
Pal naast de Nijmeegse binnenstad ligt het prachtige natuurgebied van de Stadswaard en de Ooijpolder.
Voor de aanleg van de brug Ooypoort lag de verbinding in de Ooijpolder, bij het oude station.
In de loop der tijd zullen hier artikelen over de Stadswaard en Ooijpolder worden toegevoegd.
De Ooypoort
De Ooypoort verbindt de Waalkade met de Stadswaard/Ooijpolder; de stad met de natuur. Het ontwerp is van Olaf Gipser uit 2013.
Lees Meer
’t Meertje en Woonboten

Het water onder de Ooypoort dat in de Waal uitkomt en waar aan de andere kant woonboten, wordt ’t Meertje genoemd. Oorspronkelijk was ’t Meertje de loop van de Rijn (de Waal bestond nog niet als dusdanig). Vanuit Duitsland liep het onder de stuwwal door en kwam oorspronkelijk uit ter hoogte van de huidige Waalbrug.
Bij de aanleg van de Waalbrug is de uitmonding van ’t Meertje verlegd naar de huidige ligging. Daarbij is een wat grotere inham gegraven, waar nu woonboten liggen. Sinds 2009 heet het water officieel ’t Meertje.
Tegenwoordig is ’t Meertje de afwatering van onder andere de Duffelt en de Ooijpolder via het Hollandsch-Duitsch gemaal.
Bron:
Het Meer (wetering), Wikipedia
De Stadswaard

Sinds 2005 valt de “Stadswaard” onder het beheer van Staatsbosbeheer. Daarbij was de grond van boeren gekocht of geruild met grond dat achter de dijken ligt. De grond was daarbij in gebruik als weidegrond: vrijwel jaarlijks overstroomt dit gebied, zodat het voor andere landbouwtoepassingen sowieso niet geschikt is.
Vanaf dat moment mag het gebied verwilderen. Daarbij zijn Galloway runderen en Konikspaarden uitgezet om het gebied te begrazen (ik weet niet of vanaf 2005 meteen deze rassen zijn ingezet).
Het gebied is tot stand gekomen in een samenwerking tussen provincie Gelderland, de gemeente Nijmegen, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat is daarbij verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en ecologie van de rivier
Recreatie
De Stadswaard wordt gezien als een “voorportaal” van de Ooijpolder door Nijmegenaren. En dat is ook een bewuste keuze van het beheer geweest: daarmee wordt de druk op “andere, ecologisch meer waardevolle natuurgebieden in de Ooijpolder” vermindert. (Duurzame kleiwinning)
Naast wandelgebied is de Stadswaard ook in gebruik door haar Waalstrandjes, waar mensen op mooie dagen zonnebaden. Daardoor is ook een deel van het strandgebied afgezet voor de grote grazers. Ook voor 2005 waren deze stadsstrandjes overigens in gebruik, al dan niet officieel.
Nevengeul ’t Zeumke

In 2016 en 2017 werd in de Stadswaard een nevengeul van 1 kilometer afgegraven, zodat de oude hoogdynamische rivierdynamiek terugkeert (Duurzame kleiwinning). Deze kreeg de naam ’t Zeumke, vernoemd naar een oude waterloop. De opening vond 17 november 2017 plaats.
Een deel van de afgegraven klei is gebruikt om een vluchtplaats voor hoogwater voor grote grazers bij de Vlietberg aan te leggen.
Brug ’t Zeumplankje

’t Zeumplankje is de brug over de uitgegraven nevengeul van de Waal. Het was een ontwerp van ipv Delft: “de voetgangersbrug, die zich karakteriseert als natuurlijke eenvoud: in essentie is het een betonnen plank op nonchalant geplaatste palen. Met landschappelijke charme, uiteraard.” Een brug zonder “poespas”, zodat alle aandacht naar het water en het landschap gaat. Daarbij koos ipv Delft voor een ruwe afwerking van de betonpalen, de houtnerven van de bekisting zijn nog op de randen te zien en het brugdek is alleen opgeruwd om slippen te voorkomen. Ook lijken de palen lukraak geplaatst te zijn.
Overstromingen
Bij het ontwerp is rekening gehouden dat het gebied periodiek overstroomt: het brugdek is licht gebold aan de bovenzijde. Hierdoor kan het water makkelijker passeren als het water stijgt en eveneens wanneer het water later weer zakt. Daarbij heeft de brug geen opstaande randen of goten, zodat water en vuil zich daar verzamelen. Door de materiaalkeuze en ontwerp is de brug vrijwel onderhoudsvrij en zal naar verwachting 80 jaar meegaan.

