman (29-3-1753 Amsterdam-15-4-1828 Nijmegen), militair (hoogste rang luitenant-kolonel cavalerie) en politicus (lid raad Nijmegen, lid Provinciale Staten, 2e en 3e burgemeester Nijmegen, buitengewoon lid Staten Generaal voor Gelderland en lid van de Raad van State in buitengewone dienst). Stichter van het Straalmanfonds ter uitbreiding en verfraaiing van openbare wandelingen; er werd ook een straat naar hem vernoemd (GN11637 RAN)
Paulus Straalman (Amsterdam, 29 maart 1753 – Nijmegen, 15 april 1828), Nederlands militair en politicus. Hij stamde af van een Amsterdamse regentenfamilie. Hij was heer van Duist, de Haar en Zevenhuizen. In 1796 trouwt hij met Petronella Jacoba Smits. Ze kregen geen kinderen. In juli 1816 kreeg Straalman adellijke titel van baron.
Straalman woonde ”op den Doddendaal in het -nu vervallen- dubbele heerenhuis naast de Chr. Bewaarschool” (PGNC 29/1/1905)
Hij had aanvankelijk een militaire loopbaan:
vanaf 1772 was het hij luitenant van de garde dragonders
vanaf 1779 ritmeester regiment Van Stockum
1789-1795 luitenant-kolonel der cavalerie
Straalman was orangist.
Lid Nijmeegse stadsraad
1814-1827: lid Provinciale Staten van Gelderland voor Nijmegen
1815 buitengewoon lid van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden voor Gelderland
1820 -1828: lid Raad van State in buitengewone dienst.
Hij was tussen 1816 en 1818 als derde burgemeester lid van het driehoofdig burgermeesterschap, samen met J.W. Pels en A.F. van der Steen. In 1819 was hij tweede burgemeester.
Straalman en zijn broer Anne Willem waren lid van de notabelenvergadering, die in 1814 over de nieuwe Grondwet beslisten.
In Nijmegen Oost is een van straten naar hem vernoemd.
In 1826 richt hij een fonds van 2500 gulden op ‘verfraaijing en uitbreiding der openbare wandelingen binnen deze stad’. De rente van het fonds, 100 gulden per jaar, moest voor dit doel worden besteed. Het mocht niet voor gewoon onderhoud van de openbare wandelingen worden besteed, deze kosten bleven voor rekening van de stad (Huis van de Nijmeegse Geschiedenis);
Schevichaven noemt overigens een bedrag van 2000 gulden. Ook het PGNC 29/1/1905 noemt het bedrag van f2000, “rentende 5pCt, welke rente aangewend moest worden ter verfraaiing van het Valkhof.”
Beeld van de Stationsweg (vanaf 1923 Van Schaeck Mathonsingel), gezien in de richting van het station, met in het midden het plantsoen met de fontein, ontworpen en uitgevoerd in terracotta in 1915 door beeldhouwer en keramist Willem Coenraad Brouwer (Leiden, 19/10/1877 – Zoeterwoude, 23/05/1933), 1917-1919 (Jacob Krapohl via F91530 RAN)
Straalmanlaantje
In 1915 schrijft het PGNC dat Straalman een legaat had nagelaten, waarbij de rente gebruikt moet worden voor het onderhoud van “laantje, dat van het begin van den Voerweg ten den hoofdingang van de wandelplaats “het Valkhof” voert”, Straalmanlaantje wordt genoemd.
Aangezien er weinig te onderhouden valt, hadden de beheerders van het fonds besloten een spaarpotje te maken, waaruit zo nu en dan versieringen van de stad kunnen worden bekostigd.
Bij het verschijnen van het artikel in 1915 is het fonds “eene stichting die misschien velen niet bekend is”. De aanleiding van het artikel is de bekostiging van het hekwerk rond de Mariakerk (de huidige Mariënburgkapel), dat ingericht is als Gemeentelijk Museum. (PGNC 17/1/1915)
Gevonden bijdragen van het Straalmanfonds
“Wij vernemen dat HH. Commissarissen van het fonds van het zoogenaamde Straalmans Laantje voornemens zijn met toestemming van het bestuur dezer stad aan de Oostzijde van de wandelplaats het Hof een koepel te doen plaatsen die hoofdzakelijk dienen zal de wandelaars die door eene regenbui overvallen worden voor het nat worden te beschermen” (De Gelderlander 14/9/1856)
In 1833 wordt het beeld Flora van Jean-Baptist Xavery in het Valkhofpark geplaatst, waarbij het Straalmanfonds het beeld heeft geschonken aan gemeente Nijmegen. Dit beeld reaakt in de Tweede Wereldoorlog beschadigt en ging rond 1954 geheel verloren.