Op het veerooster zijn stapvlakken in de vorm van wilgenbladeren gemaakt. Deze dragen zowel bij aan de functionaliteit van de brug als de uitstraling.
Ook is de naam van de brug uitgesneden.
Naam ’t Zeumplankje
De naam is bedacht door de 7-jarige Sebastian Sap, die de brug in 2017 ook mocht openen.
(Overige) Bronnen en verder lezen
https://www.gelderlander.nl/nijmegen/brug-t-zeumplankje-in-stadswaard-is-geopend~a7605178/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Ooyse_Schependom
https://web.archive.org/web/20161110171927/http://www.stadswaard.nl/gebied/
https://web.archive.org/web/20170922011634/http://stadswaard.nl/
https://www.samenwerkenaanriviernatuur.nl/overzicht-projecten/waal/stadswaard+nijmegen/default.aspx
Opgezette boomstammen

De bewoners
Konikpaarden

Przewalskipaarden: van 1982-1998
Vanaf 2012 zijn er permanent konikspaarden in het gebied uitgezet. Van 1982-1998 was het een reservaat voor przewalskipaarden. Deze zijn naar Mongolië vervoerd, om de paarden in hun oorspronkelijke gebied weer opnieuw te introduceren.
Koninks
De konik komt oorspronkelijk voor in Polen en Wit-Rusland. Konik (konjiek) betekent in het Pools “paardje” en het is zogenaamd halfwild paard.
Net als wilde paarden zijn koniks klein en hebben ze een zogenaamde “wildkleur”, waardoor hun kleur valer lijkt dan dat deze daadwerkelijk is.
Geen verzorging en gehele jaar buiten
Ze hebben geen verzorging nodig en bovendien kunnen ze (in principe) het gehele jaar buiten blijven. Dit zijn belangrijke redenen dat ze worden ingezet in de begrazing van natuurgebieden.
Feitelijk houden de koniks niet van warmte: ze hebben een vetlaag, daarop een dikke leren huid en tot slot een weelderige vacht. Voor een konik is de ideale temperatuur rond de 4 graden boven nul.
Daarnaast zijn ze vrij van ziekten die “normale” paarden kunnen hebben, iets waarvoor ze speciaal zijn gefokt. Hun karakter is gewillig, rustig en sober.
In 2013 zijn er een aantal konikpaarden naar Bulgarije verplaatst, zodat het aantal paarden op ongeveer 140 te houden.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Ooijpolder
https://nl.wikipedia.org/wiki/Konik
https://www.gelderlander.nl/nijmegen/grote-grazers-voelen-zich-kiplekker-in-polder~a7e9572c/
Runderen