In 1938 verleent het Straalmanfonds een bijdrage aan het de restauratie van het spoorweg-moment op het Valkhof (PGNC 11/8/1938)
In 1938 neemt het Straalmanfonds de materiaalkosten van f885 op zich voor de bouw van nacht- en winterhokken voor de dieren van het Kronenburgerpark. De Vereeniging tot verfraaiing van Nijmegen en Omstreken was eigenaresse van deze beesten en had het aantal verdubbeld van 44 naar 90 dieren. Zij beschikte echter niet over de middelen om voor deze nachthokken te zorgen. (De Gelderlander 3/4/1939)
In 1939 kunnen 2 reeën aangekocht worden voor Stadspark de Goffert dankzij een voorschot van f60,- door het Straalmanfonds (PGNC 18/3/1940)
Het Straalmanfonds schenkt in juli 1940 -dus in de oorlog- f100 aan de Verfraaiingsvereniging voor de aankoop van extra veevoer voor de dieren in het Kronenburgerpark en de Goffert. Veevoer is schaars en duur en ook het publiek is op dat moment niet genegen om bij te springen: het is niet in de stemming en bovendien zijn haar middelen, ook vanwege broodrantsoenering, beperkt. Uit het krantenartikel blijkt tevens dat het Straalmanfonds de materiaalkosten voor de volière op zich genomen heeft (PGNC 15/7/1940)
Na de oorlog bezit de Vereniging Verfraaiïng Nijmegen, nadat deze in de oorlog “ontzettend veel geleden had” tijdens de viering van haar 70-jarig bestaan weer over 100 dieren (De Gelderlander 30/4/1951)
Geen fontein in het Valkhof?
Niet alle verfraaiingen werden gerealiseerd: in ieder geval kwam er aanvankelijk geen fontein in het Valkhofpark: “Nijmegen, 4 Februari. Naar wij vernemen heeft de Commissie van beheer over het zoogenaamde Straalmanfonds het voornemen gehad een sierlijke fontein op het Valkhof te plaatsen, welk voornemen zij echter heeft moeten opeven, even als in der tijd het bestuur der Vereeniging tot verfraaiing van Nijmegen en het Schependom, omdat het dagelijksch bestuur zich niet met het plan kon vereenigen. Velen zullen het betreuren dat het aanbod niet is aangenomen, daar toch een fontein op een wandelplaats als het Valkhof als het ware omisbaar is, even als het algemeen bejammerd wordt dat er aan het onderhoud van dit heerlijke, door het geheele land als eenig bekende lustoord niet beter de hand gehouden wordt.” (PGNC 5/2/1881)
Straalmanstraat
In juni 1891 besluit de Gemeenteraad om een straat naar Straalman te vernoemen in plaats van Geldenhauer (ook tegenwoordig de Straalmanstraat in Nijmegen-Oost).
Zoals Berends het verwoordt: “…aan de straat liever den naam te geven van een ander nuttig Nijmegenaar, die iets voor het belang der stad heeft opgeofferd, zooals b.v. Straalman, die een fonds heeft gesticht, waaruit wij alle jaren nog een bedrag putten.” Daarna volgt -naast een discussie of het weg of straat moet worden- een bespreking of er geen mogelijke naamsverwarring met het Straalmanlaantje mogelijk is. Berends is daarvoor echter niet bang: “het is geen laantje meer, sedert de boomen naar den Voerweg zijn verplaatst en de burgerij kent de naam niet meer.” (De Gelderlander 9/6/1891)
(Overige) Bronnen en verder lezen
Blik op de van Schaeck Mathonsingel met op de achtergrond het station, 1910-1920 (GN12911 RAN)
Bethel ’s avonds, Tweede Oude Heselaan (januari 2021)
De Heeschelaan was eeuwenlang de gangbare weg tussen Nijmegen en Hees, totdat de Voorstadslaan werd aangelegd. Bij de aanleg van het spoor moest de laan gedeeltelijk worden omgelegd. Toen de Voorstadslaan de verbindingsweg werd, veranderde de naam in Oude Heesschelaan.
Diversiteit in bouw
Aan de straat is een grote diversiteit aan bebouwing te zien, die deels herinnert aan het toenmalig landelijke karakter van het gebied. De arbeiderswoningen en het Bethel complex herinneren aan de tijd van de industrialisatie van Nijmegen. En bijzonder: de straat maakt een opvallende bocht naar rechts, de “Tweede Oude Heselaan” eindigt dan ook pas bij de Dikke Boom van Hees.
Deze pagina zal van tijd tot tijd worden aangevuld.
Bijzondere gebouwen
Tweede Oude Heselaan 161-165 “als herkenbare relicten van de prestedelijke fase”
Bethel complex, bestaande uit:
De voormalige Bethelkerk, 1895, Tweede Oude Heselaan 167-169-171 (gemeentelijk monument)
Voormalig schoolgebouw, 1897, Tweede Oude Heselaan 173-173a (gemeentelijk monument)
Heilig Hartbeeld, Albert Meertens, Tweede Oude Heeselaan 171
De dubbele villa van Villa Delta, Tweede Oude Heselaan 181 en Villa Aurora
Landhuis “The Corner”, Tweede Oude Heselaan 522, hoek met Emmalaan
Voormalige van Raay Bandenservice (juni 2024)
Tweede Oude Heselaan 161-165 “als herkenbare relicten van de prestedelijke fase”: op deze locatie zat jarenlang P. van Raay Bandenservice.