Kerkje Persingen
“Geestelijk centrum van de katholieke verkenners
Over enige maanden is Persingse kerk in oude luister hersteld
(Van onze verslaggever)
Persingen, Febr.- Wanneer ge op een winterse dag de wijde Ooypolder doorkruist, dan wordt ge telkens weer getroffen door dit typisch-Nederlandse landschap. Zo ver het oog reikt, ziet ge niets dan weilanden, met af en toe een boerderij, die als een speelgoedhuisje schijnt neergevlijd in deze onmetelijke vlakte. Eenzaam en welhaast verloren in dit onafzienbare weideland ligt het gehucht Persingen, een kerkje met aan zijn voet een paar boerenhuisjes. Het is derwaarts dat onze tocht voert; we willen ons op de hoogte stellen van de stand der herstelwerkzaamheden aan de St. Joriskapel, die over enige maanden het geestelijk centrum van de katholieke verkennersbeweging van Nederland zal zijn.
Herbouw sacristie en herstel moeten mogelijk worden
Ge kent de voorgeschiedenis in grote lijnen: ge weet hoe het kerkje in de loop der eeuwen steeds meer in verval geraakte en het voortdurend verder verwijderd werd van zijn oorspronkelijke bestemming. Hoe het in de vorige eeuw zelfs tot woonruimte werd verbouwd, waarbij de oorspronkelijke gothische lijn geweld werd aangedaan door het aanbrengen van rechthoekige ramen. Ge herinnert u ook, dat er zelfs vee in gestald werd, dat landbouwgerief er een plaats vond en dan zijn er verder niet veel woorden meer voor nodig om aan te tonen dat dit oudtijds zo fraaie Godshuis in een droevige toestand was geraakt en dat restauratie geen weelde was.
Maar zie, hoe nu dit alles wordt hersteld. Let eens op de intense zorg waarmede dit kleinood zoveel mogelijk in zijn oude staat wordt gerestaureerd. Het doet het hart goed, dat er in deze zo materialistich ingestelde wereld, waarin productiviteit en rationalisme aan de orde van de dag zijn nog belangstelling en financiën zijn voor een object als dit monument, dat straks weer een wellust zal zijn voor het oog, een sieraad in het landschap, waarlijk een huis des Heren.
Is het dan wonder dat de verkennersbeweging met beide handen de gelegenheid om het kerkje in bruikleen te krijgen, heeft aangegrepen en dat men niet heeft gerust vooraleer zekerheid was verkregen dat herstel van dit bedehuis tot stand kon komen.
Het rijk, de provincie en de gemeente Ubbergen wilden daarbij helpen, want ook deze instanties zagen de waarde in van dit historische gebouw uit de dertiende eeuw.
De verkenners hebben zelf ook een duit in het restauratie-zakje gedaan en dan wel door een groot gedeelte van de opbrengst der “Heitje-Karweitje”-actie van vorig jaar te bestedne voor het herstel van het Persingse kerkje, dat nu reeds bekend staat als de St. Joriskapel.
Buitenwerk
Zo kon vorig jaar een begin worden gemaakt met de werkzaamheden. Zowel van buiten als van binnen was er enorm veel werk aan de winkel en hoe kon het ook anders nadat er eeuwen lang van een behoorlijk onderhoud geen sprake was geweest, maar integendeel lukraak gesloopt en vernield was. Het dak moest terdege onder handen genomen worden; de kap die onbeschoten was, met als gevolg dat de minste of geringste storm een aantal pannen oplichtte en meesleurde, moest beschoten gemaakt worden, zodat dit euvel en dat van lekkages uit de wereld geholpen werd. Een volgende stap was het opnieuw ordenen van de pannen, waarbij het lagere deel achter de toren met rode, het hogere deel boven het priesterkoor met blauwe exemplaren werd gedekt, zoals het vroeger ook is geweest. Vervolgens moesten de steunberen worden bijgewerkt en opgehoogd, een secuur en tijdrovend werkje, dat verdiende goed gedaan te worden, daar deze voor een groot deel het aspect van het kerkje bepalen.
Aan het interieur was (en is nog) eveneens veel te doen. In het voorste deel, achter de toren, is een nieuwe zolder van eikenhout gelegd, terwijl het gewelf vanaf de aanrazering tot boven het priesterkoor geheel vernieuwd moest worden. Dit gewelf is thans gereed en nu kan begonnen worden aan het uitbreken van het metselwerk uit de vensters, die van passende glas-in-lood-ramen worden voorzien. Het vrijwel verteerde pleisterwerk van de binnenmuren is verwijderd en wordt vernieuwd. Een laag zand van ongeveer 80 cm hoogte, welke na 1899 in de kerk werd aangebracht om de boeren een veilige vluchtplaats te verschaffen bij overstroming van de Ooypolder, is weer afgegraven. Hierdoor komen de lijnen van het kerkje beter tot uiting, de verhoudingen zijn zuiverder geworden en eerst nu gaat men volkomen beseffen, welk een uitzonderlijk fraai Godshuis deze St. Joriskapel is.
Tekeningen van het interieur beloven een bijzonder smaakvolle inrichting. De vloer wordt belegd met oude Naamse tegels en het priesterkoor, dat 14 cm hoger komt te liggen dan de rest van de kerk, wordt door een fraai smeedijzeren hek met Franse lelies afgesloten. Het sobere, 2 meter lange altaar in tombe-vorm wordt in eenvoudige trant gehouden en zal getooid worden met een smaakvol kruis en dito kandelaars, een kolfje naar de hand van edelsmid Noyons, die ook het tabernakel, de kelk en de ciborie zal vervaardigen.
Uit dit alles kan men geredelijk afleiden, dat niets onbeproefd wordt gelaten om dit kerkje zijn vroegere luister te hergeven. Het architectenbureau van de Irs. Deur en Pouderoyen te Nijmegen staat er met de Beekse aannemer de Wit borg voor dat het herstel met deskundigheid en liefde geschiedt.
Het is echter bijzonder spijtig, dat er voorlopig geen kans schijnt te bestaan op herstel van de toren, waarvan de galmgaten zijn dichtgemetseld. Het schilderachtige aspect dat de kapel straks zal bieden, wordet zeker in niet onbelangrijke mate geweld aangedaan door de afzichtelijkheid van de toren in zijn huidige staat.
Zowel Monumentezorg als de Verkennersbeweging zullen niet mogen rusten eer de middelen gevonden zijn om ook dit onderdeel van de St. Joriskapel in oude luister te herstellen, terwijl wij ook een lans zouden willen breken voor herbouw van de oude sacristie, die rond 1899 werd gesloopt.” (De Gelderlander 27/2/1953)
Foto’s