Bethel
Bethel bij avond (februari 2024)
Het Bethel Complex. Begonnen als protestantse kerk ging het over naar de Katholieke kerk. Tegenwoordig is het verbouwd tot appartementen.
De Bethelkerk, gebouwd in 1895 door de Hervormde Vereniging Bethel voor de Nederlands Hervormde Gemeente , op de hoek met de Pastoor Zegersstraat, Tweede Oude Heselaan 171, rond 1900 (F34248 RAN) Wolfskuil
Aurora en Delta
Dubbele villa Aurora en Delta (juni 2024)
De dubbele villa van Villa Delta, Tweede Oude Heselaan 181 en Villa Aurora.
Villa Aurora 2 van directeur Salomonski van boterfabriek Batava, gebouwd als dubbel woonhuis in 1875, Tweede Oude Heselaan 179 – 181, 1965 – 1970 (Evert F. van der Grinten via F78117 RAN CCBYSA tevens Auteursrechthouder)
1903, Huidig adres: Tweede Oude Heselaan 522 Het huis dat tegenwoordig The Corner heet was 1 van de eerste 2 villa’s van het Villapark Hees. De architect was Oscar Leeuw. In dit artikel wordt nader ingegaan op dit villapark. Verkoop Villa Leeuwenstein Op 8 en 22 juli 1897 zal de villa “Leeuwenstein” onder Hees met…
Op nummer 175, gebouwd in 1884 zat melkhandel Cloosterman. Bij werkzaamheden kwam een schildering aan het licht; In 2008 is hier weer witte verf overheen geschilderd. Zie voor een foto Noviomagus (tevens bron).
De gesloopte “Groene” Boerderij
Woning op plaats voormalige groene boerderij (juni 2024)
1883, Hoek Tweede Oude Heselaan en Dikkeboomweg Een van de markante gebouwen (en een gebouw dat ik persoonlijk nog steeds mis in een rondwandeling) was de groen geschilderde voormalige boerderij. Op de site van Speledingetje staat een foto (tevens bron). De laastste gebruiker was een handelaar in antiek/oude spullen. Hiervoor in de plaats is een soort van moderne versie gekomen, zie de foto.
Beelden
1952, Heilig Hartbeeld, Albert Meertens, Tweede Oude Heselaan 171 (verplaatst)
Tweewielercentrum Siezenis Tweede Oude Heselaan 123 op Noviomagus
Poort Tweede Oude Heselaan (juni 2024)Heilig Hartbeeld Tweede Oude Heselaan (juni 2024)Krappe Ingang Tweede Oude Heselaan (juni 2024)Tuin Tweede Oude Heselaan (juni 2024)Mater Dei tegel Tweede Oude Heselaan (juni 2024)kat Tweede Oude Heselaan (juni 2024)Vergroening op hoek Tweede Oude Heselaan (juni 2024)
Muurreclame Harpol Nieuwe Marktstraat,
1993 (RAN foto Toon Opsteegh CCBYSA)
Op de hoek van de Nieuwe Marktstraat is een muurschildering te zien van een collega van 3 verschillende reclameschilderingen die hier ooit hebben gezeten.
Let aan het einde van het blok ook nog even op de schildering boven de voormalige kapperij Vos. In 2006 is deze schildering aangebracht door Ger van Zetten en Sarah Wilson. Het betreft een mengeling van 3 reclameschilderingen die hier ooit hebben gezeten. Er is gekozen om de schildering te behouden zoals die op dat moment was, oftewel voor een restauratie.
Initiatief kapper Vos
Muurschildering Nieuwe Marktstraat (oktober 2022)
Kapper de Vos nam het initiatief tot de restauratie. Het liefst had hij iets anders gezien: “Ik vind het jammer dat het zo’n ratjetoe is. Liever had ik gewild dat er was gekozen voor één reclame en die was opgeknapt, zodat die eruit zou zien zoals die was. Maar het is beter dan het was.”
Harpol, Brasso, Solo en Koster
De muur met reclameschilderingen Nieuwe Marktstraat, 1920-1930 (E.F. van der Grinten via F78365 CCBYSA)
Hierin zijn 4 namen verwerkt:
Harpol (Moderne Hygiene Harpol reinigt en ontsmet uw toilet)
Solo (margarine)
Brasso (zilverpoets)
Koster, de naam van de schilder van de laatste schildering
Op onderstaande foto’s zijn (een deel van de) afzonderlijke reclames te zien.
Brasso
Zoals de Gelderlander het al zegt: “in de linkerbovenhoek een schemering van Brasso”.
Op bovenstaande foto uit 1915-1920 is de reclame van Brasso goed te zien. Daarboven en onder staan een aantal andere reclames:
Brasso is een merk polijstmiddel voor metaal, oftewel koperpoets. Het is bedoeld om aanslag van messing, koper, chroom en roestvrij staal te verwijderen. De naam zal afgeleid zijn van het engelse woord voor messing: “brass”. In het engels wordt de term “metal polish” voor “koperpoets” gebruikt; dus niet iets als “copper polish”
Reckitt and Sons
Brasso werd in of rond 1905 in Groot-Brittannië geïntroduceerd door Reckitt and Sons, een grote fabrikant van huishoudelijke middelen, opgericht in Hull. Haar agent, W. H. Slack, ontdekte het gebruik van een dergelijk middel in Australië, toen hij op bezoek was bij de Australische tak van dit bedrijf. Vervolgens ging Brasso in 1905 bij Reckitt and Sons in productie, waarvoor ze een nieuwe fabriek had laten bouwen.
wikipedia: “in eerste instantie verkocht aan de spoorwegen, ziekenhuizen en aan grote winkels.”
Brasso is nog steeds te koop.
Brasso in Nijmegen
Het is mij (RE) nog onbekend wie de oorspronkelijke Brasso muurschildering heeft laten plaatsen. Wel waren Reckitt’s Zakje Blauw als Brasso merken van dezelfde fabrikant.
(Het is niet waarschijnlijk dat het 1 grote advertentie van L.A. Moll was: mogelijk Brasso als metaalpoetsmiddel nog wel, maar het Zakje Blauw was bedoeld om de was witter te laten lijken).
Gevonden advertenties
Advertentie Poetsartikelen Drogisterij Keizer Karel (De Gelderlander 6/3/1908)
De op dit moment eerstgevonden advertentie in Nijmegen is in De Gelderlander 6/3/1908: dan verkoopt Drogisterij “Keizer Karel” in de Lange Burchtstraat 17 dit product.
Hieronder is een lijst weergegeven van gevonden advertenties voor Brasso. Er is echter niet naar volledigheid gestreefd; mogelijk betrof het een andere winkelier of heeft (de Nederlandse agent van) Brasso zelf laten aanbrengen. Welk lijkt het beeld te zijn dat Brasso oorsponkelijk werd verkocht door drogisterijen. Toen de levensmiddelenwinkeliers opkwamen, vinden we vanaf dat moment ook daar advertenties van het poetsmiddel.
Firma F.J. van Pelt, drogisterij, Lagemarkt 47 en Kort Hezelstraat 28 (PGNC 22/12/1909, PGNC 22/2/1912)
Wed. W.H.M. v. Crimpen, Molenstraat 52 (De Gelderlander 6/7/1913); Van Crimpen’s
“Het Goedkoope Warenhuis, Broerstraat 8-10; als “Extra Reclame” (De Gelderlander 19/9/1915)
Drogisterij, Molenstraat 52 (en Hamburgerstraat 28 Doetinchem; De Geld]erlander 9/8/1919)
Th. Hendriks Pz., St. Annastraat 58/60 (PGNC 5/1/1918)
J.J. Hofman J.R, drogist, Elst (De Gelderlander 3/5/1919)
Drogisterij “De Nieuwe Gaper”, D. Katje, Ganzenheuvel 33 (De Gelderlander 4/10/1919)
Firma H.M. v. Haaren, Levensmiddelen, winkels in Nijmegen: Molenstraat, Smidstraat, Daalscheweg, Burghardt v.d. Berghstraat en Marialaan en in 30 andere plaatsen. Brasso: links onder, 15 cent (De Gelderlander 22/5/1920 Brasso: links onder, 15 cent)
Henri v.d. Velden & Co., Hezelstraat 84b, De Gelderlander 10/10/1922
Albert Heijn, levensmiddelen, Lange Burchtstraat 27 en Burghardt v.d. Berghstraat 54 (De Gelderlander 22/3/1923, 13 cent)
Muurreclame Harpol Nieuwe Marktstraat,
1993 (RAN foto Toon Opsteegh CCBYSA)
Op de foto uit 1993 blijkt alleen de Harpol reclame nog goed leesbaar te zijn. Aan de andere kant zijn tegenwoordig de overig muurschilderingen op het pand verdwenen.
In de Limburger uit 1956 is de volgende advertentie gevonden:
“Nieuw! HARPOL reinigt en ontsmet Uw toilet!
Het naarste werkje wordt nu voor u gedaan!
Wat is Harpol? Het nieuwe, zelfwerkende reinigingsmiddel in poedervorm voor Uw toiletpot. Ruikt aangenaam. Speciaal gemaakt om U dat naarste van alle werkjes uit handen te nemen!” (De nieuwe Limburger 27-09-1956).
Net als Brasso en Reckitt’s Zakje Blauw is Harpol een merk van Reckitt’s (Reckitts N.V. in de Bilt). Het merk Harpic werd geïntroduceerd in 1932 en is vernoemd naar haar uitvinder Harry Pickup. Sinds wanneer en waarom het merk in Nederland Harpol heet is mij niet bekend, maar mogelijk omdat de 2e lettergreep iets te veel associatie met een toilet oproept.
Bart van Hove, 1902, huidige locatie: Bisschop Hamerstraat 21 Nijmegen
Onthulling van het standbeeld van Bisschop Hamer, gemaakt door Bart van Hove in 1902, 1902 (F53878 RAN)
In de Bisschop Hamerstraat, aan het Keizer Karelplein, staat het standbeeld van Bisschop Ferdinand Hamer. Hij werd in 1900 als missionaris in China tijdens de Bokseropstand vermoord.
Wie was Bisschop Hamer?
Ferdinandus Hubertus Hamer (Nijmegen, 21 augustus 1840 – To Tsjeng (huidige Togtoh, Binnen-Mongolië), 25 juli 1900) was een Nederlandse missionaris.
Hamer werd geboren in de Molenstraat, op het (in ieder geval huidige) huisnummer 122. Hij was de zoon van kruidenier Henricus Hamer en Aleida van Aernsbergen, als 8ste van 10 kinderen. Aan zijn geboortehuis hangt een plaquette, ontworpen door Bernard Fokkinga.
Hij gaat naar het kleinseminarie van de Jezuïeten. Daar wordt hij echter niet geschikt gevonden om tot deze orde toe treden. Vervolgens gaat hij naar het grootseminarie Rijsenburg bij Driebergen. In augustus 1864 ontvangt hij zijn priesterwijding.
Daarbij sluit Hamer zich aan bij de Scheutisten (of eigenlijk: de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria/ Congregatio Immaculati Cordis Mariae), een congregatie van missionarissen. Scheut verwijst naar de plaats waar de congregatie is opgericht, vlakbij Brussel (tegenwoordig is Scheut een onderdeel uit van Anderlecht).
Hamer had in 1864 de Vlaamse priester Theophiel Verbist (1823-1868) ontmoet, toen deze in Rijsenburg kwam spreken. Verbist had in 1862 de congregatie van Scheut gesticht, welke in 1865 wordt belast met de missie van de Chinese provincie Binnen-Mongolië (de Chinese provincie die van het zuiden tot aan het noord-oosten van het huidige Mongolië grenst).
In augustus 1865 vertrekt Hamer met de eerste groep naar Binnen-Mongolië. Naast Hamer 4 Belgen: naast Verbist de scheutisten Vranckx en Van Segveldt en de knecht Paul Splingaerd. Hamer is 25, de overige 3 missionarissen van “middelbare leeftijd” (Knippenberg).
De Missie in Binnen-Mongolië
Beeld bisschop Hamer (april 2023)
In december 1865 komen zij aan in Xiwantsi, een katholiek dorp. Daar nemen ze de missie over van de Franse Lazaristen, die de naam O.-L.-V. ten Pijnbomen krijgt. De missie richt zich niet zozeer op de Mongolen, maar op de Chinese boeren die naar dit gebied getrokken waren om de onrust en slechte economische omstandigheden te ontvluchten. Van Segveldt wordt pastoor van dit gebied. In januari 1866 zendt algemeen-overste en pro-vicaris Verbist Hamer samen met een chinese priester naar oostelijk missiegebied, om daar het gebied te verkennen en een missie te stichten.
Het was voor de missionarissen wennen om in dit gebied te leven: een ander taal en gewoontes, een ander klimaat (extreem koude en lange winters en hete, korte zomers) en andere kleding en eten. Vooral de oudere missionarissen pasten zich weinig aan, Hamer is daar beter toe in staat. Segvelt overlijdt aan vlektyfus. Daarna overlijdt Verbist, mogelijk aan dezelfde ziekte.
Hamer werd in 1869 benoemd tot waarnemend vicaris; daarvoor was Antoon Smoordenburg dat tijdelijk geweest. In 1871 komt Bax aan als de nieuwe vicaris; op 1874 wordt hij als eerste Scheutist tot bisschop benoemd.
De Scheutisten verwerft landbouwgronden, welke zij ter beschikking stelt aan de zeer arme boeren, mits zij zich bekeren.
Benoeming tot Apostolisch vicaris Gansu en Tititulair Bisschop Themithus
Rome breidt in 1878 het missiegebied van de Scheutisten uit tot de huidige Chinese provincies Gansu, Qinghai en Sinkiang (feitelijk het gehele noord-westen van China). Feitelijk was dit een slecht moment: daarvoor was er een moslim-opstand geweest met vele doden tot gevolg. Bovendien was China met Rusland op dat moment in oorlog. De regering had onderkoning Zuo aangesteld om met harde hand op te treden, om zo de rust te herstellen.
Hamer wordt daarbij op 21-6-1878 benoemd tot apostolisch vicaris van Gansu: een vicaris is een soort bisschop over een (missie) gebied dat nog niet als bisdom is vastgesteld. En tevens als titulair bisschop van Tremithus: een bisschop zonder eigen bisdom.
De missie was geen groot succes: het gebied was te groot met te weinig mensen; de Chinese overheid werkte tegen en Hamer kreeg onvoldoende steun van de Europeanen in Peking. Wel was Hamer steun en toeverlaat voor zijn mensen.
1889 Apostolisch vicaris Ordos
In 1883 wordt het missiegebied opgesplitst in drie bisdommen. Op 15-2-1889 wordt hij benoemd tot apostolisch vicaris van zuid-west Mongolië, Ordos, een zeer groot woestijngebied tussen de grote bocht van de Gele Rivier en de westelijke uitlopers van de Chinese Muur. Hij volgt daarbij Alfons de Vos op, die op 21-7-1888 was overleden. De Vos was minder succesvol geweest: hij had schulden gemaakt en er waren de nodige conflicten. Omdat Hamer de eenheid onder paters zou kunnen herstellen en goed met geld kon omgaan, was hij tot opvolger benoemd.
1890 onthaald in Nijmegen, conflict in België
Bezoek van bisschop-martelaar Ferdinand Hamer t.g.v. het feest van St. Dominicus; in het midden: Ferdinand Hamer, links Pius vsan der Geest o.p. rechts Franciscus Heijs o.p., achter hem v.l.n.r. Henri Hamer, kapelaan Hyacinthus van Erp o.p. pater Cajetanus, kapelaan Grapel en pater Suermondt beiden o.p., 1890 (F65276 RAN)
Vanwege gezondheidsproblemen, een maagzweer die niet in China behandeld kan worden, maakt hij echter eerst een reis naar Europa. In 1890 wordt hij in Nijmegen groots onthaald, waar hij een half jaar zal verblijven.
In België heeft hij met de algemeen overste van de congregatie een conflict over het te voeren beleid: overste van Aertselaer had ingestemd met het verzoek van koning Leopold II om missionarissen naar de Congo te sturen. Bovendien was er sprake van een tekort aan instroom van nieuwe Scheutisten, waardoor Hamer waarschijnlijk zonder nieuwe missionarissen naar China zou moeten terugkeren.
Buiten medeweten van Hamer, wordt vervolgens Alfons Bermijn tot missieprovinciaal benoemd. Dat betekende tevens, dat een groot gedeelte van het missiegeld bij Bermijn terecht kwam. Hamer komt steeds meer geïsoleerd te staan en in 1892 dient hij zijn ontslag in aan Rome. 3 jaar later bereikt hem het antwoord van Rome: het ontslag is geweigerd.
Spanning loopt verder op
In China loopt de spanning steeds verder op, enerzijds ten aanzien van de westerse landen in het algemeen. Westerse landen zetten China steeds meer onder druk om concessies af te dwingen.
Daarnaast was er de weerstand tegenover de missie. In hoeverre deze weerstand gevoed werd door de algemene teneur over het westen is onderwerp van discussie. Behalve dat missionarissen waren binnengekomen via de met geweld afgedwongen opengestelde havens en andere verdragen, speelden aspecten een rol:
Gevoel van superioriteit, zowel bij de missionarissen als bij de chinese elite: de missionarissen wilden “beschaving” brengen; de chinese elite vond de westerse denkbeelden barbaars en vond het confusianisme ver verheven boven het christendom
Wrok, dat zich uitte in de vorm van de verspreiding van pamfletten tegen de christenen en missionarissen, waarin het christelijk geloof op een verwrongen manier werd weergegeven en de missionarissen van allerlei abjecte misdrijven werden beschuldigd.
De houding van de missionarissen: onbeschoft gedrag en een agressieve houding bij meer zakelijke aspecten; zo wil Bermijn afdwingen dat er grote stukken land aan de missie worden afgestaan, die bewerkt kunnen worden door bekeerde boeren. Maar het kon ook zakelijke conflicten tussen christelijke en niet-christelijke Chinezen betreffen.
Daarnaast is er in 1876-1881 een grote hongersnood in het noorden van China, waarbij 10 miljoen mensen omkomen.
De Boksers
In 1900 zou de Bokseropstand uitbreken waarbij veel westerlingen, in het bijzonder zendelingen en missionarissen waaronder Hamer, de dood zouden vinden.
Directe aanleiding: Natuurrampen, sociale onrust en vooral de westerse inmenging
In 1898 heeft Noord-China te maken met een aantal natuurrampen: waaronder overstromingen van de Gele Rivier en droogtes, die de Boksers toeschreven aan het westen en de Chinese missionarissen. Daarnaast waren de Chinezen in het noord-oosten na de afloop van de -verloren- eerste Chinees-Japanse oorlog (1894-1895) in 1895 bang voor een toenemende invloed van buitenlandse mogendheden.
Duitsland gebruikte de moord op 2 katholieke missionarissen in 1897 in de provincie Shandong (in het oosten van China) als voorwendsel om de Jiaozhou Baai in deze provincie te bezetten. Dit leidde uiteindelijk tot een concessie die zou gelden voor 99 jaar. Daarop volgden ook andere mogendheden om concessies af te laten dwingen.
In 1898 had keizer Guangxu tussen juni en september de allerlei edicten laten uitgaan, die het land moesten hervormen (”100 Dagen van Hervorming”). Na de mislukking daarvan nam keizerin Cixi de regering weer op haar.
De Boksers
De “Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid” was een van de geheime genootschappen die ontstonden uit onvrede over de slechte sociaal-economische situatie en sociale onrust. Het waren half politiek-half religieuze organisaties van verarmde boeren. Omdat de aanhangers vechtsporten beoefenden, kregen ze de naam “Boksers”. Het genootschap richtte zich zowel tegen het westen, maar aanvankelijk ook tegen de zwakke Chinese keizerlíjke regering, die niets kon uitrichten tegen deze inmenging. Daarbij kregen de Boksers in het geheim bescherming van de gouverneur van Shandong.
Begin van de opstand
De Boksers begonnen in 1899 met het vernielen van buitenlandse eigendommen zoals spoor- en telegraaflijnen en met het aanvallen en vermoorden van missionarissen en Chinese christenen. Aanvankelijk in Shandong, waarna het verspreidde over Noord-Chinese vlakte en vervolgens over andere delen van China.
Vervolg
De uitgebreide bespreking van de houding ten opzichte van het westen, missionarissen en de Bokseropstand was vooral bedoeld om inzicht te verkrijgen in wat de oorzaak waren van het vermoorden van bisschop Hamer.
Om kort te gaan over het vervolg van de Bokseropstand: deze zou aanvankelijk nog krachtiger worden doordat het samen ging met delen van het Keizerlijk Leger. De diplomatenwijken in de steden Tianjin en Peking werden belegerd. Uiteindelijk was de moord op de Duitse gezant in Peking de aanleiding om een internationale “interventiemacht” te sturen: op 14 juli 1900 werden de opstandelingen bij Tianjin verslagen, op 14 augustus bij Peking.
1900 Overlijden
De lont in het kruitvat bij de missie van Ordos is een actie van de groep van Bermijn: op 8-5-1900 verdrijft de “Ijzeren Brigade”, de groep van Bermijn, samen met een groep christenen een aantal Chinese boeren van hun land. Hierbij vallen tevens een aantal doden. Dit wekt de boosheid van de bevolking en stimuleert de aanhang voor de Boksers in dit gebied. Het gebeurt vlakbij Ershisiqingdi, waar Hamer in 1900 zijn bisschopszetel naar toe had verplaatst.
Hamer ziet het gevaar dat de bevolking wraak zal willen nemen en beveelt 6 naaste medewerkers om te vluchten. Zelf blijft hij met ongeveer 1.000 Chinese christenen. Hamer wil na 35 jaar de missie niet in de steek laten, ook al weet hij dat hij bij een aanval van de Boksers waarschijnlijk de dood zal vinden.
Voor de Boksers is dit inderdaad de aanleiding om zich ook in de Ordos tegen de missie te keren. De eerste aanval weten de christenen af te slaan. De volgende, waarbij de Boksers steun krijgen van een Chinese generaal en zijn scherpschutters, niet meer. De bewoners worden gedood, behalve meisjes die verkocht worden. Hamer zelf wordt na zijn gevangenneming dagenlang gemarteld en vervolgens levend verbrand op 23-7-1900.
Het beeld van Bisschop Hamer door Bart van Hove
Onthulling van het standbeeld van Bisschop Hamer, gemaakt door Bart van Hove in 1902, 1902 (F53878 RAN)
De dood van Hamer maakt grote indruk op de katholieken in Nijmegen en de rest van Nederland. De Scheutisten nemen het initiatief voor de oprichting van een standbeeld, waarbij door de Nijmeegse bevolking een comité wordt opgericht.
Naast de herdenking van hun medebroeder hadden de Scheutisten ook belang bij het standbeeld: op dat moment had de congregatie moeite om nieuwe seminaristen te vinden. Hamer als martelaar leverde veel aandacht op. Vanuit het hele land stromen giften binnen, waaronder van de koninklijke familie.
Ontwerp van Hove: moment afscheid Bisschop Hamer
Rond begin maart 1902 keurt de commissie het ontwerp van van Hove goed. Dan is inmiddels meer dan 10.000 gulden opgehaald, terwijl de kosten ongeveer 12.000 gulden zullen bedragen.
“Met name was de heer jhr. Victor de Stuers vol lof voor de opvatting van den kunstenaar, die voor zijn voorstelling het plechtig moment gekozen heeft, waarop de bisschop-martelaar afscheid nam van zijn trouwe medehelpers, die hij, in het belang van hunner veiligheid heenzond, terwijl hij zelf besloot te blijven, als een trouw herder, die zijn schapen in nood niet verlaat, maar zijn leven geeft voor zijn kudde.
Overeenkomstig die opvatting is Mgr. Hamer afgebeeld in kalme, vastberaden houding, met de rechterhand zijn bisschoppelijk kruis aan de borst drukkend, de linkerhand licht vooruitgestoken in het gebaar van vastbesloten, kalme berusting, waamee hij de woorden uitspreekt: “ik blijf, gij gaat.”
Die woorden zullen tegen het voetstuk gebeiteld worden ter plaatse, waar dit gesierd is met den palm van het martelaarschap.
Daar het beeld in de open lucht moet komen te staan en dus van alle zijden een sierlijk silhouet behoort te bieden, was het vraagstuk der kleeding van groot belang.
De gewone toog, die Mgr. Hamer in het dagelijksch leven droeg, zou een wel wat poovere vertooning maken voor een standbeeld.
Daarom heeft de beeldhouwer den bisschop afgebeeld, bekleed met de cappa magna, die hem statige plooien van de schouders daalt en zelfs van achter nog een weinig afhangt over de verhooging, waarop het eigenlijke beeld zich zal verheffenen waartegen aan de voorzijde tusschen lauwertakken het bisschoppelijk wapen is aangebracht.
Doordat beide handen zijn opgeheven, worden gelukkige motieven voor de drapeering ook aan de voorzijde van het beeld verkregen. Het hoofd is met de bisschoppelijke baret bedekt.” (De Gelderlander 5/3/1902)
Eerstesteenlegging en onthulling
Op 9-9-1902 vindt de eerstesteenlegging plaats. Deze zou echter eerder hebben plaats gevonden, maar juist op die dag overleed G.A. Hamer, de broer van de bisschop (De Gelderlander 10/9/1902)
Op 28-9-1902 onthult bisschop Wilhelmus van de Ven het standbeeld, welke is ontworpen door Bart van Hove. Het verslag van de onthulling is te lezen in De Gelderlander 30/9/1902.
Op de voorzijde van de sokkel staat de inscriptie:
“DE NEDERLANDSCHE MARTELAREN VAN CHIN. MONGOLIË GEHULDIGD DOOR HET VADERLAND 28 SEPTEMBER 1902
Z.D.H. MGR. FERDINANDUS HAMER BISSCHOP VAN TREMITE APOST. VIC. VAN Z.W. MONGOLIË GEB. 21 AUG. 1840 TE NIJMEGEN † 25 JULI 1900 BIJ TÓ TSJÉNG“
Bart van Hove
De beeldhouwer Bart van Hove in zijn atelier met rechts vooraan een ontwerp voor het beeld van Bisschop Hamer, gefotografeerd door voorheen toegeschreven aan Sigmund Löw / Mogelijk Henri Jan Bordes – Amsterdam in 1903 [Rijksmuseum object RP-F-00-2590 , Publiek domein, Wikimedia)
Bartholomeus Johannes Wilhelmus Maria (Bart) van Hove (Den Haag, 18 maart 1850 – Amsterdam, 10 februari 1914) was Nederlandse beeldhouwer. Hij was vooral bekend vanwege zijn bustes en standbeelden.
Hij volgde zijn opleiding aan de Haagse Tekenacademie en daarna van van 1870 tot 1874 aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. Vervolgens had hij tot 1878 les van P.J. Cavelier in Parijs, waarvoor hij een Koninklijke subsidie had gekregen. Hij maakt in 1881 een studiereis naar Italië.
In 1883 gaat hij in Amsterdam wonen. Daar werkt hij op verzoek van Pierre Cuypers mee aan decoratief beeldhouwwerk voor het Rijksmuseum. Als zelfstandig kunstenaar maakte hij vooral bustes en standbeelden.
Van 1949 tot 1999 stond het standbeeld van Ferdinand Hamer aan de andere kant van het Keizer Karelplein, op het middenplantsoen van de Van Schaeck Mathonsingel: in 1949 was het beeld verplaatst om niet verloren te staan bij de noodwinkels.
Rijksmonument
Het beeld is een Rijksmonument met als waardering:
“Het standbeeld werd in 2002 als rijksmonument in het Monumentenregister opgenomen, het is “van kunsthistorische waarde als gaaf en goed voorbeeld van een standbeeld uit omstreeks 1900. Het beeld valt op vanwege de idealistische heroïsche gestalte, vanwege de toepassing van portretreliëfs en vanwege de vormgeving van de sokkel met rijke, maar strenge decoratie; van stedenbouwkundige waarde vanwege de huidige ligging aan het keizer Karelplein, waar het aan de kop van het plantsoen een grote beeldbepalende waarde heeft. Voorheen had het beeld een soortgelijke plaatsing aan de Bisschop Hamerstraat; van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming van het monument binnen de geschiedenis van de Rooms-Katholieke missie.”
Raymakers had in juli een lijst opgesteld van de aanwezige missionarissen: De Gelderlander 17/7/1900: “In de hachelijke omstandigheden, waarin thans de missiën in het verre oosten verkeeren, is het niet van belang ontbloot, de lijst te geven der Nederl. Missionarissen van Scheut, daar werkzaam.”
In november 1900 blijken de gezellen van Ramakers naar Nederland te zijn teruggekeerd (De Gelderlander 18/11/1900).